Inleiding in de vorige eeuw groeide de twijfel aan het bestaan van absolute waarheden. Deze fundamentele twijfel wordt gezien als een centraal element uit het postmoderne denke



Dovnload 265.81 Kb.
Pagina1/9
Datum27.08.2016
Grootte265.81 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9


INLEIDING
In de vorige eeuw groeide de twijfel aan het bestaan van absolute waarheden. Deze fundamentele twijfel wordt gezien als een centraal element uit het postmoderne denken.1

De Franse filosoof Lyotard ziet het wegvallen van ‘grote verhalen’ als karakteristieke trek van het postmodernisme:


En simplifiant à l’extrême, on tient pour << postmoderne >> l’incrédulité à l’égard des métarécits.”2
Lyotard doelt op de ontkenning van elke metafysische, transcendente of essentialistische orde. Door de ontkenning hiervan wordt ieder systeem van waarden verworpen. Het gevolg van het wegvallen van de grote verhalen, is het verlies van zekerheid en houvast. 3

De ontologische verankering van de mens is hierdoor niet meer vanzelfsprekend. Dat brengt onzekerheid met zich mee. Ontologische twijfel is een begrip dat met deze onzekerheid samenhangt.


Het begrip ontologische twijfel is weinig gethematiseerd. In naslagwerken over postmodernisme wordt wel gesproken over de consequenties van het wegvallen van de ‘grote verhalen’, maar het begrip ontologische twijfel wordt niet vaak gekoppeld aan deze ontwikkeling. De enkele keer dat ontologische twijfel in literatuur over postmodernisme genoemd wordt, krijgt het geen nadere toelichting of uitleg.

Wat wel naar voren komt is de nadruk op ontologische vraagstukken in het postmodernisme. Deze wordt geplaatst tegenover de nadruk die modernisten leggen op epistemologische vragen. Uit deze verschuiving blijkt de ontologische oriëntatie van het postmodernisme.


De centrale stelling van deze scriptie is dat de nieuwe manier van denken over het bestaan die zich binnen het postmodernisme ontwikkelde zijn weerslag had op het theater uit dit tijdperk.

Om een helder beeld te krijgen van wat ontologische twijfel is, wordt eerst een onderzoek gedaan naar dit begrip. Hiermee wordt in kaart gebracht waar de centrale elementen van postmoderne denkers vandaan komen.



Vervolgens wordt onderzocht hoe ontologische twijfel tot uiting komt in het postdramatische theater aan de hand van Hans Thies Lehmanns studie.
Hans Thies Lehmann behandelt de paradigmaverandering binnen theater van de vorige eeuw en de gevolgen die dit had:
Its profoundly changed mode of theatrical sign usage suggests that it makes sense to describe a significant sector of the new theatre as ‘postdramatic’.”4
Lehmann noemt het theater postdramatisch dat zich afzet tegen dramatische theaterconventies van het modernisme. Het postdramatische is niet hetzelfde als het postmoderne; het postmoderne bestrijkt een breder tijdsvlak en is een algemener cultureel fenomeen dan het postdramatische, dat slechts van toepassing is op theateruitingen die grofweg tussen 1975 en 1995 tot stand kwamen. Het postdramatische kan daarmee gezien worden als een onderdeel van het postmoderne.
Lehmann schetst hoe de dominantie van het dramatische theater in verschillende stadia vanaf het einde van negentiende eeuw geleidelijk afnam, culminerend in het postdramatische theater:
The ‘take off’ towards a formation of postdramatic discourse in theatre can be described as a series of stages of self-reflection, decomposition and seperation of the elements of dramatic theatre. The path leads from the grand theatre at the end of the nineteenth century, via a multitude of modern theatre forms during the historical avant-garde and then the neo-avant-garde of the 1950’s and 1960’s, to the postdramatic theatre forms at the end of the twentieth and the beginning of the twenty-first centuries. ”5
Het theater ontwikkelde zich in de verschillende stadia tot het postdramatische, zoals ook het denken in verschillende stadia tot het postmoderne ontwikkelde. Ontologische twijfel kwam waarschijnlijk al binnen het gedachtegoed van bepaalde stromingen vóór het postmodernisme tot uiting. Voornamelijk in het absurdisme en existentialisme speelt twijfel aan de mogelijkheid van de representatie van de werkelijkheid een rol. Deze twijfel aan de representatie van de werkelijkheid zal later een kenmerk worden van postmoderne kunst. Dat absurdistische theaterauteurs als Ionesco, Jarry en Beckett nog sterk vasthielden aan een dramatekst, laat zien dat het geleidelijk loslaten van de dramatische structuur in hun werk een eerste impuls vormt tot de verdwijning van de dominantie van tekst in de tweede helft van de twintigste eeuw. 6

Evenals voorlopers van postdramatisch theater, zijn er ook voorlopers van het postmoderne denken. De sceptische houding ten opzichte van positivistische en essentialistische denkbeelden wordt niet voor de eerste keer aangenomen door denkers uit het postmodernisme. Nietzsche, Heidegger en Sartre worden in dit verband vaak genoemd als voorgangers van de postmoderne verwerping van absolute waarheden.7
Omdat in de literatuur ontologische twijfel wordt toegedicht aan het postmodernisme, maar deze term vermoedelijk veel eerder zijn intrede deed in het Westerse denken, wordt in deze scriptie teruggegaan naar de wortels van het fenomeen. Aan de hand van een historische schets wordt het begrip gedefinieerd. De definiëring van het fenomeen zal uiteindelijk bijdragen aan het herkennen van ontologische twijfel in postdramatisch theater.
Het onderzoeken van het verband tussen ontologische twijfel en postdramatisch theater vormt het uitgangspunt van deze scriptie. Daarmee staat de wederzijdse beïnvloeding van een filosofisch fenomeen en ontwikkeling binnen theater in de twintigste centraal. De hypothese van het onderzoek is dat ontologische twijfel invloed heeft gehad op het theater vanaf het postmodernisme en dat het theater op haar beurt ook ontologische twijfel thematiseert.
De volgende hoofdvraag vormt de leidraad van het onderzoek:
Op welke manier is de groeiende onzekerheid en de nieuwe manier om naar de wereld te kijken die zich uit in ontologische twijfel, doorgedrongen tot het postdramatische theater?
Deze hoofdvraag wordt uitgewerkt in drie hoofdstukken.

Wat is ontologische twijfel en waar liggen de filosofische wortels van het begrip?

Het eerste hoofdstuk is een literatuurstudie naar de betekenis van het begrip ontologische twijfel. Een aantal belangrijke ontwikkelingen in de geschiedenis van de ontologie worden behandeld om het verschil tussen de klassieke ontologiebenadering en de nieuwe ontologiebenadering van de existentialisten en postmodernisten te tonen. Zo worden ontologische twijfel uitgelegd aan de hand van centrale thema’s uit de ontologie van Nietzsche, Heidegger en Sartre.
Hoe verhoudt ontologische twijfel zich tot het postmodernisme?

In het tweede hoofdstuk wordt aan de hand van een literatuurstudie naar het postmodernisme ingegaan op de wijze waarop in het postmodernisme wordt gedacht en geschreven over het zijnsbegrip. Het postmodernisme wordt in dit verband gezien als een tijdsperiode waarin de aanvaarding van ontologische twijfel heeft plaatsgevonden. De bestudering van het postmodernisme als theorie en periode heeft tot doel de verhouding van de postmoderne denktrant tot de eerder behandelde ontologiebenaderingen te tonen. Daarbij wordt ook ingegaan op de verhouding van het postmodernisme ten opzichte van het modernisme om vervolgens opvallende tendensen in postmoderne kunst te beschrijven waarin ontologische twijfel tot uiting komt. Aan het einde van dit hoofdstuk wordt de relatie tussen ontologische twijfel en postmodernisme in een conceptueel model in kaart gebracht.


In hoeverre speelt ontologische twijfel een rol in het postdramatische theater?

In het derde hoofdstuk wordt onderzocht in hoeverre en op welke manier ontologische twijfel is doorgedrongen tot het postdramatische theater. Hiertoe worden een aantal tekst- en montagevoorstellingen van Gerardjan Rijnders behandeld als casus en gekoppeld aan de elementen van het postdramatische theater zoals beschreven door Hans Thies Lehmann. De keuze voor de voorstellingen van Rijnders is omdat hij de eerste regisseur van montagevoorstellingen was in Nederland en omdat in de voorstellingen die hij tussen 1975 en 1995 maakte een steeds verdergaande fragmentatie zichtbaar is. De voorstellingen van Rijnders dienen als voorbeeld van postdramatische voorstellingen. Zij vormen de ingang om te onderzoeken op welke manier ontologische twijfel aanwezig is in het postdramatische. Hoofdstuk drie bestaat uit een literatuurstudie en de analyse van videoregistraties van voorstellingen van Rijnders. Het instrumentarium dat in hoofdstuk één en twee is ontwikkeld wordt in hoofdstuk drie toegepast om de aanwezigheid van ontologische twijfel in postdramatisch theater te duiden.




  1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina