Inleiding



Dovnload 409.43 Kb.
Pagina1/26
Datum26.07.2016
Grootte409.43 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   26

INHOUD



INLEIDING.....................................................
I. GUYDO DE BRÈS EN DE NEDERLANDSE GELOOFSBELIJDENIS (OVER DE KONTEKST VAN ART. 3-7 N.G.B.)
1. Guydo de Brès, de opsteller van de Nederlandse Geloofsbelijdenis

Een kind des gebeds - gezegende vlucht - een zwerversdominee - wacht op Hem ... - en uw kind dan...?

2. Een schaal water uit de fontein van God, een fragment uit de geschiedenis van de Nederlandse Geloofsbelijdenis

Een belijdenisgeschrift - kerkelijk geijkt


II. GODS BIJZONDERE ZORG VOOR ONS EN ONZE ZALIGHEID (OVER DE INSPIRATIE VAN DE HEILIGE SCHRIFT) (ART. 3 N.G.B.)
1. De vertroosting der Schriften

Plaats in de N.G.B - de onderlinge samenhang der artikelen



2. De Goddelijke ingeving van de Schrift

Inspiratie - theopneustie - Woord- en Schriftinspiratie - een oud-katholieke belijdenis - organisch/niet mechanisch – de menselijkheid van de Schrift - de geschiedenis van de Bijbel



3. De heilige Schrift in de maalstroom van de kritiek

Bestrijding van de oude inspiratieleer - schepping en evolutie - theologie en natuurwetenschap



4. Uit het diensthuis uitgeleid?

Klare wijn - een dodenrit - schepping en voorzienigheid - geschiedenis of idee?



5. Geen ander Evangelie

Evolutie en modern vooruitgangsgeloof - zuivering van het Godsbegrip - schepping en verlossing - geen ander Evangelie - een oekumenisch raakvlak



III. DE BIJBELBOEKEN, ALDUS GETELD (OVER DE CANONICITEIT VAN DE 66 BIJBELBOEKEN) (ART. 4 N.G.B.)
1. Daar valt niets tegen te zeggen

Aldus geteld - een handgreep, een harp - de opsomming – wat is canoniek? - de geschiedenis van de canon



2. Daarmee is alles gezegd

Open of gesloten canon? - de vraagtekens van de Reformatie



3. Is de Bijbel een eenheid?

Eénheid in verscheidenheid - verscheidenheid in éénheid



4. Is het Oude Testament overbodig?

Marcion en de wederdopers - de Reformatie en het Oude Testament- het Oude Testament de eigenlijke Bijbel?



5. Eén in wezen, tweeërlei in bediening

De éénheid van Oud en Nieuw Verbond - het „overschot" van het Oude Testament



6. Het onderscheid tussen 't Oude en Nieuwe Testament

“Diesseitigkeit?" - figuren, beeld en schaduw - letter en geest - dienstbaarheid en vrijheid - Israël en de volkeren - de onveranderlijkheid Gods - met het oog op Christus - de uitlegging der Schriften


IV. REGEL, GROND EN FUNDAMENT VAN HET GELOOF (OVER HET SCHRIFTGEZAG) (ART. 5 N.G.B.)
1. Schriftgezag ... waartoe?

De eerste zin van art. 5 - het unieke van het Schriftgezag - Schriftgezag, waartoe? - reguleren, gronden, bevestigen



2. Heeft de Bijbel dan toch gelijk?

Uitdagingen van het ongeloof - doodlopende wegen - zelfs de blinden kunnen het tasten - de Schrift en de geschiedenis



3. De Kerk en het Schriftgezag

Geloven op gezag van de kerk? - de kerk heeft niet het laatste woord - het Getuigenis des Geestes in de kerk - niet zozeer



4. Het Getuigenis des Geestes in onze harten

Calvijn, Bavinck, de Bijbel zelf - geen aparte openbaringen - Kohlbrugge en het krijgen van teksten - Schriftgeloof en heilsgeloof - het Schriftgezag in het historisch geloof - de doorbraak van het Schriftgezag in wedergeboorte en geloof



V. NIETS DAARBIJ EN NIETS ERAF (OVER DE APOCRYPHE BOEKEN) (ART. 6 N.G.B.)
1. De apocryphe boeken

Waarom in de Statenbijbel? - art. 6 N.G.B. - wat is apocryph? - Rome en de Reformatie - aanhalingen uit de apocryphen in het N.T. - John Bunyan en de apocryphen



2. Met onderscheid lezen

De kerk mag ze lezen - het gebed van Manasse en Jezus Sirach - dwalingen


VI. ZEER VOLMAAKT EN IN ALLE MANIEREN VOLKOMEN (OVER DE GENOEGZAAMHEID VAN DE HEILIGE SCHRIFT)


(ART. 7 N.G.B.)
1. De genoegzaamheid van de heilige Schrift

De Bijbel, een handvol koren? - de gepraedestineerde Bijbel - de volkomenheid van de heilige Schrift



2. Schrift en traditie

Sola Scriptura - het Concilie van Trente - de les van de kerkgeschiedenis



3. De waarheid is boven alles

Schrift en belijdenis - Schrift en bevinding


LITTERATUUR


INLEIDING
Het dokument dat u thans in handen hebt, wil een hulpmiddel zijn bij het lezen van uw Bijbel. Niet meer, maar ook niet minder.1
Elke keer immers, als wij de Bijbel lezen, mogen wij dat wel doen in het diepe besef, dat ons daarin de woorden van de levende God zijn toebetrouwd. Hij Zelf is onder ons in het gewaad van Zijn Woord. Wij vinden in onze Bijbel de onfeilbare en betrouwbare regel voor ons geloof.

Dat is in het kort gezegd, wat door de kerk der Reformatie is beleden in de artikelen 3 tot 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. In deze voor heel onze belijdenis grondleggende artikelen wordt op een fundamentele wijze het zg. Schriftgeloof beleden. Niet maar een Schriftbeschouwing, waarmee wij tot de Bijbel komen en waarmee wij die Bijbel hanteren, maar een Schriftgeloof, aan die Bijbel zelf ontleend. En met dit geloof staat of valt alles, wat met christelijk geloof te maken heeft. Met andere woorden: onze Geloofsbelijdenis leert ons op een godvruchtige wijze met het Woord van God om te gaan.


Dat op zich is voor mij reeds een reden geweest om in een apart geschrift nog eens extra aandacht te vragen voor dat deel van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, dat handelt over de heilige Schrift. Daar komt nog iets bij. Wijlen ds. I. Kievit heeft eens gezegd, dat de belijdenis van de kerk de „voorwal van de Schrift" is. En hij voegde er aan toe, dat als deze eenmaal geslecht is, weldra de Schrift zelf aan de beurt is. Dat zien wij in onze dagen heel druk gebeuren. Via allerlei Schriftkritische methoden wordt de Bijbel als het onfeilbare Woord van de levende God tot op zijn fundamenten gesloopt. En daarmee wordt de gemeente Gods van de enige en hoogst betrouwbare grondslag van het geloof beroofd. Dat is een hoogst ernstige zaak. Reden te meer om ons nog eens te verdiepen in de vraag, hoe de Bijbel nu eigenlijk Zichzelf bij ons aandient. Mij dunkt, dat het geheim van het reformatorische spreken over de Schrift vooral gezocht moet worden in het antwoord geven op deze vraag. Hoe verstaat de Bijbel Zichzelf? De artikelen 3 tot 7 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis zijn vrucht van een geloofsworsteling met de Schrift zelf in haar zelfverstaan. En dat zijn dingen, die onder ons volkomen zekerheid moeten hebben. Zo alleen kan de Bijbel ook in onze dagen hoog gehouden worden. En zo alleen maken wij er een gelovig gebruik van.
Omdat ik meen, dat de geloofsartikelen over de Schrift ook alleen recht verstaan kunnen worden tegen de achtergrond van het geheel van de 37 geloofsartikelen en omdat ik meen, dat enige kennis van het leven van de oorspronkelijke opsteller van deze artikelen, Guydo de Brès, ons bij dat verstaan zal kunnen helpen, opent deze voordracht met twee inleidende hoofdstukjes, waarna achtereenvolgens de verschillende geloofsartikelen over de Schrift behandeld worden.

Moge de lezing van de volgende bladzijden de lezer helpen om „acht te hebben op het profetisch Woord, dat zeer vast is, als op een licht, schijnende in een duistere plaats". „Totdat de dag aanlichte en de morgenster opga in Uw harten" (2 Petr. 1:19).



I GUYDO DE BRÈS EN DE NEDERLANDSE GELOOFSBELIJDENIS

(over de kontekst van de artikelen 3-7 van de N.G.B.)


  1. Guydo de Brès

De opsteller van de Nederlandse Geloofsbelijdenis
In het raam van een behandeling van de artikelen 3 tot 7 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis over de Heilige Schrift, past een korte weergave van het levensverhaal van de opsteller, Guydo de Brès, of zoals zijn naam eigenlijk luidt: De Bray. Ons inzicht in wat in de genoemde artikelen beleden wordt, kan immers zeker verrijkt worden, wanneer we de man, uit wiens pen deze artikelen gevloeid zijn, in het hart kijken.

Juist ook in zijn leven toch is de belijdenis van Gods onfeilbaar Woord vlees en bloed geworden. Ze was hem uit het hart gegrepen. En wat hij in zijn geloofsartikelen neerschreef, dat is zelfs met bloed geschreven. Zij zijn het schild, dat werd opgeheven om de moordende pijlen van tegenstanders te weren. Maar in het strijdperk van dit leven is de schilddrager zelf omgekomen. Guydo de Brès is ervoor door het vuur gegaan. Over zijn leven daarom nu eerst enkele dingen.


Een kind des gebeds

De met name niet bekende moeder van Guydo de Brès stond eens te luisteren naar een monnik, die de vrije genade van Christus predikte in de straten van Mons. Dat was in 1522. En al luisterend naar dit woord der genade, kwam er een gebed in haar hart: „God, geef mij een kind als deze prediker."


Kort daarop werd Guydo geboren. Een gebedsverhoring, meer dan de eenvoudige wolverversvrouw van Mons kon vermoeden. Van vader Jean weten we weinig, van de drie broers en de éne zuster van Guydo evenmin, van Guydo des te meer, ook al zijn er leemten in zijn levensrelaas, die waarschijnlijk nooit gevuld zullen worden.

Hij is Rooms-Katholiek opgevoed. Dat staat vast. En ook is het bekend, dat Guydo glasschilder is geweest in zijn jonge jaren. Maar dat hij de Bijbel heeft gelezen en reeds voor zijn vijfentwintigste jaar tot verandering kwam, zodat hij innerlijk de Rooms-Katholieke leer de rug toekeerde, dat interesseert ons meer. Een jonge man, die in de weinige jaren, die hem nog restten, door God gebruikt is in Zijn heilige dienst. Hij is vijfenveertig jaren oud geworden. Niet te jong noch te oud voor God om afgelost te worden van zijn aardse post.



Gezegende vlucht


In 1547 vinden we De Brès in Londen. Zijn leven is sinds zijn verandering niet veilig geweest op aarde. Het was de tijd van inquisitie, brandstapels en felle haat jegens de genadeleer. Naar Londen gevlucht, waar hij in de Nederlandse vluchtelingengemeente terecht kwam, heeft De Brès ontmoetingen gehad met Datheen en Joh. à Lasco en daar is hij zeer waarschijnlijk door trouwe deelname aan de profetie-samenkomsten gevormd tot een man, die leiding wist te geven in geestelijke en gemeentelijke dingen.

Het is trouwens niet de enige keer, dat Guydo de Brès in het buitenland heeft vertoefd. Hij is als een hert opgejaagd. En juist dat is hem tot zegen geworden. Van 1552 tot 1556 heeft hij als rondreizend prediker vooral gewerkt in Rijssel, waar hij een geordend en rijk gemeenteleven opbouwde. Maar ook daarna moest hij weer uit zijn land vertrekken om een toevluchtsoord te vinden in Frankfurt. Van daaruit is hij naar Zwitserland gegaan (Lausanne en Genève). En het is haast zeker, dat hij toen ook Calvijn heeft ontmoet.


In 1559 is hij weer terug in de Zuidelijke Nederlanden (België). En vermoedelijk aan het eind van het jaar trouwt hij met Catherine Ramon. De oudste zoon uit dit huwelijk, „Israël", heeft aan zijn vader wellicht nog herinneringen gehad, de andere vier kinderen weinig of niet. Ze waren nog zo jong, toen vader De Brès afscheid van hen nam om zijn hals te geven voor de zaak van Koning Jezus. Misschien heeft De Brès wat meer tijd gehad voor een huiselijk leven, toen hij na de troebelen rondom de Nederlandse Geloofsbelijdenis, eind 1561, opnieuw moest vluchten. In Sedan (Frankrijk) heeft hij toen vertoefd, met zijn gezin. Een ballingschap, die duurde tot 1566.
Laten we echter niet vergeten, dat De Brès in deze tijd bepaald niet stilgezeten heeft. Hij heeft ijverig gestudeerd, getuige zijn grote kennis van de zogenaamde kerkvaders. Hij heeft zijn ongeestelijke en dwaalzieke Rooms-Katholieke tegenstanders met oud-katholieke wapenen kunnen bestrijden. Daar komt nog bij, dat hij gewoon was fel van leer te trekken tegen de misvattingen van de Wederdopers. En het zal vast niet om redenen van verveling zijn geweest, dat hij in deze periode een boek schreef tegen deze sektarische tak van de Reformatie: „La racine, source et fondement des Anabaptistes" („De wortel, den oorspronck ende het fondement der wederdooperen oft herdoperen van onsen tijde", Ned. vertaling). Om dan nog maar te zwijgen over de vertaling van een Vlaams boek in het Frans over het leven en de marteldood van Fabricius. Bovendien moet De Brès in deze zelfde tijd in het „Kapernaüm" van het protestantisme (Antwerpen) zijn geweest om de zaken van de Reformatie te bespreken met Prins Willem van Oranje.
Guydo de Brès is een balling geweest. Maar hij heeft de harp nooit aan de wilgen kunnen hangen. Hij heeft rusteloos gearbeid. Dat geldt zeker voor de perioden, waarin het hem door de voorzienigheid van God was toegestaan te werken onder het volk, dat hem zo lief was: van 1552-1556 in Rijssel, waar hij de „Stok des geloofs" („Le baston de la foy Chrestienne") schreef, een verdedigingsgeschrift; van 1559 tot 1561 vooral in Doornik en van daaruit ook in Valenciennes en Rijssel; en tenslotte van 9 augustus 1566 tot 31 mei 1567 in Valenciennes. We zullen nu echter zien, dat hij van zijn God nooit de ruimte heeft gekregen om echt thuis te zijn op aarde. „Gij weet, o God, hoe 'k zwerven moet op aard ... !"

Een zwerversdominee


Het zijn vooral de twee laatstgenoemde perioden, die we nu heel kort bespreken. Eigenlijk had De Brès geen vaste woonplaats, laat staan standplaats. In Doornik werkte hij in het geheim onder de schuilnaam Jérome. Slechts enigen kenden de naam van hun predikant. Men leze het uitvoeriger verhaal hierover in de dissertatie van L. A. van Langeraad (1884) en in: „De Voorzeide Leer” (Deel III) van ds. C. Vonk. In het verborgen kwam men samen. In de gezinnen, waar de harten opengingen voor de leer van Gods vrije genade, at De Brès zijn brood. Klandestien huisbezoek. En ondertussen verdiepte hij zich in de geschriften van de reformatoren, die hij in een tuinhuisje bij de stadsmuur had opgeborgen, de studeerkamer van zijn woning, die hij van een vertrouwde vriend had gehuurd.
En zo zou dan het Evangelie als een zuurdeeg doorgewerkt zijn, ware het niet, dat op de avond van de 29-ste en van de 30-ste september van het jaar 1561 al te vrijmoedige protestanten psalmenzingend door de straten van Doornik waren gegaan. Het spreekt vanzelf, dat de overheid deze „chanterie" bepaald niet waardeerde. En het moet gezegd worden, dat ook De Brès zelf tégen dit overmoedig optreden was. Niettemin heeft hij gedaan wat hij kon om voor de vervolgden, op wie nu opnieuw heel scherp de aandacht was gericht, op te komen.

En hoe kon hij dat beter doen, meende hij, dan door de officiële overheidsinstanties en vooral ook de koning van Spanje te laten weten, dat de protestanten geen oproerkraaiers waren, zoals de wederdopers in vele opzichten.


In de nacht van 1 op 2 november van dat jaar (1561) wierp Guydo de Brès een pakje over de kasteelmuur van het kasteel te Doornik. Daarin een exemplaar van de Geloofsbelijdenis, die reeds eerder in klein formaat onder de verstrooide christenen van Doornik en omgeving in omloop was geweest. De waarheid zou voor zichzelf strijden. En dat heeft zij ook gedaan. Maar de dienaren daarvan werden niettemin gezocht en waar mogelijk gedood. Guydo de Brès moest vluchten. Op 10 januari 1562 werd zijn armzalige studeerkamertje ontdekt. Al zijn boeken werden verbrand. En zijn naam prijkte voortaan bovenaan op de lijsten van de inquisiteurs. Men wist nu in ieder geval, wie men na moest jagen.
9 augustus 1566 is De Brès terug. Het getij schijnt gekeerd. De lagere overheden (de edelen) lijken succes te hebben met hun smeekschrift bij de landvoogdes. Er wordt in het openbaar gepreekt (hagepreken). In Brabant en Vlaanderen worden vierhonderd kerken van hun beelden beroofd (beeldenstorm). Peregrin de la Grange, de predikant van de verdrukte gemeente te Valenciennes heeft een ontstellend groot gehoor. Guido de Brès komt ogenblikkelijk terug. Zestig gewapende ruiters brengen hem naar de plaats waar hij preken zal, zelfs voor de meest aanzienlijke burgers van Valenciennes, anderhalf uur lang. En na afloop brengen ze hun dominee met ontladen pistolen weer naar zijn woning in de stad terug. De meerderheid van het volk staat achter de zaak van het protestantisme. Zelfs wordt er gepreekt in twee officiële kerkgebouwen. Maar dat gaat toch te ver. Noircarmes, de gouverneur belegert de stad in opdracht van Margaretha. Drie maanden lang wacht men tevergeefs op de hulp van de prins en van de edelen. Dan volgt de overgave van de stad. De predikanten zijn ondergedoken, weten te ontvluchten via de stadsmuur. Maar... als Guydo de Brès van de honger voor de dag moet komen en ergens in een herberg terecht komt, wordt hij herkend, gegrepen en in het kasteel te Doornik opgesloten. 2

Het begin van het eind. Te hoog spel?



Wacht op Hem...!


Eén en andermaal blijkt uit de houding van De Brès, dat hij liever heeft willen wachten op de trouwe hulp van boven dan zijn eigen lot in handen nemen. Het openbaar psalmen-zingen heeft hij veroordeeld. De al te grote haast, waarmee De la Grange in Valenciennes de zaak wilde doorzetten, had zeer waarschijnlijk zijn sympathie niet. Zelfs op de ladder, die hij moest beklimmen om naar de galg te gaan, heeft hij het volk vermaand zich te onderwerpen aan de overheid, die God aangesteld had. Guydo de Brès was geen revolutionair en al helemaal geen doperse dweper. Zeker, hij zal ook geweten hebben van het goed recht van de lagere overheden (de edelen) om een volk te bevrijden. Maar hij heeft op God willen wachten. En Gods tijd is een andere dan de onze, o zo vaak. Het Koninkrijk Gods komt in de gestalte van het zuurdeeg, van het mosterdzaadje, van het zout. Petrus moest in Gethsémané het zwaard in de schede steken. Een theologie van de revolutie is reformatorisch en bijbels gezien een tegenstelling in zichzelf.

En uw kindje dan... ?


Vanuit zijn ellendige gevangenis schrijft De Brès brieven, zolang als het nog kan. In één daarvan, aan zijn moeder gericht, vertelt hij een oud verhaal, waardoor hij het zijn moeder op het hart wil binden dankbaar te zijn voor het feit, dat haar zoon lijden mag voor de zaak van Jezus. Had zij niet vurig om zo'n kind gebeden? Het oude verhaal is als volgt. In de tijd van de eerste christengemeente, toen men alleen op straffe des doods kon samenkomen, gebeurde het eens, dat de christenen samen waren en een officier opdracht gekregen had om ze allemaal om te brengen. Toen een vrouw in de stad dat hoorde, ging zij met haar kind op de arm naar de vergaderplaats van de christenen. De officier vroeg haar, waar ze heenging. „Naar de vergadering der christenen", antwoordde ze. „Maar weet je wel, dat ik daar naar toe ga om ze allemaal om te brengen?", zei de officier. „Ja", sprak de vrouw, „daarom ga ik er juist heen om met hen mee te mogen lijden". „Maar uw kindje dan?", vroeg de soldaat. „Dat neem ik mee, dan krijgt dat ook de martelaarskroon" .. .
Ook de martelaarskroon. Een beter deel dan dat van de dronken pastoor, die De Brès in zijn gevangenis kwam opzoeken om met hem te praten over de heilige communie. Ook de martelaarskroon? Guydo de Brès had de orde verstoord, hij moest sterven.

Want vrije genade wordt niet geduld noch de leer daarvan.


In de nacht van 30 op 31 mei 1567 om drie uur in de morgen wordt het hem gezegd, dat hij drie uur later zal worden opgehangen. 't Is niet te veel gezegd: De Nederlandse Geloofsbelijdenis is met bloed geschreven.
De geschiedschrijver verhaalt het volgende over het levenseinde van de Brès:
Zodra hij bij de ladder kwam, die tegen de galg aan stond, knielde de vrome man neer om te bidden, maer men en wilde hem sulcx niet toelaten, dan ructen hem op, ende deden hem opclimmen. Doen hy nu op de leeder was so vermaende hy 't volck, dat sy de overheyt eerbiedende, suilden wesen, ende dat sommighe van hen haerlieder conseientie in desen deele niet heel wel ghequeten hadden. Daer nae vermaende hy hen volhardich te blijven in de Lere weleke hy hen verkondicht hadde, protesterende dat hy anders niet gheleert en hadde dan de suyvere waerheyt Gods. Maer al eer hi dese propoosten wt hadde, soo wenkten de Commissarissen de Beule dat hy hem voorthelpen soude.

Tot laat in de namiddag bleven de lichamen van de beide predikanten aan de galg hangen, als 't ware om ze ten toon te stellen. Eindelijk nam men ze af en begroef ze op de Mont d'Anzin.


Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond ... ! Ja, en dat is in de Nederlandse Geloofsbelijdenis telkens zo neergeschreven, omdat in die tijd een hartelijk geloof en een mondbelijdenis samengingen, kostte wat het kostte. En wij kunnen niet geloven, dat dat voor onze tijd een afgedane zaak is.
2. Een schaal water uit de fontein van God

(Een fragment uit de geschiedenis van de Nederlandse Geloofsbelij-denis)


„De Gereformeerde Geloofsbelijdenis wil vóór alles bijbels wezen. Een schaal waters te zijn uit de fontein Gods geschept, dat is de enige roem, die zij nastreeft". Met deze woorden spreekt dr. F. J. Los (in zijn „Tekst en Toelichting van de geloofsbelijdenis der N.H. Kerk") over de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
Een bijbels getuigenis, herhaling van de heilige Schrift. Als zodanig biedt deze Geloofsbelijdenis zich aan. Zij heeft oorspronkelijk de ronde gedaan onder de verdrukte protestanten van de Zuidelijke Nederlanden als een geschriftje van weinige bladzijden, die niet groter waren dan het formaat van een briefkaart. Uitdrukking van aller gemeenschappelijk geloof. Maar zo zijn dan ook die artikelen van meet af een verweerschrift geweest, waarin kort en krachtig tegen onzuivere beschouwingen ten aanzien van de reformatorische beweging positie werd gekozen. En straks zijn deze artikelen „openlijke geloofsverklaring der Nederlandse Gereformeerde Kerken aangaande de hoofdinhoud van Gods Woord".
In het hieronder volgende zijn enkele historische gegevens verzameld om duidelijk te maken, hoe de artikelen van Guydo de Brès, ingebed in de geloofservaring van de christelijke kerken „onder het kruis", geworden zijn tot een gezaghebbend belijdenisgeschrift van de Gereformeerde Kerk. De vraag, wat het wezen en de funktie van een belijdenisgeschrift in het algemeen is, komt hierbij slechts zijdelings ter sprake.

Een belijdenisgeschrift


De tijd van Guydo de Brès was er één van inquisitie, brandstapels en grenzeloze haat jegens het Evangelie van Gods vrije genade. En in deze tijd gaf de Heere de mannen van de Reformatie de genade om voor Zijn zaak te (willen) lijden. Maar Hij gaf ze daarbij de genade om met open vizier en zeer vrijmoedig de dwaalleer te bestrijden, ook de dwaalleer en het revolutionaire woelen van de Dopersen, die de zaak van de Reformatie bij de overheden in een kwade reuk brachten. Zeer vermoedelijk met het oog daarop heeft Guydo de Brès reeds in 1559 gewerkt aan het opstellen van een aantal artikelen, die later de zevenendertig geloofsartikelen werden.
De inquisiteurs konden daaruit minstens twee dingen duidelijk aan de weet komen. Het eerste was, dat deze protestanten in alles wilden leren en leven conform de heilige Schrift. De Brès was ervan overtuigd, dat zijn geloofsartikelen in overeenstemming waren met wat op de eerste vier conciliën van de oude kerk als kerkleer was aanvaard. Tussen twee haakjes: men moet dus wel weten, wat men doet, als men de belijdenis-geschriften voor tijdgebonden verklaart. De Oude Kerk en de Schrift zijn hiermee meteen in het geding. In de tweede plaats moest het de vervolgers van de protestanten door de artikelen van De Brès duidelijk worden, dat deze zaak niets te maken had met het doperse streven om alles op zijn kop te zetten en tegen de bestaande ordeningen aan te schoppen terwille van het nabije Koninkrijk van God.
In hetzelfde jaar 1559 nu is op de Parijse Synode van de protestantse kerk in Frankrijk de zogenoemde Confessio Gallicana aanvaard, veertig artikelen, die, met enkele kleine wijzigingen ter synode aangebracht, van Calvijns hand waren. Heeft Guido de Brès deze Franse belijdenis soms gebruikt voor de opstelling van zijn geloofsartikelen? Ja, hij heeft dat stellig gedaan, al moet gezegd worden, dat hij toch ook zelfstandig werkte en de artikelen van Calvijn (de Franse belijdenis) niet slaafs navolgde. Hij verbeterde, vermeerderde en werkte bij.

Maar heeft Calvijn het wel zo toegejuicht, dat de Nederlanders een aparte geloofsbelijdenis verzorgden? En heeft hij het zelfs niet afgekeurd om te voorkomen, dat men geen gesloten linie zou vormen in de eenheid van het belijden tegenover de vijanden? Dat wordt inderdaad beweerd, al zijn er ook, die dit oude verhaal ten sterkste tegenspreken. Hoe dan ook, Guydo de Brès heeft zijn werk afgemaakt. En hij zal daar niet alleen deze reden voor hebben gehad, dat men in de Zuidelijke Nederlanden, vooral in Doornik, nu eenmaal niet zo Fransgezind was.


Het kleine geschriftje van zevenendertig artikelen is de geloofsuitdrukking van de gemeente van Doornik geworden. Het circuleerde, het leefde in de harten, al voordat het over de kasteelmuur geworpen werd om aangeboden te worden aan de koning van Spanje. De Brès kon in de begeleidende brief aan koning Philips zeggen, dat niet alleen de meerderheid van de bevolking van die stad erachter stond, maar ook velen in den lande. „Belydenisse des gheloofs ..., ghemaeckt met een ghemeyn accoort door de gheloovighe, die in de Nederlanden overal verstroyt zijn, de welcke na de suyverheyt des Heylighen Evangeliums ons Heeren Jesu Christi begheeren te leven". Zo lezen we het op het titelblad van een eerste Nederlandse uitgave van de Nederlandse Geloofsbelijdenis (1562), een overigens slechte vertaling (waarschijnlijk niet van de hand van De Brès zelf) van de oorspronkelijk in het Frans verschenen uitgave van 1561. Zie de afbeelding.

Beide uitgaven zijn intussen door de inquisitie kennelijk zo „hittiglijk vervolgd", dat het pas in de vorige eeuw gelukt is er nog een enkele van te vinden.




De Nederlandse Geloofsbelijdenis was niet slechts een partikuliere zaak van Guydo de Brès. Zij wilde welbewust staan in de traditie van de kerk aller eeuwen, die Christus Zich vergadert. En daarenboven stond zij in een levende relatie met de hartelijke geloofservaring van vele vrienden en collega's van Guydo de Brès. We mogen gerust aannemen, dat ze in ieder geval de Antwerpenaren uit het hart gegrepen was. Aan de Schrift en aan de geloofservaring is zij getoetst door de eerste generatie van de Reformatie. En als de kerk straks de zevenendertig artikelen als de uitdrukking van haar geloof kerkelijk gezag toekent, dan heeft zij dat alleen maar kunnen, mogen en ook moeten doen, omdat zij het geestelijk gezag daarvan in de harten opmerkte en er graag voor viel.


De provinciale synode van Armentiers (1563) erkende evenals verschillende andere van de Waalse kruissynoden (vele daarvan in Antwerpen) het geestelijk gezag van de artikelen des geloofs. Zij eiste ondertekening, ook door ouderlingen en diakenen. De geloofsbelijdenis heet: arrestée entre nous (onder ons aanvaard). Van Langeraad schrijft, dat men de Geloofsbelijdenis bij het begin van iedere synode van de Zuidelijke Nederlanden las om de eenheid in het geloof te bewijzen van al die kerken en om na te gaan, of er ook iets in viel te verbeteren of iets moest worden toegevoegd.
Zij is dus „beproefd", juist omdat men er de smaak van te pakken had. De kerk wilde, ook wanneer zij vastberaden en vrijmoedig haar geloof beleed, blijven staan onder de heilzame tucht van Gods Woord en Gods Geest. De belijdenis staat onder de Schrift, ook al is ze breeduit echo en herhaling van de heilige Schrift naar onze diepste overtuiging. Men las de artikelen telkens voor als uitdrukking van het gemeenschappelijk geloof, maar ook opdat de Schrift en iedere schriftuurlijke kritiek niet afgesnoerd zouden worden.
Dat is heel wat anders dan wanneer men de belijdenis telkens weer ter diskussie stelt met de bedoeling, om iedereen er aan te laten morrelen, zoveel hij wil. We worden met dat laatste alleen maar voorzichtiger, als we bedenken, dat onze Nederlandse Geloofsbelijdenis door het filter van de geloofservaring van zovelen tot ons is gekomen. Dr. R. B. Evenhuis vertelt in zijn boek „Ook dat was Amsterdam", deel I (blz. 218), dat de Staten-Generaal in 1606 (Van Oldenbarnevelt vooraan) het verzoek van de Amsterdamse kerkeraad tot het houden van een generale synode alleen wilden toestaan op voorwaarde, dat revisie (herziening) van de belijdenis als één der agendapunten van de synodevergadering op tafel kwam (een aangelegen zaak voor de Remonstranten).
En wat is het antwoord van de Amsterdammers? Dan maar geen synode. Men gaat nu eenmaal niet als synode, voordat men aan de slag gaat, eerst de grond onder eigen voeten weggraven. En een synode is geen klub van theologen, die vrijblijvend over hun eigen „akkoord van gemeenschap" disputeren, maar een vergadering van wettig gekozen ambtsdragers der kerk.

Maar met het verhaal over Amsterdam lopen we wat op de feiten vooruit. We zijn nog even bezig met de vraag, hoe de zevenendertig geloofsartikelen het kerkelijk gezag als belijdenisgeschrift kregen.



Kerkelijk geijkt


De Synode van Antwerpen (juli 1566) heeft de Geloofsbelijdenis „overzien, aangenomen als de geloofsbelijdenis van de Calvinisten in de Zuidelijke Nederlanden en gedrukt". De belijdenis sprak voor zichzelf en het sprak haast vanzelf, dat de kerk haar gezag erkende. Maar de belijdenis staat onder de Schrift. Daarom moest de zojuist genoemde synode met grote nauwkeurigheid voor de best mogelijke formulering zorgen. En dat heeft zij dan ook gedaan. Zij heeft in de oorspronkelijke Franse tekst van Guydo de Brès de nodige wijzigingen aangebracht. Van deze herziene belijdenis hebben we kennis gekregen door een perkamenten handschrift, dat is bewaard gebleven, daterend uit het jaar 1580. Langzamerhand kregen nu ook de artikelen in de Noordelijke Nederlanden meer en meer gezag. Het Convent te Wezel (1568) besloot, dat de dienaren des Woords, alvorens in hun ambt te worden bevestigd, hun instemming zouden betuigen met de leer, in de Nederlandse Geloofsbelijdenis en in de Katechismus vervat. De synode van Embden (1571) besloot tot ondertekening van de Geloofsbelijdenis door de synodeleden.
Nog een enkele greep uit de geschiedenis. In de Noordelijke Nederlanden werd nog maar steeds de oude uitgave van 1562 (in het Nederlands) nagedrukt. Deze bevatte veel fouten in de vertaling en verschilde buitendien van de gereviseerde van 1566 (zie boven). Moesten de Waalse en Nederlandse kerken in Nederland echter niet dezelfde belijdenis bezitten in eenzelfde formulering? In 1583 heeft ds. Arent Cornelissen (Delft) een vertaling van de gewijzigde belijdenis van Antwerpen ontworpen, die op de partikuliere synode van hetzelfde jaar te Den Haag na voorlezing van artikel voor artikel door alle afgevaardigden „tot een teecken der eenicheyt" onderschreven werd.
Van zijn hand zijn de korte opschriften boven de artikelen, die er oorspronkelijk niet boven stonden. Later zijn ze weer door de Dordtse Synode weggelaten, evenals (helaas) de vele Bijbelteksten aan de rand. Deze ,,getuigen" uit de heilige Schrift hadden de tekst van de belijdenis steeds in alle uitgaven begeleid.
Eenheid in het belijden. Maar de boekdrukkers namen het niet zo nauw. Men drukte maar raak, ook de niet gewijzigde belijdenis van voor 1566. En de Remonstranten, die straks de kop opstaken, hebben van deze verschillen in de lezing van de tekst der Nederlandse Geloofsbelijdenis gretig gebruik weten te maken. Daarom besloot de provinciale synode van Veere (1610) tot het laten drukken van twee confessie-uitgaven: één achter de Heidelbergse Katechismus (met Kort Begrip), één apart. Een vertaling van de herziene belijdenis van Antwerpen (1566).
Eenheid in het belijden. De Dordtse Synode (1618-'19) heeft tenslotte grondig orde op zaken gesteld. Haar commissie „Thysius" heeft nauwkeurig de vroegere uitgaven van de Nederlandse Geloofsbelijdenis met elkaar vergeleken. Los schrijft: „Bijna alle wijzigingen, die zij aanbracht, zijn ontleend aan vroegere uitgaven en vertalingen of dienen om het verschil tussen de Franse en de Hollandse tekst op te heffen". Verder werden aangehaalde Bijbelplaatsen naar de oorspronkelijke tekst verbeterd. De taal werd aangepast. Minder juiste uitdrukkingen vervangen. Voetius heeft betuigd: „Wij ontkennen, dat er enige verandering geschied is in de inhoud der confessie, hetzij door toevoeging van nieuwe, hetzij door weglating van bestaande, hetzij door in de plaats stelling van andere leerstellingen".
Vermeld mag nog wel worden, dat de leerlingen van de Latijnse scholen hun Belijdenis en Katechismus op school in het Latijn en in het Grieks lazen (met bijbelse bewijsplaatsen). Dat gaf, schrijft iemand, „geheide leerkennis en een bijbelvast volk". Ook Duitse en Engelse vertalingen zijn in de loop der eeuwen verschenen.
Dat met dit alles de geschiedenis van de tekst der Nederlandse Geloofsbelijdenis niet af is, wordt o.a. een vijftigtal jaren na de Dordtse Synode nog weer eens duidelijk in de kerkelijke verwikkelingen rondom De Labadie. De Waalse synoden lieten nog steeds de nieuwkomers hun handtekening zetten in het synodale exemplaar van het oude handschrift van 1580, terwijl Dordt de kerkelijke tekst officiëel had vastgesteld. De Labadie heeft dat terecht niet genomen. Daarmee zijn niet het vaak zonderlinge gedrag en de zonderlinge gedachten van De Labadie verdedigd. Dat is een hoofdstuk apart. Ik wil alleen zeggen, dat het toen en nu de kerkelijke weg was en is om ons te houden aan de kerkelijke tekst van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis.
Om deze reden zijn dan ook de artikelen 3 tot en met 7, die handelen over het Schriftgezag en die in deze voordracht besproken worden, afgedrukt, voorafgaande aan de betreffende hoofdstukken, naar de lezing van de authentieke Latijnse en Nederlandse tekst van de Geloofsbelijdenis, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht 1619. (Zie J. N. Bakhuizen van den Brink: De Nederlandse Belijdenisgeschriften, 1976).

Eerst vindt de lezer dan de Latijnse tekst van de „Confessio Belgica" volgens de Acta van de Dordtse Synode (1620). Vervolgens: de authentieke Nederlandse tekst van Dordt (1619). Tekstvarianten Zie: J.N. Bakhuizen van den Brink; 2e druk; 1976


Omdat ook artikel 2 reeds enigermate over de Schrift spreekt, vindt de lezer hier ook dit artikel afgedrukt.



  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   26


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina