Interventieplan



Dovnload 157.62 Kb.
Pagina1/2
Datum20.08.2016
Grootte157.62 Kb.
  1   2


INTERVENTIEPLAN
ter bescherming van leerlingen

tegen geweld, pesten en ongewenst seksueel gedrag op school

2009



LIMITS vzw
In opdracht van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,

Frank Vandenbroucke


Ook al worden de meeste leerlingen niet beschermd door de wet over geweld, pesten en ongewenst seksueel gedrag op het werk (zie Wettelijk kader), toch is het van groot belang om alle leerlingen op school te beschermen. Scholen hebben behoefte aan een bruikbaar en concreet draaiboek om pestgedrag en ander ongewenst gedrag tussen leerlingen onderling en naar leerlingen toe aan te pakken.
Dit interventieplan ter bescherming van leerlingen is een bruikbare leidraad voor tussenkomsten in ongewenst gedrag gesteld tussen leerlingen onderling en naar leerlingen toe.
Bij het opstellen van dit plan is rekening gehouden met de ervaring, initiatieven en suggesties van deskundigen in Vlaanderen die de voorbije jaren relevante projecten ontwikkelden. Zo werden nieuwe ontwikkelingen, zoals het betoelagen van Time-out en Hergo in rekening gebracht. Net zoals in het preventieplan voor leerlingen wordt er in de tekst verwezen naar de e-publicatie geschreven door Gie Deboutte in opdracht van het departement Onderwijs en Vorming (‘Pesten en geweld op school: Handreiking voor een daadkrachtig schoolbeleid’)1.

Daarnaast werd verder gebouwd op de ervaring van Limits vzw, die sinds 1997 in opdracht van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming het Steunpunt Ongewenst Gedrag op School verzorgt.

Een interventieplan over geweld, pesten en ongewenst seksueel gedrag voor leerlingen kan niet los gezien worden van een preventieplan. Bovendien moeten beide plannen ingepast worden in een zorgbeleid dat gerelateerd is aan het pedagogisch project van iedere school.
Dit interventieplan kan inspirerend werken voor al wie rechtstreeks betrokken is bij het welzijn van leerlingen.
Na een algemene schets van de problematiek (hoofdstuk 1) en het beschrijven van de rol van het CLB (hoofdstuk 2), komen we in hoofdstuk 3 tot een aantal cruciale uitgangspunten wil men ongewenst gedrag naar leerlingen toe (tussen leerlingen onderling of tussen personeel en leerlingen) op een constructieve en duurzame manier aanpakken. Vooraleer we dieper ingaan op de aanpak gaan we kort in op het melden of opmerken van probleemsituaties (hoofdstuk 4). Vervolgens staan we stil bij de specifieke vaardigheden die nodig zijn voor het bieden van goede opvang (hoofdstuk 5). Hoofdstuk 6 belicht de verschillende aspecten van een tussenkomst, zowel tussen leerlingen onderling als tussen personeelsleden en leerlingen. In hoofdstuk 7 wordt de mogelijkheid tot strafrechtelijke stappen besproken. In hoofdstuk 8 en 9 ligt de klemtoon op maatregelen in het kader van de tertiaire preventie, namelijk het herstel van de schade die ontstaan is door het ongewenst gedrag en het voorkomen van verdere negatieve gevolgen. Ten slotte wordt in hoofdstuk 10 bekeken hoe men vanuit de klachten, en hoe men die aanpakt, tot nieuwe werkpunten komt bij de aanpak van ongewenst gedrag en hoe men in de toekomst verhindert dat soortgelijke problemen zich kunnen voordoen.
In dit interventieplan gebruiken we het mannelijk persoonlijk voornaamwoord ‘hij’ omdat dit grammaticaal neutraal is. Daarmee verwijzen we dus zowel naar mannen als naar vrouwen. Wie dat wil, kan ‘hij’ dus gerust als ‘zij’ lezen.

Inhoudstafel

1. Waarover spreken we? 4


1.1 Definities en cijfergegevens 4

1.2 Vormen van geweld, pesten en ongewenst seksueel gedrag 4

1.3 Gevolgen van ongewenst gedrag 7

2. Rol van het CLB 8




3. Uitgangspunten 9


3.1 Een einde maken aan het ongewenst gedrag 9

3.2 Klachten zijn subjectief 9

3.3 Problemen niet te snel ‘individualiseren’ 9
4. Een melding van pesten, geweld en ongewenst seksueel gedrag 10

4.1 De drempel is hoog 10

4.2 Er wordt een probleem gesignaleerd 12

4.3 Het probleemgedrag wordt opgemerkt 12



5. De opvang van slachtoffers en ouders 13

5.1 Wie zorgt voor de opvang? 13

5.2 Waar en wanneer moet een opvanggesprek plaatsvinden? 13

5.3 Wat is een goede opvang? 14



5.3.1 Enkele uitgangspunten 14

5.3.2 Verloop van het opvanggesprek 15

5.3.3. Opvang van ouders 17
6. Tussenkomst bij ongewenst gedrag 18

6.1 Herstelgerichte cultuur 18

6.2 Aandachtspunten 19

6.2.1 Schuif de melding niet op de lange baan 19

6.2.2 Recht op anonimiteit 19

6.2.3 Feedback aan de ouders 19

6.2.4 Loyaliteit van collega’s naar aangeklaagde leerkracht 20

6.3 Tussenkomsten indien ongewenst gedrag gesteld wordt tussen leerlingen onderling 20



6.3.1 Pesten 20

6.3.2 Geweld 23

6.3.3 Ongewenst seksueel gedrag 24

6.3.4 Orde- en tuchtmaatregel 25

6.4 Tussenkomsten indien ongewenst gedrag gesteld wordt door personeelsleden 26



6.4.1 Gesprek met aangeklaagd personeelslid 26

6.4.2 Intern tuchtonderzoek 27
7. Strafrechtelijke stappen 29

8. Opvolging 30

9. Nazorg 31

10. Van klachten naar actiepunten 32

1. Waarover spreken we?


In dit hoofdstuk staan we stil bij wat er verstaan kan worden onder geweld, pesten en ongewenst seksueel gedrag gericht naar leerlingen om daarna verder in te gaan op de specifieke vormen die het ongewenst gedrag kan aannemen en de gevolgen voor de betrokkenen.


    1. Definities en cijfergegevens

In de handreiking ‘Pesten en geweld op school’ wordt een hoofdstuk gewijd aan de omschrijving van de begrippen en onderzoeksresultaten over de omvang van de problematiek. We verwijzen daarom naar deel 3 van deze handreiking voor definities en cijfergegevens van pesten, agressie en ongewenst seksueel gedrag.




    1. Vormen van geweld, pesten en ongewenst seksueel gedrag

Ongewenst gedrag, waarbij leerlingen betrokken zijn, kan verschillende vormen aannemen. Hieronder geven we een aantal voorbeelden van ongewenste gedragingen op verbaal, psychisch, fysiek of materieel gebied. Dit is een indicatieve lijst van gedragingen die mogelijk als ongewenst gepercipieerd kunnen worden. Vaak zal één gedraging er niet toe leiden dat een leerling zich slachtoffer voelt, maar is er een samenspel van factoren en gedragingen.

Het ongewenst gedrag kan zowel door één of meerdere medeleerling(en) gesteld worden, als door personeelsleden van de school.
Voorbeelden van ongewenst gedrag gesteld tussen leerlingen onderling:

Op verbaal gebied:


  • het uiten van dreigende taal;

  • het gebruik van scheldwoorden, maken van kwetsende opmerkingen over bijvoorbeeld de ouders, broers en zussen;

  • afpersen;

  • cyberpesten;

  • het maken van spottende en denigrerende opmerkingen, al dan niet van seksuele aard;

  • zinspelen op seksuele handelingen of verwijzen naar seksuele organen;

  • roddelen en iemand zwartmaken bij anderen;

  • verbaal treiteren;

  • iemand belasteren en ongegronde beschuldigingen uitbrengen.


Op psychisch gebied:

  • iemand sociaal isoleren:

    • een leerling uitsluiten bij groepswerk;

    • een leerling niet uitnodigen voor een feestje;

    • een leerling op de speelplaats negeren en uitsluiten;

  • leerlingen opzetten tegen een bepaalde leerling;

  • een leerling vernederen;

  • een leerling weigeren om notities door te geven of uitleg te geven bij afwezigheid;

  • een leerling imiteren (gebaren, stem, manier van lopen).


Op materieel gebied:

  • stukmaken van persoonlijke bezittingen bv. tekeningen, huistaken, schriften;

  • persoonlijke bezittingen wegnemen/stelen;

  • voorwerpen (stuk) gooien.


Op fysiek gebied:

  • trekken en duwen;

  • een leerling de weg versperren;

  • een leerling hardhandig vastnemen;

  • een leerling geld afpersen onder fysieke bedreiging;

  • voorwerp tegen leerling gooien;

  • een leerling een stamp geven en schoppen;

  • een leerling van de fiets trekken;

  • de handen niet af kunnen houden van een leerling: de handen op schouder of benen leggen van de leerling, intieme lichaamsdelen aanraken, enz.;

  • een leerling vastgrijpen en onverwacht kussen;

  • een leerling een kus afdwingen;

  • een leerling verkrachten.

Voorbeelden van ongewenst gedrag gesteld door personeelsleden:


Op verbaal gebied:

  • het uiten van dreigende taal/ intimideren;

  • het gebruik van scheldwoorden, maken van kwetsende opmerkingen over bijvoorbeeld de ouders, broers en zussen;

  • het maken van spottende en denigrerende opmerkingen, al dan niet van seksuele aard;

  • zinspelen op seksuele handelingen of verwijzen naar seksuele organen;

  • over een leerling roddelen en hem zwartmaken bij anderen;

  • een leerling belasteren en ongegronde beschuldigingen uitbrengen;

  • het maken van krenkende opmerkingen/vernederen in de klas;

  • roepen/tieren;

  • discrimineren: bepaalde leerlingen uitsluiten voor activiteiten of bepaalde voordelen onthouden;

  • leugens verspreiden over leerling;


Op psychisch gebied:

  • een leerling sociaal isoleren:

    • de leerling mag niet meedoen aan bepaalde activiteiten op school;

    • de leerling mag niet naar de speelplaats en wordt niet ingelicht over de reden daarvoor;

  • een leerling negeren in de les;

  • een groep leerlingen opzetten tegen een leerling;

  • een leerling vernederen;

  • een leerling zonder redenen weigeren om uitleg te geven over de leerstof;

  • een leerling uitlachen.


Op materieel gebied:

  • het (stuk)gooien en beschadigen van voorwerpen;

  • het wegnemen van persoonlijke bezittingen zonder aanwijsbare redenen.


Op fysiek gebied:

  • een leerling de doorgang verhinderen;

  • een leerling hardhandig vastnemen;

  • een leerling bij de haren trekken;

  • een leerling slaan;

  • een voorwerp tegen leerling gooien;

  • een leerling stampen en schoppen;

  • een leerling vastbinden aan een stoel;

  • een leerling met een liniaal op handen en vingers tikken;

  • een leerling op de schoot nemen;

  • een leerling knuffelen of zoenen;

  • de handen niet af kunnen houden van een leerling: de handen op de schouder of benen van een leerling leggen, genitale aanrakingen, enz.;

  • een leerling dwingen tot masturbatie;

  • een leerling verkrachten;

  • het lichaam van een leerling aanraken of betasten boven de kleding.


Op studiegebied:

  • een leerling onredelijk, overdreven straffen;

  • een leerling anders beoordelen met punten dan de rest van de klas;

  • een overdreven autoritaire houding;

  • dreigen met onvoldoende/ uitsluiting;

  • geen rekening houden met de medische/psychische/leerproblematiek van de leerling;

  • het werk van de leerling excessief afbreken, nooit een positief woord geven.



    1. Gevolgen van ongewenst gedrag

Ongewenst gedrag brengt zowel voor het slachtoffer als voor de omgeving van de leerling negatieve gevolgen met zich mee. Het heeft een impact op verschillende gebieden. De gevolgen uiten zich vaak in een combinatie van symptomen, bijvoorbeeld:



  • Lichamelijk: psychosomatische klachten (hoofdpijn, buikpijn, enz.), slapeloosheid, eetlustvermindering;

  • Psychisch: wantrouwen, angst, verlaagd zelfbeeld, labiliteit, concentratiestoornissen, verstoorde seksuele ontwikkeling, gevoel van machteloosheid, depressie, zelfmoordgedachten;

  • Probleemgedrag: dagelijkse huilbuien, isolatie, agressie, niet meer naar school willen, spijbelen, zelfverminking, zelfmoordpogingen;

  • Studie: verminderde motivatie, vermindering van prestaties, concentratieproblemen, regelmatige afwezigheid, veranderen van school of studierichting.

Slachtoffers van ongewenst gedrag geraken verzeild in een vicieuze cirkel, waarbij de negatieve gevolgen op de verschillende gebieden op elkaar inwerken en elkaar versterken. Een aantal factoren zullen bepalend zijn voor de ernst van de gevolgen en gevolgen hebben voor het slachtoffer tot op volwassen leeftijd. Factoren die een invloed hebben zijn bijvoorbeeld:



  • de duur van de feiten;

  • het feit of er al dan niet een herhaling is van de feiten;

  • het aantal personen (zowel slachtoffers als diegenen die het ongewenst gedrag stellen) dat erbij betrokken is;

  • het feit of diegenen die ongewenst gedrag stellen leeftijdsgenoten, dan wel volwassenen (personeelsleden) zijn;

  • de mate waarin de feiten doelbewust zijn gepleegd;

  • de lichamelijke dimensie van de feiten (bv. handtastelijkheden);

  • de beleving van de feiten door het slachtoffer. Wat voor de een zwaar valt, is dit niet noodzakelijk voor de ander. De manier waarop kinderen geleerd hebben om met gevoelens en problemen om te gaan, zal zeker een rol spelen in hoe het gedrag wordt ervaren.

Vaak zullen de slachtoffers geen uitweg meer zien om het ongewenst gedrag te stoppen. Sommige slachtoffers, die we ‘passieve slachtoffers’ noemen, trekken zich daarom steeds meer terug en zijn niet meer in staat om nog te reageren. De zogenaamde ‘combattieve slachtoffers’ echter blijven zich verzetten tegen het ongewenst gedrag. De kans op escalatie van de situatie is in dit geval groot. De combattieve slachtoffers stellen soms zelf incorrect gedrag en worden vaak door leerkrachten en directie voor lastige leerlingen aangezien.





  1. Rol van het CLB

Wanneer leerlingen slachtoffer zijn van ongewenst gedrag, wordt er van de school verwacht dat ze ingrijpen en het ongewenst gedrag zo snel mogelijk beëindigen. Men staat hier niet alleen! Personeelsleden kunnen bij de collega’s en de directie terecht om problemen te bespreken en samen te zoeken naar oplossingen.

Leerkrachten en directies kunnen een beroep doen op het CLB voor ondersteuning en begeleiding bij de aanpak van ongewenst gedrag. Zo kunnen CLB’s helpen om de problemen binnen een ruimere context te zien, ongewenst gedrag systematischer aan te pakken, inzicht te geven in de betekenis en de gevolgen van probleemgedrag, enzovoort. Bovendien kunnen leerlingen en ouders rechtstreeks bij het CLB terecht wanneer ze te maken hebben met ongewenst gedrag of andere problemen op school.

Het CLB kan dus beschouwd worden als een partner van de school, waarop men in elke fase (van melding tot opvolging) een beroep kan doen.2





  1. Uitgangspunten

In het voorafgaande deel hebben we de problematiek van ongewenst gedrag verkend door de verschillende vormen en de gevolgen ervan te beschrijven. Voordat we overgaan tot het aanreiken van praktische instrumenten en tips om ongewenst gedrag aan te pakken en te beëindigen, formuleren we een aantal uitgangspunten. Deze uitgangspunten houdt men best in het achterhoofd vooraleer men overgaat tot het nemen van maatregelen of het uitvoeren van een interventie.




    1. Een einde maken aan het ongewenst gedrag

Het belangrijkste uitgangspunt bij de behandeling van meldingen en klachten is het beëindigen van het ongewenst gedrag. Een interventie zal zich daarom vooral moeten richten op de toekomst. De waarheid proberen te achterhalen of zoeken naar een schuldige, mag niet het doel van de interventie zijn.




    1. Klachten zijn subjectief

Wanneer gedrag als grensoverschrijdend wordt aangevoeld verschilt van leerling tot leerling. Sommige leerlingen zijn bijvoorbeeld gevoeliger voor bepaalde gedragingen en uitlatingen dan anderen. Of bepaald gedrag als ongewenst wordt beschouwd is ook afhankelijk van wie dat gedrag stelt en wat de relatie met de leerling is. Bovendien zal ook de context bepalen of het gedrag al dan niet als grensoverschrijdend wordt aanzien.

Tenslotte kan ook het aanhouden van wat op het eerste gezicht onschuldig gedrag lijkt ertoe leiden dat dit toch als ongewenst en kwetsend gedrag wordt ervaren.


    1. Problemen niet te snel ‘individualiseren’

Het ontstaan van probleemgedrag kan verklaard worden vanuit een wisselwerking tussen de leerling als individu en de omgeving van de leerling (medeleerlingen, familie, leerkrachten, de school als organisatie, enz.). Vanuit deze complexiteit moet ook vertrokken worden wanneer men wilt omgaan met een probleemsituatie. Op korte termijn is het soms nodig om op individueel niveau in te grijpen, maar dit neemt niet weg dat het probleem in zijn ruimere context moet worden gezien en overeenkomstig aangepakt. 3




  1. Een melding van pesten, geweld en ongewenst seksueel gedrag

Op verschillende manieren kan duidelijk worden dat een leerling slachtoffer is van ongewenst gedrag (hetzij door een medeleerling, hetzij door een personeelslid gesteld). Men moet er zich van bewust zijn dat hoe vroeger het ongewenst gedrag wordt opgemerkt of aangekaart, hoe vroeger kan worden ingegrepen en hoe kleiner de kans is op ernstige gevolgen.




    1. De drempel is hoog

De drempel om iemand in vertrouwen te nemen en hem te melden dat men het slachtoffer is van ongewenst gedrag is voor velen erg hoog. Er bestaan heel wat factoren die het voor de leerling moeilijk maken om hier met iemand over te spreken:




  • ze weten niet wie ze in vertrouwen kunnen nemen;

  • ze schamen zich voor wat ze meemaken;

  • ze zijn bang niet geloofd te worden;

  • ze zijn bang om zelf de schuld te krijgen;

  • ze zijn bang om gestraft te worden of slechte punten te krijgen;

  • ze vrezen een verergering van de bestaande situatie;

  • ze zijn onderhevig aan groepsdruk (dat doe je niet);

  • ze zijn bang dat het ongewenst gedrag escaleert;

  • ze denken het nog aan te kunnen tot het einde van het schooljaar.

Leerlingen wachten ook vaak lang vooraleer ze hun ouders op de hoogte brengen. Ook voor ouders kan de drempel hoog zijn om iemand van de school in te lichten. Er kan een gevoel van schaamte ontstaan, omdat ze datgene wat gebeurt in verband brengen met de manier waarop ze hun kind hebben opgevoed en zich schuldig voelen omdat hun kind slachtoffer is geworden van ongewenst gedrag. Vele ouders zoeken eerst steun bij andere ouders vooraleer ze de school inlichten.


Medeleerlingen zijn vaak wel op de hoogte van ongewenst gedrag. Ook voor hen is de drempel echter hoog om het probleem te melden. Ze willen niet gezien worden als een ‘verklikker’ en hebben vaak schrik om zelf slachtoffer te worden, zeker wanneer het gaat over ongewenst gedrag gesteld door een personeelslid. Indien het ongewenst gedrag tussen leerlingen onderling betreft, is het mogelijk dat leerlingen ervoor vrezen dat ze een sanctie krijgen voor gedrag dat ze zelf gesteld hebben.

Sommige leerlingen schamen er zich voor dat ze zich niet verzetten tegen het ongewenst gedrag, en doen daarom dat ze het niet opmerken.


Zelfs wanneer noch slachtoffer, noch ouders of medeleerlingen iets melden, zijn er tal van signalen die aangeven dat er een probleem is. Als gevolg van het ongewenst gedrag kunnen slachtoffers namelijk op tal van manieren reageren. Hier volgen een aantal voorbeelden van signalen die mogelijk aangeven dat er met de leerling iets aan de hand is (sommige signalen kunnen bijvoorbeeld niet rechtstreeks door leerkrachten opgemerkt worden, maar kunnen wel via de ouders opgevangen worden):

  • plotselinge, onverklaarbare gedragsveranderingen;

  • zich terugtrekken, onbereikbaar zijn;

  • vermijden van bepaalde plaatsen of sommige situaties;

  • wegvluchten;

  • snel geïrriteerd geraken, veel ruzie maken;

  • angst voor lichamelijk contact, schrikreacties;

  • zich niet kunnen concentreren en geen interesse meer hebben voor het schoolgebeuren;

  • vage lichamelijke klachten (hoofdpijn, buikpijn);

  • ziekte;

  • spijbelgedrag;

  • opmerkelijke afname van de schoolprestaties;

  • bedplassen;

  • nachtmerries, slaapgebrek.

Wanneer leerkrachten, directie, leerlingbegeleiders en andere betrokkenen dergelijke signalen opvangen, is het van belang om de aandacht te verscherpen.

Iedereen die bij het schoolgebeuren betrokken is kan de leerling ook op een discrete manier over de signalen aanspreken. Ook kan men ouders, leerkrachten, CLB-medewerkers of directie polsen omtrent de mogelijke oorzaken van deze signalen. Iedereen draagt verantwoordelijkheid voor de leerling die vermoedelijk ongewenst gedrag ervaart.
Als men een leerling aanspreekt, is het noodzakelijk om concreet geobserveerde feiten aan te halen. Een leerkracht kan bijvoorbeeld aangeven dat hij gemerkt heeft dat het kind niet meer speelt met de anderen, dat het steeds als laatste in de rij gaat staan, dat het ‘s middags niet meer op school blijft eten, enz. Als de leerling hier ontwijkend of ontkennend op reageert, moet men dit respecteren. Men kan de leerling de boodschap meegeven dat men steeds bereid is te luisteren en te praten.


    1. Er wordt een probleem gesignaleerd

Ondanks een aanvankelijke aarzeling zetten slachtoffers toch soms zelf de stap om iemand op school of in de privéomgeving in te lichten over de probleemsituatie.

In principe kan iedereen op de hoogte gesteld worden van een probleem van ongewenst gedrag. Vaak worden eerst de ouders door de leerling op de hoogte gebracht maar ook een medeleerling, leerkracht of leerlingenbegeleider kan als eerste van het probleem op de hoogte zijn.

Wanneer er een probleem gemeld wordt kan men best meteen een opvanggesprek voeren (zie verder). Dit moet niet noodzakelijk gebeuren door de persoon wie het probleem gesignaleerd wordt. Het beste kan op voorhand afgesproken worden wie in staat is om dergelijk opvanggesprek te voeren, zodat de persoon die in vertrouwen is genomen door de leerling, die snel en gemakkelijk kan doorverwijzen naar de juiste persoon.


In een eerste gesprek kan men dan opvang en steun bieden, nagaan wat de verwachtingen zijn van de betrokken leerling en samen zoeken naar mogelijkheden om de problemen aan te pakken. Hoe men dergelijk opvanggesprek kan voeren, wie dit best opneemt en welke interventies er bestaan, wordt verder in dit interventieplan toegelicht.


    1. Het probleemgedrag wordt opgemerkt

Iedereen op school kan vaststellen dat leerlingen zich gedragen op een manier die niet door de beugel kan. Zowel leerkrachten, directie, administratief personeel, onderhoudspersoneel als de CLB-medewerker hebben de verantwoordelijkheid daar kordaat op in te spelen.





  1. De opvang van slachtoffers en ouders

Iedere leerling die te maken krijgt met ongewenst gedrag, hetzij door medeleerlingen, hetzij door personeelsleden, heeft het absolute recht om gehoord en gesteund te worden. Iedere melding wordt ernstig genomen.




    1. Wie zorgt voor de opvang?

Op school zijn er verschillende personen bij wie leerlingen hulp kunnen zoeken wanneer ze geconfronteerd worden met ongewenst gedrag. Elke basis- en secundaire school beschikt over een eigen zorgsysteem of interne begeleiding. Leerkrachten, coördinatoren, groene leerkrachten, leerlingenbegeleiders of de directie kunnen aangesproken worden door de leerlingen. Iedereen die betrokken is bij het schoolgebeuren kan in principe een eerste opvang bieden aan slachtoffers van ongewenst gedrag. Het voeren van een degelijk opvanggesprek vereist echter een aantal specifieke vaardigheden waarover niet iedereen beschikt. Indien dit het geval is, kan men samen met de persoon die het probleem heeft gemeld op zoek gaan naar iemand die meer geschikt is, zoals een andere leerkracht, een CLB-medewerker enz., zodat de leerling niet in de kou blijft staan. Het is bovendien belangrijk dat de aangesproken persoon de melding (in vertrouwen) met anderen kan bespreken en samen kan zoeken naar mogelijke oplossingen. Het kan best vermeden worden dat diegene die de melding ontvangt alleen verantwoordelijk is voor verdere opvang en alleen handelt. In de meeste scholen kan men beroep doen op bestaande structuren voor leerlingenbegeleiding. Het is ook mogelijk dat er in de school preventief een opvangteam werd samengesteld.


Wanneer het ongewenst gedrag te ernstige vormen aanneemt, kan begeleiding en opvang van externe instanties noodzakelijk zijn. Men kan de leerling en/of zijn ouders dan in contact brengen met bijvoorbeeld de Vertrouwenscentra Kindermishandeling of de diensten voor Geestelijke Gezondheidszorg.



    1. Waar en wanneer moet een opvanggesprek plaatsvinden?

Wanneer leerlingen steun komen zoeken, zijn ze vaak erg emotioneel. Indien mogelijk kan men het best op het moment zelf tijd maken om naar het verhaal van de leerling te luisteren. Zoals we eerder aanhaalden, duurt het vaak al een hele tijd voor men de drempel om een probleem te melden heeft overwonnen. Indien het niet mogelijk is om onmiddellijk tijd vrij te maken, is het belangrijk om voor een gesprek zo snel mogelijk een afspraak te maken.

Het opvanggesprek kan best daar plaatsvinden waar ongestoord kan worden gepraat. De aanwezigheid van andere personen kan een gesprek ernstig bemoeilijken waardoor het best voor een lokaal wordt gekozen waar men niet gezien wordt door andere leerlingen of personeelsleden.


    1. Wat is een goede opvang?

Het slachtoffer correct opvangen is van cruciaal belang. Op welke manier dit kan, lichten we hieronder toe.




      1. Enkele uitgangspunten


Opvang is meer dan een diagnose

Een opvanggesprek houdt veel meer in dan enkel het diagnosticeren van een probleem. Het vereist specifieke vaardigheden en een juiste houding. Tijdens een opvanggesprek moet men zich niet enkel toeleggen op het achterhalen van de feiten, maar moet ook aandacht worden besteed aan de beleving van de leerling.


Interpretaties concreet maken

Wat de ene leerling als ongewenst ervaart is voor een andere leerling geen probleem. Dit wil echter niet zeggen dat men zich enkel mag baseren op een interpretatie. Men moet steeds trachten te achterhalen waarom iemand zich slachtoffer voelt van ongewenst gedrag.

Men zal dus altijd naar concrete feiten en gedragingen moeten informeren. Een subjectieve interpretatie zoals ‘de leerkracht viseert mij’ is niet voldoende en kan op zich niet leiden tot het nemen van maatregelen.
Spreek geen waardeoordeel uit

Zoals al vermeld, is het bij een opvanggesprek vooral belangrijk om de beleving van het slachtoffer in kaart te brengen. Er wordt dus niet verwacht dat men zich uitspreekt over de waarheid of onderzoek doet naar de gegrondheid van de melding. De eigen mening en het eigen referentiekader zullen daarom soms aan de kant gezet moeten worden.





      1. Verloop van het opvanggesprek


Emotionele ontlading

Tijdens een eerste gesprek is de kans groot dat het slachtoffer emotioneel is en de behoefte voelt om even stoom af te blazen. De leerling zal daardoor niet in staat zijn een erg samenhangend verhaal te vertellen. In de eerste plaats is het dus noodzakelijk actief te luisteren. Op die manier krijgt de leerling de kans om zijn verhaal te vertellen en alles zelf op een rijtje te zetten. Enkel wanneer de leerling een gevoel van veiligheid en vertrouwen heeft, zal het gesprek vlot kunnen verlopen. Bij iedere zin zal de leerling namelijk zijn voelsprieten opzetten om te zien of de situatie veilig is en of hij verder kan vertellen.

Actief luisteren houdt in dat men zowel via verbale als non-verbale signalen aangeeft dat men aandachtig luistert en begrijpt wat de andere zegt:


  • oogcontact houden met de leerling terwijl hij zijn verhaal vertelt;

  • af en toe knikken en hummen: het geeft blijk van begrip en moedigt aan om verder te vertellen;

  • een open lichaamshouding aannemen (bv. armen en benen niet kruisen)

  • parafraseren, nagaan of wat de leerling zegt juist is geïnterpreteerd;

  • emoties interpreteren (bv.: ‘je lijkt erg boos’);

  • proberen om eigen oordelen achterwege te laten en te vertrekken vanuit het referentiekader van de leerling;

  • de leerling de nodige tijd geven zijn verhaal te vertellen, het gesprek niet afbreken.


Zicht krijgen op complexiteit van de probleemsituatie

Wanneer de leerling de kans heeft gekregen om emoties te uiten en zijn hart te luchten kan men via het stellen van vragen meer inzicht proberen te krijgen in de situatie. Het kan nuttig zijn om te vragen naar eventuele andere feiten, omdat het om een combinatie van verschillende ongewenste gedragingen kan gaan. Er kan ook verder naar eventuele betrokkenen worden geïnformeerd, naar de gevolgen voor de leerling en naar wat aan de basis kan liggen van het ongewenst gedrag.

Op dat moment wordt informatie ingewonnen en tegelijkertijd is het een hulp voor de leerling om alles op een rijtje te zetten en de situatie eventueel vanuit een ander perspectief te bekijken.
De verwachtingen peilen

Vooraleer het gesprek wordt afgerond en men overgaat tot het nemen van maatregelen, is het belangrijk na te gaan wat de betrokken leerling verwacht, zodat wordt verhinderd dat het vertrouwen van de leerling wordt beschaamd.

Sommige leerlingen verwachten geen verdere tussenkomst:


  • de leerling had enkel nood aan opvang en heeft het gevoel dat hij er dankzij het luisterend oor, de steun en het begrip weer beter tegenaan kan;

  • de leerling verkiest af te wachten hoe de zaken verder lopen en is opgelucht nu hij weet waar hij in geval van nood terecht kan;

  • de leerling heeft schrik voor wraakacties indien bekend zou worden dat hij hulp heeft gezocht;

  • de leerling wilde zich informeren over wat de mogelijkheden zijn, maar heeft nog bedenktijd nodig.

Toch zal men hier niet in alle situaties zomaar rekening mee kunnen houden.

In sommige situaties zal, gezien de ernst van het ongewenst gedrag, toch moeten ingrijpen. In dat geval zal men de leerling duidelijk moeten maken waarom men een tussenkomst noodzakelijk vindt.
Wanneer er strafbare feiten gemeld worden, verplicht de wet (art. 422 bis Strafwetboek) tot hulp aan de persoon die in gevaar verkeert. In sommige gevallen kan die hulp enkel geleverd worden door een aangifte bij het gerecht. Soms kan de school van mening zijn dat het niet nodig is om een aangifte bij het gerecht te doen. Zij kunnen hiervoor kiezen, maar moeten in het geval dat ze besluiten om geen aangifte te doen, wel kunnen bewijzen dat zij instaan voor bijstand en de veiligheid kunnen garanderen van zowel de betrokken leerling als van de andere personen op school.
Men kan bijgevolg een leerling die een voorval wil melden het best nooit de totale geheimhouding beloven. Toch moet men erover waken dat men het vertrouwen van de leerling niet schendt door altijd in samenspraak met de leerling te beslissen welke stappen gezet zullen worden.
Andere leerlingen verwachten dat er maatregelen worden genomen zodat het ongewenst gedrag stopt. In die gevallen is het erg belangrijk om samen met de leerling mogelijke tussenkomsten te overlopen en na te gaan in welke tussenkomst hij zich kan vinden.

Soms is het aan te raden deze informatie mee te geven en de leerling (of eventueel de ouders) wat bedenktijd te geven. Tijdens een tweede gesprek kunnen verdere afspraken gemaakt worden.

Ongeacht de verwachting van de leerling, moet er duidelijk gemaakt worden dat men blij is dat de leerling het probleem is komen melden. Indien de leerling nood zou hebben aan een tweede gesprek, maakt men duidelijk hier zeker toe bereid te zijn.


      1. Opvang van ouders

Het zijn niet altijd de leerlingen zélf die melding doen van ongewenst gedrag, soms gebeurt dit door de ouders. Ouders kunnen hierbij emotioneel reageren. Ze verwachten vaak ook een snelle tussenkomst en kunnen zich heel eisend opstellen.

Volgende aanbevelingen kunnen helpen bij de opvang van ouders:


  • hen hun verhaal en het verhaal van hun kind laten vertellen;

  • naar hen luisteren zonder te oordelen;

  • vooral het ongewenst gedrag van een leerling niet beginnen verdedigen of verantwoorden;

  • nagaan of de leerling akkoord is met de verwachtingen van de ouders;

  • afspreken dat er gericht geobserveerd en onderzocht zal worden wat er zich in de klas of op de speelplaats afspeelt;

  • feedback geven over wat je gemerkt hebt;

  • afspreken welke stappen men zal zetten (aangeklaagde leerlingen of personeelsleden aanspreken, enz.).



  1. Tussenkomst bij ongewenst gedrag

In het opvanggesprek met de leerling of de ouders wordt besproken wat er aan het ongewenst gedrag gedaan kan worden. Hierbij beschrijven we de verschillende mogelijke tussenkomsten om het ongewenst gedrag naar leerlingen toe aan te pakken. Overeenkomstig de aard van het ongewenst gedrag en rekening houdend met wie het heeft gesteld (leerling of personeelslid) zal voor de meest passende tussenkomst worden gekozen. Elke situatie vraagt een specifieke aanpak. We hebben hieronder getracht deze keuze te vergemakkelijken. Toch zal elke situatie op zich bekeken moeten worden. De keuze voor een welbepaalde aanpak hangt ook af van de visie van de school en de in het schoolreglement gemaakte afspraken.


Zoals hieronder beschreven wordt kan men het best zoveel mogelijk vertrekken vanuit een herstelgerichte cultuur, maar zal men onder bepaalde omstandigheden orde- en tuchtmaatregelen niet kunnen vermijden.


    1. Herstelgerichte cultuur

Wanneer men beslist over te gaan tot een tussenkomst wordt best vertrokken vanuit een herstelgerichte benadering. Dit houdt in dat een keuze wordt gemaakt voor maatregelen die ertoe bijdragen dat de relaties en het vertrouwen tussen de betrokkenen en hun omgeving hersteld en versterkt worden. In veel gevallen kan het ongewenst gedrag op die manier gestopt worden, zonder een beroep te moeten doen op sancties. Er wordt van de betrokkenen verwacht dat ze in dialoog gaan en de verantwoordelijkheid op zich nemen om de teweeggebrachte schade ongedaan te maken.4


Bij ernstige vormen van ongewenst gedrag en in overeenstemming met afspraken die opgenomen zijn in het schoolreglement, zal het soms nodig zijn toch orde- en tuchtmaatregelen te nemen.

We bespreken hieronder eerst een aantal interventiemogelijkheden, waarbij de klemtoon veeleer op de zoektocht naar een constructieve oplossing ligt dan op het bestraffen van gedrag. Vervolgens gaan we in op de orde- en tuchtmaatregelen die getroffen kunnen worden indien het ongewenst gedrag na herhaaldelijke tussenkomst niet stopt of indien men, gezien de ernst van het ongewenst gedrag, de aangeklaagde geen tweede kans kan geven.




    1. Aandachtspunten




      1. Schuif de behandeling van de melding niet op de lange baan

Geweld, pesten en ongewenst seksueel gedrag kunnen de neiging hebben te escaleren. Het is daarom aangewezen om niet te lang te wachten met de behandeling van de melding. De verwachting dat een probleem zichzelf oplost is onrealistisch.




      1. Recht op anonimiteit

Wanneer het ongewenst gedrag gesteld wordt door een personeelslid, wordt er wel eens door de leerling of de ouders gevraagd om de eigen naam niet te vernoemen wanneer er een gesprek volgt met de betrokkene. Deze anonimiteit is soms moeilijk te verzekeren, zeker wanneer het om slechts één leerling gaat die slachtoffer is. Vaak is het de vrees voor vergeldingsacties die achter deze vraag tot anonimiteit schuilt.

Ook het aangeklaagde personeelslid heeft recht op discretie. We stellen vaak vast dat diegene die de melding krijgt wel discreet omgaat met de gegevens, maar dat de aangeklaagde leerkracht zelf veel ruchtbaarheid geeft aan zijn situatie.


      1. Feedback aan de ouders

Vaak hebben ouders ten onrechte de indruk dat de school niets onderneemt om het probleem op te lossen, doordat ze er gewoon niet van op de hoogte zijn. Daarom is het belangrijk om, bij iedere stap die gezet wordt, feedback te geven aan de ouders van de betrokken leerlingen (zowel slachtoffers als de aangeklaagde leerlingen)


Bij kleine incidenten is het meestal niet nodig om de ouders van diegene die het ongewenst gedrag stelt op de hoogte te brengen. In andere gevallen kunnen deze ouders daarover het best worden ingelicht. Ook zij kunnen gebaat zijn met advies over hoe ze hun kind op een correcte en respectvolle manier leren omgaan met anderen.


      1. Loyaliteit van collega’s tegenover aangeklaagde leerkracht

Bij een melding van grensoverschrijdend gedrag van een personeelslid ten aanzien van een leerling zijn de reacties van de collega’s erg verschillend. Sommigen kiezen expliciet partij voor de aangeklaagde collega en gaan tegen de leerling (en de ouders) in. Sommige personeelsleden hebben de neiging om het zogenaamde grensoverschrijdende gedrag van een collega te verantwoorden. Ze vinden dat ouders moeilijk en veeleisend zijn geworden.

Collega’s vrezen dat ook zij in de toekomst door ouders op hun gedrag in de klas zullen aangesproken worden. Anderen veroordelen hun aangeklaagde collega en maken van de gelegenheid gebruik om hun eigen ongenoegen in de verf te zetten. Dit kan ondervangen worden indien de directie naar alle personeelsleden toe duidelijk communiceert en hen de boodschap meegeeft dat zij zich moeten onthouden van commentaar en uitspraken moeten overlaten aan de bevoegde instanties.



    1. Tussenkomsten indien ongewenst gedrag gesteld wordt tussen leerlingen onderling

Hieronder gaan we in op de interventiemogelijkheden die bij de verschillende soorten van ongewenst gedrag tussen leerlingen onderling gesteld kunnen worden.




      1. Pesten


Aanspreken van de leerling die pest

Indien men pesterijen opmerkt, of er is na een melding daartoe toestemming gegeven door het slachtoffer, dan kan men de pestende leerling met zijn gedrag confronteren en daarbij duidelijk aangeven dat dit niet getolereerd wordt.


Enkele aandachtspunten voor het voeren van een dergelijk gesprek:

  • Als de leerling die pest, aangesproken wordt, neemt men deze leerling apart of spoort men de medeleerlingen aan om weg te gaan;

  • Het is belangrijk de leerling aan te spreken op concreet gedrag dat men geobserveerd heeft of waarvan men melding heeft gekregen. Die confrontatie is geen veroordeling van de persoon zelf. Leerlingen die pestgedrag stellen, zijn zich immers niet altijd bewust van het grensoverschrijdend karakter ervan.

Ze imiteren soms het ongewenst gedrag van volwassenen, zijn vaak zélf het slachtoffer van ongewenst gedrag in een andere situatie en beseffen niet altijd de schade die ze aanrichten. Vooral bij jongere leerlingen is dat het geval. Straffen is dan ook niet wenselijk;

  • Vaak willen leerlingen die pestgedrag stellen zich verantwoorden, het pestgedrag minimaliseren, ontkennen of de schuld bij het slachtoffer leggen. Toch moet zeker worden gewezen op het ongewenst karakter van het gedrag. Het is niet de bedoeling om de waarheid te achterhalen, wel om het gedrag te doen stoppen;

  • Soms komen tijdens dit gesprek persoonlijke problemen van de leerling die pestgedrag stelt aan de oppervlakte. Men kan begrip tonen voor een moeilijke situatie, maar die mag geen rechtvaardiging betekenen van de pesterijen;

  • Het kan helpen zich op de verantwoordelijkheid van de leerling die pest te beroepen, zodat die zich in de leerling die gepest wordt kan inleven.

Het is niet wenselijk om de gepeste leerling en de leerling die pest, meteen met elkaar te confronteren. Die confrontatie kan immers traumatiserend werken voor het slachtoffer. In sommige situaties kan men wel aan leerlingen vragen zich te verontschuldigen tegenover het slachtoffer.


Bij leerlingen die schade hebben toegebracht aan bezittingen zal nagegaan moeten worden in welke sancties de school naar aanleiding daarvan voorziet. Men kan bijvoorbeeld een vergoeding vragen of in een alternatieve straf voorzien.
Als verschillende leerlingen bij het pestgedrag betrokken zijn, praat men best met elke leerling afzonderlijk. Op die manier vermijdt men dat leerlingen elkaars opmerkingen bevestigen, versterken of erop verder bouwen.
De ‘No blame’-aanpak

De ‘No blame’-methode heeft als doel samen te werken aan een oplossing, zonder iemand de schuld te geven van de probleemsituatie. De verantwoordelijkheid voor het probleem wordt namelijk bij de groep gelegd. Leerlingen die pestgedrag stellen, leerlingen die er slachtoffer van zijn en enkele leerlingen van de klas worden samengebracht en gaan op zoek naar mogelijke oplossingen. Zij krijgen de opdracht om het negatieve gevoel bij het slachtoffer weg te nemen of te verminderen.

Deze methode wordt gebruikt door de vzw Leefsleutels. Voor meer informatie over dit thema en de bijbehorende vormingen verwijzen we naar de website www.leefsleutels.be.

Leerlingenbemiddeling (peermediation)

Een school kan ervoor gekozen hebben leerlingen op te leiden om conflicten tussen leerlingen te helpen oplossen. Deze ‘vertrouwensleerlingen’ kunnen een bemiddelingsgesprek tussen leerlingen begeleiden en hen helpen om zelf tot een aanvaardbare en herstelgerichte oplossing te komen.

Het is belangrijk dat deze vertrouwensleerlingen altijd terecht kunnen bij of doorverwezen worden naar een vertrouwensleerkracht, leerlingenbegeleider, enz.5
Gebruik van de klasthermometer

De ‘klasthermometer’6 is een instrument dat als bedoeling heeft een constructief gesprek op gang te brengen met de groep waarin zich een omgangsprobleem stelt.

Door middel van een korte vragenlijst wordt gepeild naar hoe de leerlingen zich voelen in de klasgroep, hoe men de klasgroep percipieert (positieve en negatieve kenmerken) en nagegaan welke afspraken men zou kunnen maken om de sfeer in de klas te verbeteren.

Hierop volgt een klasgesprek waarin:



  1. De cijfers van het eerste deel van de vragenlijst worden voorgelegd en de beleving van de leerlingen wordt afgetoetst.

  2. Gevraagd wordt positieve en minder positieve eigenschappen van de groep, zoals die uit de resultaten naar voren komen, te becommentariëren.

  3. Voorstellen worden geformuleerd met het doel een betere omgang in de klas teweeg te brengen.

Nadien zal er een overzicht gemaakt worden van de klasafspraken, waarin wordt aangegeven wat ieders verantwoordelijkheid is. In de eerste weken na de bespreking kan een opvolgings- of evaluatiegesprek plaatsvinden met de klasgroep, waarin ruimte wordt gelaten om waardering uit te spreken over wat goed gaat en waarin samen gezocht wordt naar een manier om wat fout loopt aan te pakken.




      1. Geweld


Aanspreken van de leerling die agressief gedrag stelt


  • Agressie wordt opgemerkt

Wanneer een personeelslid agressie tussen leerlingen opmerkt, moet er meteen ingegrepen worden. Het agressieve gedrag moet beëindigd worden door, bijvoorbeeld, de betrokken leerlingen uit elkaar te halen, vernieling van materiaal te stoppen, enz. Eventueel kan elk van de betrokken leerlingen in een apart lokaal ondergebracht zodat ze kunnen bekoelen.


Voordat men de leerling aanspreekt die agressief gedrag heeft gesteld, kan men best de agressie trachten te deëscaleren. De bedoeling van deze techniek is de leerling te kalmeren om nadien een rustiger gesprek te kunnen voeren.

Wanneer agressie het gevolg is van opgekropte frustraties of onmacht, kan men de indruk hebben dat de leerling de controle over zichzelf heeft verloren of dat de agressie niet in verhouding staat tot de aanleiding ervoor. Door zelf rustig te blijven en bereidheid te tonen om ook naar het verhaal van de agressor te luisteren, zijn gevoelens te erkennen en hem op te vangen, kan men de agressor kalmeren. Het is echter heel belangrijk om niet alleen begrip te tonen voor de achterliggende gevoelens of problemen die aanleiding gaven tot het agressief gedrag, maar om ook duidelijk te maken dat er grenzen zijn waaraan de agressor zich dient te houden. Agressie kan op school niet worden getolereerd. In andere gevallen zullen leerlingen agressie doelbewust gebruiken om een bepaald doel te bereiken of macht uit te oefenen. In dat geval moet men erg kordaat optreden, de leerling tot de orde roepen en een duidelijke grens trekken.





  • Slachtoffer meldt agressie

In dit geval zijn de emoties vaak minder hevig en is het niet nodig om de leerling die de daad van agressie heeft gesteld eerst te kalmeren. Het gesprek dat dan gevoerd moet worden sluit qua verloop aan bij wat in het tekstgedeelte over pesten gezegd werd naar aanleiding van de te gebruiken gespreksmethode.


Hergo

Herstelgericht groepsoverleg (Hergo) is een methodiek die vooral wordt ingezet bij ernstige incidenten en conflicten.

Het is een begeleid overleg waarin enerzijds slachtoffer en steller van het ongewenst gedrag en anderzijds personen als ouders, vrienden, leerkrachten, directie, enz die met het probleemgedrag te maken hebben, worden betrokken.

De aard van de feiten, de schade die werd toegebracht en de mogelijkheden om het geschil bij te leggen worden besproken. Men komt door middel van de Hergo-methode tot afspraken of maatregelen die herstelgericht zijn, die het vertrouwen in elkaar herstellen en een herhaling van het conflict of incident helpen voorkomen.

Het is belangrijk dat dit overleg begeleid wordt door een moderator die vertrouwd is met de aangewezen methodiek en hiervoor opgeleid is.7
Schoolexterne Time-out

Indien het gedrag van de leerling onhoudbaar wordt (gebruik van extreem fysiek of verbaal geweld, geweld dat niet ophoudt na verschillende tussenkomsten), kan men opteren voor het toepassen van ‘time-out’. De leerling wordt dan voor een bepaalde periode van school gehaald en apart begeleid. De school kan voor deze begeleiding een beroep doen op externe organisaties die deze dienst aanbieden en gesubsidieerd worden door de overheid.

Time-out projecten zijn alleen van toepassing bij ernstige incidenten en wanneer de school niet meteen zelf voor een oplossing kan zorgen. Scholen gebruiken de techniek ook in het kader van andere problematieken (bv. demotivatie, spijbelgedrag).8



      1. Ongewenst seksueel gedrag


Aanspreken van de leerling die ongewenst seksueel gedrag stelt
Bij milde vormen van ongewenst seksueel gedrag kan men tussenkomen door een gesprek aan te gaan met de aangeklaagde leerling. Ook in dit geval zal het gesprek op eenzelfde manier verlopen als bij pesten.

Wanneer het ongewenst seksueel gedrag een ernstige vorm aanneemt, zal men veeleer terugvallen op tuchtmaatregelen of tuchtonderzoek, of zal het slachtoffer, samen met de ouders, externe stappen zetten.


Hergo

Bij incidenten van ongewenst seksueel gedrag kan men opteren voor Hergo. Deze techniek werd al toegelicht als tussenkomst bij geweld.





      1. Orde- of tuchtmaatregel

In de gevallen dat van ernstig ongewenst gedrag tussen leerlingen onderling sprake is, het ongewenst gedrag na herhaalde tussenkomsten toch niet is opgehouden of de aangeklaagde leerling zich wreekt op het slachtoffer, kan men een orde- of tuchtmaatregel overwegen. Die maatregelen staan beschreven in het schoolreglement.

Een ordemaatregel heeft tot doel het gedrag van de leerling te verbeteren en aan te passen zodat een goede samenwerking weer mogelijk wordt. Voorbeelden van ordemaatregelen zijn een mondelinge of schriftelijke verwittiging, strafwerk, verandering van klas, enz. Ordemaatregelen kunnen in principe door elk personeelslid van de school genomen worden, maar meestal gebeurt dit door het opvoedend of onderwijzend personeel.

Een tuchtmaatregel wordt genomen als het gedrag van de leerling een gevaar vormt voor het ordentelijk verstrekken van onderwijs of als de verwezenlijking van het opvoedingsproject in het gedrang komt. Een leerling kan een blaam krijgen en tijdelijk of definitief uitgesloten worden. De tuchtmaatregel wordt genomen door de directeur of de inrichtende macht. Daarbij dienen de volgende regels gerespecteerd te worden:


  • de leerling, eventueel bijgestaan door een raadsman, en de betrokken personen worden vooraf gehoord;

  • elke beslissing wordt schriftelijk gemotiveerd;

  • voordat de maatregel van kracht wordt, worden de betrokkenen van elke beslissing schriftelijk op de hoogte gebracht;

  • er kan geen collectieve maatregel komen tegen een groep leerlingen;

  • de tuchtstraf moet in overeenstemming zijn met de ernst van de feiten;

  • alle betrokkenen hebben inzage in het tuchtdossier van de leerling;

  • de begeleidende klassenraad wordt geraadpleegd

  • In het belang van de leerling zijn het tuchtdossier en de tuchtmaatregelen niet overdraagbaar tussen onderwijsinstellingen.9



  1   2


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina