Inhoudsopgave voorwoord 1 Samenvatting 2



Dovnload 159.07 Kb.
Pagina7/9
Datum22.07.2016
Grootte159.07 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

5.Nadere Vergelijking ‘normale’ ramptypen en terroristische aanslagen




5.1. Inleiding


Zoals aangekondigd zal in dit hoofdstuk een nadere vergelijking plaatsvinden tussen de ‘normale’ ramptypen en die bij terroristische aanslagen. In het vorige hoofdstuk is vooral gekeken naar of er verschillen zijn op het vlak van de directe effecten. In dit hoofdstuk is gekozen voor een vergelijking vanuit een drietal invalshoeken: een operationele, een bestuurlijke en een maatschappelijke invalshoek (zie paragraaf 1.4 “afbakening”). De inzichten van Wildavsky23 en Quarantelli24 zullen hierbij worden betrokken.

5.2. Het scenario terroristische aanslag


Om de ‘normale’ ramptypen met terroristische aanslagen te kunnen vergelijken wordt allereerst het scenario terroristische aanslag, zoals beschreven in paragraaf 4.2, getoetst aan het theoretisch kader van deze scriptie.
De definitie van een scenario in paragraaf 2.2 luidt:

Een scenario is een veronderstelde of geplande loop van gebeurtenissen. Het is een samenstel van gebeurtenissen, waarvan de belangrijkste, allesbepalende gebeurtenis (scène) wordt gevormd door een incident of calamiteit, dat oorzaak- en gevolggebeurtenissen kent. Veranderingen in de oorzaak kunnen rigoureuze consequenties hebben voor de gevolgen.”


Het scenario terroristische aanslag voldoet aan deze definitie, omdat het laten ontploffen van een of meerdere bommen, in dit geval de alles bepalende gebeurtenis is die oorzaak- (het tot ontploffing brengen) en gevolggebeurtenissen (grote aantallen slachtoffers, zware schade) kent. Als het niet een bom is die ontploft maar bv. een aanslag met biologische wapens is er sprake van een verandering die rigoureuze consequenties heeft voor de gevolgen.
Daarnaast voldoet het gekozen scenario aan de volgende criteria van Quarantelli:

  • Baseer de preparatie op het meest waarschijnlijke scenario(s).
    Het gekozen scenario is afgeleid van recente aanslagen van Madrid en Londen en voldoet daarmee aan dit criterium.




  • Het bestrijden van de gevolgen van rampen is qua omvang en complexiteit zowel kwalitatief als kwantitatief anders dan bij normale incidenten.

Quarantelli gaat ervan uit dat een ramp kwalitatief van een andere orde is. Dit heeft te maken het feit dat er vele organisaties bij betrokken zijn waardoor een ramp veel complexer is. Ook de bestuurlijke verhoudingen zijn anders en bepalen in grote mate het optreden van de hulpverleningsdiensten. Door aparte scenario’s te ontwikkelen wordt voldaan aan dit criterium.
Het gekozen scenario kan dus in beginsel dienen als basis voor de uitwerking naar een ramptype terreur conform de systematiek van de Leidraad Maatramp en Leidraad Operationele Prestaties waarmee inzicht wordt verkregen wat er nodig is en wat er beschikbaar is. Het verkleinen van het verschil tussen capaciteitsvraag en aanbod kan op verschillende manieren zoals het hulpverleningspotentieel verhogen, het risico op een aanslag te verminderen of preventieve maatregelen te nemen. Dit zijn voorbeelden van wat in de theorieën van Wildavsky anticipatie wordt genoemd. Andere mogelijkheden zoals het aanwezige potentieel beter op elkaar afstemmen en bijstandverlening beter organiseren zijn voorbeelden van wat Wildavsky veerkrachtstrategie noemt.
Tijdens de interviews die zijn gehouden in het kader van deze scriptie gaven sommigen aan dat zij van mening zijn dat terroristische aanslagen in Nederland zo divers kunnen zijn dat het ontwikkelen van een maatscenario hiervoor niet mogelijk is. Zij zijn derhalve van mening dat de achttien reeds beschreven ramptypen voldoende zijn.
Dit strookt niet met de zienswijze van Quarantelli die stelt:

  • Baseer de preparatie op het/(de) meest waarschijnlijke scenario(s) omdat de neiging bestaat om zoveel mogelijk met alles rekening te houden in plaats van wat realistisch is.
    Door de recente aanslagen in Madrid en Londen als uitgangspunt te nemen wordt voldaan aan deze zienswijze van Quarantelli.



5.3. Operationele invalshoek


Uitgaande van het ramptype terreur zoals is weergegeven in paragraaf 4.3 lijken de gevolgen van een terroristische aanslag sterk op effecten van andere ramptypen zoals een instorting van gebouw, brand in een gebouw of op verkeersongevallen met bv. treinen als het gaat om de operationele aspecten. Er is sprake van een groot aantal slachtoffers, gewonden, mogelijk verdere instortingsgevaar en een slechte bereikbaarheid van het rampterrein. Er moet door de brandweer worden gered, verder gevaar worden voorkomen en geblust25. Er moet nauw worden samengewerkt met de overige hulpverleningsdiensten en de gemeente. Vaak is het ook niet meteen duidelijk dat het om een terroristische aanslag gaat.
Maar er zijn ook verschillen. Hoewel het redden van slachtoffers de hoogste prioriteit heeft zijn kan voor de politie een snelle start met het technisch sporenonderzoek ook van groot belang zijn. Daarnaast kan de dader zich onder de slachtoffers bevinden en is het ook mogelijk dat er nog een bom kan ontploffen. Om de impact van een aanslag zo groot mogelijk te laten zijn zullen ook de eventuele aanwezige veiligheidsystemen zoveel als mogelijk onklaar gemaakt zijn.

Zoals al gesteld kunnen in het rampgebied (nog) niet ontplofte explosieven aanwezig zijn. Ook kunnen allerlei veiligheidsystemen onklaar gemaakt zijn. Het veilig stellen van het rampterrein heeft derhalve nog een grotere prioriteit dan bij andere ramptypen. De regionale brandweer heeft geen materiaal of expertise om explosieven te detecteren. Om risico’s van volgende explosies uit te sluiten, is een bomcheck van het rampgebied nodig.


De politie heeft beschikking over een Team Explosievenveiligheid en zal dit team inzetten om het rampgebied te controleren op aanwezige explosieven. Er zullen daarom met de regiopolitie in casu de Teamleider Explosievenveiligheid (TEV) afspraken moeten worden gemaakt over de opkomsttijd en de verrichting van gezamenlijke werkzaamheden. Deze bomcheck zal echter in het algemeen niet binnen het eerste half uur na een onverwachte aanslag verricht kunnen worden.Belangrijk is in deze situatie wel dat brandweerpersoneel en slachtoffers niet langer dan strikt noodzakelijk in het onveilige gebied aanwezig zijn. Dit betekent dat de brandweer ‘grijpredding’ zal toepassen, dat wil zeggen dat slachtoffers zo snel mogelijk door brandweerpersoneel naar veilig gebied zullen worden gebracht. Dit in contrast met de normale procedure26 waar zo mogelijk slachtoffers op de plaats incident worden gestabiliseerd. Vanuit medisch oogpunt gezien kan dit suboptimaal handelen betekenen en vereist ook aanpassingen in de processen van de geneeskundige keten. Dodelijke slachtoffers worden in ieder geval niet geborgen in deze eerste fase.
De ervaringen met de aanslagen op het spoorvervoer in Madrid en Londen maken duidelijk dat geen enkele regio in Nederland een aanslag van dit kaliber zelfstandig aan kan. Interregionale bijstand op grote schaal zal noodzakelijk blijken, vooral op het gebied van de geneeskundige hulpverlening, maar ook bij de brandweer en politie. Aangezien het scenario ook uitgaat van een terroristische aanslag op verschillende plaatsen tegelijkertijd of kort na elkaar zullen andere regio’s geen mensen en middelen beschikbaar hebben of deze zelf achter de hand willen houden. De hulpdiensten in de getroffen regio zullen zelf dus een aanzienlijke grotere capaciteit moeten leveren. De vraag is of de hulpverleningsdiensten voldoende reservecapaciteit hebben. Daarnaast zal naar verwachting de infrastructuur van het mobiele telefoonverkeer overbelast raken. Hierdoor zal het calamiteiten nummer 112 slecht bereikbaar zijn. De eventuele optredende overige incidenten in Nederland worden als gevolg daarvan later dan normaal gemeld. Dit zal gemiddeld leiden tot grotere incidenten.
Voor de politie geldt dat ze naast het rampterrein of rampterreinen zelf ook op andere plaatsen capaciteit moet in zetten bv. om onlusten tussen verschillende bevolkingsgroepen te voorkomen of te beperken. Voor dit doel kan ook het leger worden ingezet maar dit heeft als nadeel dat het enige tijd duurt voordat zij operationeel zijn.
Voor de geneeskundige hulpverlening geldt dat de grenzen van de capaciteit al snel bereikt zullen zijn. Incidenten in Enschede27 en Volendam28 hebben dit al aangetoond. Naar verwachting zal bij een terroristische aanslag dit in versterkte mate het geval zijn omdat recente aanslagen voornamelijk op de zogenaamde ‘soft targets’ hebben plaats gevonden. Hierdoor zijn veel slachtoffers te verwachten De geneeskundige hulpverlening dient hier wel voorbereid te zijn. Dit houdt ondermeer in, een veel scherpere triage op het rampterrein en een snelle afvoer van gewonden naar andere plaatsen waar ze vervolgens verder worden gestabiliseerd. Dit in tegenstelling tot het principe van het ‘gouden uur’ waarbij het slachtoffer op of bij plaats incident eerst gestabiliseerd wordt voordat deze vervoerd wordt naar een ziekenhuis.
Voor de brandweer geldt dat zij ten opzichte van de overige hulpverleningsdiensten veel mensen en middelen ter beschikking heeft maar dat hier ook de restdekking een rol speelt. Naast deze restdekking speelt ook de op handen zijnde regionalisering29 een belangrijke rol bij de beschikbare capaciteit van de brandweer. In de aanloop naar een verdere regionalisering zijn of worden in alle brandweerregio’s repressieve dekkingsplannen opgesteld op basis van geldende zorgnormen en maatgevende scenario’s. Terroristische aanslagen worden hierin niet als scenario meegenomen.

De dekkingsplannen hebben als voornaamste uitgangspunt doelmatiger brandweerzorg tegen verantwoorde kosten. In de praktijk komt het neer op het wegsnijden van niet noodzakelijke overcapaciteit. Landelijk is het benodigde aantal brandweercompagnieën30 sinds het einde van de koude oorlog al sterk ingekrompen en ook per regio hoeft dus minder potentieel te worden geleverd. Gemeenten hebben in het huidige bezuinigingstijdperk met het regionaal dekkingsplan in de hand een goed instrument in handen om te besluiten dat het aantal tankautospuiten kan verminderen of dat één of meer brandweerposten gesloten kunnen worden. Deze trend is landelijk al enige tijd zichtbaar. Het dekkingsplan geeft aan dat dit verantwoord kan, zonder dat de zorgnorm in gevaar komt. Onder normale omstandigheden levert dit geen problemen op, omdat met regionale en interregionale bijstand voor vrijwel alle denkbare ramptypen in voldoende capaciteit kan worden voorzien. Maar in gevallen waarin niet of maar zeer beperkt op (inter)regionale bijstand kan worden gerekend zoals bij een terroristische aanslag zou dit wel tot problemen kunnen. Dit fenomeen zou overigens ook kunnen optreden bij een grote natuurramp op nationaal niveau zoals een extreem zware storm of overstroming. De vraag is dus of we daarvoor als brandweer voldoende reservecapaciteit overhouden.


Het is in mijn ogen noodzakelijk dat bij het opstellen van regionale dekkingsplannen en het bepalen van de benodigde capaciteit meer aandacht moet zijn voor extremen waarbij we niet op onze normale bijstandsplannen kunnen vertrouwen. De veerkrachtstrategie van Wildavsky is in die gevallen onvoldoende. Dit is ook in lijn met het criterium van Quarantelli: “Het bestrijden van de gevolgen van rampen zijn qua omvang en complexiteit zowel kwalitatief als kwantitatief anders dan bij normale incidenten.” De regionale dekkingsplannen kennen een te eenzijdige aandacht voor de normale incidenten waarop vervolgens de benodigde capaciteit gebaseerd.


1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina