Inhoudsopgave Voorwoord pagina 3



Dovnload 302.17 Kb.
Pagina1/14
Datum21.08.2016
Grootte302.17 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14




Inhoudsopgave
Voorwoord pagina 3
Hoofdstuk 1 – Inleiding pagina 4
Hoofdstuk 2 – De geschiedenis van de horrorfilm pagina 7
Hoofdstuk 3 – Fanculturen pagina 16
Hoofdstuk 4 – Methoden van onderzoek pagina 31
Hoofdstuk 5 – Analyse pagina 43

  • 5.1 Inleiding pagina 43

  • 5.2 Wat is horror? pagina 43

  • 5.3 Genregrenzen pagina 51

  • 5.4 Grenzen pagina 58

  • 5.5 Omgeving pagina 70

Hoofdstuk 6 – Conclusies en aanbevelingen pagina 75


Literatuurlijst en bronnen pagina 84

Voorwoord

In de eerste helft van het collegejaar van de master Media en Journalistiek werd ons verteld over de master thesis. Dit was het afsluitende werkstuk van het collegejaar en de student zou zich er intensief mee bezig houden. Daarom werd ons geadviseerd een onderwerp te kiezen dat je ‘leuk’ vond. Een onderwerp dat je fascineerde; een onderwerp waarmee jij je studie wilde afsluiten. Dat was voor mij geen moeilijke keuze.

Al sinds mijn middelbare schooltijd koester ik een voorkeur voor horrorfilms en dan met name de gewelddadige grensverleggende horrorfilm. Tijdens mijn afsluitende mondelinge voordrachten voor vakken als CKV, Frans, Duits en Nederlands wist ik altijd weer het onderwerp aan te snijden waarbij het aan enthousiasme zeker niet ontbrak.

Nu was het tijd om dit enthousiasme om te zetten in een wetenschappelijk onderzoek. Toegegeven, was dat voor mij geen eenvoudige taak, maar het feit dat ik een ‘leuk’ onderwerp had hielp mij al enorm op weg. Als onderzoeksmethode koos ik voor het interviewen van horrorliefhebbers. De essentie van het hebben van een ‘leuk’ onderwerp kwam toen pas echt naar voren. Ik had namelijk de gelegenheid te mogen praten met mensen die dezelfde fascinaties koesteren als ik. In mijn directe omgeving zijn weinig liefhebbers te vinden. Nu sprak ik eindelijk mensen die net als ik wisten waar ze het over hadden. Als we spraken over die ene scène uit die ene film, dan zaten we op één lijn. We wisten waarover we spraken. Dit had wellicht als nadeel dat sommige zaken die voor mij en de respondent als vanzelfsprekend gelden, dat voor de lezer niet zijn.

Wel heb ik mijn best gedaan om een helder en duidelijk verslag te schrijven over een vraag die mij door de jaren heen veel gesteld is: waarom horror? Mijn dank gaat allereerst uit naar de elf respondenten die bereid waren mij thuis of elders te ontvangen en zich te laten interviewen over hun favoriete filmgenre. Ik bedank ook mijn moeder Monique van Steen die verschillende delen van het verslag heeft doorgelezen, alsmede mijn broer Pascal Rops voor zijn ontwerp van het titelblad. Tot slot gaat mijn dank uit naar mijn thesisbegeleider Pauwke Berkers die heeft getracht mijn tomeloze enthousiasme in goede wetenschappelijke banen te leiden.

Hoofdstuk 1 – Inleiding

‘Ik liep met hem de trap op. Hij was een jongeman van achter in de twintig en woonde nog bij zijn ouders. Hij droeg een zwart T-shirt met daarop een afbeelding van een obscure Italiaanse pulpfilm. Op zijn kamer aangekomen aanschouwde ik een enorme grote hoeveelheid aan DVD’s. Zo’n duizend stuks, vertelde hij me. Her en der was nog enige ordening aangebracht: de films van George A. Romero lagen bij elkaar en ook David Cronenberg had zijn eigen hoekje. Door de grote hoeveelheden aan schijfjes was het niet meer mogelijk enige rangschikking aan te brengen. Dit resulteerde er in dat de kamermuren waren verdwenen achter grote stapels films. Ergens was nog een bed verstopt met een TV en DVD-speler. Daarop stonden weer allerhande actiefiguren van personages uit films zoals Pinhead uit Hellraiser en Bub uit Day of the Dead. De jongen ging zitten en het interview kon beginnen’.

In deze masterthesis staat het filmgenre horror centraal. De betekenisgeving van het filmgenre voor fans is de belangrijkste probleemstelling van dit onderzoek. Door middel van diepte-interviews heb ik geprobeerd antwoord te krijgen op verschillende vragen, zoals: waarom mensen naar horror kijken; welke monsters uit welke films hen fascineren en welke subgenres hun voorkeur genieten. Ook is gevraagd naar hoe hun omgeving reageert op de voorkeur voor horror en tevens welke aanverwante muziekgenres ze luisteren.

Mijn onderzoek sluit aan op een breder debat, dat van geweld in de media. Omdat dit debat zo breed is, zal slechts een deel hiervan worden meegenomen in mijn thesis: de kwestie van de video nasties. Horrorproducties werden gedurende de jaren 80, omwille van de gewelddadige inhoud in Groot-Brittannië verboden. Tot op de dag van vandaag heerst er op enkele titels geproduceerd in de tijdsperiode 1975-1986 nog een verbod, zoals op I Spit On Your Grave (1978) en Cannibal Holocaust (1980). De mate van geweld in horrorfilms heeft dus op de Britse politieke agenda gestaan.1 Ook in Nederland kwam het onderwerp nog recentelijk aan bod. Een jaar geleden stond in Spits dat de Nederlandse filmdistributeur A-film zich zorgen maakte over het geweld in The Midnight Meat Train (2008) en pleitte voor een kijkerwijzeraanduiding van boven de achttien jaar.2

Dit onderzoek sluit ook aan op het debat van fanculturen. Dit debat werd beïnvloed door mediasocioloog John Fiske en later door Lisa A. Lewis en Liesbet van Zoonen. Matt Hills schreef in 2002 over dit mediasociologische fenomeen in zijn boek Fan Cultures en later in zijn specifieke studie naar horrorfans: The Pleasures of Horror. Hij zette daarin de belangrijkste benaderingen voor het bestuderen van horrorfans uiteen. Dit haakt in op het onderzoek van Bethany Bryson. Zij onderzocht muzikale voorkeuren en aanverwante sociale en culturele uitsluiting. “Anything but heavy metal”, luidde de titel van haar onderzoek, omdat het gros van de respondenten heavy metal niet mocht.3 Deze muzieksmaak is te betitelen als extreem en dat geldt ook voor het filmgenre horror. De cultuursocioloog Paul DiMaggio schreef over classificaties binnen de kunst: hoe sommige cultuurvormen als meerwaardig worden beschouwd dan anderen.4 Op zijn theorieën borduurden wetenschappers als Shyon Baumann, Susanne Janssen en Victoria Alexander voort. De Britse wetenschapper Mark Kermode stelde: horror shockeert, vanwege het flexibele karakter op het gebied van grenzen en taboes.5 Dit onderzoek concentreert zich op de mensen die genieten van horror. De hoofdvraag van dit onderzoek luidt:
Wat is de betekenisgeving van het filmgenre horror voor fans en welk onderscheid kan daarbij gemaakt worden tussen het soort geweld in films uit de periode 1975-1986 en 2000-heden?
Hier staan twee punten van onderscheid centraal. Het eerste onderscheid betreft de tijdsperiode waarin de horrorfilms verschenen. Het zal gaan over horrorfilms die verschenen tussen 1975 en 1986 tegenover recente producties: vanaf 2000 tot heden. Een bekend credo is dat de mate van geweld in horrorfilms van vroeger (1975-1985) een lachertje is, vergeleken met de huidige geweldsinhoud van producties uit het genre. Bepaalde indicatoren bewijzen het tegendeel. Zo werden in Italiaanse kannibalenfilms rond 1980 echte dieren vermoord. Films als Cannibal Holocaust (1980) zijn – bijna 30 jaar na dato – nog steeds verboden in Groot-Brittannië. Bij recente gewelddadige producties, zoals Saw (2004) en Hostel (2005) is dat niet het geval.

Het tweede onderscheid dat in dit onderzoek centraal staat zijn de subgenres binnen het horrorgenre. Het voorgaande onderscheid maakte een indeling in tijd, het tweede onderscheid betreft subgenres binnen het horrorgenre, te weten: het zombiegenre, het slashergenre en het kannibaalgenre. Deze subgenres zijn gekozen, omdat desbetreffende films de meest gewelddadige inhoud kennen. Het was voor deze films dat de nieuwe effecttechnieken die werden ontwikkeld begin jaren 70 werden benut.



De deelvragen zullen betrekking hebben op de houding van fans tegenover het geweld in horrorfilms uit de aangeduide periodes en anderzijds op het geweld van films uit de drie subgenres. Deze deelvragen luiden:


  • Hoe zien horrorfans het horrorgenre in het algemeen?

Beschouwen liefhebbers het als een afwijkend filmgenre; heeft het een grote diversiteit; is het een lagere cultuurvorm; kan het beschikken over diepgang en zien ze aspecten uit de films in hun eigen leven terug?


  • Hoe zien de fans de oude genrefilms (1975-1986) ten opzichte van de recente varianten (2000-heden)?

Staan de fans open voor verandering; welke periodevarianten zijn gewelddadiger en hoe uit dat zich; wat vinden zij van de slasher en hoe kunnen horror en komedie zich tot elkaar verhouden?


  • Wat zijn de grenzen van de horrorfan?

Aan welke geweldshandelingen beleven zij nog plezier; hoe zit het met kannibaalfilms; wat vinden zijn van de huidige marteltrend en hoe verhouden moordscènes zich tot verkrachtingsscènes?


  • Hoe verhoudt de horrorfan zich tot zijn omgeving?

Heeft hij contact met andere horrorfans en zo ja, hoe verloopt dit; wat vinden familie en vrienden van zijn voorkeur en is er een verbinding te trekken tussen horror en heavy metal?
Hierna volgt een paragraaf over theorie en eerder onderzoek. Daarin zal de geschiedenis van de horrorfilm worden besproken (hoofdstuk 2) en daarna het concept fanculturen (hoofdstuk 3). In hoofdstuk 4 wordt de onderzoeksopzet plus methodeverantwoording gegeven. Hoofdstuk 5, 6, 7 en 8 betreffen de respectievelijke deelvragen. Hoofdstuk 9 bespreekt de conclusies en het laatste hoofdstuk omvat discussie en aanbevelingen.



  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina