Integriteit als deugd



Dovnload 28.42 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte28.42 Kb.
INTEGRITEIT ALS DEUGD

inleiding b.g.v. uitreiking Ien Dales Award 2008

ACOP – Den Haag – 25 juni 2008
Paul van Tongeren

Centrum voor Ethiek

Radboud Universiteit Nijmegen

Dames en heren, excellenties of beter: studentes excellendo!


1. deugdethiek introduceren?

Waarom ik u op deze manier aanspreek, zal duidelijk worden. Dat heeft inderdaad te maken met de deugdethiek, het perspectief van waaruit ik geacht word hier iets te zeggen. Ik moet wat dat betreft echter beginnen met een bekentenis.

Toen ik gevraagd werd, dacht ik dat dit een mooie en niet al te moeilijke uitdaging was: de integriteit, toch de meest bediscussieerde morele kwaliteit van de ambtenaar, leek zich perfect te lenen voor een bespreking vanuit de deugdethiek.

Zoals in allerlei andere terreinen van de samenleving, verwachtte ik dat ook hier, in het openbaar bestuur, de ethiek nog niet boven haar 70-er jaren fixatie op regels, codes, en commissies zou zijn uitgegroeid. Het zogenoemde ‘waarden-en-normen-debat’ zou hier wel evenmin als in de rest van de samenleving enige verandering hebben gebracht in die poging om vooral door normstelling morele orde te scheppen in een wereld die door modernisering, secularisering en individualisering onoverzich­telijk geworden was. Weliswaar werden er ‘waarden’ aan de normen toegevoegd, maar dat betekende slechts dat er behalve codes en afvinklijstjes, ook nog mission statements waren. Wat die twee met elkaar te maken hadden, was bleef doorgaans even onduidelijk, als wat die mission statements te maken hadden met de organisatie waarvan ze de missie moesten formuleren: zoals u weet lijken mission statements van ziekenhuizen, verzekeringsmaatschappijen, scholen, software­bedrijven, banken en overheidsdiensten als even zovele druppels water op elkaar: allemaal willen ze trans­parant en flexibel en betrouwbaar enzovoort zijn.

Ik verwachtte dus dat ik met weinig moeite hier de deugdethiek kon introduceren zo­als ik dat op andere terreinen heb proberen te doen: de deugd te laten zien als datgene wat precies de vereiste verbinding legt tussen normen en waarden, terwijl de uitdruk­king ‘normen-en-waarden’ alleen maar doet alsof die verbinding al gelegd is; ik dacht dat het niet al te moeilijk zou zijn om met de deugd de aandacht te richten op de innerlijke houding van de ambtenaar die toch de levende basis is van de organisatie, en zonder welke alle regels en codes van de wereld weinig zin hebben; de deugd te tonen als positief alternatief tegenover de negatief gerichte focus op normen en regels, enzovoort.

Dat bleek echter zeer naïef. Vooral nadat ik het voortreffelijke ‘boek’ Geroepen om het algemeen belang te dienen. Ambtenaren, integriteit en beroepstrots gelezen had; (jammer overigens, dat het niet als een echt boek is uitgegeven; nu ziet het eruit als een rapport. Ik weet het – ook een boek komt na een tijdje in een kast terecht, zoals een rapport eindigt in een la, en in beide gevallen is er geen garantie dat het eerst gelezen zal zijn; maar ik vermoed dat het nog altijd gemakkelijker is om uit de/een kast te komen, dan uit een la). Uit dat boek/rapport bleek mij dat alles wat ik dacht te kunnen zeggen, al lang gezegd was. Hier stond het allemaal al in: de nadruk op het positieve in plaats van op het negatieve, het belang van de interiorisatie en habituering van de regels, de verbinding tussen professionaliteit en morele kwaliteit, enzovoort. En ook de implicaties van deze gestaltswitch: meer aandacht voor cultuur en cultuur­vorming; de betekenis van het regelmatige gesprek over morele aspecten van het werk, het belang van een juist evenwicht tussen esprit de corps en individuele verant­woordelijkheid, de grote rol van voorbeelden en voorbeeldfiguren, enzovoort. Natuur­lijk – ik had beter moeten weten na de publicaties over Beroeps(z)eer en Dick Pels’ boek over De economie van de eer. Gelukkig ben je nooit te oud om te leren.

Eigenlijk een prachtige ontwikkeling dus. Maar ik zat evengoed wel met een pro­bleem. Wat nu te zeggen bij gelegenheid van de uitreiking van de Ien Dales Award 2008? Het heeft geen zin te herhalen wat iedereen al weet. En beter zou ik het ook al niet kunnen zeggen. Er staan prachtige retorische vondsten in de verschillende bijdra­gen, zoals het ‘niet vinken, maar vonken’ van Leo Sonneveld of de relativiteitstheorie van Niessing.
2. de deugdethiek als probleem!

Toegegeven – er was één opmerkelijke lacune in al die publicaties, en dat is het begrip ‘deugd’ en ‘deugdethiek’. Dat is inderdaad een zeer opvallende afwezigheid: alles lijkt te verwijzen naar het begrip van de deugd, maar dat begrip zelf is er niet. Het begrip ‘beroepstrots’ lijkt een beetje de plaats ervan in te nemen. Maar maakt dat iets uit? What’s in a name? Of zou het zin hebben te analyseren waar deze opvallende afwezigheid van het begrip ‘deugd’ vandaan komt? Zou hier toch weer het vooroor­deel tegen de ethiek in het algemeen (zedemeesterig paternalistisch moralisme) en te­gen de deugdethiek in het bijzonder (burgerlijke braafheid en onopvallende middel­matigheid) in doorklinken? Misschien zou ik dus moeten aantonen dat het ergste mo­ralisme (en het strengste universele prescriptivisme) tegenwoordig juist van de anti-paternalisten komt (net zoals overigens het meest onverdraagzame fundamentalisme tegenwoordig van de anti-religieuzen lijkt te komen).



Maar liever doe ik iets anders: ik neem de afwezigheid van de termen ‘deugd’ en ‘deugdethiek’ als een symptoom; symptoom voor het feit dat de deugdethiek veel minder gemakkelijk past op de integriteitsdiscussie dan wel wordt aangenomen. Niet om daarmee te pleiten tegen de inbreng van de deugdethiek, maar juist om te laten zien dat met die deugdethiek wel degelijk iets nieuws naar voren komt, iets dat ons dwingt om anders te gaan denken over integriteit. Ik noem vijf problemen, in wille­keurige volgorde, en probeer daarmee tegelijk iets te laten zien van de deugdethiek:

  1. de deugd is geen handeling, maar een houding of een karaktertrek; handelin­gen komen voort uit houdingen; en uit die houdingen komt nog veel meer voort: de manier waarop een situatie wordt waargenomen bijvoorbeeld. Voor­dat de handeling plaats vindt, wordt ze voorbereid door wat je ziet en hoort en wat je niet ziet en hoort. Iedereen weet dat 2 mensen eenzelfde situatie ver­schillend percipiëren; de wijze waarop je waarneemt wordt ook bepaald door die onderliggende houding, die meer of minder deugdzaam kan zijn. -- Maar zo’n houding kan moeilijk in termen van controleerbare compliance worden geformuleerd; je daarop richten kan al gauw ‘wollig’ overkomen. En wat is eigenlijk integriteit, als je dat moet opvatten als een houding?

  2. de deugd is een product van lange, zelfs voortdurende vorming. Dat zit al vast aan het vorige aspect: houdingen of karaktertrekken komen tot stand in een proces van voortdurende vorming. De deugdethiek gaat ervan uit dat de natuur van de mens goed in elkaar zit, maar aan voortdurende vorming onderhevig is. Je zou kunnen zeggen dat alles wat je doet of nalaat op elk moment van de dag bijdraagt aan die vorming: met alles wat je doet, trek je een spoor, maak je een kras, die maakt dat je een volgende keer gemakkelijk weer op diezelfde wijze zult handelen; zodat de kras weer wat dieper wordt, en zo voort. Het woord karakter is etymologisch verwant aan het woord ‘krassen’; je karakter is als het ware het geheel van krassen op je ziel. De deugdethiek stelt dus dat je voortdurend gevormd wordt door jezelf en anderen, en dat je goed verzorgd of gevormd moet worden om tot optimale bloei te komen. -- Maar het zal duide­lijk zijn dat je hiermee nooit klaar bent, dat het een werk van zeer lange adem is, en dat je de zorg voor integriteit dus nooit kunt afsluiten... Is dat een werk­baar perspectief voor een overheidsdienst?

  3. De deugdethiek heet wel communitaristisch en particularistisch; dat zijn tech­nische termen om te zeggen dat gemeenschap en traditie een grote rol spelen. Dat is zo, omdat het in de deugdethiek niet gaat om universele normen, maar om standaarden van kwaliteit. Om een vergelijking met het voetbalspel te ma­ken: het gaat nu niet om de spelregels; die zijn overal gelijk en gelden mins­tens deels ook voor andere sporten of zelfs daarbuiten: je mag immers nooit door omkoping je doel bereiken. Nu gaat het om of je binnen die spelregels goed, mooi voetbal speelt. Niet of je binnen de lijnen blijft, maar hoe je binnen die lijnen speelt. En dat kun je niet objectief vaststellen; je moet het leren be­oordelen. Het is een misvatting om te denken dat je kwaliteit kunt tellen of meten: kwaliteit is iets anders dan kwantiteit; meten is slechts weten als je kwaliteit bent vergeten. De kwaliteit van voetballers leer je beoordelen door naar het spel te leren kijken, door je in te voegen in de gemeenschap van voet­balliefhebbers. En hoe leer je het daar? Onder andere door te horen en te zien wie er geprezen wordt! Die vanzelfsprekende manier waarop kwaliteitsoorde­len worden aangeleerd, vereist een gemeenschap waarbinnen je wordt ge­vormd. Maar dat geldt ook andersom: de gemeenschap waarvan je lid bent, bepaalt voor een belangrijk deel wat je goed of mooi vindt, aan welke voor­beelden je jezelf spiegelt, enzovoort. En bij een gemeenschap hoort een tradi­tie: gemeenschap en traditie zijn de twee manieren waarop waarden en normen en kwaliteitsstandaarden bestaan zonder dat we ze zelf hebben bedacht of ge­kozen, maar die juist richting geven aan wat wij denken en hoe we kiezen. -- Maar kan de ambtelijke organisatie zo’n gemeenschap met zo’n traditie zijn? Hoe verhoudt dit zich tot de flexibiliteit en mobiliteit die van de huidige werk­nemer gevraagd worden? Passen lof en blaam wel in een moderne functionele organisatie?

  4. Vierde belangrijke kenmerk: de deugdethiek gaat niet uit van de gelijkheid van alle mensen; ze discrimineert. Ik zeg het maar meteen zo hard en duidelijk mogelijk. Sommigen zijn beter dan anderen. Dat lijkt wel heel erg in te gaan tegen de nivellerende geest van onze tijd, waarin we het woord asociaal, via zwak-sociaal door ‘anders-sociaal’ hebben leren vervangen. De deugdethiek is niet nivellerend, maar elitair. Niet op de manier dat gevestigde elites het voor het zeggen hebben, maar wel zo dat er verschillen zijn en er zelfs een soort wedijver in deugd kan bestaan. Opnieuw net als met voetbal: niet iedereen is even goed. Let wel: dat discrimineren gebeurt (ook hier) openlijk en puur op kwaliteit. Dat wil zeggen: er wordt geen Hay-group ingehuurd om functies te herwaarderen, verschillende beloningen zitten niet vast aan een functionale status als ‘professional’ of als ‘manager’, maar alleen omdat de de een beter is dan de ander, wordt de een wel en de ander niet geselecteerd of geprezen en beloond. In de deugdethiek gaat het er dus om zo goed mogelijk te worden; het gaat niet om burgerlijke braafheid, maar om virtuositeit; het beroemde ‘midden’ van de deugd is geen middelmatigheid, maar juist een optimum, een excellentie. En daar hoort bij dat je verschil maakt – Kan dat in onze tijd? kan dat in een ambtelijke organisatie?

  5. Ten vijfde, last but not least een kenmerk dat al geïmpliceerd is in het vorige. Ik zei: de deugd is geen kwestie van ja of nee, binnen of buiten de lijn, wel of niet buitenspel. Dat hoort bij normen. De deugd daarentegen is een continu proces van verbetering. Deugdzaam is niet degene zich aan de regels houdt, evenmin als degene die niet buitenspel staat daarmee al een goede voetballer zou zijn. En er is een eindeloze gradatie van kwaliteit inzake de deugd, net zoals in de sport en eigenlijk in alle menselijke praktijken: wetenschap, ge­zondheidszorg, rechtspraak, openbaar bestuur. Maar dat betekent dat als inte­griteit een deugd is, ook zij, de integriteit, geen kwestie is van alles of niets. Met alle respect voor Ien Dales moeten we haar dan dus tegenspreken en zeggen dat je wel een beetje – meer of minder – integer kan zijn.

Als mijn explicitering van de deugdethische aard en context van het huidige spreken over integriteit al iets heeft opgeleverd, dan vooral problemen. Het zal duidelijk zijn dat de manier van spreken over integriteit die integriteit opvat als een positieve oriën­tatie, eerder dan als het niet-schenden van een norm, en die integriteitszorg opvat als cultivering van een deugdzame gemeenschap, eerder dan als normstelling en -handha­ving ter voorkoming van misstappen en misstanden, (dat die manier van spreken) allerminst vanzelfsprekend is – of het woord ‘deugd’ daarbij nu expliciet genoemd wordt of niet. Het expliciet maken van het deugdethisch karakter van die manier van spreken, maakt alleen maar duidelijk tegen hoeveel moeilijkheden een dergelijke benadering van de integriteit oploopt.


3. integriteit als deugd

Wat kunnen we van die moeilijkheden leren? Kunnen we misschien juist iets nieuws leren zien met betrekking tot die veel bediscussieerde integriteit, door de genoemde problemen serieus te nemen; door de deugdethische manier van spreken niet alleen maar te gebruiken om op een andere manier te zeggen wat we al wisten, maar de pun­ten waar ze lijkt te wringen met onze verwachting te gebruiken om ook aan de integri­teitszorg een nieuwe wending en hopelijk nieuwe energie te geven? Dit is geen retori­sche vraag. Ik kan alleen maar een eerste begin maken en proberen enkele van de ge­noemde vragen op te nemen. Maar het zal wel betekenen dat we ze nog wat verder moeten uitdiepen. Ik noem slechts twee punten.

Ten eerste was er de vraag wat integriteit als houding zou kunnen betekenen. Of ie­mand wel of niet geschenken aanneemt van meer dan 50 €, dat kun je duidelijk vast­stellen (lastig is alleen dat je niet weet of het 50 € per jaar, per maand, per week of per uur mag zijn, zoals Mark Rutgers laatst opmerkte). Maar of iemand dat doet vanuit een deugdzame houding, een houding van integriteit die maakt dat de persoon in kwestie de situatie waarin hij komt te verkeren al op een integere manier inschat, dat is veel minder duidelijk. Wat is dat eigenlijk: integer waarnemen wat er aan de hand is? Wat zou integriteit als houding wel kunnen zijn?

Kan de deugdethiek daarop antwoorden? Uit de geschiedenis van de deugdethiek, hoe lang die ook al is, zullen we niet veel hulp krijgen. In alle lijstjes van deugden die zijn opgesteld in meer dan 2000 jaren deugdethiek-beoefening, zullen we nergens die deugd van de integriteit tegenkomen. Moeten we daaruit niet concluderen dat de inte­griteit niet als deugd kan worden opgevat? dat het belang van integriteit in onze tijd en samenleving, juist een argument is tegen de deugdethiek, die daarvoor blijkbaar geen plaats heeft?

Of moeten we vaststellen dat dit probleem niet zozeer met de deugdethiek heeft te maken, maar eerder met de integriteit. Ik bedoel dit: dwingt de afwezigheid van een deugd ‘integriteit’ ons niet om ons af te vragen wat ‘integriteit’ überhaupt is? Sterker: dwingt ze ons niet te erkennen dat we weliswaar dat woord gebruiken, maar eigenlijk helemaal niet weten wat het betekent. Ja, we weten wanneer de integriteit geschonden wordt (althans soms), maar wat dat is, wat daar geschonden wordt – weten we dat? En als we dat niet weten, hoe kunnen we dan zeggen dat we werken aan de bewaking en bevordering ervan?

Sommigen stellen dat het er in de filosofie eigenlijk alleen maar om gaat, te ontdek­ken dat je iets niet weet; denk aan het vragen van Sokrates of de docta ignorantia van Cusanus. Ik ben het daar maar half mee eens. Je kunt namelijk maar in de goede zin van het woord, echt iets niet weten als je probeert om het wel te weten te komen. Wie tevreden is met zijn niet-weten, weet niet dat hij niet-wetend is. Kunnen we dan een stap verder gaan? Kan de deugdethiek ons helpen iets te zeggen over die mysterieuze integriteit, die ons zo bezig houdt, zonder dat we weten wat ze is?

Een belangrijk element van de deugdethiek is de these dat er weliswaar eindeloos vele deugden onderscheiden kunnen worden, en dat elke tijd en elke gemeenschap voor een deel haar eigen deugden zal ontdekken en formuleren, maar dat er vier cardinale deugden zijn, die in elke tijd en gemeenschap van belang zijn. ‘Cardinaal’ komt van het Latijnse cardo, dat spil of scharnierpen betekent. De cardinale deugden zijn de scharnierdeugden, ofwel de deugden waar het om draait. Ze hebben die rol omdat ze in elke deugd verondersteld zijn. Zonder de cardinale deugden kun je dus ook geen andere deugden hebben.

Een voorbeeld kan dat duidelijk maken. Maar eerst moet ik dan even in herinnering roepen over welke vier deugden we het hebben. De cardinale deugden zijn moed, maat, rechtvaardigheid en verstandigheid. De deugdethiek zegt dus dat je ook geen andere deugden kunt hebben, als je deze vier niet hebt. Je kunt bijvoorbeeld ook niet vriendelijk zijn, als je niet moedig genoeg bent, om ook vriendelijk te blijven als je daardoor in gevaar komt; als je geen maat weet te houden inzake het genieten en dus bijvoorbeeld slechts vriendelijk bent in de mate dat het je plezier oplevert, maar ook als je slechts vriendelijk bent uit plicht, zonder te genieten van hoe mooi de wereld eruit ziet in de spiegel van je eigen vriendelijkheid. Ook wie op onrechtvaardige wijze vriendelijk is, d.w.z. wie mensen niet gelijk behandelt en tegen de een vriendelijk is, maar tegen de ander niet, zonder dat die ongelijkheid gegrond is in een relevante on­gelijkheid van die mensen, zo iemand zullen we niet vriendelijk noemen. En de be­langrijkste van de vier is waarschijnlijk de verstandigheid. Zij is het vermogen om enerzijds volledig recht te doen aan de omstandigheden waarin je feitelijk staat, d.w.z. te weten wat je hier en nu wel en niet moet doen, wel en niet kunt maken, enz.; maar de verstandige zal die concrete omstandigheden anderzijds steeds zien in het licht van waar het uiteindelijk om gaat, het uiteindelijk doel van menselijk leven en samenle­ven; de verstandigheid is dus het vermogen om het verre en het nabije bij elkaar te houden. Wie op onverstandige wijze vriendelijk doet, is niet echt vriendelijk, zegt de deugdethiek.

Zonder de cardinale deugden geen enkele deugd. Misschien kunnen we die stelling nog een stapje verder brengen en zeggen: elke deugd bestaat uit die vier cardinale deugden, en de ene deugd is alleen van de andere deugd onderscheiden door de con­crete emotie of de concrete praktijk die ermee wordt geperfectioneerd. Vriendelijk­heid is dan moedig, maatvol, rechtvaardig en verstandig houden van je medemensen; medelijden is moedig, maatvol, rechtvaardig en verstandig zijn ten opzichte van het lijden van anderen; eerlijkheid is moedig, maatvol, rechtvaardig en verstandig om­gaan met waarheid; en integriteit van de ambtenaar zou dan bestaan in: moedig, maat­vol, rechtvaardig en verstandig zijn in de uitvoering van je ambtelijke taken.

Wat hebben we hiermee gewonnen? Misschien meer dan op het eerste gezicht lijkt: want terwijl we niet weten wat ‘integriteit’ eigenlijk is, weten we doorgaans wel wat moedig zou zijn in een bepaalde situatie; en hetzelfde geldt voor maat, rechtvaardig­heid en verstandigheid. Bovendien: in plaats van te focussen op één begrip, dat bo­vendien nogal wazig is, kunnen we met behulp van die cardinale deugden op vier manieren naar ons handelen kijken. En iedereen weet dat je de dingen beter ziet, wanneer je ze vanuit meerdere gezichtshoeken bekijkt.


Ik kan nog slechts op één ander probleem ingaan: het probleem dat de deugd een gra­dueel begrip is, terwijl – althans volgens oudminister Dales de integriteit een zaak van alles of niets zou zijn. Het is jammer voor degenen die maximale duidelijkheid willen, maar het is niet anders. Als wel of niet integer zijn zo iets zou zijn als wel of niet bui­ten spel staan, dan gold inderdaad dat het of het een of het ander is. Maar ten eerste is het zelfs met buitenspel vaak nog een kwestie van interpretatie, en ten tweede en vooral: als integriteit zo iets zou zijn, dan zou je nooit op een voorbeeldige manier integer kunnen zijn. Kent u voetballers die toonbeelden zijn van 'niet buiten spel staan'? In alles wat een kwestie van ja of nee, binnen of buiten de lijn is, kun je niet meer of minder goed zijn. Maar in alles waarin je heel goed kunt zijn, daarin kun je ook minder goed, of zelfs een beetje goed zijn. En de Ien Dales Award is het bewijs dat althans degenen die haar uitreiken menen dat je in integriteit heel erg goed kan zijn.

Hoewel er een belangrijk stuk van de moraal is, waarin het er om gaat 'binnen de lij­nen te blijven', heeft het grootste en meest interessante deel ervan te maken met wat je binnen die lijnen doet, hoe goed je daarbinnen weet te zijn. Daarbinnen kun je meer of minder goed zijn, meer of minder excelleren of virtuositeit aan de dag leggen: alle­maal termen die verwijzen naar de deugdethiek. Want het Griekse woord voor deugd is aretè, voortreffelijkheid of excellentie; het Latijnse woord is virtus, kracht of vir­tuositeit.



Ik wil hier tot slot nog één opmerking aan toevoegen. Want hoewel er meer en minder bestaat in de deugd, en hoewel er dus een hiërarchie bestaat en er van een soort wedij­ver sprake kan zijn, om te zien wie de beste is (anders had een Award ook geen zin), toch betekent dat niet dat alleen de beste deugdzaam genoemd kan worden. Evenmin als alleen degene die de wedstrijd wint een goede sporter is. Wat hebben de beste en de minder goede dan gemeen? Dit: ze willen allemaal nog beter worden. Zij zijn: ‘stu­dentes excellendo’: mensen die proberen te excelleren. Ik denk dat dit een heel be­langrijk element van de deugd is: deugd is een dynamisch begrip: deugdzaam is dege­ne die zo goed gevormd is dat hij probeert nog beter te worden. Een goede sporter is niet degene die de wedstrijd gewonnen heeft en het dan verder wel best vindt, maar degene die geniet van de gewonnen wedstrijd, maar vervolgens gaat trainen om de volgende keer weer of nog glanzender te winnen. De deugdzame ambtenaar is niet degene die de Ien Dales Award in ontvangst heeft genomen, maar die daarvan geniet en vervolgens probeert nog beter te worden.
Laat dat dan mijn conclusie zijn: vanuit deugdethisch perspectief is de Ien Dales Award een aanmoedigingsprijs!








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina