Inhoudstafel Beginsituatie 2 Algemene doelstellingen 2 Leerplandoelstellingen en leerinhouden 2 Minimale materiële vereisten 7 Pedagogisch-didactische wenken 7 Evaluatie 11 Bibliografie 12 beginsituatie



Dovnload 103.98 Kb.
Datum27.08.2016
Grootte103.98 Kb.

ASO en TSO studierichtingen groep (1) – 2e graad
AV Informatica (1e jaar 1 lestijd/week, 2e jaar 1 lestijd/week)

Inhoudstafel

Beginsituatie 2

Algemene doelstellingen 2

Leerplandoelstellingen en leerinhouden 2

Minimale materiële vereisten 7

Pedagogisch-didactische wenken 7

Evaluatie 11

Bibliografie 12



BEGINSITUATIE

In de eerste graad hebben de leerlingen binnen het vak Technologische Opvoeding reeds kennis gemaakt met de informatietechnologie. Daar werden begrippen als talstelsels, geheugeneenheid, invoer, verwerking en uitvoer behandeld. Ook kwamen o.a. basisbegrippen van ICT, van de vensteromgeving en van de meest gebruikte pakketten aan bod.

De leerlingen die in de 1e graad de optie Moderne Wetenschappen kozen, hebben ook het vak Dactylografie gehad, wat een niet te onderschatten voordeel is bij het werken met een toetsenbord.

Algemene doelstellingen


  • Informatica beschouwen als een vak waarin problemen op een zodanige manier opgelost worden dat de verschillende stappen van de oplossing door de computer uitvoerbaar worden.

  • Logisch, abstract en probleemoplossend denken.

  • Een probleem kunnen omschrijven, analyseren, opdelen in deelproblemen, verder verfijnen.

  • Tot de vaststelling komen dat de top-down methode daartoe een waardevol instrument is.

  • Inzien dat voor het oplossen van bepaalde problemen bepaalde program­ma's meer of minder geschikt zijn.

  • Een opdracht begrijpend lezen, analyseren, de hoofd- en bijzaken herkennen en een mondelinge of schriftelijke verwoording ervan kunnen geven.

  • De resultaten van de analyse aan de praktijk kunnen toetsen en ervaren dat nauwkeurig werken een noodzakelijke voorwaarde is.

  • Weten dat computers verbonden worden tot netwerken en inzien dat het internet een van de belangrijkste voorbeelden is van een wereldwijd netwerk en tal van toepassingen biedt.

  • Kennis maken met de belangrijkste soorten toepassingsprogrammatuur en een beeld krijgen van de mogelijkheden die de huidige professionele pakketten te bieden hebben.

  • Een vaste werkmethode kunnen hanteren.

  • Kunnen samenwerken om een probleem op te lossen.

  • Spontaan aandacht hebben voor nauwkeurigheid.

  • Gestructureerd kunnen werken met de nodige orde en zorg.

leerplandoelstellingen en leerinhouden
deel 1: netwerken en internet

Leerplandoelstellingen

De leerlingen kunnen



leerinhouden



  • de definitie van een netwerk weergeven;

  • het onderscheid bespreken tussen een LAN en een WAN;

  • de verschillende opstellingen die voor een praktisch netwerk gebruikt worden, opnoemen en bespreken;

  • de voor- en nadelen van een netwerk formuleren;

  • de verschillende methoden om een netwerk te beveiligen opsommen;

  • het gevaar van virussen inzien, weten hoe een systeem ertegen kan beveiligd worden.



  1. Netwerken

    1. Omschrijving

    2. Onderscheid tussen een lokaal netwerk (LAN) en een wereldwijd netwerk (WAN), praktische voorbeelden

    3. Configuratiemogelijkheden: met en zonder server; voorbeeld van een netwerk op school

    4. Voordelen van een netwerk: toegang tot gegevens, delen van bronnen (hardware en software)

    5. Beveiliging tegen onrechtmatig gebruik van gegevens en tegen virussen



  • de structuur en de evolutie van het internet bespreken;

  • de hard- en software nodig voor het raadplegen van het internet opnoemen;

  • gratis internet en de ware kostprijs van het internet verklaren;

  • de voor- en nadelen van het internet opsommen;

  • de voornaamste diensten van het internet opsommen en bespreken;

  • de rechten en de plichten van het internet verklaren;

  • enkele zoekrobots opnoemen;

  • gericht zoeken met behulp van operatoren;



  1. Internet

    1. Structuur, evolutie

    2. Nodige hard- en software, aansluiting, provider

    3. Voor- en nadelen

    4. Diensten : e-mail, navigatie op WWW, chatten, bestandsoverdracht

    5. Rechten en plichten van het internet: netetiquette, copyright

    6. Zoekrobots: gericht zoeken met behulp van operatoren, praktische oefeningen




Deel 2: ontwerp en implementatie

Leerplandoelstellingen

De leerlingen kunnen:



leerinhouden



  • weten dat de meeste problemen met eenzelfde stappenplan opgelost kunnen worden en de nodige stappen kunnen opsommen;

  • problemen herkennen als varianten van eenzelfde basisprobleem waarbij gelijkaardige oplossingsmethoden kunnen worden gebruikt;

  • het ontwerp omschrijven als het geheel van de probleemafbakening en het opstellen van scenario, gegevenstabel en P.S.T.-diagram;

  • de implementatie of codering omschrijven als het opstellen van de programmatekst uitgaande van scenario, gegevenstabel en P.S.T.-diagram;

  • enkele programmeertalen opsommen;



  1. Algemene principes

1.1 Te volgen stappen bij het oplossen van een pro­bleem

  • probleemstelling;

  • scenario;

  • gegevenstabel;

  • controlestructuur (P.S.T.-diagram);

  • implementatie;

  • programmatest.

1.2 Onderscheid tussen ontwerp en implementatie

      1.3 Programmeertaal



  • het probleem (in algemene bewoordingen) verwoorden, afbakenen en herformuleren;

  • een oplossing (scenario) bedenken m.a.w. een algoritme via een taalonafhankelijke analyse opstellen;

  • uitgaande van het scenario een gegevenstabel opstellen (de objecten voor invoer, verwerking en uitvoer identificeren);

  • constanten en variabelen herkennen en definiëren en daarbij de naamgeving verzorgen;

  • getal- en teksttypes onderscheiden (naam, domein, toegelaten operaties);

  • de controlestructuur vastleggen: opdrachten, deelproblemen, sequenties, selecties en iteraties voorstellen d.m.v. een P.S.T. diagram;

  • de methode van de stapsgewijze verfijning (top-down methode) herkennen en gebruiken

  • een probleem opsplitsen in deelproblemen;

  • verklaren wanneer er informatie-uitwisseling noodzakelijk is tussen een procedure of een functie en het hoofdprogramma;

  • het verschil tussen een één-richting en een tweerichtingen parameter uitleggen;




  1. Ontwerp

2.1 Probleemstelling

2.2 Scenario van een probleemoplossing

2.3 Gegevenstabel


  • objecten voor invoer, uitvoer en verwerking;

  • types: getal- en teksttype.

2.4 Controle­struc­tuur

  • bouwstenen: sequentie, selectie, iteratie;

  • PST-diagram: symbolen, afspraken.

2.5 Stapsgewijze verfijning (top-down methode)

  • deelproblemen;

  • informatie-uitwisseling: één-richting en tweerichtingen parameter.



  • een programmeertaal omschrijven als een middel om een reeks opdrachten door te geven;

  • enkele beperkingen van de programmeertaal bespreken;

  • verklaren waarom afspraken bij het coderen noodzakelijk zijn;

  • de algemene programmabouw kunnen herkennen;

  • een programma(onderdeel) coderen en hierbij de coderingsafspraken toepassen: toegelaten tekens, namen (constanten, variabelen, types), symbolen, gereserveerde woorden, standaardnamen, numerieke en alfanumerieke gegevens, commentaaraanduidingen;

  • procedures en functies coderen met of zonder één richting en twee richtingen parameters;

  • een procedure- en een functieoproep coderen;

  • de behandelde gegevenstypes opnoemen (naam), beschrijven (domein, operaties, formaatgetallen) en toepassen;

  • operaties toepassen (hoofdbewerkingen);

  • enkele standaardfuncties toepassen;

  • constanten en variabelen (globale en lokale) declareren in een programma, procedure of functie;

  • veel gebruikte standaardprocedures zoals schermwisopdracht en positioneringsopdracht gebruiken;

  • een uitdrukking en toekenning coderen;

  • de juiste opdracht gebruiken om gegevens en resultaten af te drukken op het beeldscherm;

  • de juiste opdracht gebruiken om gegevens in te voeren via het toetsenbord;

  • een sequentie, selectie en iteratie coderen;

  • het programma testen en verbeteren.



  1. Implementatie (codering)

3.1 Programmeertaal

  • begrip;

  • beperkingen;

  • coderingsafspraken van de gebruikte programmeertaal;

  • algemene programmaopbouw.

3.2 Coderen



  • zelfstandige een­heden (programma, procedure en functie);

  • oproep van procedures en functies;

  • informatie-uitwisseling: één richting en twee richtingen parameters.

3.3 Gegevenstypes



  • getaltypes;

  • teksttypes.

3.4 Operaties en standaardfuncties voor bovenvermelde types



  • hoofdbewerkingen;

  • enkele algemene functies.

3.5 Declaratie van constanten en variabelen



  • globale en lokale.

3.6 Coderen van opdrachten



  • schermwisopdracht;

  • positioneringsopdracht;

  • uitdrukkingen en toekenningen;

  • in- en uitvoeropdrachten;

  • sequentie, selectie en iteratie.






deel 3: TEKSTVERWERKING

Leerplandoelstellingen

De leerlingen kunnen



leerinhouden



  • de menubalk gebruiken;

  • een tekst vlot aanpassen (wissen, vervangen, herstellen of invoegen);

  • eenvoudige opmaakmogelijkheden toepassen (bijv. onderstrepen, vet, cursief, lettertype, centreren,… );

  • de functie zoeken en vervangen gebruiken;



  1. Basisvaardigheden

    1. Menubalk

    2. Tekst aanpassen, selecteren, verplaatsen, wissen en kopiëren

    3. Eenvoudige opmaakmogelijkheden

    4. Zoeken en vervangen



  • opsommingtekens aanbrengen;

  • kop - en voettekst aanbrengen;

  • secties gebruiken;

  • een sjabloon gebruiken en zien de voordelen ervan in;

  1. Opmaak

    1. Opsomming

    2. Koptekst en voettekst

    3. Gebruik van secties

    4. Begrip sjabloon





  • minder frequent voorkomende functies vinden via het helpmenu;



  1. Helpmenu



  • omgaan met de tabelgenerator om snel een eenvoudige tabel op te bouwen;

  • basishandelingen uitvoeren (rijen en kolommen wissen, invoegen);



  1. Tabellen

    1. Eenvoudige tabel: opmaak

    2. Basishandelingen





  • een rekenblad en grafieken in een tekst invoegen;

  • een tekst of figuur opgezocht via Internet in een tekst integreren, verwerken en afdrukken.



  1. Geïntegreerde toepassingen

    1. Invoegen van rekenblad en grafieken

    2. Tekst of figuur, opgezocht via Internet, in een tekst integreren en verwerken

DEEl 4: REKENBLAD

Leerplandoelstellingen

De leerlingen kunnen



leerinhouden



  • een eenvoudig rekenblad opstellen, opslaan en opvragen met numerieke en alfanumerieke gegevens en formules;

  • een rij of kolom invoegen en of verwijderen;

  • een cel of een bereik selecteren, verwijderen, verplaatsen of kopiëren;




  1. Basisbegrippen

    1. Numerieke en alfanumerieke gegevens

    2. Formules (4 hoofdbewerkingen)

    3. Rijen of kolommen: invoegen, verwijderen

    4. Cel of bereik: verwijderen, verplaatsen, kopiëren



    2

  • het principe van relatieve en absolute adressering efficiënt toepassen;



  1. Relatieve en absolute adressering

    1. Principe

    2. Formules efficiënt kopiëren

    3

  • een grafiek opstellen met één reeks gegevens;

  • een grafiek opmaken;

  1. Grafische voorstelling

    1. Soorten (lijn-, staaf-, cirkeldiagram)

    2. Opmaak



    4

  • de functies efficiënt gebruiken;

  • een voorwaarde opgeven d.m.v. de ALS-functie;

  1. Functies

    1. Som, gemiddelde, max, min, aantal

    2. ALS-functie



    5

  • een reeks gegevens sorteren.



  1. Sorteren

    1. Selectie op verschillende criteria



deel 5: databanken

Leerplandoelstellingen

De leerlingen kunnen



leerinhouden



  • het doel en de mogelijkheden van een databankprogramma omschrijven;

  • de basisconcepten in eigen woorden formuleren;

  • deze begrippen onderling in verband brengen aan de hand van voorbeelden;



  1. Algemene begrippen

    1. Databank

    2. Tabel

    3. Velden en records

    4. Veldnamen, veldwaarden





  • een bestaande tabel in een databank openen en sluiten;

  • records wijzigen, vervangen, toevoegen en verwijderen;

  • met behulp van een filter zoekvoorwaarden opstellen voor 1 veld;

  • met behulp van logische operatoren zoekvoorwaarden opstellen voor meerdere velden;



  1. Gebruik van een bestaande databank

    1. Databank en een bestaande tabel openen en sluiten

    2. Records bewerken: wijzigen, vervangen, toevoegen, verwijderen

    3. Zoekvoorwaarden voor 1 veld met behulp van een filter

    4. Zoekvoorwaarden voor meerdere velden met gebruik van logische operatoren



  • (afhankelijk van de gewenste resultaten) een gebruiksvriendelijke tabel opstellen met de benodigde veldeigenschappen;

  • een tabel aanpassen wat betreft structuur en inhoud.



  1. Een databank aanmaken

    1. Veldeigenschappen: naam, gegevenstype, lengte en beschrijving

    2. Tabelstructuur bewerken: een veld toevoegen en verwijderen

    3. Gegevenstype en lengte aanpassen

minimale materiële vereisten

Het is essentieel dat elk lesuur één computer per leerling aanwezig is. Indien de school kampt met een gebrek aan middelen is tijdelijk één PC per twee leerlingen toegestaan.

Wat de software betreft moeten de toestellen uitgerust zijn met een (bij voorkeur) professioneel geïntegreerd pakket met vensteromgeving. Van de software hoeft helemaal niet de laatste versie beschikbaar te zijn. Wel dient in eenzelfde school eenzelfde pakket gebruikt te worden (dat ook in de bedrijfswereld een ruime verspreiding kent).

Voor het onderdeel Ontwerp en implementatie wordt Borland Pascal for Windows versie 7 aangeraden.

De toestellen moeten zo opgesteld staan dat er naast de computer nog voldoende ruimte is voor een boek of schrift. Tevens moeten volgende ergonomische eisen vervuld zijn: het scherm moet van goede kwaliteit (stabiel beeld zonder reflecties) en verstelbaar zijn, voor het toetsenbord moet er voldoende ruimte zijn voor de polsen.

De veiligheid dient gegarandeerd te zijn (b.v. moet de bekabeling veilig weggeborgen zijn).

Het is vanzelfsprekend dat de school beschikt over legale versies van de te gebruiken software.

Tevens is het aangewezen dat de school geabonneerd is op een aantal vaktijdschriften en dat er in de mediatheek een aantal basiswerken over informatica aanwezig zijn.

Het gebruik van een PC thuis is eigenlijk vanzelfsprekend. Leerlingen moeten vanaf het begin gestimuleerd worden om een PC aan te schaffen (spaarplan opstellen, informatie geven over de aankoop van tweedehandse toestellen, enz.). Indien er toch nog leerlingen zijn die hierbij problemen hebben, moeten zij maximale faciliteiten krijgen om op school (buiten de normale lestijden) te kunnen oefenen.

Pedagogisch-didactische wenken

1 Verdeling van de lestijden

Onderstaande tabel geeft het aantal uur weer dat aan elk onderdeel moet besteed worden. Er wordt ervan uitgegaan dat een schooljaar 25 lesweken per jaar bedraagt. De leraar moet zorgvuldig de leerstof verdelen over beide leerjaren en zijn jaarplan opstellen rekening houdend met de opgegeven minima en maxima.




Aantal uur


Netwerken en internet


3 – 5

Ontwerp en implementatie (*)

25 – 30

Tekstverwerking


3 – 5

Rekenblad



6 – 8

Databank

5 – 8

Actuele evoluties binnen de informatica



0 – 3




50

Het onderdeel Ontwerp en implementatie moet wel over beide leerjaren verspreid worden.

(*) In bepaalde studierichtingen mag het voorziene aantal lestijden voor het onderdeel Ontwerp en implementatie gehalveerd worden. In die gevallen is het aan te bevelen om dit onderdeel alleen in het 2e jaar te behandelen. De vrijgekomen uren mogen gelijkmatig over de andere onderdelen van het leerplan verdeeld worden. Dit is het geval bij:



  • de niet wetenschappelijk of economisch gerichte studierichtingen van het ASO (Latijn-Grieks en humane wetenschappen);

  • de TSO richtingen elektromechanica en elektriciteit-elektronica (waar het vooral de bedoeling is om later verbanden te kunnen leggen met CNC en PLC sturingen).

Uiteraard is dit enkel mogelijk indien de bedoelde leerlingen niet met andere groepen samen zitten.
2 Netwerken en internet

De leraar moet zich hoeden om niet te veel lessen aan dit onderwerp te besteden. Bijkomende aspecten kunnen via zelfwerkzaamheid thuis of buiten de informaticalessen op school aan bod komen (bijv. geïntegreerd in andere vakken). Sommige begrippen kunnen bij de behandeling van toepassingspakketten behandeld worden.

Er kan vertrokken worden vanwege praktische netwerksituaties: klein netwerkje thuis, netwerk op school, netwerk van banken en supermarkten, netwerk bij veiligheidsdiensten, wereldwijd netwerk …

De indeling van de netwerken wordt best via moderne didactische middelen besproken: PowerPoint presentatie met dataprojector, slides met overheadprojector, praktisch demonstratienetwerk.

Bij het aspect veiligheid wordt verwezen naar de actualiteit. Bij het gebruik van een virusscanner moet ook de nodige aandacht besteed worden aan de upgrading ervan.

Internet is heel goed bruikbaar als een enorme on-line encyclopedie. Als de leerlingen weten hoe ze efficiënt informatie moeten opzoeken, hebben ze voor al hun leeractiviteiten een belangrijke troef in handen.

Leerlingen kunnen zelf werkjes op het internet publiceren of meehelpen aan de schoolwebsite.

E-mail is een belangrijke didactische toepassing, bijv. om contacten te leggen met elkaar of met leerlingen uit andere landen (in het kader van een uitwisselingsproject), maar ook om met de leraar te communiceren. Er kan een emailadres per computer aangemaakt worden ofwel kan elke leerling beschikken over zijn eigen login nummer, paswoord en emailadres (indien de schoolsituatie dit toelaat).

Bij het gericht zoeken op het internet krijgen de leerlingen een aantal zoekopdrachten. Er wordt vooraf duidelijk gemaakt dat er dikwijls onvoorspelbare resultaten mogelijk zijn.

3 Algemene wenken i.v.m. ontwerp en implementatie

In principe is de keuze van de programmeertaal vrij, maar gelet op de ingerichte nascholing, het ontwikkeld materiaal en beschikbare handboeken ligt het voor de hand te opteren voor Pascal. Wat de software betreft is Pascal for Windows versie 7 van Borland de beste keuze. Een mogelijk alternatief is Javascript, maar het nog te vroeg om hierin een gemotiveerde beslissing te nemen.

Indien bepaalde leerlingen bij de aanvang van het tweede jaar de vereiste voorken­nis NIET hebben, zal de leraar bijzondere aandacht besteden om die leerlingen zo snel mogelijk bij te werken, bijv. via inhaallessen en door ze een aangepaste (zelfstudie) cursustekst (met invulbladen) te bezorgen.

Het is raadzaam om de leerinhouden en bij­gaan­de methodologische wenken van de derde graad door te nemen. Op die manier zal de leraar zich een beter beeld kunnen vormen van de later te bereiken resultaten.

De nadruk ligt op het leren oplossen van problemen en NIET op het aanleren van een programmeertaal. Bij de informatica als algemeen vak ligt de klemtoon op de probleem­oplossende vaardigheid, die vnl. aan bod komt in het ontwerp.

Alle aspecten moeten worden geïntrodu­ceerd aan de hand van goed gekozen cases (uitgewerkte voorbeelden). De leerkracht moet ernaar stre­ven om (vnl. in niet-wiskundige richtingen) niet te dikwijls wis­kun­dige voor­beel­den te ge­brui­ken, maar in tegendeel oefeningen te kiezen uit de belangstellingssfeer van de leerling. Het kan volstaan om per jaar 4 tot 7 cases te behandelen. Het behandelen van korte oefeningen die enkel tot doel hebben een bepaald implemen­tatie (bijv. Pascal) aspect toe te lichten moet absoluut vermeden worden.

Het is noodzakelijk om het huiswerk goed te organiseren. Voor het onderdeel ontwerp en implementatie moet ervoor gezorgd worden dat elke les een bepaald onderdeel door de leerlingen thuis kan voorbereid worden. Tijdens de behandeling van de toepassingspakketten is het sterk aan te bevelen om een aantal herhalingsoefeningen over het ontwerp en de implementatie thuis te laten oplossen en als huistaak te laten afgeven (indien nodig kan tijdens de les toepassingspakket­ten, hieraan wat tijd besteed worden).

Gezien in de tweede graad het niveau van bepaalde klassen nogal kan verschillen, moet de leerkracht zijn aangeboden oefeningen met de bijhorende implementatie-elementen aan dit niveau aanpassen. In sterke klassen kunnen bijkomende implementatie-elementen aangebracht worden (maar steeds geïntegreerd in functionele oefeningen).

Wat het eigenlijke “programmeren” betreft, zal de leraar stapsgewijs de implementatie introduceren door eerst de programmatekst te laten herkennen, daarna bepaalde programmaregels of onderdelen (procedures en functies) te laten aanvullen. Volledige programma’s ontwerpen is enkel voor de sterkste klassen weggelegd.

Ook tijdens de analyse kan de computer gebruikt worden, bijv. om werkbladen via de tekstverwerking in te vullen. Zo kunnen zelfs de voorziene lessen tekstverwerking in het onderdeel Ontwerp en implementatie geïntegreerd worden.



4 Bijzondere wenken i.v.m. ontwerp en implementatie

Leerinhoud




1

2.5


De methodische aanpak is dwingend. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de methode van de stapsgewijze ver­fijning.

Wat ook de taal is die gebruikt wordt, in elk geval zal de procedurele aanpak behouden blijven.




2.2

Het vinden van een scenario voor de oplossing is een proces, dat kan vereenvoudigd worden door structuur te brengen in het probleem, het geheel op te splitsen in kleinere delen en het verband tussen die onderdelen vast te leggen.

Op die manier kan de leerling ontdekken dat heel wat problemen varianten zijn van een zelfde basisprobleem waarbij dezelfde oplossingsmethode kan gehanteerd worden. Dit basisprobleem kan dan in een latere fase afzonderlijk behandeld worden. Indien deze oplos­sing dan voldoende algemeen gehouden wordt, wordt dit deelprobleem herbruikbaar bij andere toepassingen



2.3

De leerlingen moeten ervaren dat de gege­vensstruc­tuur grondig wordt beredeneerd (d.w.z. het identifi­ceren van objec­ten voor invoer, verwerking en uit­voer via het opstellen van een objecten­tabel).

2.4

De leerlingen moeten ervaren dat de controle­structuur met de toegelaten basiscon­trolestructuren worden opge­bouwd en dat deze na beredenering ervan op een schematische wijze kunnen wor­den voorgesteld (bijv. via een P.S.T.-diagram).

3

3.1



Het coderen wordt aangewend als middel om een opge­steld algo­ritme, dat via een taalonafhankelijke analyse werd opge­steld, te illustreren en/of te controleren. Hierbij is de syntax geen ­doel op zich (syntaxfouten mogen dus niet gesanctioneerd worden). De leer­ling dient wel in te zien dat de juistheid ervan nood­zakelijk is voor het func­tione­ren van het programma.

Voor de afspraken i.v.m. stijl, opmaak en typografie (die zoveel mogelijk, maar in elk geval op een consistente manier moeten gevolgd worden) wordt verwezen naar het cursusmateriaal van de nascholing van 2000-2001.

Er wordt voldoende aandacht besteed aan de naamge­ving voor con­stanten, variabelen, functies en proce­du­res en aan de vorm van het pro­gramma (conse­quente manier van intanding, schei­dings­regels tussen ver­schil­lende blokken). Gereserveerde woorden worden in hoofdletters ge­schre­ven.
Zinvolle commentaar moet de programma's docu­mente­ren. Het einde van een eenheid (procedure/functie) wordt d.m.v. com­mentaar verduide­lijkt, het­geen de herken­baarheid van een geco­deerde eenheid verhoogt: END (*NaamVanDeE­en­heid*)


3.2

Basisprincipes


  • geen (of ten minste zo weinig mogelijk) gebruik van globale variabelen;

  • geen nesten van procedures en/of functies;

  • vanaf de aanvang wordt gebruik gemaakt van procedures; dit houdt in dat elke module eigen constanten en variabelen heeft (lokale objecten).

Het is evident dat men aanvankelijk niet buiten globale variabelen kan, maar het gebruik ervan wordt beperkt tot de in- en uitvoer (in de verwerkingsmodule blijven de variabelen van bij de aanvang lokaal). Na de introductie van de waardeparameters worden de objecten voor de uitvoer lokaal en na studie van de referentieparameters worden ook de objecten voor de invoer lokaal.

De oefeningen worden door de leerlingen uitgewerkt onder de vorm van deelproblemen, en wor­den later in een pro­gram­maframe inge­past, zodat uitvoe­ring op de compu­ter mogelijk wordt.

Het is mogelijk om een beperkt aantal pro­cedures (uitgewerkte algoritmen) ter beschikking te stellen waarmee steeds complexere problemen worden opgelost.

Bij de behandeling van parameters moet vermeden worden dat de leerling de termen formele, actuele, waarde- en referentieparameter te horen krijgt. De leerstof omvat niet het aanleren van terminologie, maar wel het parametermecha­nisme (waarbij de omschrijving éénrichting en tweerichtingen boodschap kan gebruikt worden). Het is belangrijk dat de leerling weet dat bij de oproep de éénrichtingsboodschap een uitdrukking is, terwijl dat voor een tweerichtingen boodschap een variabele moet zijn.

Achter de (schuil)naam die bij de declaratie aan een boodschap wordt gegeven schuilt dus een uitdrukking (bij een éénrichtingsboodschap) of een variabele (bij een tweerichtingen boodschap).



3.3

Pascal: getaltypes: INTEGER en REAL; teksttypes: CHAR en STRING.


3.4

Mogelijke operaties (enkel in functie van de toepassing):

  • INTEGER: + - * DIV relationele

  • REAL: + - * / relationele

  • CHAR: + relationele

  • STRING: + relationele

Standaardfuncties: bijv. INT – ROUND – SQRT – LENGTH en andere enkel op voorwaarde dat die bij een probleemoplossing zinvol gebruikt worden


3.5

Behalve in het geval van de meest triviale constan­ten, wordt geen gebruik gemaakt van letterlijke constanten, doch sym­boli­sche constan­ten (via con­stante-declaratie).


3.6

Pascal (enkel te gebruiken in functie van de oefeningen):

  • standaardprocedures ClrScr en GotoXY

  • schrijfopdrachten Write, WriteLn (uitvoer)

  • leesopdrachten Read, ReadLn (invoer)

  • sequentie: opdrachten gescheiden door kommapunt

  • selectie IF THEN [ELSE]

  • iteratie FOR...TO…DO…; REPEAT… UNTIL…; WHILE... DO…




5 Tekstverwerking

Vermits er geregeld nieuwe versies op de markt komen en het doel van de lessen niet is om vlot met het pakket te leren werken, is het belangrijk dat de leerlingen inzichtelijk leren werken.

Er mag gebruik gemaakt worden van de standaardfuncties van het pakket, zodat bladlengte, marges etc. niet telkens opnieuw moeten ingesteld worden.

Bijzondere aandacht moet geschonken worden aan de BIN-normen die verplicht dienen gevolgd te worden, niet enkel in de lessen tekstverwerking, maar ook in alle andere onderdelen. De leraar moet ervoor zorgen dat bijv. ook de toetsen en examens de BIN-normen volgen.

Uit het hoofd leren van functietoetsen en codes is uiteraard niet toegestaan. Het gebruik van het helpmenu moet wel aan bod komen.

Het grootste gedeelte van de voorziene lessen kan geïntegreerd gegeven worden. Dit betekent dat de meeste onderwerpen van de tekstverwerking in het onderdeel ontwerp en implementatie kunnen aan bod komen, bijv. bij het invullen van werkbladen, bij het opstellen van een scenario, een procedure, een Pascal-programma of objectentabel. Deze werkwijze biedt het voordeel tijdens de lessen ontwerp en implementatie meer met de computer gewerkt wordt.



6 Rekenblad

We gaan er vanuit dat de leerlingen in de eerste graad reeds een inleiding gekregen hebben in een rekenblad en de basisbewerkingen kennen.

Het is nuttig om met andere leraren te coördineren zodat probleemstellingen van andere vakken kunnen aan bod komen.
7 Databank

Het aanleren van de programmagebonden mogelijkheden is ondergeschikt aan het aanleren van de structuur en de mogelijkheden die databanken in het algemeen bieden. Kunnen inzichtelijk werken met een databank primeert op het kunnen werken met een bepaald databankprogramma.

Vooral in het ASO moet de klemtoon liggen op de algemeen vormende aspecten van de databank. De analyse is dus belangrijker dan de implementatie.

Er kan ook gekozen worden voor een eenvoudig geïntegreerd basispakket. De werking is soepeler en eenvoudiger (met een beperkte hoeveelheid theoretische en programmatechnische achtergrond, kunnen toch gelijkaardige resultaten geboekt worden). Een professioneel pakket heeft meer mogelijkheden en vereist een hoger studieniveau, hetgeen bij sommige leerlingen ontmoediging in de hand kan werken.



8 Actuele evolutie

Het is de bedoeling om occasioneel aandacht te besteden aan moderne toepassingen van ICT, aan de functies en beroepen in de IT-sector en de maatschappelijke gevolgen van ICT. Dit kan door aan de leerlingen de opdracht te geven een artikel te lezen of een opzoeking te doen op bijv. het Internet. Het spreekt vanzelf dat hierbij een vragenlijst moet gebruikt worden en dat een korte mondelinge verslaggeving met evaluatie nuttig is (om na te gaan of het werk wel zelfstandig werd uitgevoerd).

Dit onderdeel kan uitsluitend als zelfstandig werk buiten de lessen aan bod komen (vandaar dat de tijdsbesteding binnen de klas minimaal 0 is). Maar er kan ook af en toe wat korte tijd binnen de lessen aan besteed worden (bijv. in 9 lessen telkens 15 minuten, samen 3 lestijden).

Het aanleggen van een documentatiemap is minder aangewezen, behalve wanneer die tot een erg specifiek onderwerp beperkt wordt.



Evaluatie

1 Meerkeuzevragen1

Verschillende onderdelen van het leerplan lenen zich goed tot het stellen van meerkeuze­vragen. Let wel dat die techniek maar kan aan bod komen wanneer die tijdens het jaar werd ingeoefend.



2 Netwerken en internet

Nadruk wordt gelegd op een permanente evaluatie. Werkvormen en attitudes zijn belangrijk bij de beoordeling.

Bij het gericht zoeken krijgen de leerlingen een aantal zoekopdrachten. De bespreking van de resultaten is even belangrijk als de evaluatie.

3 Ontwerp en implementatie

Vragen over dit onderdeel zijn in principe terug te brengen tot de grote aandachtspunten van de leerstof: scenario – datastructuur (objectentabel) – controlestructuur (PST) – implementatie met aandacht voor deelproblemen en parametermechanisme.

Bij toetsen en zeker bij de examens moeten de leerlingen beschikken over invulbladen waarop de structuur en de stappen van de oplossing in min of grotere mate reeds vooraf worden opgegeven.

Wat de implementatie betreft zal het van de sterkte van de klas afhangen of de evaluatie betrekking zal hebben op de herkenning van belangrijke programmalijnen, de aanvulling (van bijv. een procedure of een declaratie) of de volledige uitwerking ervan.

Alle andere soorten vragen mogen slechts zeer occasioneel aan bod komen (vragen die louter “Pascal” testen zijn niet toegestaan). Om dezelfde reden moet ook vermeden worden programma’s te laten verbeteren. Definities en theoretische aspecten worden niet geëvalueerd. M.a.w. hetgeen via oefeningen kan aan bod komen, wordt niet theoretisch ondervraagd.

Aangezien het "probleemoplossend denken" centraal staat, moeten de vorderingen van de leerlingen bij de ontwerpfase heel nauwkeurig gevolgd worden.

Uit een gegeven probleem­stelling kan gevraagd worden de ontwerpfase volgens de methode van de stapsgewijze verfijning op te bouwen. Bij de correctie hiervan houdt men rekening met de coherentie tussen scenario, objectentabel en P.S.T.-diagram (fouten in het scenario leiden onvermijdelijk tot fouten in de objectentabel en het PST-diagram).

Een vraag waarbij alleen het bedenken van een scenario, het invullen van een objectentabel of het tekenen van een PST-diagram gevraagd wordt, behoort zeker tot de mogelijkheden.

Gezien een foutief ontwerp ook tot een foutieve implementatie leidt, is het niet aangewezen om bij een zelfde probleem tegelijk ontwerp en implementatie te evalueren. Aan de leerling kan een opgelost ontwerp gegeven worden en gevraagd worden de implementatie te maken.

Het laatste kwartier van een lestijd kan als (evt. aangekondigd) evaluatiemoment gebruikt worden, waardoor de aandacht van de leerlingen tijdens de les verscherpt.



4 Toepassingspakketten

Het spreekt vanzelf dat uitsluitend de praktijk wordt geëvalueerd. Permanente evaluatie is dan ook belangrijk. Schriftelijke theoretische toetsen zijn zo goed als uitgesloten.

Bij de evaluatie van de praktijk wordt zoveel mogelijk gewerkt met vooraf bepaalde (en aan de leerlingen medegedeelde) criteria. De evaluatieresultaten worden zoveel mogelijk in woorden uitgedrukt.

Details van het gebruikte pakket zijn niet belangrijk en mogen niet worden geëvalueerd. Vragen moeten steeds zo gesteld worden dat ze betrekking hebben tot een praktisch voorbeeld. Willekeurige cijfergegevens moeten vermeden worden (de link met een werkelijke situatie moet steeds bewaard worden).

Naarmate de leerlingen meer bedreven worden, moet meer aandacht geschonken worden aan de eigen creativiteit. Zo zijn bijv. opgaven waarbij de leerling enkel een tekst of werkblad moet namaken (kopiëren) te vermijden. Ook zijn teksten die een samenraapsel zijn van korte zinnen met verschillende lettertypes en opmaak maar zonder zinvol verband totaal uitgesloten.

Bibliografie

Netwerken en internet


  • LEVINE , J., Internet voor dummies, Addison-Wesley

  • OOST, K., Basiscursus internet, Academic Service

  • Clickx, NV NUM, Groot-Bijgaarden, www.clickx.be

  • Netwerk, NV Sparta, Schelle, www.netwerk.be

Ontwerp en implementatie

De volgende boeken zijn bestemd voor de leraar. Zij volgen de doelstellingen en klemtonen van het leer­plan.



  • ANDRIESSEN & SMEETS, Programma-ontwikkeling in Pascal, Nijgh en Van Ditmar, 1992

  • DUNTEMANN J., Programmeren in Borland Pascal, Academic Service, 1994

  • HAIGH J., Designing computer programs, Arnold, 1995

  • KOFFMAN B., Turbo Pascal, Problem solving and program de­sign, 4th edition, Addison-Wesley, 1993

  • ROUSSELLE M., Analyse en implementatie 1, De Sikkel, 1995

  • SALMON W., Structures and abstractions, An introduction to compu­ter scien­ce with Turbo Pascal, Irwin, 1992

De volgende boeken zijn bedoeld als handboek voor gebruik in de klas:

  • VERMIJL J., Mega, De Sikkel, 1995

  • VERMIJL J., Giga, De Sikkel, 1995

  • VERMIJL J., Topdown 1, De Sikkel, 1998

  • VERMIJL J., Topdown 2, De Sikkel, 1999

Tekstverwerking

  • BUYSSE P., CAUWENBERGH R., VAN CALSTER M., Probleemoplossend werken met Word 2000, Standaard Uitgeverij, Antwerpen

  • CUYPERS E., VAN DEN BROECK E., Word 2000, Standaard Uitgeverij, Antwerpen

  • DEVRIENDT D., DE GEYTER–DIEPENDAELE T., Werk Wijzer met Word delen 1, 2 en 3, WWW-Soft, Oostkamp

  • GOOKIN D., Word 2000 for Dummies , Addison–Wetsley

  • HEYNDRICKX G., Word. Word? Word! (1, 2, 3) Handboek voor Windows, Uitgeverij De Clerck

Rekenblad

  • BRUIJNES G., Basiscursus Excel 2000, Academic Service, Heverlee

  • BUYSSE P., Probleemoplossend werken met Excel 2000, Standaard Uitgeverij, Antwerpen

  • CUYPERS E., VAN DEN BROECK E., Excel 2000, Standaard uitgeverij, Antwerpen

  • FRANS R., Access 2000, Campinia Media, Geel

  • GREY H., MS-Excel 2000 voor Dummies, Addison-Wesley

Databank

  • BOERTJENS K., Basiscursus Acces 2000, Academic Service, Heverlee

  • BUYSSE P., Probleemoplossend werken met Access 2000, Standaard Uitgeverij, Antwerpen

  • CUYPERS E., VAN DEN BROECK E., Access 2000, Standaard Uitgeverij, Antwerpen

  • FRANS R., Access 2000, Campinia Media, Geel

  • TOOM J., Basishandleiding Access 2000, Bijleveld Pers

11 In 1995 werd een aanvang gemaakt met de opstelling van een vragenbank speciaal bedoeld voor de tweede graad over ontwerp en implementatie, bestaande uit een groot aantal uitgewerkte meerkeuzevragen.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina