Inhoudsopgave Inleiding 4 De gereviseerde taxonomie van Bloom 7



Dovnload 385.87 Kb.
Pagina1/9
Datum21.08.2016
Grootte385.87 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9






Denkvaardigheden

Aisa Amagir

Lenie Kneppers

Harry Westenberg



Inhoudsopgave


Inleiding 4

De gereviseerde taxonomie van Bloom 7

De kennisdimensie 7

De cognitieve procesdimensie 8

Voorbeelden van het gebruik van de gereviseerde taxonomie. 11

Metacognitieve kennis 15

Strategische kennis 15

Kennis over cognitieve taken 16

Zelfkennis 16

Metacognitieve kennis in de klas 18



Motivatie 18

Conclusie 18



Strategieën voor uitvoering van handelingswerkwoorden 20

Strategieën ten behoeve van memoriseren 20

Strategieën ten behoeve van begrijpen, betekenis opbouwen 21

UITLEGGEN verklaren, verhelderen; in eigen woorden vertellen; representeren; vertalen. 26

VOORBEELDEN GEVEN illustreren, concrete gebeurtenis aangeven, abstract gegeven in context plaatsen 31

CLASSIFICEREN categoriseren, ordenen, ergens onder brengen, structureren 34

SAMENVATTEN abstraheren, generaliseren 36

CONCLUDEREN voorspellen 39

VERGELIJKEN verschillen aangeven, overeenkomsten benoemen 39

ONDERBOUWEN construeren met economische modellen, oorzaak/gevolg relaties 45

Strategieën ten behoeve van toepassen, probleem oplossen 50



ANALYSEREN onderscheiden, organiseren en attribueren 51

ONDERSCHEIDEN, selecteren, indelen, focus bepalen 53

ORGANISEREN, samenhang vinden, integreren, schetsen/ontleden, structureren 55

ATTRIBUEREN, deconstrueren 56



EVALUEREN 57

CHECKEN op elkaar afstemmen, ontdekken, testen 57

BEKRITISEREN (be)oordelen 58

ECONOMISCHE KIJK vraagt economische redeneren 63

Inductief redeneren 64

Deductief redeneren 65

ARGUMENTEREN 66

Afbeeldingen 69



CREËREN 70

Instructie voor het leren van strategieën 72

Modeling 72



RECIPROCAL TEACHING 74

LEARNING JOURNALS 75

Literatuur 76


  1. Inleiding


De leerlingen van een klas 5vwo krijgen van hun leraar het volgende probleem voorgelegd:
Figuur 1 De HDI van Zuid Afrika en Vietnam vergeleken met het BBP per hoofd.


Een politicus beweert: Het is misleidend om alleen naar het BBP per hoofd te kijken wanneer men de welvaart tussen landen wil vergelijken.

Onderzoek of deze bewering bij de bovenstaande figuur 1 juist is. Geef de argumenten voor je keuze.
De leerlingen buigen zich over deze vraag.

Maar wat moeten leerlingen eigenlijk weten en kunnen om deze vraag te beantwoorden? Heeft de leraar zich dat wel afgevraagd? Weet hij zeker dat de leerlingen genoeg strategieën in huis hebben om deze vraag aan te pakken? Kunnen ze bewust kiezen voor een strategie?

Laten we bovenstaande eens nagaan. De leerling komt niet ver bij het beantwoorden van deze vraag als hij niet weet wat het HDI is en wat het GPD.

Hij moet begrijpen waar de verschillen tussen deze indexen liggen. Als hij dat niet begrijpt moet hij een strategie kiezen om dit op te zoeken. Nu moet hij de verschillen gaan vergelijken met betrekking tot de gestelde vraag: is het misleidend om alleen naar het BBP te kijken? Welke strategie kan de leerling inzetten om deze vergelijking te maken?

En vervolgens: op grond van welke argumenten uit de vergelijking kan de leerling een conclusie trekken. Heeft de leerling een strategie ter beschikking om de conclusie op basis van de argumenten te trekken?

De leerling moet dan zijn conclusie op basis van de argumenten verwoorden. Heeft de leerling strategieën in huis om dat uit te voeren?


Hoe is de nabespreking van deze opdracht? Komen al deze punten aan de orde of komen alleen de antwoorden ter sprake. Als we het antwoordvel bekijken staat daar: Eigen antwoorden van leerlingen + discussie. Het is niet duidelijk of bovengenoemd punten eveneens besproken worden of alleen de juiste antwoorden met toelichting. Mogelijk komen aspecten van het denkproces aan de orde, maar zeker is dat niet.

Een ander voorbeeld


Opdracht 2.5 De invloed van indirecte belastingen op prijs en hoeveelheid.

De indirecte belastingen die producenten moeten afdragen, berekenen ze door in de prijs. Niet in alle gevallen slagen producenten er echter in de volledige heffing af te wentelen op de consument. De mate waarin deze afwenteling slaagt, hangt onder andere af van de prijselasticiteit van de vraag.
In figuur 2.1 wordt dit toegelicht.



  1. Geef in beide figuren de verandering van de evenwichtsprijs aan als gevolg van de heffing.

  2. Welke conclusie kun je trekken over het verband tussen de mate van afwenteling van een heffing (h) op de prijs en de prijselasticiteit van de vraag? Motiveer je conclusie met behulp van de figuren.

  3. Geef in figuur 2.1 in beide gevallen de opbrengst van de heffing voor de overheid aan.

  4. Geef in figuur 2.1 de omzetten aan ná afdracht van de heffing.

  5. Door welke twee oorzaken is deze omzet in figuur 2.1a kleiner dan in figuur 2.1b? Motiveer je antwoord met behulp van de figuur.

De leraar structureert hier een aantal deelvragen. In wezen wil hij dat de leerling kan verklaren welke invloed prijselasticiteit heeft op de mogelijkheid voor een producent om belastingheffing af te wentelen op de consument. Hij kiest daarvoor een oplospad in 5 stappen.


De deelvragen zijn dus behulpzaam en kunnen meehelpen het doel dat de leraar voor ogen heeft te bereiken. Maar voor elke deelvraag heeft de leerling kennis nodig, moet hij die goed begrijpen, moet hij over procedures beschikken, waarvoor hij weer strategieën nodig heeft enz. enz. Kies maar eens een deelvraag en ga na wat er allemaal van de leerling wordt verwacht.


  1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina