Inhoudsopgave Voorwoord 6 1 Inleiding 8



Dovnload 2.65 Mb.
Pagina25/29
Datum22.07.2016
Grootte2.65 Mb.
1   ...   21   22   23   24   25   26   27   28   29

9 Doelmatigheidsonderzoeken bij basis- en muloscholen




9.1 Inleiding

De reguliere controlewerkzaamheden van de Rekenkamer bestonden tot en met 2006 voornamelijk uit rechtmatigheidsonderzoeken. De traditionele methode van controlewerkzaamheden werd in 2007 voor het overgrote deel vervangen door één gebaseerd op voornamelijk auditprogrammering, met het accent op rechtmatigheidsonderzoek. Conform de planning van de Rekenkamer werd de ontwikkeling met auditprogramma’s in 2008 voortgezet met het zoveel mogelijk completeren van rechtmatigheids-onderzoeken alsmede de introductie van doelmatigheidsonderzoeken.


Met de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling en zijn staf werden in de tweede helft van april 2008 drie maal gesprekken gevoerd inzake de aanvang van doelmatigheidsonderzoeken. De onder-zoeken zijn van belang omdat:


  • het institutioneel versterken van de voornaamste natuurlijke hulpbron van Suriname zo doelmatig mogelijk dient te geschieden;

  • het Directoraat Onderwijs de zorg heeft voor ruim 25% van het totaal budget aan salarissen bij de overheid;

  • het Directoraat Onderwijs de zorg heeft voor bijna 25% van het ambtenarenapparaat;

  • periodieke doelmatigheidsmetingen informatie beschikbaar stelt voor het beheersen en besturen casu quo bijsturen van het onderwijsproces;

  • de resultaten van de periodieke metingen gehanteerd kunnen worden voor het systematisch verbeteren van zowel de micro- als de macrobeleidsprestaties.

Omdat bij onderwijs de budgetten van de scholen een gegeven zijn, is voor wat de onderzoek-me-thode betreft uitgegaan van een “outputoriëntatie”; met andere woorden werd nagegaan in hoeverre -- gegeven het budget -- betere prestaties van de bedrijfsvoering verwezenlijkt hadden kunnen worden. Qua techniek werd daarbij de maat voor (on)doelmatigheid van de prestaties bepaald aan de hand van de “score” ten opzichte van een referentiekader, de “beste praktijk”; de school die gegeven de gebruikte middelen, de beste beleidsprestaties leverde.


Het uitgangspunt bij de onderzoeken was dat de scholen worden gezien als organisaties, die belast zijn met de realisatie van een organisatiedoel, namelijk het binnen een bepaald aantal jaren afleveren van geslaagden. Zo is het organisatiedoel -- het hoofddoel casu quo beleidsdoel -- van een mulo-school het binnen 4 jaren afleveren van geslaagden. Het afleveren van geslaagden ná vijf of meer jaren wordt beschouwd als een subdoel, dat ten opzichte van het organisatiedoel met meer middelen (dus ondoelmatiger) wordt bereikt.
Omdat het beleid uitgaat van “geslaagden binnen vier jaren”, is dit een “beleidsprestatie”. De beleids-prestaties bij de muloscholen zijn vergelijkbaar omdat het resultaten zijn van deelnamen aan een (zelfde) staatsexamen. Door nu een relatie te leggen tussen het (hoofd)doel, de (beleids)prestatie en de middelen, worden doelmatigheidscores verkregen, die een gezonde basis vormen voor beleids-beslissingen en met name het (bij)sturen van de beleidsuitvoering.
Er zijn in 2008 in totaal 4 doelmatigheidsonderzoeken gepleegd en wel:

  1. onderzoek naar de doelmatigheid van bedrijfsvoering bij basisscholen in het schooljaar 2006/2007;

  2. onderzoek naar de doelmatigheid van bedrijfsvoering bij basisscholen in het schooljaar 2007/2008;

  3. onderzoek naar de doelmatigheid van bedrijfsvoering bij muloscholen in het schooljaar 2006/2007;

  4. onderzoek naar de doelmatigheid van bedrijfsvoering bij muloscholen in het schooljaar 2007/2008.

Van de onderzoeken zijn telkens aparte verslagen uitgebracht, die bij de Rekenkamer beschikbaar zijn. In het onderhavige verslag wordt volstaan met een samenvatting van bovengenoemde ver-slagen.



9.2 Samenvatting van de onderzoeken

Doelmatigheid veronderstelt altijd een vergelijking, waarbij vergelijkingsmaatstaven zoals effecten, prestaties, middelen en kwaliteiten gebruikt kunnen worden. Bekend zijn:




  1. doelmatigheid van beleid waarbij beleidseffecten met elkaar vergeleken worden en

  2. doelmatigheid van bedrijfsvoering met vergelijkingen van beleidsprestaties.

Het vergelijken is geen doel op zich maar een middel om zaken zichtbaar te maken en gaandeweg maatstaven te ontwikkelen voor een goed management per deelorganisatie (school).


De door de Rekenkamer in 2008 uitgevoerde onderzoeken betroffen onderzoeken naar de doel-matigheid van de bedrijfsvoering op ruim 300 basis- en 60 muloscholen in Suriname in de schooljaren 2006/2007 en 2007/2008. Bij de onderzoeken werd een school beschouwd als een organisatie met een organisatiedoel, het hoofddoel of beleidsdoel waarvoor de school in het leven is geroepen.
Tabel 61: Verloop van het landelijk slagingspercentage naar toetsjaar over de periode 1997 - 2008

Toets-

jaar

Lgem




Toets-

jaar

Lgem




Toets-

jaar

Lgem

1997

53,3




2001

56,9




2005

56,8

1998

45,4




2002

55,5




2006

50,5

1999

52,8




2003

52,8




2007

50,0

2000

53,8




2004

56,2




2008

58,6

Bron: Inspectie Basisonderwijs

Legenda:

Lgem = landelijk gemiddelde


Figuur 15: Verloop van het landelijk slagingspercentage naar toetsjaar over de periode 1997 – 2008

Bron: Tabel 61


Het slagen voor het mulo hanteert het MINOV als hoofddoel voor de basisscholen (figuur 15). Op grond hiervan worden reeds decennia lang, prestaties van basisscholen aan de surinaamse gemeen-schap voorgehouden, die slechts het slagen voor het mulo betreffen. Uiteraard moet de school naast het hoofddoel ook andere doeleinden realiseren, die qua doelmatigheid gezien worden als subdoel-einden. Zo zal de school ook de “zittenblijvers” klaarstomen voor een succesvolle toets, terwijl leer-lingen mede op basis van de toetsresultaten kunnen kiezen voor een andere opleiding dan het mulo.
De Rekenkamer houdt onder meer toezicht op een doelmatige besteding van staatsgelden, die beschikbaar worden gesteld aan het MINOV. In dit kader onderzocht de Rekenkamer de relatie “doel,

middelen en prestatie”. Teneinde de doelmatigheid van de bestedingen op de ruim 300 basisscholen te kunnen vaststellen heeft de Rekenkamer niet gekozen voor de slagingspercentages, die jaarlijks door het MINOV en de media voorgeschoteld worden, omdat in die percentages ook de geslaagden na 7, 8 en 9 jaren zijn opgenomen. Gekozen werd derhalve voor een vergelijkingsmaatstaf voor alle ruim 300 scholen, namelijk het (relatieve) aantal geslaagden binnen 6 jaar. De geslaagden na 7 jaar en meer kunnen niet samengevoegd worden met de geslaagden binnen 6 jaren, vermits er voor die geslaagden meer middelen zijn ingezet dan voor de geslaagden binnen 6 jaren. Op grond hiervan werden de geslaagden voor de toets, in het onderzoek, verdeeld in de volgende drie groepen:


NB: - LLA: leerlingen die het GLO zonder doubleren hebben afgerond voor het MULO;

- LLB: leerlingen die het GLO met 1X doubleren hebben afgerond voor het MULO;

- LLC: leerlingen die het GLO met meer dan 1X doubleren hebben afgerond voor het MULO.
Figuur 16: Verloop van het gemiddeld slagingspercentage en de gemiddelde beleidsprestatie van de toets 2008 naar onderwijsressort

Bron: Inspectie Basisonderwijs



Legenda:

SL% = gemiddeld slagingspercentage

LLA% = gemiddelde relatieve beleidsprestatie
Hiermede werd niet slechts een andere manier van “kritisch kijken” naar de schoolresultaten geïn-troduceerd, tevens werd een vergelijkingsmaatstaf voor beleidsprestaties aangelegd, een maatstaf welke essentieel is bij het onderzoek naar doelmatigheid. Een meetmethode die de verspilling in het onderwijssysteem (figuur 16; verschil tussen SL% en LLA%) beter benadert en zichtbaar maakt.
Figuur 17: Verloop van de gemiddelde slagingspercentages van de toets 2007 en 2008 per ressort

Bron: Inspectie Basisonderwijs



Legenda:

SL% = gemiddeld slagingspercentage


De Rekenkamer heeft zich in de verslagen van de onderzoeken niet beperkt tot de LLA-prestaties maar ook vergelijkingen gemaakt met de slagings- en andere prestaties (figuren 16 t/m 18) van de

onderhavige schooljaren. Het doel hiervan is/was dat de Rekenkamer, naast de uitoefening van toezicht op de besteding van staatsgelden, die beschikbaar worden gesteld ten behoeve van het Directoraat Onderwijs, wenst mee te werken aan het systematisch verbeteren van schoolresultaten, middels het ontwikkelen van een methode van jaarlijkse doelmatigheidsmetingen.


Figuur 18: Verloop van de gemiddelde relatieve beleidsprestaties 2007 en 2008 per ressort

Bron: Inspectie Basisonderwijs



Legenda:

LLA% = gemiddelde relatieve beleidsprestaties


Deze metingen stellen immers bruikbare informatie ter beschikking voor de noodzakelijke periodieke evaluaties en bijsturingsactiviteiten van beleid en of beleidsuitvoering, welke uiteindelijk kunnen leiden tot het maximaliseren van de ontwikkingsmogelijkheden van de komende generaties.
In dit kader is het dan ook gepast hier te vermelden, dat de Inspectie Basisonderwijs in staat was om binnen 3 weken ná het bekend worden van de toetsresultaten 2008, de verdeling van die resultaten in LLA, LLB en LLC aan de Rekenkamer aan te bieden. Dit betekent dat deze inspectie reeds de vaardigheid heeft tot het verzamelen en verwerken van gegevens tot bruikbare informatie voor het zowel centraal als decentraal besturen casu quo bijsturen van de relevante beleidsuitvoering. In tegenstelling tot deze performance deelde de Inspectie VOJ ons mede niet over dezefde soort gegevens, betreffende het schooljaar 2007 – 2008, te beschikken. De Rekenkamer nam daarmede geen genoegen en maakte, ter verkrijging van de gewenste gegevens, zelf kontakt met de bestaande 65 muloscholen.
De Rekenkamer ontkomt niet aan de indruk dat aan “inspectie” bij onderwijs een verkeerde inhoud wordt gegeven. De opgedane ervaringen tijdens de onderzoeken leren, dat er bij de inspectie-appa-raten, naast onderwijstechnisch onderzoek en dito begeleiding, geen statistische controle van het onderwijsproces plaatsvindt. De resultaten van de totnogtoe gedane onderzoeken maken overdui-delijk, dat voor het verbeteren van de resultaten er in elk geval een accentverlegging noodzakelijk is van productinspectie naar procesbeheersing. De inspectie moet niet zozeer onderwijspolitie zijn maar in eerste instantie het onderwijsproces gaan beheersen en helpen begeleiden. Hiertoe zullen, waar nodig, de vereiste vaardigheden (met name managementvaardigheden) aan de medewerkers moeten worden bijgebracht.
Ook de leiding van de scholen behoeft managementvaardigheden ten behoeve van een ander-soortige bedrijfsvoering op de scholen. Het vanuit een centraalpunt leiding geven aan bijvoorbeeld ruim 300 basisscholen in geheel Suriname heeft de afgelopen twee decennia geen goede resultaten (figuur 15) opgeleverd en moet dringend plaatsmaken voor een andere aanpak van zaken.

Tabel 62: Verdeling van de basisscholen naar klasse van doelmatigheidsscore

Klasse

Abs

%

Cum %

0,00 - 0,09

116

38,0

38,0

0,10 - 0,19

68

22,3

60,3

0,20 - 0,29

49

16,1

76,4

0,30 - 0,39

28

9,2

85,6

0,40 - 0,49

14

4,6

90,2

0,50 - 0,59

14

4,6

94,6

≥ 0,60

16

5,2

100,0

Totalen

305

100,0

 


Figuur 19: Procentuele weergave van het aantal basisscholen naar klasse van doelmatigheid


Het voordeel van doelmatigheidsscores is het tegelijk presenteren van goed en slecht nieuws (tabel 62 en figuur 19). Alle scholen worden niet over één kam geschoren. Wie het goed doet wordt gunstig beoordeeld en wie het niet goed doet krijgt een extra stimulans om zich te beteren. Het gevaar van het slechts werken met gemiddelden is de kans lopen, geen of minder aandacht te schenken aan vooral lage prestaties.
Ook het samenvoegen van LLA, LLB en LLC houdt een gevaar in namelijk het tevreden zijn met het slagingspercentage en het verschuiven van het accent van LLA naar de samenvoeging. Zo is in het MOP 2006 – 2011 opgenomen een streven naar het verhogen van het slagingspercentage op de basisscholen van 55% naar 58% in 2008. Dit percentage is daadwerkelijk gehaald, echter zijn de verschillen tussen de slagings- en de LLA-percentages over de gehele linie te groot (figuur 16), hetgeen ook in het schooljaar 2006 – 2007 het geval was.
Tabel 63/Figuur 20: Slagingspercentage van het mulo per examenjaar; periode 2001 - 2008

Jaar


Slagingspercentage

























direct

na her ex.






















2001

45,1

53,3






















2002

44,1

53,8






















2003

50,9

59,5






















2004

49,2

55,9






















2005

46,3

54,1






















2006

45,6

53,3






















2007

44,1

52,7






















2008

44,8

53,5






















Bron Examenbureau






















Ook bij de muloscholen was er sprake van een kleine positieve verbetering van de resultaten van het schooljaar 2007/2008 ten opzichte van het schooljaar 2006/2007, welke vooral het gevolg was van de betere individuele prestaties van enkele en met name de bijzondere scholen. De structuur van de resultaten is echter in principe dezelfde. Het gemiddeld landelijk LLA-percentage (percentage van leerlingen die het mulo zonder doubleren hebben afgemaakt) steeg van 30,9 in 2007 naar 35,1 in 2008. Het laagste slagingspercentage bij de openbare muloscholen was 17,9 in 2008 en bij de bijzondere scholen 34,7. De hoogste percentages waren respectievelijk 88,2 en 100.
Het laagste LLA-percentage van 2008 was 5,1 en het hoogste 67,7 (bij openbare scholen was dat respectievelijk 5,1 en 66,7 terwijl de bijzondere scholen respectievelijk 20,4 en 67,7 scoorden).
Figuur 21: Procentuele weergave van het aantal muloscholen naar klasse van doelmatigheid


Doelmatigheidsscores (tabel 55 en figuren 19 en 21) geven aan hoeveel ruimte scholen hebben om gegeven de middelen, betere prestaties te leveren. Het is een “managementinstrument” dat zowel verticale als horizontale verantwoording bevordert. Een instrument dat het interactief invullen van beleid door lagere organisatie-eenheden (scholen) blootlegt. Het MINOV zal echter niets aan het instrument hebben, indien niet naar de oorzaken van de slechte prestaties wordt gezocht en doel-bewust, systematisch en continu wordt gewerkt naar voor Suriname acceptabele outputs.
Bij de basisscholen waren de resultaten van het schooljaar 2007/2008 ten opzichte van die van het schooljaar 2006/2007 enigszins verbeterd (tabel 65 en figuren 15, 17 en 18), echter zijn het nog niet de resultaten die in Suriname als acceptabel beschouwd kunnen worden. Het aantal basisscholen met een beleidsprestatie van 0,0 -- nul geslaagden binnen 6 jaren -- was teruggevallen van 67 in 2007 naar 60 in 2008, echter kunnen dergelijke prestaties onder geen beding goedgevonden worden. Het aantal scholen dat zowel in 2007 als in 2008 een score van 0,0 beleidprestaties hadden was 39 (ca. 12,5% van het totaal). Met andere woorden was door de hier bedoelde 39 scholen al twee jaren lang, tegenover de beschikbaar gestelde middelen, geen enkele beleidsprestatie geleverd, waardoor ook een doelmatigheidsscore van 0,0 werd gehaald. Nader onderzoek wees uit dat de hierbedoelde 39 basisscholen, gedurende vijf achtereenvolgende schooljaren, in principe geen geslaagden binnen 6 jaren hadden afgeleverd. Het betekent ook dat gedurende tenminste 5 jaren geen verbetering in die situatie is gebracht. De aanpak op de scholen was dezelfde en de resultaten evenzo.
De onderzoeksresultaten geven ook aan dat de doorstroming van leerlingen op de basisscholen binnen 6 jaren is gestegen van 17,7% in de periode 2001 – 2007 naar 20,9% in de periode 2002 – 2008 (tabel 64 en figuur 22). Met andere woorden was 80% van de op de basisschool ingeschreven leerlingen niet in staat de school binnen 6 jaren af te ronden. Noch het MINOV, noch het MOP geeft voor de doorstroming op de basisscholen streefcijfers aan.
Tabel 64: Doorstromingspercentages binnen het basisonderwijs in Suriname gedurende de periode 2001 - 2008

Jaar

inschr

Inschrijving

1e klas

Jaar

toets

LLA


%

doorstroming

2001

12.302

2007

2180

17,7

2002

12.331

2008

2574

20,9


Figuur 22: Procentuele weergave van de doorstroming bij het basisonderwijs in de periode 2002 – 2008

Bron: Tabel 68


De Rekenkamer verwacht van het MINOV dat op basis van de resultaten van een degelijk onderzoek naar de oorzaken van de geleverde prestaties, maatregelen worden getroffen om systematisch het niveau van de prestaties op te voeren en dat er jaarlijks meetbare streefcijfers en andere maatstaven worden vastgesteld voor de beoordeling, evaluatie en bijsturing van schoolresultaten.



1   ...   21   22   23   24   25   26   27   28   29


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina