Inleiding 4 Achtergrondvisie



Dovnload 0.5 Mb.
Pagina2/6
Datum22.07.2016
Grootte0.5 Mb.
1   2   3   4   5   6

Gezamenlijk slotmoment

  • Alle vormelingen komen terug samen. Van elk groepje komt iemand de bokaal vooraan op een tafel zetten. Een catechist noemt nog eens de verschillende voorwerpen die in de bokalen verzameld werden: keien, water, schelpen en bloemen. De bokalen kunnen eventueel opgefleurd worden met een waterplantje, een kruikje,… Hij/zij benadrukt dat het hier om symbolen gaat, het zijn nu geen gewone voorwerpen meer.

  • Vervolgens wordt een bijbelverhaal verteld of voorgelezen. We stellen voor om het verhaal te gebruiken van Johannes de Doper (Het grote avontuur van God en mens, blz. 162-164).

  • De vormelingen vormen enkele kleine groepjes. Hier kan er een gesprek plaatsvinden rond het doopsel. Misschien hebben de vormelingen al een doopsel meegemaakt? Of hoorden ze hun ouders vertellen over hun eigen doopsel?
    De catechist legt de betekenis van de vernieuwing van de doopbeloften uit. Om hiermee in te stemmen, giet één vormeling per groepje een beetje extra water in hun bokaal.

  • In hetzelfde kleine groepje vraagt de catechist naar elementen die de positieve sfeer tijdens de catechesemomenten kunnen bevorderen. Bij ieder element dat men aanhaalt, wordt een druppel kleurvloeistof in de bokaal water gegoten.

  • We sluiten af in grote groep. Een catechist verwijst naar de bokalen die na de activiteiten van vandaag geen gewone bokalen meer zijn. De bokalen zijn geworden tot een geheel dat een symbool wordt van het engagement van de verschillende groepjes tijdens de komende vormselvoorbereiding.


Mogelijke tekst:


De bokaal/schaal is de catechesegroep. Zoals de glazen wand het water vasthoudt, zo houdt onze groep ons bij elkaar. We zijn verbonden met elkaar in onze tocht naar het vormsel.
De kiezelsteentjes zijn de vormelingen en de catechist. Ieder steentje is uniek, anders zoals ook ieder mens anders is. Ze liggen op de bodem van de bokaal. Wij zijn het fundament, de basis van ons groepje. Zonder catechist en vormelingen zou er geen catechesegroepje zijn.
Het water staat voor ‘geloven’. Dat woord staat centraal in onze bijeenkomsten. Je wordt in dat geloof elke keer even ‘ondergedompeld’. Water is leven-gevend. Zo hopen we dat je mag ontdekken dat ook geloven leven-gevend kan zijn voor mensen.
Het water is niet meer doorzichtig, maar gekleurd. Het gekleurde water is symbool geworden van de sfeer in het groepje. Zo hopen wij dat deze voorbereiding naar het vormsel jullie anders zal ‘kleuren’, dat je er iets van meedraagt voor je verdere leven.
De bloemblaadjes zijn ondertussen open gebloeid. Zo hopen wij dat jij hier kan zijn wie je bent en kan open bloeien.
Eventueel: De kruik, het waterplantje zijn de onverwachte
gebeurtenissen die in een groep kunnen gebeuren en die je ervaring van de vormselcatechese mooier maken.


  • Tot slot zingen we het lied ‘Go4God’. Als de strofen nog niet werden aangeleerd, kan dat nu gebeuren. Je vindt het lied op de CD ‘Go4God’, nr 1.

Als je in kleine catechesegroepjes werkt …


Start

Voorzie voldoende tijd voor de kennismaking. Je kan dezelfde activiteiten gebruiken als voor de grote groep. Het ‘We go for … -spel’ kan je vervangen door het opsteken van groene en rode kaartjes. De activiteit ‘Ik ben kei-goed in …’ kan op dezelfde manier doorgaan.


Indien mogelijk leer je ook een lied aan: de CD ‘Go4God’ kan je hierbij helpen (zie blz.3)
Kern

Achtereenvolgens kan je de verschillende doorschuifactiviteiten (doodgewoon water – een bijzondere schelp – en symbool – een prachtige bloem) ook in je kleine groepje laten doorgaan. Je vindt de uitleg op blz. 9 - 11.


Slot

Ook hiervoor kan je de activiteiten van het gezamenlijk slotmoment gebruiken.

Symbool om te bewaren tot het vormsel
De papieren bloemen worden na de bijeenkomst uit het water gehaald. Als je ze laat drogen, kan je ze op een wenskaart kleven en bij het vormsel meegeven als geschenk.
Eventueel kan je ook een klein flesje, gevuld met gekleurd water meegeven.

Thema 2: HANDEN
Achtergrondinformatie bij deze activiteit
De handen zijn voor alle vormelingen een moeilijk te missen instrument. We eten, schrijven, knutselen, … ermee. Onze handen zijn onlosmakelijk verbonden met het menselijk lichaam.

Handen symboliseren ook iets. Niet voor niets zijn er zovele spreekwoorden en gezegden waarin handen voorkomen.

Je kan je handen zowel voor positieve als voor negatieve handelingen gebruiken: je kan iemand beschermen, een handje uit de mouwen steken, maar je kan ook iemand slaan.

Bij het sacrament van het vormsel is de handoplegging een belangrijk moment. De vormheer legt de jongens en meisjes de handen op en bidt om Gods heilige Geest. Bij de zalving staan de ouders of meter en peter achter hun zoon of dochter. Ook zij leggen de hand op de schouder van hun kind. Hiermee tonen ze hun bereidheid om hem of haar te dragen en ondersteunen.

Wie gevormd wordt, is geroepen de handen uit de mouwen te steken in Jezus’ naam. We roepen onze vormelingen op om in zijn spoor ook anderen een helpende hand te reiken.

Tip: Laat de vormelingen tijdens de vormselviering, bij het moment van de handoplegging, vooraan een halve kring vormen rond het altaar. De ouders (en/of peter en meter) kunnen dan samen met de catechisten achter hun kinderen staan om hen mee de hand boven het hoofd te houden.

Doelstellingen

De vormelingen


  • ontdekken dat handen een moeilijk te missen instrument zijn.

  • ontdekken zoveel mogelijk symbolische betekenissen van handen.

  • leggen de band met de handoplegging bij het vormsel en ontdekken de betekenis hiervan.

  • verbinden de eigen inzet voor anderen (de hand uitsteken) met de keuze van Jezus voor kleine en gekwetste mensen,

  • ontdekken de inzet voor je medemens als een betekenis van het vormsel.

Materiaal

Kopieën van de liederen (zie bijlage 9)

Flappen en dikke stiften

Bol wol

Spelkaarten ‘Hand in hand’, in zoveel exemplaren als er groepjes zijn (zie bijlage 2)


Dobbelsteen

Papier en stiften + kleurpotloden

Boeken met verklaringen van voornamen

Schrinkelpapier + oven

Foto’s (zie powerpointpresentatie, elders op de website waarvan u deze handleiding gedownload hebt), aangevuld met eigen foto’s van handen

Kopieën van de slottekst (zie verder, eventuele aanpassingen doen)

Bijbel ‘Het grote avontuur van God en mens’

Afbeeldingen van handen voor het starttoneel

Liedsuggesties


  • Span een draad

  • Er tegenaan (vooral dan strofen 4 en 5)

Verloop van de bijeenkomst voor catechese in grote groep



  1. Gezamenlijk startmoment 20 min

  2. Spel ‘hand in hand’ in kleine groepjes 20 min

  3. Bijbelverhaal en gesprek in kleine groepjes 15 min

  4. Knutselactiviteit, naar keuze in kleine of grote groep 15 min

  5. Gezamenlijk slotmoment 20 min

Totaal: 1u30

Concrete uitwerking


Startmoment

  • Als de vormelingen binnenkomen, worden ze uitgenodigd om hun hand op een flap aan de muur (of op de tafel) te tekenen. Er zijn verschillende kleuren stiften voorzien (zoveel kleuren als er straks groepen moeten zijn). Ze zetten met deze stift ook een kleine stip op hun hand. Ook wordt er gevraagd om in die hand iets te schrijven van wat hen van de voorbije dagen is bijgebleven (leuk of minder leuk).

  • De vormelingen zetten zich neer en er wordt opnieuw toneel gespeeld: de twee spelers kunnen opnieuw een tentoonstelling bezoeken, dit keer met beelden/afbeeldingen van handen.
    Je kan ook twee toneelspelers toevoegen die zwijgend, met gebarentaal hun verhaal laten doen. De hoofdrolspelers proberen de boodschap te ontcijferen en ontdekken het belang van handen bij het uitbeelden van dingen.

  • Er wordt een lied aangeleerd. Suggestie: refrein van ‘Span een draad’

  • De vormelingen gaan per kleur (van de gebruikte stift bij het binnenkomen) staan en vormen zo kleinere groepjes. Per groepje vormen ze dan een kring. Iemand krijgt een bol wol. Deze persoon zegt zijn naam en vertelt wat hij op de hand aan de muur geschreven heeft. Dan gooit hij de bol wol naar iemand anders uit de kring, hij houdt wel het uiteinde vast. Zo vertelt iedereen iets. De bol wol wordt telkens verder gegooid, iedereen houdt een eindje wol vast, zodat een ‘net’ gespannen wordt.
    Met alle groepjes samen zingen we op het einde nog eens het refrein van het lied ’Span een draad’.

  • Per groepje gaan ze nu naar een hoek van het lokaal (of naar een ander lokaal).



Spel: Hand in hand

Speluitleg

Dit spel is gebaseerd op het gekende dominospel. Het wordt gespeeld in groepjes van 5 à 9 personen.


Je zet je vormelingen rond een grote tafel. Leg één kaart op tafel, de andere kaarten worden verdeeld onder de spelers. Voorzie voor alle spelers evenveel kaarten Als het aantal kaartjes niet deelbaar is door het aantal spelers, dan doen één of meerdere jokers hun ingang in het spel. Een joker is een kaartje met aan beide kanten de tekening met twee handen van verbondenheid.
Om de beurt mag iemand een kaart afleggen. Wie mag beginnen, wordt bepaald door het gooien van een dobbelsteen (hoogste getal).

Het kaartje dat bijgelegd wordt, moet aansluiten bij de kaart die laatst gelegd werd. De kaartjes mogen in alle richtingen aansluiten: boven, onder, links en rechts. Wie het eerst zijn of haar kaartjes wegspeelde, is gewonnen.


Het is best dat de catechist niet meespeelt. Hij/zij kan het spel en het gesprek begeleiden.


Spelkaarten

Elke kaart bestaat uit twee helften. Elke helft sluit aan bij een helft van een ander kaartje.

Volgende combinaties horen samen:


  • Gezegden met hun betekenis

  • Handelingen (positieve en negatieve), letterlijk dezelfde handelingen horen samen

  • Twee handen van verbondenheid (Hand in hand)

  • Tekeningen uit een Jezus-verhaal met de titel van het getekende verhaal

Bespreking

Elke keer wanneer iemand een kaartje heeft afgelegd, gaat men met elkaar in gesprek rond de betekenis van de tekst op dit kaartje. De catechist leidt dit gesprek in goede banen.



  • Bij een gezegde wordt er gepolst naar de betekenis.
    Vb. Wat betekent het om iemand een handje toe te steken of om hem of haar te
    helpen? Hoe kan je dit doen?
    Welk gevoel geeft je dat? En bij diegene die geholpen wordt?

  • Bij de kaartjes van de positieve en negatieve handelingen wordt ook een gesprek
    gevoerd.
    Vb. Wie heeft er ooit al eens een rolstoel geduwd?
    Hoe voelt het als iemand voor jou applaudisseert?

  • Bij de kaartjes met de twee handen mag iemand vertellen over een moment waarbij hij/zij zich sterk verbonden voelde met iemand.

  • Bij de Jezustekeningen wordt er samen gezocht naar de inhoud van het verhaal.
    Vb. Kan je dat verhaal over Jezus die enkele leerlingen roept vertellen?
    Bij welke gelegenheid schreef Jezus in het zand?
    Je kan hiervoor best een (kinder)bijbel op tafel leggen, zodat het verhaal kan opgezocht worden.
    Volgende verhalen komen voor tijdens het spel:

      • Jezus raakt een melaatse aan – Marcus 1, 40-45

      • Jezus roept enkele leerlingen – Marcus 1, 16-20 of Lucas 5, 1-11

      • Jezus omhelst de kinderen – Lucas 18, 15-17

      • Jezus zegt dat onze namen staan geschreven in de palm van Gods hand – Matteüs 6, 25-34

      • Jezus schrijft in het zand – Johannes 8, 1-11




Bijbelverhaal en gesprek (in kleine groepjes)

De catechist vertelt het verhaal van de genezing van een melaatse of leest dit voor (Het grote avontuur van God en mens, blz. 173-174).

Eventueel kan je de vormelingen de tekst bezorgen om beter te kunnen volgen.

Enkele vragen ter ondersteuning van het gesprek:



  • Beschrijf het gevoel van de verteller (melaatse man).

  • Hoe reageren de mensen? Hoe reageert Jezus?

  • Wat doet Jezus om deze man te genezen?

  • Hoe reageert de man na zijn genezing?

Knutselactiviteit

Je kan kiezen uit volgende twee mogelijkheden:


Heel eenvoudig

De vormelingen tekenen hun eigen hand op een stuk gekleurd papier (stevig) . Ze schrijven in deze hand hun voornaam en ook de betekenis ervan. Zorg voor enkele boeken die voornamen verklaren. De hand wordt mooi versierd en uitgeknipt. Tijdens de naamopgave kunnen de handen een plaats krijgen in de kerk.



Iets moeilijker

Voor de techniek van ‘schrinkels’ heb je schrinkelpapier en een oven nodig.

Schrinkelpapier is papier dat krimpt: het wordt 3 keer kleiner en 9 keer dikker. Je vindt het in elke knutselzaak.

De vormelingen tekenen hun eigen hand (met kleurpotlood) op het papier en schrijven daarin hun eigen naam. Ze versieren de hand en daarna wordt de hand voorzichtig uitgeknipt.

Met een perforator maken ze ook een gaatje.

Daarna worden de handen in een voorverwarmde oven (150°C), eventueel op een stuk aluminiumfolie, geplaatst. De hand zal eerst krimpen en krullen, om vervolgens weer vlak te trekken. Haal de handen na 3 minuten uit de oven en leg er onmiddellijk een plat voorwerp op. Als de schrinkel niet plat gaat liggen na het krimpen, is de oventemperatuur te laag. Plakt het aan zichzelf vast, dan is de temperatuur te hoog.

Let op: leg niet teveel handen samen in de oven, je moet ze er snel kunnen uithalen!

Na het afkoelen wordt door het gaatje een koortje getrokken en men heeft een mooie hanger.



Gezamenlijk slotmoment

  • De vormelingen komen opnieuw samen in grote groep.
    We zingen samen het lied ‘Span een draad’

  • Een catechist voert met de vormelingen een gesprek over de voorbije activiteiten (spel, bijbelverhaal en knutselactiviteit). Ondertussen probeert hij/zij de band tussen de verschillende activiteiten duidelijk te maken.

  • Daarna wordt aan de vormelingen een reeks foto’s (zie powerpointpresentatie) voorgesteld. In de voorziene powerpointpresentatie krijg je foto’s te zien uit een vormselviering. We stellen voor om zelf foto’s toe te voegen van handen die iets zinvols doen voor mensen. Je kan ook afbeeldingen uit tijdschriften knippen en er een collage van maken.
    De catechist vertelt over de betekenis van de handoplegging (zie achtergrondinformatie) en roept de vormelingen op om de handen uit de mouwen te steken. Immers, wie gevormd wordt, wordt geroepen om in Jezus’ naam anderen een helpende hand te reiken.

  • Slottekst: door één of meerdere vormelingen gelezen

Twee handen heb ik gekregen, ze zijn als instrumenten. Ik kan er vele goede dingen mee doen: een brief schrijven, iemand toezwaaien of een schouderklopje geven ….
Er is nog veel werk aan deze wereld. Jezus vraagt mij om in zijn spoor de handen uit
de mouwen te steken. En ik wil dit doen, daartoe word ik gevormd.

Een moeilijke opdracht? Soms wel, maar goddank, kan ik rekenen op de steun van
velen. Ze houden mij een hand boven het hoofd of leggen hun hand op mijn
schouder. Mama en papa, peter en meter en de catechisten (*) doen dit uitdrukkelijk
tijdens de viering van het vormsel. Ze tonen hiermee dat ze achter mij staan.

Ook de vormheer legt mij de handen op en bidt om Gods heilige Geest. Dat Gods kracht en enthousiasme mij bezielt om daadwerkelijk mijn handen te gebruiken in dienst van velen.
(*) Je kan deze tekst aanpassen naar de plaatselijke gewoonten.



  • We sluiten deze bijeenkomst af met een lied. ‘Er tegenaan’ (CD nr.4) past hier uitstekend.

Als je in kleine catechesegroepjes werkt …



Start

De vormelingen staan of zitten in een kring. Op de tafel in het midden liggen afbeeldingen van handen. Je neemt een bol wol en terwijl je iets noemt wat jij goed kan met je handen, gooi je de bol wol door naar iemand anders. Je houdt wel een eindje vast. Diegene die de bol wol ontvangt, noemt ook iets wat hij/zij kan doen met zijn/haar handen en gooit de bol wol opnieuw verder, terwijl hij/zij een eindje vasthoudt. Zo wordt er een ‘net’ geweven. Het lied ‘Span een draad’ sluit hierbij goed aan. Indien mogelijk leer je het lied aan.


(CD ‘Go4God’ nr 2)

Kern

Het spel ‘Hand in hand’ wordt gespeeld. De uitleg vind je op blz. 15-16 van deze map.


Vertel dan het bijbelverhaal van de genezing van een melaatse (Het grote avontuur van God en mens, blz. 173-174).
Je kan ook een knutselactiviteit organiseren. Lees hiervoor de suggesties op blz. 16-17.
Om de betekenis van de handoplegging bij het vormsel uit te leggen, kan je in deze kleine groep met foto’s werken (die je kan afdrukken vanuit de powerpointpresentatie).


Slot

  • De tekst die je op blz. 17 vindt, wordt gekopieerd voor alle vormelingen. Zij lezen deze tekst samen.
    Eindig met een lied. Samen zingen is het leukst, je kan ook een lied op CD beluisteren. Het lied ‘Er tegenaan’ (CD nr.4) past hier uitstekend.
    Bezorg de vormelingen zeker de tekst zodat ze aandachtiger kunnen luisteren.

Symbool om te bewaren tot het vormsel

Ook uit deze bijeenkomst wordt een symbool bewaard om bij het vormsel mee te geven. De catechist verzamelt de handen die de vormelingen knutselden en bewaart deze.

Thema 3: Olie
Achtergrondinformatie

Tijdens de hele vormselviering is het vormselmoment zelf het plechtige hoogtepunt. De vormeling komt samen met mama, papa of met peter, meter (afhankelijk van de parochie) tot bij de vormheer. Die zalft de vormeling met speciale olie die we ‘chrisma’ noemen.

Terwijl de ouders, meter of peter een hand op de schouder leggen, tekent de vormheer een kruisje op het voorhoofd van de vormeling en zegt: ‘N., ontvang het zegel van de Heilige Geest, de gave Gods.’

Het vormsel is dus in de eerste plaats een gave, een geschenk van God, m.a.w. iets dat je zomaar van God krijgt.

Tegelijkertijd is het vormsel ook een opgave: als gevormde christen word je geroepen om mee in het spoor van Jezus te treden: om in woord en daad over Hem te getuigen.
De olie waarmee men gevormd wordt, heet ‘chrisma’. Het is olie die speciaal voor die gelegenheid gemaakt wordt. Het is een mengeling van olijfolie en goedruikende balsem. Het chrisma wordt ieder jaar op witte donderdag (de laatste donderdag voor Pasen) tijdens een speciale viering in de kathedraal gewijd en van daaruit door de bisschop meegegeven aan de vormheren. Dit drukt de verbondenheid met de bisschop uit.

Olie dringt heel snel en diep in iets door. Daarom is het ook zo moeilijk een olievlek te verwijderen. In hout of steen zal je altijd sporen van de olie blijven zien. Anderzijds werkt olie ook beschermend. Denk maar aan badolie of baby’s of sportlui die gemasseerd worden met olie.


Om die redenen is olie ook het meest geschikte symbool, teken bij het vormsel om aan te tonen dat God jou met zijn Goede Geest wil doordringen bij je vormsel. Het laat sporen na die je niet meer kan wegwissen. Het staat ook symbool voor Gods bescherming.

Wij ontvangen het chrisma dus van de vormheer, die het vormsel toedient in naam van de bisschop. Wij worden dus gezalfd in een lange, eeuwenoude traditie. Door de zalving worden we als het ware nog een beetje meer ‘familie van Jezus’.

Het vormsel is één van die momenten in een mensenleven waarop God even op een heel bijzondere manier heel dicht bij de mens wil komen. Dit noemen we een sacrament.

Hoewel God er altijd voor ieder mens is, vieren we dat op die momenten even heel uitdrukkelijk. De zalving met olie vinden we ook terug in andere sacramenten (doopsel, ziekenzalving, wijding). De zalving van een dopeling en het chrisma van een vormeling verwijzen naar elkaar omdat ze eens deel uitmaakten van één initiatieritus.


Tip 1: Je kan met de vormelingen deelnemen aan de chrismaviering in de kathedraal op Witte Donderdag. Als je tijdig contact opneemt met de verantwoordelijke van de kathedraal, kunnen je vormelingen ook actief deelnemen aan de viering.

Tip 2: Na deze bijeenkomst zou je de naamopgave kunnen laten doorgaan. De vormelingen worden na het verhaal van de roeping van Petrus (gezamenlijk slotmoment) opgeroepen om ‘in gang gezet’ te worden om Jezus’ droom mee waar te maken.

Doelstellingen

De vormelingen


  • gaan op zoek naar geschenken die mensen gelukkig maken.

  • zien in dat het vormselsacrament met de zalving met olie, een bijzonder geschenk (= gave) is.

  • ontdekken de symboolwaarde van olie.

  • kunnen de symboolwaarde van olie en zalf verbinden met bijbelteksten en met het vormsel.

  • leren de eigenschappen van olie kennen.

  • ontdekken dat zalving met olie bij het vormsel ook een opdracht, een zending (= opgave) inhoudt.

Materiaal

Kaartjes met soorten geschenken (zie bijlage 3). Deze worden ingepakt in een doos, met een mooie strik er rond. In elke doos zit, naast de kaartjes, ook een flesje olie (liefst een mooi flesje, vb. uit de Wereldwinkel). Voorzie één ‘cadeau’ per groepje.

Kopieën van de liederen (zie bijlage 9)

CD-speler en CD ‘Go4God’

Foto’s over het vormsel (Je kan ze downloaden van de website waar je deze map vond)

Woordzoeker (zie bijlage 4)

Balpennen - papier

Tekening om in te kleuren (eventueel)
Viltstiften, watten
Tafelbescherming (plastiek zakken)

Plastiek schorten

Spuitjes, lege flessen

Materiaal voor hindernissenparcours – eventueel ook fietsen

Een keitje voor elke vormeling

Bijbel ‘Het grote avontuur van God en mens’

Afbeeldingen van olie voor het starttoneel

Materiaal om te marmeren: ondiepe bak met water, olieverf, kam met brede tanden, papier

Liedsuggesties


  • Petruslied

  • Alleluia

  • Go4God

Verloop van de bijeenkomst voor catechese in grote groep



  1. Gezamenlijk startmoment met toneel en lied 10 min

  2. Doorschuifactiviteit (in vier rondes) 1u20

  3. Gezamenlijk slotmoment 20 min

Totaal: 1u50

Concrete uitwerking


Gezamenlijk startmoment

  • De twee toneelspelers zijn alweer in een museum, ditmaal ééntje dat gespecialiseerd is in schilderijen met olieverf. De werken geven de helende werking van olie weer. Zoek enkele afbeeldingen die je bij voorkeur weer inkadert.
    Als je niet kiest voor opnieuw een museum, kan je een situatie uitbeelden waarbij de helende kracht van olie verwoord wordt.
    Vb. zonneolie, badolie, verzorging van een baby , massage van een sportman

  • Er wordt een lied aangeleerd (Petruslied, CD nr.7)



Doorschuifspel

Organisatie

De groep wordt in vier kleinere groepjes verdeeld. Elk groepje gaat met een catechist mee naar een bepaald lokaal (of hoek van een lokaal).

Voor elke activiteit voorzie je 20 minuten, doorschuiftijd inbegrepen.

De groepjes doen samen met hun catechist de eerste opdracht. Dan vertrekt elk groepje naar een volgende plaats. De catechist blijft ter plaatse om aan een volgende groep dezelfde opdracht uit te leggen. Als de catechisten liever de verschillende activiteiten met hun eigen groepje doen, kan dat natuurlijk ook. Ze schuiven dan gewoon mee door.


De vormelingen schuiven drie keer door zodat ze achtereenvolgens vier verschillende opdrachten doen.

Het is praktisch als iemand van de catechisten na 20 minuten een sein geeft zodat alle groepjes op hetzelfde moment doorschuiven.



Verschillende activiteiten

  1. Olie als geschenk
    De vormelingen zitten rond een tafel. Er wordt een kort gesprek gevoerd over de verwachte geschenken bij het vormsel. Zorg ervoor dat het geen opbod wordt! De catechist vertelt iets over materiële cadeaus en legt dan een geschenk op tafel. In het geschenk zitten spelkaartjes (zie bijlage 3) en een flesje goedruikende olie.
    Het geschenk wordt uitgepakt en dan wordt het ‘grote geschenkenspel’ gespeeld. De catechist kondigt aan dat in dit pak ‘geschenken’ zitten die je gelukkig kunnen maken. Over het flesje olie wordt nog niets gezegd, de vormelingen mogen er wel al eens aan ruiken.
    (Tip: Het is zeker een aanrader om het spel vooraf met de catechisten te spelen!)
    Het flesje olie blijft in het midden staan en de kaartjes worden in een stapeltje, met de tekst naar onder, op de tafel gelegd. Om de beurt trekken de vormelingen een kaartje. De vormeling leest wat erop staat en legt het kaartje voor zich. Dan is het de beurt aan de volgende. Zo gaat men de kring rond. Wanneer men terug aan de beurt komt, trekt men weer een kaartje. Ook dit kaartje wordt voor zich op de tafel gelegd. Let wel! Vanaf nu heeft elke speler steeds twee kaartjes! Het bovenste kaartje is wat men het liefst heeft. Wat onderaan ligt, heeft men minder graag.
    Vanaf de derde ronde heeft de vormeling de mogelijkheid één van de kaartjes weg te doen. Er ontstaat zo een ‘afvalstapel’ naast de stapel kaartjes. De volgende speler mag het laatst weggeworpen kaartje eventueel ‘recupereren’.
    Het spel eindigt als alle kaartjes in het midden opgebruikt zijn of na 10 minuten.
    Elke vormeling heeft nu voor zich twee kaartjes, ze worden uitgenodigd om te vertellen waarom ze deze ‘geschenken’ bewaard hebben.
    De catechist legt nu een laatste kaartje op tafel: gezalfd worden met olie bij je vormsel. Hij vraagt wat er speciaal is aan dit geschenk. Hij verwijst ook naar het flesje olie en vertelt dat dit een belangrijk moment zal zijn tijdens de vormselviering.



  2. Olie als geschenk bij het vormsel
    Op de tafel liggen foto’s van het vormsel. De vormelingen bekijken deze aandachtig. De catechist maakt a.h.v. deze foto’s de betekenis van zalving bij het vormsel duidelijk. Je kan hiervoor de achtergrondinformatie op blz. 19 gebruiken. Nadien krijgen de vormelingen een woordzoeker (zie bijlage 4) waarin ze een aantal begrippen moeten terugvinden. Het centrale woord is ‘sacrament’. Dit woord wordt door de catechist uitgelegd. Hij/zij vertelt dat ook het vormsel een sacrament is. Samen met de catechist zoeken de vormelingen naar de zes andere sacramenten en hun betekenis.



  3. Olie in de Bijbel
    Het verhaal van koning David wordt verteld
    (Het grote avontuur van God en mens, blz.73 - 74).
    Nadien volgt een kwis over het verhaal: De groep wordt in twee ploegen verdeeld. Wanneer iemand het antwoord weet, moet die naar het flesje olie lopen en er aan ruiken. Wie het eerst bij het flesje is, mag antwoorden.
    Mogelijke vragen:

- Noem drie namen uit het verhaal (David, Saul, Samuël, Isaï, Goliath)
- Hoeveel zonen had Isaï? (8)
- In welk dorp leefde Isaï en zijn familie? (Bethlehem)
- Wie was Samuël? (de man van God)
- Wat deed Samuël toen hij David zag? (Hij goot een hoorn gevuld met olie over zijn
hoofd)
- Wat deed David in het dagelijkse leven? (Hij was herder over de schapen)
- Hoe keken de broers en vader naar David? (Er werd wat met hem gelachen. Hij
was de jongste, een klein ventje met rossig haar).
- Waarom vertrok David naar het paleis van koning Saul? (Om de koning op te
vrolijken met harpmuziek)

- Hoe won David de strijd van de reus Goliath? (Door een steen naar zijn hoofd te


slingeren)
- Welk spreekwoord zou bij deze gebeurtenis van toepassing kunnen zijn? (Wie niet
sterk is, moet slim zijn.)

  1. Eigenschappen van olie
    Tijdens deze activiteit wordt het symbool gemaakt dat de vormeling bij het vormsel meekrijgt. Denk dus op voorhand goed na wat je wil meegeven!

    Via een knutselopdracht kunnen de vormelingen de eigenschappen van olie/zalf beter leren kennen. Je kan uit onderstaande voorstellen zelf kiezen wat haalbaar is voor jouw groep.




Een glasraam maken

Elke vormeling krijgt een blad papier (niet te dik). Ze maken hierop een tekening met


viltstiften en kleuren dat ook in.
Je kan ze natuurlijk ook een tekening bezorgen die ze moeten inkleuren.
Nadien wrijven ze over de tekening met een watje, gedrenkt in olie. Laat de
tekening drogen in de zon. Zo wordt ze wat doorzichtiger en krijgt iedereen een
glasraam.

Marmeren


Marmeren is een schildertechniek waarmee kleurig papier gemaakt kan worden, door er patronen van olieverf op aan te brengen.
Zorg voor een ondiepe bak met water. Deze bak moet ongeveer zo groot te zijn als het te behandelen papier. Op het water wordt flink verdunde olieverf gegoten, bijvoorbeeld in lijnen of in vlekken. Er worden meestal verschillende kleuren gebruikt, maar dat is niet strikt noodzakelijk. Met een stokje kan je, door voorzichtig te roeren, een aantrekkelijk patroon in de verf maken. Soms wordt hiervoor ook een soort kam gebruikt met wijd uiteenstaande tanden. Als het patroon op het water voldoende aantrekkelijk is, wordt het papier (dat voldoende sterk moet zijn!) voorzichtig op het water gelegd. Het papier neemt de verf snel op. Daarna wordt het papier plat neergelegd om te drogen.
Je kan deze gemarmerde bladen gebruiken als kaftjes van het vormselboekje!

Zalf maken
Misschien ken je wel een apotheker die samen met de vormelingen een zalfje wil
maken?

Je kan ook allerlei ‘proefjes‘ doen met olie:


Zo kan je olie op een steen of een stuk hout gieten en aantonen dat je het niet zo gemakkelijk kan verwijderen.
Ook kan je, als je de groep goed kent, een massage met geurende olie overwegen.

1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina