Inleiding Kennen en herkennen



Dovnload 33.56 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte33.56 Kb.
Inleiding

Kennen en herkennen is van levensbelang en toch heel vanzelfsprekend. De homo sapiens (de wetende mens) kan alleen functioneren in een omgeving die op mensen is afgestemd, en alleen met het basisvermogen om te kunnen kennen en herkennen. Daarbij streven alle mensen van nature naar kennis.

Wat kennis en weten nu eigenlijk inhoudt, wordt onderzocht in de epistemologie (epistèmè = kennis). Ook wel kenleer, kennisleer of kentheorie.


Plato schreef een dialoog waarin Theaetetus en Socrates een gesprek voeren over wat kennis is. Theaetetus zegt eerst dat het door waarneming verkregen wordt, daarna dat het inzicht is en verkregen door het verstand. Beide antwoorden worden verworpen en tot op heden is er nog geen definitief antwoord.
Soorten kennis

Kennis van dingen of personen: is op basis van directe bekendheid of vertrouwdheid omdat je het hebt gezien of ervaren.

Kennis van feiten omtrent dingen of personen: kán op basis van bekendheid of vertrouwdheid, maar je kunt het ook gelezen hebben of het is je verteld.

Kennis van vaardigheid of kundigheid: is niet belangrijk binnen de filosofie.

Je kunt dus alles weten van je buurvrouw; je hebt dan kennis van haar, maar je kent haar niet. Om iets te wéten is directe bekendheid niet noodzakelijk. Kennis van feiten is overdraagbaar, bekendheid is dat niet.


Operatieve / praktische kennis: deze kennis is werkzaam in ons doen en laten en alle handelingen, zonder de aandacht op zichzelf te vestigen. We zijn meer gefocust op het object of doel van onze activiteiten.

Filosofische / theoretische kennis: deze kennis behandelen we binnen de filosofie. Gezond verstand en vanzelfsprekendheid worden tussen haakjes gezet en alles lijkt onpraktisch.
Kennis kun je omschrijven als datgene wat je weet, niet alleen en uitsluitend een zaak van mensen. Dit is echter heel beperkt. Ook dieren kunnen dingen weten, ze kennen alleen andere dingen en andere feiten omdat hun leefomgeving anders is. Daarbij hebben mensen hun taal om kennis vast te leggen, te bewaren of over te dragen.
Kenleer richt zich op een specifiek soort kennis: die van de kennisoordelen. Dat zijn zinnen waar je ‘ik weet dat...’ bij kunt denken. Ook wel cognitieve uitspraken die informatie verschaffen over iets. Als je stelt ‘ik weet dat X’, dan zitten daar 5 claims in opgesloten:

1) je weet de betekenis van X

om X juist te beoordelen is het niet begrijpen of het verkeerd interpreteren dus fataal

2) X is kenbaar

roept de vraag op wat je kunt weten. Antwoord op wat je weet kan niet ‘niets’ zijn, want

dan weet je dat je niets kunt weten.

3) X is waar

oordeel X is waar als X het geval is, maar er is dus een mogelijkheid van onwaarheid.

4) je bent overtuigd van X, je hebt zekerheid

je twijfelt niet aan de waarheid, maar zekerheid biedt geen garantie voor waarheid.

5) overtuiging van X is gerechtvaardigd

zijn er werkelijk overtuigende redenen voor X, en is die dan noodzakelijk waar?

Deze 5 claims definiëren kennis als juiste en gerechtvaardigde overtuiging.
Een tegenvoorbeeld (wel voldaan aan de claims, maar je kunt niet zeggen dat je iets weet) is het voorbeeld van een voetbalwedstrijd. Je dénkt dat je naar dezelfde wedstrijd als je vrienden hebt gekeken en het werd ook dezelfde stand. Jij hebt echter naar een wedstrijd van een paar jaar terug gekeken, zij naar die van nu. Je overtuiging van 2-1 was juist en gegrond, maar je kon de stand niet weten van de wedstrijd van nu.
Elke bron van kennis heeft specifieke mogelijkheden en grenzen. Die bronnen waar we kennis uit putten noemen we cognitieve vermogens: vermogens die een rol spelen in het proces van kennisverwerving. Je hebt waarneming via:

Introspectie > innerlijke waarneming, via rede/verstand, rationalisten

Zintuiglijk > uiterlijke waarneming, zintuigen, empiristen
We onderscheiden vijf bronnen van kennis:

1. zintuiglijke waarneming

2. herinnering getuignissen van anderen zou zes kunnen zijn, maar

3. introspectie dat gaat weer terug op de andere vijf bronnen

4. intuïtie

5. redenering


Rationalisme; hecht veel betekenis aan wiskunde en strikt logisch redeneren.

Parmenides (540-480 v.Chr) vond dat ‘wat niet is, kan niet gedacht worden’. Bijvoorbeeld verandering, dat betekent dat iets van niet-zijn tot zijn wordt of andersom. Dat is schijn.
Heraclitus (530-470 v.Chr) vond vond dat verandering alles was. Panta rhei, alles stroomt. Dat is wat de zintuigen ons vertellen
Plato (427-347 v. Chr) was leerling van Socrates. Hij schreef veel dialogen (vraag-antwoordgesprekken) waarin Socrates de leidende figuur was. Om de vraag ‘wat is een stoel’ te beantwoorden, kun je kenmerken en eigenschappen gaan opnoemen, maar een kapotte stoel voldoet daar niet altijd aan. Hoe leg je dat dan uit? Volgens Plato stuurt de vraag ‘wat is...’ aan op Idee of Vorm (idea / eidos). De Idee is voor Plato een objectieve realiteit waardoor begripswoorden betekenis krijgen. Neem het voorbeeld dat je ‘iets als iets’ ziet. Je kunt iets benoemen en herkennen. De eerste iets is dat wat je waarneemt met je zintuigen, de tweede iets haal je ergens anders vandaan. De Idee is dus het algemene in het particuliere, alle afspiegelingen hier op aarde hebben iets weg van de Idee waardoor we iets als iets herkennen. Plato legt de komst van echte kennis uit aan de hand van de grotmythe. Hiermee wordt paideia / ontwikkeling duidelijk gemaakt. Daartegenover staat apaideia; onontwikkeldheid of onopgevoedheid. Dat zijn de mensen in de grot die zich niet van hun boeien los kunnen maken. Hun kennis is niet meer dan een doxa; verzameling van meningen en vermoedens. Als je bevrijd wordt krijg je echte kennis; epistèmè. Graden van kennis dus:

1. vermoeden 2. geloof 3. redelijk denken 4. inzicht, echte kennis

Kennis is een vorm van herinneren, ‘ergens’ weten we het al.


René Descartes (1596-1650) wilde een filosofie ontwikkelen die even helder was als de wiskunde. Via introspectie (zelfonderzoek) en ego cogito (het denkende ik) kwam hij tot een onwankelbaar fundament. Alles waar over te twijfelen valt, is onwaar. Dan blijft alleen de échte kennis over. Dat heet methodische / cartesiaanse twijfel. Hij kwam tot de zekerheid van zijn eigen bestaan: cogito ergo sum. Hij gaat hier verder dan Plato: zekere kennis ligt wel degelijk binnen ons bereik. Uit het basisinzicht ‘ik denk, dus ik ben’ leidt hij een aantal basisideeën af die niet door onze zintuigen worden ingegeven, zoals ding, waarheid, denken... etc. Dit zijn aangeboren ideeën die door reflectie op zich ontdekt worden.

Descartes is een ontologische dualist: hij stelt het denkend wezen (res cogitans) tegenover het uitgebreide ruimtelijke ding (res extensa). Probleem bij dualistme is het interactie-probleem: hoe kunnen de res cogitans en de res extensa elkaar beïnvloeden? Volgens Descartes was het de pijnappelklier die alle spanning opheft.

Hij hanteerde 3 argumenten om zijn scepsis/twijfel door te voeren:

1) illusieargument, twijfel aan zintuigen

2) droomargument, is onze werkelijkheid een droom of niet?

3) kwade demon, bedriegt/benevelt je verstand


Amnese herinnering

Latent goed zijn in iets van binnen, nog niet tot uiting gekomen


Empirisme; hecht veel betekenis aan waarneming van zintuigen

Aristoteles (384-322 v.Chr) was leerling van Plato, maar in tegenstelling tot hem wel een empirist. Observatie en ervaring vormen de bron van kennis. Zonder zintuigen is kennis onmogelijk. Hij onderscheidt twee basisvermogens van de ziel: aisthèsis (gewaarwording) en noèsis (denken). Een andere voorwaarde voor kennis is het geheugen, daarin maken we voorstellingen van dingen waardoor we objecten later herkennen. Vermogen tot ervaring is ook bij andere dieren, slechts mensen hebben vermogen tot denken. Zo komen ze tot technisch inzicht en wetenschap.

Technische kennis: kennis van een algemene regel, afgeleid uit veelheid van ervaringen van particuliere gelijksoortige gevallen.

Wetenschap: kennis van de dieper gelegen oorzaken, hoe, wat, waarom, dat. Uit ondervinding (empeiria) weet je hoe en dát het werkt. Bijv. doktoren.

Graden van kennis: gewoonte (bouwvakkers bouwen constant op dezelfde manier een muur)



inzicht (technici kunnen de techniek achter het bouwen uitleggen)

Aristoteles gebruikte de wetenschappelijke methode om te verklaren. Het begint bij observatie, maar de eerste fase is inductie *zie begrippen*. Tweede fase is de deductieve bewijsvoering. Wetenschappelijke verklaring dient een doeloorzaak aan te geven en daarom noemen we deze manier ook wel teleologisch (telos = doel).

Aristoteles stelde 3 premissen aan wetenschappelijke bewijsvoering:

- moet waar zijn

- simpeler zijn dan de conclusie

- moet conclusie verklaren

Hij hanteerde ook de Oorzakenleer (waarom is er iets) David (Michelangelo)

gemaakt van 1) materieoorzaak, causa materialis marmer

doel? 2) doeloorzaak, causa finalis genieten/opdracht

hoe zie je het 3) vormoorzaak, causa formalis beeldtenis, contour, vorm

wie gemaakt? 4) werkoorzaak, causa efficiens kunstenaar
John Locke (1632-1704) bestreed Descartes’ opvatting van aangeboren ideeën. De mens is een tabula rasa. Door ervaring verkrijgen we kennis. Door prikkels krijgen we impressions, die langzaam ideeën/voorstellingen (perceptions) worden van de dingen oms ons heen. Waarneming wordt complexer en ideeën worden gecombineerd. Enkelvoudige ideeën die je bijvoorbeeld op doet zijn sappig, rood en zoet. Je maakt dan een complex/samengesteld idee, namelijk appel. Later in het leven ontstaat besef van de geest en je ontwikkelt bewustzijn. Je kunt behalve waarnemen en herinneren nu ook geloven, weten, voelen etc. Alle redeneringen gaan wel altijd terug naar de enkelvoudige ideeën. Indrukken heb je opgedaan via uiterlijke waarneming (Sensation) en innerlijke waarneming (reflection), maar alle kennis komt uit de waarnemingswereld. Ook onderscheidt Locke primaire en secundaire eigenschappen. Vorm en aantal is primair, het overige zoals geur, kleur en smaak is secundair. Je kunt alleen de waargenomen eigenschappen ervaren, van de substantie zelf kunnen we niets weten. Die onderliggende substantie moet je op basis van common sense gewoon aannemen.
George Berkeley (1685-1753) bestudeerde het werk van Locke. Hij wijst daarbij de aanname van een materiële substantie af omdat er geen bewijs is. Zo wordt hij aangeduid als immaterialist, maar hij bedoelt de afwijzing van het filosofisch begrip. Berkeley zegt dat ideeën hun bestaan in het subject vinden, of; zijn is waargenomen worden, esse est percipi. Hoe kun je dan continuïteit verklaren? Er is voor hem geen materie, geen geest. Alles wat je waarneemt verwijst namelijk naar je geest, dus wat je niet waarneemt verwijst niet naar je geest. Het hele universum genomen, verwijst Berkeley naar een oneindige geest, God. God geeft je in wat je denkt.
David Hume (1711-1776) twijfelde over causaliteit. Oorzakelijkheid is een idee en moet dus te herleiden zijn tot indrukken van uiterlijke of innerlijke waarneming. Echter het idee ‘oorzaak’ is nergens op gebaseerd dus is het in feite betekenisloos. Als eerst gebeurtenis A gebeurt en dan B wil dat niet zeggen dat A de oorzaak was van B.We zien wel een regelmaat, maar geen implicatie/wet. We hebben geen empirische ervaring die een noodzakelijk verband tussen beide aangeeft.

Hetzelfde bekijkt Hume de wilsdaden. Je hebt een geestelijke gebeurtenis (je wilt iets) en daar volgt een lichamelijke handeling op. De verbondenheid is echter niet waarneembaar. Het causaliteitsprincipe is dus niet empirisch te verantwoorden, het wordt samen met het substantiebegrip gevormd tot ‘gewoonte’.

Wiskunde kan ons wel inzicht verschaffen in stucturen en verbanden, maar verschaft strikt genomen geen nieuwe kennis. Daarvoor moeten we ervaring opdoen. Dit criterium werkt door in Humes indeling van cognitieve uitspraken: Hume’s Fork


Synthetische oordelen/uitspraken...

Analytische oordelen/uitspraken etc...

-gebaseerd op ervaring, empirisch

-a posteriori (na waarneming)

-contingent / toevallig

-levert nieuwe kennis op

-de appel is rood


-ideeën, relaties daartussen, rationeel

-a priori (voor waarneming)

-noodzakelijk

-vertelt wat we al weten

-ontkenning leidt tot tegenspraak

-2+2=4



Immanuel Kant (1724-1804), verlichtingsfilosoof, wilde antwoord geven op de vraag wat betrouwbare kennis is en wat de grenzen zijn van onze kennis. Daarvoor schreef hij Kritiek van de Zuivere Rede, Kritiek van de Praktische Rede en Kritiek van de Oordeelskracht. Hij was een aanhanger van Descartes maar werd door Hume uit zijn dogmatische sluimer gewekt.

Hij was het niet met Hume eens dat wiskundige uitspraken alleen analytisch zijn. Ze zijn synthetisch. Wiskundige uitspraken zijn a priori. Maar om 7+5=12 te begrijpen heb je wel een aanschouwing als een telraam nodig. Zo zijn er volgens Kant synthetische oordelen a priori.

Kant onderscheidt twee grondvermogens van het kennen; zintuiglijkheid en verstand.

Zintuiglijkheid: sense data > zintuiglijke gegevens en levert aanschouwingen van objecten

Verstand: denkt hetzelfde als de aanschouwingsvormen en levert begrippen
We hebben dus eerst ruw materiaal, daarvan komt een voorsteling. Dit krijgt samenhang en we zien iets als iets. Het is de vraag of onze voorstellingen overeenkomen met de werkelijkheid. We kunnen weten hoe iets aan ons verschijnt maar over de werkelijkheid op zich (an sich) weten we niets. Kan ook niet. Je kunt het hooguit denken.

Het zoeken van de grenzen van mogelijkheidsvoorwaarden a priori van ons kennen noemen we transcendentaalfilosofie. Daarbinnen heb je:



transcendentale esthetica: betreft zintuiglijkheid en al haar aanschouwingen. Wat Kant’s filosofie betreft gaat het hier om het plaatsen van aanschouwingen in ruimte en tijd. Dat zijn aanschouwingsvormen. Ze gaan eraan vooraf en zijn dus a priori. Ze zijn wel noodzakelijk.

transcendentale logica: betreft verstand en zijn begrippen. Verstand is hier voor Kant het vermogen om te oordelen, dat wil zeggen het vermogen om predicaten/begrippen met subjecten te verbinden. Oordelen zijn niets dan functies van de eenheid van de voorstellingen. Volgens Kant kun je met oordeelsvormen een compleet overzicht krijgen. Je hebt: -oordelen die kwaliteit aangeven

-oordelen van kwantiteit (eenheid, veelheid)

-oordelen van relatie (substantie-accident, oorzaak-gevolg)

-oordelen van modaliteit (mogelijk-onmogelijk, werkelijk-onwerkelijk...)

Deze categoriën / verstandsbegrippen zijn zuiver omdat ze voorafgaan aan de ervaring. Causaliteit is net als substantie een zuiver verstandsbegrip maar levert op zich geen kennis van de werkelijkheid.

Copernicaanse wending; was zeer revolutionair. Met betrekking tot Kant’s opvatting; die was ook evolutionair. Hij stelde dat wij ons niet naar dingen moeten richten, objecten richten zich naar ons. Aanschouwing is blind zonder verstand en verstand leeg zonder aanschouwing.

Transcendentale apperceptie: samenkomen van zintuiglijkheid en verstand, daar ligt de wortel van onze kennis.
Verstand structureert onze waarneming in verstandsvormen (substantie, causaliteit)

We projecteren ruimte en tijd op objecten, dat zijn aanschouwingsvormen (zintuiglijk)


Kritiek op Kant:

1) begrippen ruimte en tijd bij Kant; deze zijn door de jaren heen gewijzigd van betekenis

2) subject als lichamelijk en anoniem, schiet tekort

3) hanteert een veel te beperkt ervaringsbegrip

4) benadert onze wereld veelal technisch

5) zijn theorie laat geen ruimte aan evolutie


bijvoeging bij schema synthetische + analytische oordelen: Synthetisch A Priori

- ‘alles wat gebeurt, heeft een oorzaak’

- voorafgaand aan waarneming, wel nieuwe kennis, en toch noodzakelijk
Inductie algemene regel afgeleid uit afzonderlijke gevallen

Deductie afzonderlijke gevallen worden uit algemene regel afgeleid

Inductieprobleem je kunt niet alle gevallen overzien voor zekere stelling

Axioma wet of grondbeginsel

Phantasia verbeeldingskracht

Empeiria ervaring

Technè technisch inzicht

Epistèmè wetenschap

Postulaten basisaannames van de wetenschap

Evident geen bewijs nodig hebbend

Ding an sich noodzakelijk buiten ons, niet te kennen, grondslag van waarneming

Noumenale wereld volgt uit Ding an sich, daartegenover fenomenale wereld; onze.









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina