Inhoudstafel



Dovnload 176 Kb.
Pagina2/8
Datum22.07.2016
Grootte176 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8

a. Enkele praktische gevallen


* sommige woorden die beginnen met een bijvoeglijk naamwoord als jong(e), oud(e), groot/grote, hoog, klein(e)
jongelui, jongvolwassene

oudemannenhuis, oudewijvenpraat

grootvorstendom, grotemensenwereld

hoogbegaafd, hoogtechnologisch

kleinhandelaar, kleinkunstenaar, kleinseminarie
* samenstellingen met gister-, heden-, -morgen, morgen-

linker-, rechter-, midden-


gisteravond, hedenavond, zondagmorgen, morgenochtend

linkerkant, rechteroever, middenberm, middenklasse
* samenstellingen met minimum- en maximum- , half- en -maal
minimumloon, maximumrente

halfluid, halfstok, halfzes, anderhalf, tweeënhalf

eenmaal, tweemaal, achtmaal
maar: Drie maal drie is negen.

Half Brugge had het gehoord.
* samenstellingen met -zelf, -zelfde
ikzelf, jijzelf, wijzelf, mezelf, onszelf

dezelfde, hetzelfde, datzelfde, eenzelfde
* Voornaamwoordelijke bijwoorden (samengestelde woorden met daar-, er-, hier-, waar-)
eraan, erop, daarmee, hierin, waaruit

hiertegenover, erbovenop, ertussenuit
Hij wachtte erop.

Hierdoor werd de zaak uitgesteld.

Ik kan daarmee niets aanvangen.

Waarover had ze het?
Let op:

* Bij scheidbare werkwoorden die bestaan uit een voorzetsel en een werkwoord, schrijf je het voorzetsel zoveel mogelijk aan het werkwoord


doorlopen, instappen, afnemen, uitspoelen

Niet verder rijden dan Gent! Je moet er uitstappen.

Hij zei dat hij er uitgestapt was. (er = ‘in Gent’)

Ze ging ervan uit dat ik het wist. Ze is ervan uitgegaan dat ik het wist.
maar: Hij zei dat hij uit de kring gestapt was. = Hij zei dat hij eruit gestapt was.
* Soms lijken combinaties van voorzetsel en werkwoord op een samengesteld werkwoord. Maar vaak is zo’n voorzetsel geen deel van het werkwoord, maar behoort het tot een andere woordgroep of is het een afzonderlijk woord.
aankunnen / aan kunnen

Zullen we die drukte aankunnen? (‘opgewassen zijn tegen’)

Zou ze die jurk nog aan kunnen? (verkorting van ‘aan kunnen doen’)
inlopen / in lopen

Hij had zijn schoenen nog niet ingelopen. (‘iets inlopen’)

Hij was het bos in gelopen. Hij zei dat hij het bos in zou lopen.
oplopen / op lopen

De schulden zullen nog hoog oplopen.

Je moet niet zomaar de weg op lopen.
overgaan / over gaan

Zal hij dit jaar kunnen overgaan? (naar de volgende klas)

Zal dat oude vrouwtje de straat over gaan? (‘oversteken’)
uitlaten / uit laten

Ik moet de hond nog uitlaten.

In die warme zaal kan je beter je jas uit laten. (uit = ‘uitgetrokken’)
* Combinaties van terug en terecht met een werkwoord worden bijna altijd als samenstellingen beschouwd en dus aan elkaar geschreven. Werkwoordelijke uitdrukkingen die combinaties zijn van in, op, ten en ter met een zelfstandig naamwoord en een werkwoord, worden niet aan elkaar geschreven, maar de ervan afgeleide elfstandige naamwoorden wel.
teruggooien, terugvoeren, terugvinden

terechtstellen, terechtkunnen, terechtwijzen

in bezit nemen, de inbezitneming

in ontvangst nemen, de inontvangstneming

in vrijheid stellen, de invrijheidstelling

op pensioen stellen, de oppensioenstelling

ten laste leggen, de tenlastelegging

ter aarde bestellen , de teraardebestelling

b. De getallen


Schrijf steeds alles aan elkaar tot en met het woord duizend. Daarna volgt een spatie. De woorden miljoen, miljard, biljoen enzovoort worden steeds los geschreven. Rangtelwoorden worden op dezelfde manier geschreven.
vijf

vijftien

zevenendertig

honderdzesenzeventig

zevenhonderdachtentachtig

zeventienhonderd

drieëndertigduizend vijfhonderdzesentwintig

zeven miljard achtentwintig miljoen driehonderdzestienduizend vijfennegentig

de derde

een vijfentwintigste

de tweehonderdvijfenzeventigste

de zevenduizend achthonderddertigste

de tien miljoen zeshonderdvierendertigduizend achthonderdnegenentwintigste
Getallen met half worden aan elkaar geschreven.
tweeënhalf, tweeënhalve

drieënhalf, drieënhalve

vierenhalf, vierenhalve

tienenhalf, tienenhalve

vijfentwintigenhalf, vijfentwintigenhalve

zesennegentigenhalf, zesennegentigenhalve
Op officiële documenten (bv. cheques) worden geldbedragen met cijfers na de komma op de volgende manier geschreven.
zeventienduizend achthonderdzevenentwintig komma dertien euro

zesenzeventig komma tweeëntachtig euro


In breuken schrijven we de teller en de noemer los van elkaar, behalve in een meerledige samenstelling.
drie vierde van de leerlingen (drie vierde als een geheel, niet als losse delen)

vijf achtsten van de taart (vijf achtsten als vijf losse delen, niet als een geheel)

een tweederdemeerderheid

de driekwartsmaat


Oefening 3.2 Schrijf de volgende getallen voluit.

  • 32

  • 67

  • 340

  • 862

  • 1302

  • 83.000

  • 520.000

  • 777.000

  • 3.412.318

  • 8.613.432

  • 1.651.873.000

  • Je houdt slechts 65,5 over.

  • 12.340,25 euro

  • de 311de dag

  • 5/12 van de erfenis was toch nog een slordige 4.500.000 euro.





1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina