Inhoudsopgave voorwoord 1 Samenvatting 2



Dovnload 159.07 Kb.
Pagina2/9
Datum22.07.2016
Grootte159.07 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

1.Inleiding




1.1 Aanleiding


De beelden van de aanslag op de Twin Towers op 11 september 2001 staan in ieders geheugen gegrift. Het is duidelijk geworden dat de westerse samenleving een doelwit is voor terroristische aanslagen. Een nieuw type oorlog is gaande. De koude oorlog is beëindigd en een nieuwe vijand is opgestaan. De aanslag op de Twin Towers leek ver weg maar de aanslagen in Madrid op 11 maart 2004 en in de Londense metro op 7 en 21 juli 2005 maakten de dreiging voor West-Europa duidelijk. Ook Nederland kan het doelwit worden van dergelijke aanslagen.
Vanuit de maatschappij wordt thans sterke druk uitgeoefend op de politiek om met passende maatregelen te komen om terroristische aanslagen te voorkomen. Zowel op nationaal als op internationaal niveau zijn al veel maatregelen genomen die erop gericht zijn om terroristische aanslagen te voorkomen. In navolging van andere landen heeft Nederland een alerteringssysteem ontwikkeld. Daarnaast er is fors geïnvesteerd in de capaciteit van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de informatie-uitwisseling tussen de inlichtingen- en opsporingsdiensten op nationaal en internationaal niveau is verbeterd.
Ook is er veel wetgeving ontwikkeld om terrorisme beter te kunnen bestrijden en daders te kunnen vervolgen. Alle maatregelen ten spijt is het ook duidelijk geworden dat niet alle aanslagen te voorkomen zijn. Maar ook dan wordt van de overheid verwacht dat zij adequaat kan optreden om de gevolgen van een terroristische aanslag zoveel mogelijk te beperken. Stelt dit stelt ook nadere eisen aan de voorbereiding op dit soort incidenten door de verschillende hulpverleningsdiensten?

1.2. Centrale vraag


In Nederland worden op dit moment achttien ramptypen onderscheiden1 (zie voor verdere uitwerking paragraaf 3.2). Binnen een ramptype worden verschillende groottes (met in omvang verschillende hulpvraag) onderscheiden. De vraag is of met de bestaande typering van de verschillende ramptypen de hulpverleningsdiensten zich adequaat hebben voorbereid op de gevolgen van terroristische aanslagen. Het College Commandanten Regionale Brandweren (CCRB) is van mening dat dit inderdaad het geval is en beschouwt terrorisme niets anders dan een ramp met dader(s). Misschien is dit toch een te eenvoudige voorstelling van zaken.
De centrale vraag in deze scriptie luidt dan ook:
In hoeverre is het noodzakelijk dat een apart ramptype wordt vastgesteld voor het bestrijden van de gevolgen van terrorisme?
Omdat volgens de Wet rampen en Zware Ongevallen (WRZO)2 de brandweer een spilfunctie heeft bij de bestrijding van rampen (tenzij het bevoegd gezag anders beslist), wordt de onderzoeksvraag toegespitst op de brandweerorganisatie. Daar waar nodig zal in deze scriptie ook kort worden ingegaan op overige hulpverleningsdiensten.
Naar aanleiding van de centrale vraag kunnen de volgende deelvragen worden geformuleerd:


  1. Welke ramptypen worden op dit moment onderscheiden?

  2. Welke scenario’s worden hierbij gehanteerd?

  3. Wat is terrorisme?

  4. Welke scenario’s worden hierbij gehanteerd?

  5. Wat zijn de overeenkomsten en verschillen tussen terrorisme en overige ramptypen (operationele, bestuurlijke en maatschappelijke invalshoek)?

Om de centrale vraag te kunnen beantwoorden zal gebruik gemaakt worden van de grondslagen van het scenariodenken en van de theorieën van Wildavsky3 en Quarantelli4.



1.3. Onderzoeksmethode


Voor het verzamelen van materiaal voor het schrijven van deze scriptie is gebruik gemaakt van literatuuronderzoek via het internet. Hierbij zijn de websites van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Justitie bezocht en doorzocht en daarnaast is via Google aan de hand van trefwoorden het internet afgezocht.
Ook zijn er diverse mensen uit de verschillende (landelijke) werk- en projectgroepen zoals het project Tanira (dit is een afkorting van Terroristische Aanslag Nederland; Integrale Respons Aanscherping) geïnterviewd. Zie voor een opsommende lijst bijlage 1. Tevens werden verschillende instanties bezocht waaronder het Landelijk Operationeel Coördinatie Centrum (LOCC), het Bureau Calamiteiten en Crisisbeheersing (BCCB) van de regionale politie Utrecht, de Veiligheidsregio Utrecht (VRU), de brandweer Utrecht, de brandweer Amsterdam, de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, de voorzitter van het College Commandanten Regionale Brandweren en de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR). Daarnaast is ook relevante literatuur uit de MCDM-opleiding bestudeerd.

1.4. Afbakening


Om de centrale vraag te kunnen beantwoorden zal een vergelijking gemaakt worden tussen terrorisme en de overige ramptypen. Zo’n vergelijking kan uit zeer veel verschillende invalshoeken gemaakt worden. In deze scriptie is er voor gekozen de vergelijking te beperken tot een operationele, bestuurlijke en maatschappelijke invalshoek.
Omdat de bestrijding van calamiteiten in het algemeen een adequate voorbereiding van de operationele diensten vergt en er altijd bestuurlijke implicaties zijn, is de keuze voor een operationele en bestuurlijke invalshoek bij een vergelijking tussen terrorisme en de overige ramptypen haast van zelfsprekend. De maatschappelijke invalshoek is gekozen omdat een terroristische aanslag opzettelijk een verstoring van de maatschappij tot doel heeft. Dit in tegenstelling tot andere ramptypen die weliswaar ook tot een ontwrichting van de maatschappij kunnen leiden maar dit niet als vooropgezet doel hebben.

1.5. Leeswijzer


In hoofdstuk 2 wordt het theoretisch kader aangegeven, hierin komen het scenariodenken en de theorieën van Wildavsky over veerkracht en anticipatie en de criteria van Quarantelli om te bepalen in hoeverre een organisatie is voorbereid op rampen aan de orde. In hoofdstuk 3 komt rampenbestrijding aan de orde aan de hand van de Leidraad Maatramp en de Leidraad Operationele Prestaties. Hoofdstuk 4 gaat in op het verschijnsel terrorisme, het Nederlandse beleid en de scenario’s die hierbij gehanteerd worden. In hoofdstuk 5 wordt een vergelijking gemaakt tussen de ‘normale’ rampenbestrijdingsprocessen en die bij terroristische aanslagen vanuit een operationele, bestuurlijke en maatschappelijke invalshoek en wordt de voorbereiding getoetst aan de inzichten van Wildavsky en Quarantelli. In hoofdstuk 6 volgt de beantwoording van de centrale vraag. De scriptie sluit af met enkele bevindingen die niet rechtstreeks te maken hebben met de beantwoording van de centrale vraag maar wellicht aanleiding kunnen vormen tot vervolgonderzoek.


1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina