Inleiding (Toledo) Opzet: Situering van het fenomeen godsdienst. Woordjes: Religie



Dovnload 126.24 Kb.
Pagina1/3
Datum25.08.2016
Grootte126.24 Kb.
  1   2   3
Inleiding (Toledo)

Opzet:

Situering van het fenomeen godsdienst.



Woordjes:

Religie is een complex van ervaringen, voorstellingen en handelingspatronen van individuen en gemeenschappen, die vorm geven aan hun betrokkenheid op een hogere werkelijkheid en antwoorden op hun vraag naar zinvol leven en handelen. Het begrip 'religie' komt van het Latijns woord 'religio'. Men is niet zeker van welk latijns woord 'religio' komt: ofwel van 'religere' (herlezen, nauwgezet in acht nemen), ofwel van 'religare' (zich weer binden). In dit vak is 'godsdienst' synoniem voor 'religie'.

Mythen zijn verhalen die vertellen over een oertijd, voorafgaand aan de geschiedenis waarin de wereld en de mensen vorm kregen (vanuit het goddelijke). Bv. het scheppingsverhaal.

Samenvatting:

1. Godsdienst en godsdiensten.

Godsdienstwetenschappen bestuderen het fenomeen van de religie en levensbeschouwing vanuit verschillende disciplines. Zo zal de godsdiensthistoricus geïnteresseerd zijn in de historische ontwikkeling van een godsdienst en de impact ervan op de geschiedenis.

Theologen daarentegen vertrekken van een breed interdisciplinair kader om van binnuit reflexief de godsdienst waartoe ze behoren te verkennen. De godsdienstwetenschappen vervullen hierbij de rol van hulpmiddel.

Men kan trachten de religies op een of andere manier te classificeren, bijvoorbeeld degene die het goddelijke identificeren met de natuur (natuurreligies) t.o.v. zij die dit niet doen, profetische religies t.o.v. wijsheidsreligies, volgens geografische locatie,... Echter, zo'n classificatie is altijd problematisch, want:



  1. er is altijd nog een onderscheid te maken op vlak van geschiedenis, vorm, inhoud.

  2. vele religies hebben duidelijk (deel)stromingen

  3. religies zijn dynamische werkelijkheden (d.w.z. zijn zelf in verandering).

De vraag rijst dan: is er een alternatief voor deze (problematische) classificeringen?

Ja! We kunnen spreken over "familiegelijkenissen tussen de verschillende religies", die het totaalomvattend karakter van een religie weergeven. Dit zijn:



  1. Doctrines of leerstellingen

  2. Mythen en funderende verhalen

  3. Richtlijnen voor een ethisch leven

  4. Rituelen

  5. Mystiek en spiritualiteit

  6. Gemeenschapsordening door institutionalisering

  7. Symbolische expressie in religieuze kunst 

2. Het christendom.

 Toegepast op het christendom:



  1. Credo (catechismus)

  2. Het scheppingsverhaal

  3. 10 geboden

  4. Sacramenten

  5. Gebed

  6. De Kerk als organisatie

  7. Sixtijnse kapel

Merk op dat we niet zomaar kunnen praten van 'het' christenom; immers, er bestaat een veelheid van kerken en groepen onder dezelfde noemer. Zo is er de katholieke kerk (850 miljoen mensen), de protestantse kerken (400 miljoen mensen), de orthodoxe kerk (150 miljoen mensen) en talloze andere kleinere bewegingen.

Er zijn echter wel familiegelijkenissen (zie hierboven). Bijvoorbeeld, in elke subgroep zijn de leerstellingen de dogma's en men gebruikt allen als funderende verhalen de Bijbel en de testamenten.



3. Religie en christelijk geloof.

In het christendomis God de totaal 'Andere' van de wereld; er is een radicaal onderscheid tussen Schepper en schepping. Dit heeft twee dingen tot gevolg:

1) Een resolute ontgoddelijking van natuur en cultuur. God is niet langer aanwezig in de natuur of in de cultuur; het binnenwereldse kan hoogstens naar God verwijzen.
2) Een radicale breuk met de culturele religie. Religie en cultuur vallen niet langer samen, culturele religie (religie inherent aan cultuur) wordt geloofsreligie.

Geloven is "de persoonlijke instemming van de mens, die zich vrij voor zijn overtuiging inzet en die zich in zijn instemming impliceert, in het bewustzijn daartoe opgevorderd te worden voor een boodschap die ruimte laat voor een niet-gelovig antwoord".Echter, in cultuurreligies is er geen optiemogelijkheid want men is er bevangen in een religieus netwerk waar men niet buiten kan treden; cultuur en religie hangen volledig samen.

Een aantal kenmerken van het christendom als geloofsreligie:


  1. Het christendom en cultuur zitten niet naadloos op en in elkaar vastgekleefd, zodat er mogelijkheid is tot religieus gemotiveerde cultuurkritiek.

  2. Bij het verdwijnen van een bepaalde cultuur kan het christendom, doordat het niet vastzit aan die cultuur, zich doorzetten in een àndere cultuur; i.e. er is mogelijkheid tot inculturatie of recontextualisering.

  3. Het christendom is volgens Antoon Vergote (=een Leuvense professor) pas in de moderne tijd echt een geloofsreligie geworden, nu er in toenemende mate nood is aan “a leap of faith”.

Inleiding boek: p11-19

Woordjes:

Pluralisme (=veelvoud) is een systeem of leer die het bestaan van verschillende overtuigingen naast elkaar als uitgangspunt neemt. Deze verscheidenheid wordt niet alleen herkend, maar ook erkend. Dat wil zeggen: pluralisten vinden het goed dat er een verscheidenheid aan overtuigingen bestaat. Hiermee is het pluralisme tegengesteld aan het monisme, dat stelt dat de feitelijke verscheidenheid aan opvattingen tot één principe kan worden herleid. Het pluralisme is een positie die in meerdere wetenschappen en deelgebieden van de filosofie terugkomt. Het kan bijvoorbeeld betrekking hebben op zowel epistemologische of ethische overtuigingen.

Secularisering (=verwereldlijking) is de reductie van religie tot het private terrein en de afname van de maatschappelijke invloed van religie.

Recontextualisering (=betekenisverruiming) is het verbreden van betekenis van concepten door in andere context te werken

Samenvatting:

In de huidige tijd is er een pluralisme (dwz veelvoud) aan religie’s en zinsbeschouwingen. Deze plurariteit roept vragen op, vb. kan één traditie nog “De Waarheid” claimen, kan er dus nog een omvattende en verenigende superreligie zijn? Het pluralisme staat ook in verband met de secularisering van het Christendom bij ons: er is een alsmaar groeiende kloof tussen het Christelijk geloof en de actuele cultuur. De reacties zijn dat men ofwel het Christendom moet hervormen (moderner maken) ofwel net teruggrijpen naar meer klassieke tradities, en alles wat tussen deze twee uitersten ligt. Wat moet er nu juist veranderen om ervoor te zorgen dat het Christendom overleeft? Daarover gaat het boek eigenlijk. Dit gebeurt in 3 delen:

-         Eerst kijken we hoe het Christendom is geworden wat het is, hoe de Christelijke tradities zijn ontstaan.. Hierbij staat het woord recontextualisering centraal: naarmate de tijden veranderen, verandert de context waarin het Christendom zich bevindt, en dus moet het Christendom zijn tradities aanpassen (verbreden) om mee te gaan met zijn tijd.

-         Daarna bekijken we het kritische bewustzijn dat in onze postmoderne tijd ontwikkeld werd (/wordt). Hoe gaan we om met het pluralisme? Hierbij staat het woord ‘verhaal’ centraal en gaan we het hebben over ‘open’ en ‘gesloten verhaal’. Welk van de twee is het Christendom? (antw: open verhaal is noodzakelijk om te overleven)

-         Wat zijn de theologische gronden die ervoor zorgen dat we het Christelijk verhaal ‘open’ mogen noemen? We onderzoeken hievoor het fundament van het Christelijk verhaal: Jezus. Er wordt een Jezusbeeld gegeven dat een ‘open’ verhaal legitimeert. Ook het vraagstuk van ‘wat is God’ wordt behandeld. Daarna wordt de relatie van het Christendom met de andere wereldgodsdiensten bekeken, en op het einde komt er nog ‘de positie van de Christen vandaag’.

Antoon Vergote gaf zijn visie van de kenmerken van een religie: mythen, gebeden, riten, symbolen, ethiek en de algemene religieuze beleving. Religie is een totaalomvattend karakter dat alle dimensies van het leven bepaalt. (Vergelijk met een taal, deze hoort ook bij een gemeenschap). Het Christendom heeft een God die bovennatuurlijk is. Dit maakt van de religie een ‘geloof’, en zorgt er ook voor dat dit ‘geloof’ een cultuur kan overleven: het kan meeëvolueren. De sprong tussen religie en ‘geloof’ is vooral vanaf de 16e eeuw gekomen omdat door de opkomst van de wetenschap het bovennatuurlijke karakter duidelijker werd.



Hoofdstuk 1: Traditie en traditieontwikkeling (p19-33)

Opzet:

Nagaan hoe de christelijke traditie zich heeft ontwikkeld doorheen de eeuwen heen.



Woordjes:

Traditie is de inhoud van een overlevering: de kennis, de verhalen, de gebruiken, de instelingen en organen van een bepaalde gemeenschap. (vb. de 7 sacramenten bij het Christendom) Traditie is echer ook ‘het overleveren’ zelf.

Doctrine is verzameling leerstellingen of dogma's die niet ter discussie staan

Samenvatting:

In dit hoofdstuk gaat het over Christelijke tradities en het ontstaan ervan. Het Christendom (meer bepaald de Kerk) is niet alleen de drager, maar ook de beschermer van tradities. De tradities op hun beurt zijn immers ontstaan om het christelijke geloof te beschermen tegen dwaalleringen. (3e eeuw n.C.)  De Kerkvaders (oude belangrijke bisschoppen) bepaalden welke verhalen nu canon waren en welke niet, om zo de Kerk te beschermen tegen ketterij. Ze formuleerden symbolen en geloofsbelijdenissen. Ook startten ze de theologie op: het ‘filosoferen’ over het geloof. Deze ontwikkeling had als gevolg dat het Christendom heel wat weg kreeg van een doctrine.

Tradities hebben zich moeten aanpassen aan de context. Dit is recontextualisering - merk op: er komt niet ‘meer’ traditie, er komt gewoon ‘andere’ traditie. Hierdoor kunnen we ons natuurlijk vragen stellen bij de waarheid die nog overschiet van deze tradities.

Zo was bijvoorbeeld het sterven van Jezus aan het kruis als goedmaking van de zondes het idee van Anselmus (11e eeuw), die zich inspireerde op het toen van kracht zijnde feodale systeem van leenheer en leenman.

Deze recontextualisering vond ook plaats in de theologie. Vb. God als schepper moest worden herzien door de Big Bang theorie. Ook de heersende filosofische denkbeelden hebben een sterke invloed gehad op de theologie (de filosofie als de dienstmaagd van de theologie). Een belangrijk voorbeeld hiervan is in de de 13e eeuw, Thomas van Aquino die het Aristotolisme introduceerde.

De vraag dringt zich dan op of we door al dat recontextualisering eigenlijk nog wel geloven in dezelfde God en religie als pakweg 100 jaar geleden. Het antwoord is: ja en neen. Ja, omdat we nog nog altijd elementen van vroeger overhouden, en neen omdat we nu eenmaal leven in onze tijd. We zijn vast verbonden aan onze tijd en kunnen er niet los van oordelen: er is geen onafhankelijk toeschouwersperspectief, we staan midden in de geschiedenis.



Hoofdstuk 2: De moderniteit als breukmoment: haalt de discontinuïteit het? (p36-45)

Opzet:

Wat voor een verandering heeft de moderniteit in het bewustzijn aangebracht (bv. Conflicten tussen geloof en wetenschap) en welke reacties kwamen er vanuit het christelijke verhaal?



Woordjes:

Functionele differentiatie is een proces dat ontstaan geeft aan verschillende, gespecialiseerde subsystemen (politieke, economische, culturele, godsdienstige...) die functioneel autonoom zijn en eigen sociale rollen, regels en normen ontwikkelen.

Waardegeneralisering betekent dat na het verlies van de overkoepelende functie van de religie, er enkel nog zéér algemene normen alle subsystemen overkoepelen.

Groot verhaal is een ideologie.

Samenvatting:
We zagen eerder dat het christelijke verhaal zich alsmaar ‘recontextualiseert’ om mee te gaan met zijn tijd. Deze recontextualisatie verloopt zowel continu (doorheen de tijd) als discontinu (er moet worden beslist op Kerkvergaderingen wat er precies allemaal verandert – ‘vanaf nu is Genesis beeldspraak’ etc.). Bij het begin van de moderne tijd (denk 1600 e.v.) kwam de wetenschap en de industrie op en moest er wel heel erg veel veranderd worden. De vraag die ons dit hoofdstuk bezighoudt is of deze discontinuïteit geen te grote sprong was.

Vanaf de 16e eeuw kwam er functionele differentiatie. Eerst waren de aparte subsystemen nog overkoepeld door het heersende wereldbeeld, maar geleidelijk aan kwamen ze hier los van te staan. (bv. Nu staat het kapitalisme los van ons geloof). Als gevolg dan deze functionele differentiatie verliest het Christendom dus zijn overkoepelende functie en treedt er secularisatie op. De Kerk mag zich dus steeds minder inmengen in bv. Politiek en er is meer mogelijkheid tot ‘conflicten’ tussen Kerk en bv. Wetenschap. Een ander gevolg dat hiermee samenhangend is dat als het Christendom geen overkoepelende functie meer heeft, het gedegradeerd wordt tot gewoon een van de vele subsystemen (zoals Economie, Wetenschap, …). De religie behartigt dus nog enkel de religieuze functie van de maatschappij. Omdat Religie niet meer overkoepelt, is er ook waardegeneralisering.

Na het wegvallen van de religie komen er moderne grote verhalen waarin autonomie en verantwoordelijkheid centraal staan in het mensbeeld. De grote verhalen dienen dus om het streven naar kennis, vooruitgang en emancipatie te legitimeren. (18e eeuw)

Dit gaat geleidelijk aan over naar meer maatschappelijke ideologiën (19e eeuw), de –ismes: kapitalisme, communisme, liberalisme, etc, … . Deze vertrekken uit één subsysteem (bv. Economie) om het hele wereldbeeld te verklaren. (denk aan marxisme/communisme).


Er onstaat dus een enorm aanbod aan grote verhalen. In onze streek zorgde dit voor verzuiling (socialisten, liberalen, progressieven, conservatieven, hadden elk hun eigen vakbond enzo).

De grote verhalen (waarvan Christendom er nu één is) worden concurrenten en stellen elkaar in vraag (de principiële bevraagbaarheid). Het Christendom kan grosso modo op twee manieren reageren:

-         Conformeren, dwz het Christendom past zich zo goed mogelijk aan als het maar kan zonder de eigenheid te verliezen. Men conformeert door wat in de Bijbel staan en tegen de natuurwetten ingaat, te weren uit de Bijbel of een andere betekenis te geven (dit is dan recuperatie). Op die manier recupereert het Christendom de vermodernisering, deze staat dan zogezegd in teken van het Christendom. (vb. de wetenschap is uitgevonden door God). Men noemt dit theologische conformering en recuperatie.

-         Verwerping van de moderniteit, geconfronteerd met de moderne grote verhalen formuleert men een groot tegenverhaal waarin hardnekkig wordt vastgehouden aan de traditionele kaders en inhouden. Het resultaat is een volgehouden, verharde dogmatisering van het christelijke verhaal.

Beide posities zijn uitersten en gaan daarom ook de in de fout. In het eerste geval is er niet genoeg aandacht voor de traditie en gaat men teveel op in de context, in het tweede geval wordt er teveel vastgehouden aan de traditie en wordt de context genegeerd.

Hoofdstuk 3: De postmoderne context: definitief einde van de traditie of een nieuwe kans? (p46-54)

Opzet:

Wat voor een verandering heeft de postmoderniteit in het bewustzijn aangebracht?



Woordjes:
Moderniteit/postmoderniteit is een cultureel/fiosofisch gedachtegoed dat een gerichtheid op vernieuwing, het moderne, de moderniteit en emancipatie (=gelijkgerechtigdheid). Dit vanuit de idee dat we met zijn allen ergens naar toe gaan, dat de geschiedenis steeds meer vrijheid en redelijkheid, waarheid en menselijkheid tot stand zou brengen. Het modernisme is fundamenteel bekritiseerd vanuit het postmodernisme: de twijfel aan het bestaan van een allesomvattende ideologie of een bepaalde orde in de wereld wordt radicaal . ALLE grote verhalen zijn gedoemd te eindigen. Lyotard is een postmodernist.

 

Detraditionelisering is het moderniseringsproces waarbij de leefwereld van de mens meer en meer ontdaan wordt van alle verbanden met traditie. Omwille van een toegenomen welvaart, hogere scholingsgraad en meer mobiliteit worden traditioneel overgeleverde zekerheden, waarden en normen gerelativeerd.

 

Individualisering betekent dat de sociale omgeving van het individu in toenemende mate detraditionaliseert.

 

Reflexief is een bijvoeglijk naamwoord dat wil zeggen dat iets niet voorgegeven wordt, maar afhankelijk is van overwegingen/bedenkingen van het individu zelf.


Traditionalisme is de stroming die teruggrijpt naar stilgezette traditie als verzekerde waarheid. Ze keren zich af tegen het wereld beeld 'à la carte' want dat leidt tot relativisme, indifferentisme en nihilisme. Leunt aan tegen het religieuze fundamentalisme.
New Age is een gedachtegoed dat gelooft in het vrij kiezen uit fragmenten van zingeving voor de individuele religieuze persoonsvorming. Kort gezegd is er dus sprake van een zekere vorm van religieuze bricolage/knutselwerk. Tegenpool van traditionalisme.
Open verhaal is een traditie die erin slaagt levend en succesvol te blijven in een gepluraliseerde wereld. In zekere zin wordt het grote verhaal uit het moderne kader vervangen door het open verhaal in het postmoderne kader. Het open verhaal respecteert de veelheid van mogelijke visies.

 

Samenvatting:




Geleidelijk was er een overgang van 'moderniteit' naar 'postmoderniteit', maar dit betekent allerminst dat de moderniteit afgelopen is. Onder andere de filosoof Lyotard beweert juist het tegendeel: de postmoderniteit wordt belangrijker naarmate de moderne grote verhalen van kennis en emancipatie hun legitimiteit en plausabiliteit (hun geloofwaardigheid in het algemeen dus) verliezen. Ze probeerden namelijk de moderniteit te sturen (bijvoorbeeld ideologie als communisme zien als nieuwe godsdienst!). Hierna werd het probleem radicaler: er is geen enkel perspectief dat de functionele differentiatie in zijn geheel nog kan overkoepelen (het religieuze perspectief van weleer bijvoorbeeld slaagde erin om een alleroverkoepelend beeld te verstrekken, maar tegenwoordig is er geen één dergelijk verhaal meer). Dit verklaart waarom de postmoderniteit soms ook wel de 'geradicaliseerde moderniteit' wordt genoemd. We gaan in dit hoofdstuk eens bekijken waarop de overgang van moderniteit naar postmoderniteit nu eigenlijk neerkomt.

 

De belangrijke processen die we hier moeten vermelden zijn enerzijds individualisering, persoonlijke identiteitsconstructie en detraditionalisering (ongeveer synoniemen) en anderzijds pluralisering. Individualisering leidt tot het feit dat het individu min of meer verplicht wordt zijn eigen identiteitsprofiel samen te stellen. Identiteit wordt reflexief en er is hier sprake van MOETEN kiezen. Dit alles betekent niet dat alle traditie uitgebannen is: mensen kiezen nog steeds op vrijwillige basis voor traditie. Aan de andere kant is er de pluralisering die in toenemende mate leidt tot een radicale pluraliteit: er zijn een hoop verschillende onverzoenbare perspectieven en geen enkele unieke waarheid meer. Het is belangrijk op te merken dat de pluralisering de keerzijde is van de individualisering: door de veelheid van mogelijkheden wordt het individu gedwongen om zelf na te denken over wie of wat hij is. Men spreekt dus ook wel eens van 'reflexief modernisme' in plaats van postmodernisme. Dit alles brengt ook een zekere vorm van instabiliteit met zich mee: waar vroeger keuzes makkelijk vanzelfsprekend waren moeten ze nu gemaakt worden.



 

De Christelijke traditie heeft deels afgedaan. Er resten enkel nog gefragmenteerde stukjes op de culturele markt (bv. vroeger waren doop, vormsel, etc... vanzelfsprekend, maar tegenwoordig kiest men er soms voor enkel te laten dopen). De traditie neemt af in belang. Kort historische uitwerking: tijdens het modernisme hebben de subsystemen zich via het proces van functionele differentiatie losgemaakt van de religieuze koepel. Een neveneffect was de zuilvorming of ideologisering. Postmodern lopen ook deze laatste spaak en versnellen de processen uit de paragraaf hoger (pluralisering en individualisering) nog. Het omgaan met de overgeleverde Christelijke traditie kan op twee manieren: zoals de New Age (knutselen) of zoals het traditionalisme (vasthouden aan oude waarden). Deze twee reacties zagen we al bij het moderne denken, maar keren hier geradicaliseerd terug.

 

Ter conclusie: betekent deze afname in traditie een toename van de onverschilligheid, zodat een nieuw groot verhaal nodig is? Nee, zegt Lieven. Er is weldegelijk vanalles veranderd, ook voor Christenen. Het belijden van het geloof is een keuze in plaats van een vanzelfsprekendheid geworden. Deze overwoekering van mogelijkheden brengt echter ook oriëntatieverlies met zich mee. Er is dus wel nog nood aan traditie: de oude moderne grote verhalen hebben afgedaan (tenzij misschien de economisering, zie verder (denk ik)) maar er is een nieuwe opkomst van traditie. Deze verhalen, die aangepast zijn aan de veelheid van de plurale samenleving, noemt men open verhalen. Het antwoord op de vraag hoger ligt dus in het feit dat zelfs vanuit de vrij keuze veel mensen nog steeds ervoor kiezen te geloven. Er IS dus nog zoiets als 'roeping'.


Het verhaaltje van Moingt toont aan dat de moderne context met de Christelijke traditie kan samengaan. Moingt was een Jezuietmonnik die eerst les gaf door gewoon de dogma’s te geven. Later zag hij in dat men beter kan kritisch nadenken en vragen stellen. “Men moet kunnen twijfelen aan wat men gelooft, om te kunnen geloven.”
Inleiding Tweede Deel: Geloven in de postmoderne context: de weg van het open verhaal (p55-56)

 

Samenvatting:

In recente jaren is er een storm van verandering gebeurd. Commercie en zingeving gaan hand in hand en zijn big business geworden. Het is niet makkelijk voor de traditionele zingevingsinstituten zoals de Kerken om hierop te reageren.Het slechtste wat ze kunnen doen is meegaan in de golf van modernisme: het is geen goed idee om terug te plooien op de superioriteit van de eigen morele waarden, maar ook niet om actief deel te nemen aan de culturele supermarkt. De beste reactie is misschien wel niet te willen concurreren met de modernisering.

Hoofdstuk 4: Identiteit en zingeving in de postmoderne context (p57-69)

 

Woordjes:


Estheticisme is het gedachtegoed waarbij vooral de esthetische kenmerken (=de schoonheid) van een object centraal staat en niet noodzakelijk het doel of nut van dat object.
Narcisme is een term uit de psychologie en duidt op een vorm van gedrag dat gekenmerkt wordt door een obsessie van een persoon met zichzelf (vaak puur uiterlijk), egoïsme, dominantie en gebrek aan inlevingsvermogen.
Neoconservatisme is een politiek-filosofische stroming dat steunt op een erg zwart-wit beeld van goed en kwaad, een weinig diplomatieke focus, een sterk militaire neiging en een afkeer van internationale organisatie. Vooral in de Verenigde Staten is de term 'neocon' erg belangrijk want bijvoorbeeld president Bush was een neoconservatief.
Samenvatting:

In dit hoofdstuk bekijken we de recontextualisering van de grote verhalen. De oorzaak van de noodzaak hiertoe is de opmars van de moderniteit en recenter de postmoderniteit. Vooral de radicale pluraliteit van de wereld om ons heen zal een grote rol spelen.


Het levensbeschouwelijke vraagstuk komt neer op het zoeken van een weg tussen enerzijds traditionalistische verharding en anderzijds ultiem relativisme. In de postmoderne leefwereld worden immers nog steeds verhalen verteld: de essentiële vraag is dan hoe een persoon zich verhoudt tot deze pluraliteit. We nemen hier weer het concept van grote (=gesloten) verhalen. Deze hebben twee mogelijke reacties op de radicaliteit van de veelheid: afwijzen of ontkrachten. 

  • De verhalen van afwijzing zien de rol van de pluralisering maar vinden het een verkeerde ontwikkeling. Pluralisering leidt tot chaos, relativisme en a- en immoraliteit, tot vormen van estheticisme, individualisme, narcisme, oppervlakkigheid en nihilisme. Er zijn binnen de afwijzende verhalen nog verschillende stromingen. We hebben een tendens van terugkering naar oude eenheidsverhalen, dit zijn de anti-moderne verhalen. Onder andere (soms christelijke) vormen van neoconservatisme, fundamentalisme en ook nationalisme zijn anti-moderne voorbeelden. Een andere tendens is om de moderniteit op zich niet af te wijzen maar wel de onoverzichtelijke stuurloosheid van de pluralisering.

  • De verhalen van ontkrachting erkennen dat de pluralisering niet in één enkel eenheidsverhaal te zien is. Ze erkennen de radicale onherleidbaarheid van de veelheid. Dit leidt dan tot zekere vormen van onverschilligheid en relativering aangezien de veelheid niet te beheersen is. Binnen de ontkrachtende verhalen hebben we twee grote stromingen. Enerzijds is er de cynisch-apathische die onthutst achterblijft in de postmoderne bandeloosheid en anderzijds is er de ironisch-esthetische die er dan maar het beste van maakt. Dit laatste komt concreet neer op 'vrijheid blijheid' ofnog bricolage.

Dicht aanleunend tegen deze laatste groep van verhalen is de neiging tot uniformisering en stroomlijning. Voorbeeld bij uitstek hiervan is de globalisering, meer bepaald de economisering, mediatisering en informatisering. Vorm heeft hierbij voorrang op inhoud. Enkele voorbeelden. Bij de economisering staat de geldwaarde boven de inhoud. Bijna alle business, ook adventure-vakanties zitten in deze dynamiek. Bij de mediatisering staat vooral de sensatiewaarde centraal. Bij de informatisering staat de digitale wereld op de eerste plaats. Het internet zorgt bijvoorbeeld voor een afvlakking van de veelheid. Dit alles leidt tot een vorm van indifferentie en relativisme: gewoon meekopen en mee-integreren is belangrijker dan een reden waarom.
We bekijken de economisering naderbij. Deze teert op de uniformisering van de veelheid. Er zijn drie grote problemen met het verhaal van de economisering. Vooreerst wordt alles in marktperspectief aangeboden en de informatisering en mediatisering helpen hierbij: individuen worden kopers/consumenten, kiezen wordt kopen, economische logica heerst! Vrijheid krijgt een negatieve lading omdat de economisering teert op het oriëntatieverlies veroorzaakt door een toenemende pluralisering. Ten tweede is er een schijn van onbevraagbaarheid: de economisering profileert zich als enige denkbare link tussen plurale werkelijkheid en individu en slaagt er zo in zijn principiële bevraagbaarheid achter zich te laten. Ten slotte, en aansluitend met het tweede punt, moeten we echter opmerken dat het economische verhaal hoe langer hoe meer een godsdienst is geworden. Een voorbeeld hiervan is de schoonheids- en gezondheidscultus.
De problematiek van de levensbeschouwing speelt een almaar grotere rol. Deze vloeit voort uit het verlies aan geloofwaardigheid van de moderne grote integrerende verhalen en de bewustwording van radicale pluraliteit. De mens staat immers hoe langer hoe meer alleen in de wereld en dit creeert een sfeer van onzekerheid en instabiliteit. Mogelijke reacties is enerzijds traditionalisme (afwijzing van de pluraliteit) en anderzijds bricolage (ontkrachten, de 'kick-cultuur'). Ook de religie deelt in de klappen van de toenemende onzekerheid. Ze dreigt meer bepaald in marktperspectief te vergaan. De uitdaging is om de radicale pluraliteit ernstig te nemen op zich. Bemeesterend omgaan met de veelheid is niet langer een mogelijkheid.


  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina