Interview met dr Jelle Zijlstra, gepubliceerd in Vrij Nederland, 4 januari 1986



Dovnload 53.32 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte53.32 Kb.
1Interview met dr Jelle Zijlstra, gepubliceerd in Vrij Nederland, 4 januari 1986
Precies dertig jaar geleden confereerden Nederland en Indonesië in een poging de onder­linge relaties, die sinds de Indonesische onafhankelijkheid eind 1949 voortdurend waren verslechterd, te verbeteren. Tijdens het overleg kwamen de partijen een heel stuk tot elkaar. Toch mislukte de ‘Geneefse conferentie’. Uiteindelijk konden Nederland en Indonesië het niet eens worden over een ‘waterdichte’ arbitrageclausule, die een onderdeel vormde van de financieel-economische geschillenregeling. Tijdens de conferentie werd Nederland vertegenwoordigd door een delegatie onder leiding van minister Luns. Aan Indonesische zijde werd de delegatie voorgezeten door dr Ide Anak Agung Gde Agung.

Ronald Gase, auteur van het boek Misleiding of zelfbedrog dat de Nieuw Guinea-kwestie behandelt, die al eerder over deze materie sprak met Anak Agung (VN 18 mei 1985), sprak dertig jaar na de Geneefse Conferentie met oud-premier dr Jelle Zijlstra, die in 1956, naast de ministers Luns en Van de Kieft, Nederland tijdens de besprekingen met Indonesië vertegenwoor­digde.

Dr Zijlstra was van 2 september 1952 tot 22 december 1958 minister van Economische Zaken in de kabinetten Drees-III en Drees-IV, van 22 december 1958 tot 19 mei 1959 minister van Economische Zaken en van Financiën in het kabinet Beel-II en van 19 mei 1959 tot 24 juli 1963 minister van Financiën in het kabinet-De Quay. Zijlstra heeft dus als een van de weinigen de verwikkelingen rond Nieuw Guinea min of meer vanaf het begin tot en met het eind op het hoogste niveau meegemaakt.
Op 20 september 1962, dus kort nadat Nederland en Indonesië overeenstemming hadden bereikt over de toekomstige status van Nederlands Nieuw Guinea, zat dr Jelle Zijlstra, minister van Financiën in het kabinet De Quay, aan aan een lunch in het Witte Huis in Washington. Zijlstra kreeg de plaats rechts van de Amerikaanse president, John F. Kenne­dy, toegewezen. Tussen beiden ontwikkelde zich een levendige discussie, waarbij de Amerikaanse president bij de Nederlandse minister informeerde naar diens mening over het tussen Nederland en Indonesië bereikte akkoord.

Dr. Zijlstra: ‘De Amerikaanse president stelde zeer duidelijk dat de Verenigde Staten wel gedwongen waren een oplossing voor het conflict over Nieuw Guinea te forceren, om de eenvoudige reden dat Amerika zich in de strijd tegen het oprukkend communisme niet kon veroorloven betrokken te raken bij een gewapend conflict rond Nieuw Guinea. John Kennedy durfde het gewoon niet aan om Nieuw Guinea tot inzet te maken van een explosie in Zuid-Oost Azie. ‘In deze handen rust de atoombom’, zei hij tegen me, ‘don’t forget it’. En dat was echt niet gespeeld hoor, dat geloof ik toch niet. ‘En ik hecht eraan’, voegde de president daaraan toe, ‘om het tegen U te zeggen’. Hij zei het zo eenvoudig en zo vanuit zijn optiek, dat ik er echt heel erg van onder de indruk was. Dat wordt toch te weinig beseft soms, hoe verschrikkelijk dat is om met die verantwoordelijkheid rond te lopen en dat maakt een heleboel conflicten, die je anders niet over je kant mag of kunt laten gaan, marginaal. President Kennedy was erg bang dat Soekarno de communistische kant op zou gaan en dat risico is tamelijk groot geweest, dat weet U uit de latere gebeurte­nissen natuurlijk wel’.


Het conflict rond Westelijk Nieuw Guinea is feitelijk ontstaan toen bij de soevereiniteits­overdracht aan Indonesië op 27 december 1949 de soevereiniteit over Westelijk Nieuw Guinea voorlopig nog bij Nederland bleef. Dat leidde uiteindelijk tot een ernstig conflict tussen Nederland en Nieuw Guinea, dat pas opgelost werd toen beide partijen in augustus 1962 onder auspiciën van de Verenigde Naties en pas na zware Amerikaanse druk een overeenkomst tekenden.

Dr Zijlstra, als minister sinds 1952 direct betrokken bij het conflict, heeft zich in het verleden bij het beantwoorden van vragen over de kwestie Nieuw Guinea altijd zeer terughoudend opgesteld.



Dr Zijlstra: ‘Dat raakt eigenlijk een heel algemeen punt. Ik zie de kwestie Nieuw Guinea als het laatste stukje van het dekolonisatiedrama. Niemand krijgt les in dekolonisatie. Dat heeft niet alleen Nederland, maar dat hebben ook Engeland en met name Frankrijk heel pijnlijk gemerkt. Achteraf kun je constateren, dat van de fouten, die gemaakt konden worden, de meeste ook gemaakt zijn. Dat heeft mij altijd zeer relativerend over de dingen leren denken en spreken. Dat geldt zowel voor mijn betrokkenheid als pas afgestuurde, teen ik een beetje actief werd in mijn eigen partij, de ARP, toen Schouten nog met Indië te maken had en daar op een geheel eigen wijze over dacht (bij de behandeling van de voor­stellen die moesten leiden tot de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië in de Tweede Kamer had de ARP zich bij monde van haar toenmalig fractievoorzitter dr J. Schouten het felst tegen de regeringsvoorstellen gekeerd, RAG) als ook toen ik later als minister direct met de problematiek werd geconfronteerd. Eerst gebeurde dat op een beetje onschuldige wijze, kun je bijna zeggen, bij de Ronde Tafel Conferentie met Indonesië in 1954, toen de Nederlands-Indonesische Unie op een nette manier werd opgelost, maar vooral tijdens de conferentie van Genve in 1956, die veel dieper ging en die in menig opzicht de bouwstof­fen heeft geleverd voor latere conflicten, en weer later in het kabinet-De Quay. Ik was er voor mijzelf, in tegenstelling dus tot de overgrote meerderheid van mijn partijgenoten, van overtuigd dat er destijds, in 1949, geen deugdelijke aanleiding heeft bestaan om Nieuw Guinea buiten de soevereiniteitsoverdracht te houden omdat anders de grondwettelijk vereiste tweederde meerderheid in de Eerste Kamer en ik denk ook in de Tweede Kamer niet zou zijn verkregen. Dat was feitelijk de directe aanleiding om Nieuw Guinea buiten de soevereiniteitsoverdracht te houden. Toen werd nog wel gedacht aan een eventueel latere overdracht, waarbij Luns overigens volstrekt gelijk heeft, wanneer hij eraan herin­nert, dat dat gebeurde in een constellatie, waarbij wij dachten aan een federatieve opzet voor Indonesië, maar Indonesië zelf niet. Niet alleen president Soekarno niet, maar ook Hatta niet, niemand aan Indonesische zijde. (Door veel Indonesiërs werd de door de Nederlanders bedachte federatieve staat Indonesië gezien als exponent van wat zij zagen als een verdeel en heers strategie van Nederlandse zijde, RAG). Maar dat was het begin. Later, toen het langer ging duren, zijn er andere motieven bijgekomen om Nieuw Guinea niet over te dragen, bijvoorbeeld, zoals Luns ook heeft gezegd, een blijvende Nederlandse aanwezigheid in de Pacific. Door weer anderen is gedacht aan een opvangmogelijkheid op Nieuw Guinea voor Indische Nederlanders. Maar dat was, naar mijn gevoel, van meet af een dwaze gedachte. Daarnaast hadden zending en missie destijds ook een eigen invals­hoek, die overigens later, toen een oplossing zo lang op zich liet wachten, weer veranderd is. Ten slotte is de gedachte gerezen van het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s. Dat had in zoverre een deugdelijke achtergrond, dat je natuurlijk van meet af had kunnen zeggen: Nieuw Guinea heeft in wezen nooit bij Indonesië gehoord; de twee delen van Nieuw Guinea horen bij elkaar. Dat is ook een gedachte, die ik zelf, van alle overwegin­gen, die ten slotte hebben geleid tot de situatie met betrekking tot het probleem in 1959, bij het optreden van het kabinet-De Quay, het meest aansprekende heb gevonden.

Nieuw Guinea hoorde eigenlijk één land te zijn en de gedachte, dat wij in samenwerking met Australië iets dergelijks tot stand zouden kunnen brengen, heeft mij altijd wel aangespro­ken. Met al die invalshoeken en uitgangspunten, ad hoc gefabriceerd of anderszins dieper geworteld in overtuigingen over zelfbeschikkingsrecht en wat dat ook meer moge zijn, vonden wij als kabinet-De Quay dat probleem in 1959.

Ik persoonlijk was zeer pessimistisch over de mogelijkheid om Nieuw Guinea te houden en tot zelfstandigheid te brengen. Maar wij zijn op een program in zee gegaan met elkaar, waarin duidelijke passages over Nieuw Guinea stonden (bijvoorbeeld dat de status van Nieuw Guinea geen onderwerp van onderhandelingen met Indonesië kon zijn, RAG) en daar hebben wij ons aan willen houden.

Daar hebben wij ons allemaal aan willen houden, maar het is ten slotte mislukt. Premier De Quay dacht er overigens net zo over als ik. Binnen het kabinet is het tempo, waarin men tot het inzicht is gekomen, dat het niet meer ging, verschillend geweest. Bij Luns heeft het, zoals hij zelf ook zegt, lang geduurd. Anderen hadden de neiging om te zeggen ‘time is running out’, we halen dat niet meer, we houden dat niet meer; hoe dan ook, tenslotte is het afgelopen op een op zichzelf droevige manier. Er is niets, achteraf bekeken, waar je trots op zou kunnen zijn, hoewel wij de kwestie-Nieuw Guinea met elkaar naar beste weten hebben behandeld, al waren de invalshoeken wel eens verschillend. Daarbij hebben we van begin tot end getracht de homogeniteit naar buiten volledig te bewaren. Dat wil natuurlijk nog niet zeggen, dat wij niet vaak met elkaar indringend hebben gesproken. Achteraf heb ik nooit de behoefte gevoeld, die eenheid naar buiten toe te doorbreken. Dat heeft dan ook wel eens geleid tot een paar sobere formuleringen en dat verklaart ook de terughoudendheid, waarmee ik in het verleden over Nieuw Guinea heb gesproken en die ik ook in dit gesprek als leidraad zou willen aannemen. Wij hebben samen geworsteld met het zoeken naar een oplossing voor een in feite onoplosbaar probleem’.

In 1949 nog verzette de ARP zich tel tegen overdracht van de soevereiniteit over Nieuw Guinea aan Indonesië. In 1952 bleek echter dat de ARP toch bereid was zitting te nemen in het toen geformeerde kabinet-Drees III, terwijl dat kabinet in zijn program sprak van de mogelijkheid van internationalisatie van de kwestie-Nieuw Guinea. Daarmee werd feite­lijk, wat toen genoemd werd ‘de ijskastformule’ verlaten. Uiteindelijk werd daarmee toch de mogelijkheid geopend om Nieuw Guinea in een later stadium over te dragen aan Indo­nesië.

Prof. Zijlstra: ‘In 1952 heeft men dat zeker niet zo duidelijk en scherp gezien. Nieuw Guinea heeft namelijk bij de formatie van 1952 geen grote rol gespeeld, vrijwel niet. Het was namelijk geen acuut probleem! De soevereiniteitsoverdracht was net achter de rug, de Nederlands-Indonesische Unie was pas gevormd. Wij hadden allemaal toch wel een zekere hoop, dat dat wat zou worden. Indonesië was op dat moment even in een windstilte. Ook in de conversaties met mijn politieke opperhoofden heeft de kwestie Nieuw Guinea in 1952 geen grote rol gespeeld’.


De eerste besprekingen met Indonesië over de toekomstige status van Nieuw Guinea leverden geen succes op. Dr J.A.H.J.S. Bruins Slot, partijgenoot van dr Zijlstra en als fractievoorzitter van de ARP in de Tweede Kamer de opvolger van dr J. Schouten, schreef al in 1952 in Trouw dat, wanneer Nieuw Guinea bij Nederland bleef, de ontwikkeling van Nieuw Guinea krachtdadig ter hand genomen moest worden. Toch heeft het tot het optreden van het kabinet-De Quay geduurd eer er een meerjarenplan voor de ontwik­keling van het gebiedsdeel werd opgesteld door mr Th.H. Bot, staatssecretaris van Binnen­landse Zaken, speciaal belast met aangelegenheden betreffende Nieuw Guinea.

Op deze wijze maakte Nederland zich weinig geloofwaardig, wanneer het zei, dat de Papoea’s werden opgeleid tot zelfstandigheid. Door pas in 1960 en niet tien jaar eerder met een echt plan te komen, laadde Nederland steeds meer de verdenking op zich dat het zelfbeschikkingsrecht een door Nederland achteraf bedacht argument was om de soevereiniteit over Nieuw Guinea te behouden.

Dr Zijlstra: ‘Wij vonden van meet af: wij hebben het, het is onze verantwoordelijkheid. Toch is er in die eerste tijd weinig aan gedaan omdat het geen acuut probleem was. Maar later, toen wij concrete plannen hadden gemaakt om Nieuw Guinea samen met Australië op te leiden, moesten we er natuurlijk meer aan doen. Ik heb er toen, dat herinner ik me nog heel goed, met Bot over gesproken. In het kabinet-De Quay was ik minister van Financiën en in het kader van het structurele begrotingsbeleid, zoals ik dat toen ingevoerd heb, paste een afspraak, als men dat wilde, voor vier jaar. Daar was ik aan gebonden en hij ook. Maar in zekere zin hebt U wel gelijk, wanneer U zegt dat dat meerjarenplan naar buiten toe zo’ n tien jaar te laat kwam’.
Bij de onderhandelingen tussen Nederland en Indonesië van 1954 speelde Nieuw Guinea nauwelijks een rol. De partijen bereikten toen wel overeenstemming over het opheffen van de Nederlands-Indonesische Unie met haar organen.

Pas bij de volgende gespreksronde eind 1955/begin 1956 kwam Nieuw Guinea weer ter sprake. Deze besprekingen begonnen aanvankelijk in Den Haag, maar werden later

op Indonesisch verzoek voortgezet in Genève.

Dr Zijlstra: ‘De conferentie van Genève, dat is het scharnier, toen ging de deur draaien. Voorafgaande aan die conferentie waren er voorbereidende besprekingen geweest. Dat overleg was een beetje pijnlijk verlopen. Er was wederzijds al een klein beetje irritatie gegroeid. Aan Indonesische kant, omdat zij van mening waren dat wij het overleg getraineerd hadden, aan Nederlandse kant omdat wij ondermeer vonden dat hun manier van onderhandelen voor verbetering vatbaar was.

In Genève zou ik de onderhandelingen voeren met prof. Sumitro, een goede vriend, die ik kende van het Economisch Instituut in Rotterdam, waar wij beiden aan verbonden waren geweest. Ik heb toen in Genève tegen de delegatieleider, minister van Buitenlandse Zaken, mr J.M.A.H. Luns, gezegd: ‘Als je het goed vindt, dan haal ik hem persoonlijk af, want ik heb het gevoel dat dat beter is’. En toen kwam dat vliegtuig met Sumitro en dat was natuurlijk wel even afwachten, want wij hadden elkaar sinds 1942 niet meer gezien. Maar onze ontmoeting verliep echt heel hartelijk, terwijl Sumitro toch een vrij felle nationalist was, zelfs terwijl hij nog in Nederland was. Toen zei hij: ‘onze tijd komt nog wel’. Maar in Genève, terwijl wij samen naar het hotel reden, kreeg ik ineens een ingeving. Ik zei tegen Sumitro:’ik wil uitvoerig over alles praten, maar ik wil je eerst iets voorstellen. Wij kunnen op twee manieren te werk gaan. We kunnen praten over alle oude hoop, verwach­ting en emoties en over dat we het toch zo goed met elkaar gehad hebben, over oude banden, vrienden, maar dat houdt ons te lang op. Ik stel voor dat we gewoon recht-toe-recht-aan gaan onderhandelen, jij op basis van het Indonesische belang en ik op basis van het Nederlandse belang. Dan moeten we zien of we als redelijke mensen tot compromis­sen kunnen komen". Toen zei Sumitro ‘allright’ en we waren in luttele dagen, in vier of vijf dagen klaar, met het protocol, met de schuldenregeling, met de concessies voor de plantages, kortom, alles was klaar tot de laatste regel. Maar uiteindelijk is de conferentie toch nog mislukt, omdat we het niet eens konden worden over de geschillenregeling. Ik persoonlijk was van mening dat Nederland in die geschillenregeling best wat meer het Indonesische standpunt over had kunnen nemen, maar wij waren psychologisch een beetje fed-up met alles wat ooit met Indonesië afgesproken was en niet was nagekomen’.

Blijft natuurlijk de vraag of Nederland en Indonesië, wanneer wel een oplossing voor de geschillenregeling zou zijn gevonden, het ook eens geworden zouden zijn over Nieuw Guinea.

Dr Zijlstra: ‘Tijdens de voorbereidende besprekingen in Den Haag waren we het proce­dureel eens geworden over Nieuw Guinea. Bij het redigeren van de agenda hadden wij overeenstemming bereikt over de formulering. Voor de besprekingen was een agenda opgesteld van vier punten. Punt vier had betrekking op Nieuw Guinea, ‘vraagstukken betreffende Nieuw Guinea’ luidde de formulering waarover we het eens waren gewor­den. De onderliggende gedachte was dat we niet over de soevereiniteit zouden spreken. Maar er waren allerlei zaken over goede nabuurschap, handel en verkeer, posterijen, over zulke zaken zouden wij wel spreken. Dus met betrekking tot Nieuw Guinea was er een agreement to disagree. Stel dat de financiële zaken ook geregeld zouden zijn, dat Nederland ook akkoord zou zijn gegaan met een ‘lekke’ geschillenregeling, dan zou Soekarno for the time being rustig zijn geweest. Maar dan zou toch het risico aanwezig zijn geweest dat een verwaterde geschillenregeling ons later toch moeilijkheden had berok­kend, terwijl we zeker in de periode daarna geconfronteerd zouden zijn geweest met dezelfde eis van Soekarno:’ik wil met jullie over de soevereiniteit van Nieuw Guinea spreken". Voor mij staat helemaal niet vast dat we dan niet binnen een jaar dezelfde herrie zouden hebben gekregen. Maar er was dan een kans geweest’.
De Nederlandse delegatieleider in Genève, minister Luns, heeft later bij verschillende gelegenheden verklaard, dat de Nederlandse inlichtingendienst in Genève een telegram had onderschept, afkomstig van de Indonesische regering of van president Soekarno en gericht aan de Indonesische delegatie. In dat telegram zou de instructie hebben gestaan

‘de conferentie mag niet lukken’. Mr Luns was tijdig op de hoogte gebracht van de inhoud van het telegram en daarom zou hij, na telefonisch overleg met minister-president dr W. Drees, aan alle Indonesische eisen hebben toegegeven, omdat hij wist, dat de Indonesische delegatie niet tot overeenstemming met Nederland mocht komen. De Indonesische delegatieleider, dr Ide Anak Agung Gde Agung, heeft in 1985 tegenover Vrij Nederland verklaard dat een dergelijk telegram nooit bestaan heeft.

Dr Zijlstra: ‘Tijdens de conferentie heb ik zo’n telegram nooit gezien. Maar ik geloof dat het al of niet bestaan van zo’n telegram niets aan het verloop van de conferentie heeft veranderd. Maar om op het telegram terug te komen: ik heb het nooit gezien, maar er zit natuurlijk iets heel geheimzinnigs rond die onderscheppingsactiviteiten. Bovendien komt er een stoet van telegrammen binnen en het is ook niet gebruikelijk dat alle delegatieleden die allemaal te zien krijgen. Luns heeft, en daar ben ik van overtuigd, het kabinet zeker verteld over welke inlichtingen hij grosso modo beschikte, waarbij het vanzelf sprak, dat hij niet altijd alles kon vertellen. Maar het wezenlijk belangrijke punt is dit: op het moment dat het laatste dramatische gesprek tussen Luns en Anak Agung heeft plaatsgevonden en Luns zegt: ‘je kunt alles hebben’ en Anak Agung zegt: ‘het hoeft niet meer, het kan niet meer’ (iets dat Anak Agung dus ontkent, maar dat is woord tegen woord), op dat moment was de zaak in Jakarta al gedraaid’. Sluit dr Zijlsta het uit dat minister Luns het kabinet over het verloop van de conferentie verkeerd heeft voorgelicht?

Dr Zijlstra: ‘Er is inderdaad wel eens het verwijt geweest dat Luns het kabinet verkeerd zou hebben voorgelicht over de gang van zaken in Genève. Drees heeft heel terecht gezegd: ‘Dat is niet het geval, daar was een aantal ministers. Van de Kieft was erbij, Donker was er, ik was er. Dan was er nog de regeringscommissaris voor Indonesische aangeleden mr N.S. Blom, en er was nog een stoet ambtenaren. Kortom, het kabinet heeft precies geweten hoe het daar liep’.


Medio mei 1959 trad het kabinet-De Quay op. In zijn regeringsprogramma nam het nieuwe kabinet op dat het niet bereid was met Indonesië over de toekomstige status van Nieuw Guinea te onderhandelen. Was dat wel een verstandige stellingname?

Dr Zijlstra: ‘Dat standpunt was begrijpelijk. Na het mislukken van de conferentie van Genève was er een zodanige escalatie opgetreden en leefden wij in een zodanige verhou­ding met Indonesië, dat het een volstrekte politieke onmogelijkheid was om op dat moment te zeggen dat je bereid was met Indonesië te onderhandelen over overdracht van de soevereiniteit over Nieuw Guinea. Begrijpelijk, volstrekt aanvaardbaar omdat dat

alle mogelijkheden openliet om het toch te doen, als je dat zou willen. Maar op dat moment was het dwars door de partijen heen volstrekt uitgesloten om te annonceren: ‘Soekarno, er is een heleboel ellende geweest, maar we zijn toch bereid te onderhandelen’. Dat kon echt niet. Maar we hadden er wel grote zorgen over in het kabinet, over wat ging gebeuren. Die zorg leefde bij de een wat minder intensief dan bij de ander. Er zijn minis­ters geweest die vurig gehoopt en ook wel verwacht hebben dat de verzelfstandiging van Westelijk Nieuw Guinea, liefst samen met het Australische deel van het eiland, zou lukken. Australië heeft daar aanvankelijk ook wel aanknopingspunten voor gegeven, maar het heeft ons daarna schielijk in de steek gelaten’.
In de tweede helft van 1960 ontwikkelde premier De Quay samen met staatssecretaris Bot nieuwe plannen voor een oplossing voor de kwestie Nieuw Guinea. In september 1960 sprak premier De Quay zich op een cocktailparty, georganiseerd voor de buitenlandse pers, al filosoferend uit voor een mogelijke internationalisatie van het probleem. In de pers ontstond hevige beroering. Uit de dagboeknotities van De Quay blijkt dat de premier zich de kritiek destijds enorm heeft aangetrokken. Hebben de uitlatingen van de premier destijds ook tot spanningen in het kabinet geleid en wat vond Zijlstra persoonlijk van de uitlatingen van de premier en de commotie er omheen?

Zijlstra: ‘Ik moet zeggen dat ik de herrie die daarover ontstond in de Nederlandse politiek overdreven vond. Wat heeft hij daar nu heel gezegd? Men heeft toen een te grote betekenis aan zijn woorden gehecht. De Quay zei eigenlijk alleen: ‘we moeten er nu eens goed over nadenken welke weg zouden we op moeten gaan?’ Toen is het woord ‘internationalisatie’ gevallen en in die situatie in Neder­land (de kwestie Nieuw Guinea begon een spanningsveld te worden, tussen en ook binnen de partijen, ook binnen de KVP en later in mijn eigen partij, de ARP, is een commotie ontstaan, die ik overdreven vond. Burger (fractievoorzitter van de PvdA, RAG) speelde in de Kamer natuurlijk ook de rol van leider van de oppositie, dus in de uitlatingen van de premier zat voor hem ook voer voor het stoken van een oppositie-vuurtje, helemaal terecht hoor, maar nogmaals, De Quay heeft mijn inziens helemaal geen wereldschok­kende dingen gezegd met wat hij op die cocktailparty meimerend voor zich uit zei. De Quay ging er onder gebukt, waar hij van het begin af aan onder gebukt is gegaan en dat pas heel langzaam is verdwenen, dat hij dacht ‘ik ben iemand uit de provincie (De Quay was voordat hij premier werd, Commissaris van de Koningin in Noord-Brabant, RAG), ik ben uit Brabant gehaald en ik moet iets doen, waar ik niet voor opgeleid ben en ik schijn de ene blunder na de andere te moeten maken’. De Quay vond dat hij had moeten begrijpen dat hij in deze delicaat wordende situatie dat niet zo had kunnen zeggen. En dat hij dat niet beseft heeft, dat heeft hem gekweld, terwijl toch meer dan één collega uit het kabinet tegen hem heeft gezegd:’til daar nou niet zo zwaar aan". Luns was kwaad, omdat hij zich voelde als een jongleur die, met drie of vier ballen spelend, een duw tegen zijn elleboog krijgt. De Quay verweet zichzelf, dat hij dat niet besefte. Inhoudelijk vond ik het toen al sterk overdreven, die commotie daarover. Het was een storm in een glas water, want het was zo weer weggeëbd. Het echte probleem was niet geraakt en niet geroerd; er was niets aan Indonesië weggegeven. Dus, ik vond het een zeer opgeblazen zaak’.


In de loop van 1961 ontstonden binnen het kabinet soms scherpe tegenstellingen. De eerste minister, die een duidelijk afwijkende mening had, was de minister van Justitie, mr A.C.W. Beerman (CHU).

Dr Zijlstra: ‘Beerman zei: ‘we houden het niet’. Er zijn mensen geweest die pas om vijf voor twaalf hebben gezegd: ‘we houden het niet’, maar Beerman was inderdaad een van de eersten. Wij zagen natuurlijk voor onze ogen gebeuren dat de vermeende steun van Amerika toch maar geen substantiële inhoud kreeg. (Minister Luns heeft altijd verklaard dat hij van de Amerikaanse regering de toezegging had gekregen, dat de Verenigde Staten Nederland bij een eventueel gewapend conflict over Nieuw Guinea zouden bijstaan, RAG). Bovendien verliep een bezoek dat de Amerikaanse minister van Justitie en broer van de Amerikaanse president, Robert F. Kennedy in februari 1962 aan Nederland bracht, zeer dramatisch. Toen in de tussentijd ook nog Indonesië buitengewoon snel en overvloe­dig door de landen van het Oostblok werd bewapend, gingen steeds meer leden van het kabinet zich realiseren dat het in feite een verloren zaak was. Aanvankelijk, maar dat heeft niet lang geduurd, is er door ons nog wel eens gedacht, ook wel in militaire kringen’ja, ze hebben die spullen nu wel, maar ze kunnen er niet mee omspringen". Maar dat bleek een onjuiste veronderstelling te zijn. We waren het er in het kabinet over eens dat we geen uitgebreid militair conflict met Indonesië aan zouden gaan. Het verschil van mening spitste zich toe op de vraag: ‘staan we al tegenover een overmacht of niet?’. Dat was overigens een discussie dwars door de partijen heen. In het kabinet waren wij elkaars gevangenen: als het kabinet gesprongen was, zou de zaak alleen daarom al verloren zijn; een val van het kabinet zou onherroepelijk overdracht van Nieuw Guinea aan Indonesië betekend hebben. Juist door de uitstekende persoonlijke relaties binnen het kabinet zouden wij dan ook niet anders dan in uiterste noodzaak afscheid van elkaar genomen hebben. Maar dat betekent niet dat de kabinetsleden niet ieder hun eigen innerlijke strijd gestreden hebben. Toen er doden gingen vallen, kwam voor mij persoonlijk het moment dichtbij dat ik zei: ‘dit kan ik niet langer in overeenstemming brengen met mijn geweten’. Maar voor het zover was, was het al afgelopen. Zolang het een papieren oorlog is, ligt dat natuurlijk anders’.


In 1961 onderging bovendien het standpunt van Zijlstra’s eigen partij, de ARP, ten aanzien van Nieuw Guinea een fundamentele wijziging. Wat vond Zijlstra van die abrupte verandering en was hij vooraf terzake geraadpleegd?

Dr Zijlstra: ‘Het toenmalige ARP-Tweede Kamerlid (en latere minister-president, RAG) mr B.W. Biesheuvel had tijdens een bezoek aan de Verenigde Staten contact gehad met het State Department. (daar was hij door de Nederlandse ambassadeur in Washington, dr J.H. van Roijen, in contact gebracht met W. Averell Harriman, die destijds Amerikaans onderminister van Buitenlandse Zaken was, RAG). Biesheuvel is teruggekomen met de mededeling dat wij niet op steun van de Verenigde Staten inzake Nieuw Guinea behoef­den te rekenen, dat het gewoon anders lag. Dat spoorde ook met de rapportage van dr Van Roijen, die al vóór John F. Kennedy aan het bewind kwam, zei: ‘kijk uit’. ARP-fractie-voorzitter Bruins Slot is toen, bij wijze van spreken, in één nacht bekeerd. Het probleem was dat het zo abrupt ging. Overigens is over de speech van Bruins Slot, waarin de ommezwaai wereldkundig werd gemaakt, geen contact met mij geweest. Wel heb ik overleg gehad met het moderamen van het partijbestuur. Toen ging het over de concrete vraag of we met Soekarno moesten spreken met of zonder voorwaarden vooraf. Ik was voor overleg zonder voorwaarden vooraf. Ik heb toen gezegd:’je krijgt met mij geen moeite, als dat jullie standpunt wordt, maar ik weet niet hoe het kabinet daarop zal reageren. Wij zijn samen in een hele moeilijke situatie en ik val het kabinet niet af, maar als de ARP-fractie er op een verstandige wijze op zou aandringen, dat wij een gesprek met Soekarno zouden moeten aangaan, dan ben ik daarvoor om een hele simpele reden: je moet nooit beschuldigd kunnen worden van het feit dat je zo’n gesprek geweigerd hebt. Het was puur tactisch bedoeld en dat is het enige contact dat ik er met mijn partij over heb gehad’1.

Hoe reageerde het kabinet op het gewijzigde standpunt van de ARP?

Zijlstra: ‘De verhouding tussen de ARP-ministers en de ARP-Kamerleden, met name met de fractievoorzitter, was niet al te best. Om te beginnen werd het laatste kabinet-Drees van 1956 t/m 1958 vanuit Trouw niet vriendelijk bejegend. Er werd zeer kritisch geschreven over dat kabinet. Bij Bruins Slot was een zeer sterk verlangen aanwezig om tot een kabinet zonder socialisten te komen. Wel, dat is gebeurd. Maar toen zo’n kabinet er eenmaal was, toen bleven de verhoudingen wat moeilijk en toen gingen de lijnen van de fractie weer veel meer in de richting dat we met socialisten in een kabinet moesten, dat er een heel ander financieel-economisch beleid moest worden gevoerd, culminerend in die ongeluk­kige huizencrisis van 1960 (bij de behandeling van de begroting van Volkshuisvesting in december 1960 diende het ARP-Tweede Kamerlid J. van Eibergen een motie in, waarin de regering gevraagd werd het aantal in 1961 te bouwen woningwetwoningen met 5000 te verhogen. Het kabinet bestempelde de motie als zijnde onaanvaardbaar. Desondanks liet de ARP-Tweede Kamerfractie bij monde van haar voorzitter, Bruins Slot, weten dat zij voor de motie zou stemmen. Daardoor ontstond er een kabinetscrisis. Prof. dr W.F. de Gaay Fortman (ook ARP) slaagde er als informateur in korte tijd in de crisis te bezweren. Door het standpunt van de ARP-fractie was de verhouding tussen de fractie en de beide ARP-ministers vanzelfsprekend verstoord, RAG). Zijlstra: ‘De verhouding was dus aan de kille kant. De persoonlijke verhoudingen zijn tenslotte nooit echt diep gestoord geweest, na wat moeilijke ogenblikken. Maar mijn kabinetscollega’s keken mij er niet op aan, dat de fractie bokkensprongen maakte, want dat was niet voor het eerst. Niet de ommezwaai is het probleem geweest, maar het tempo waarin. Van de ene dag op de andere, bij wijze van spreken. Als je een lijn hebt met de fractie en je denkt dat je daarop kunt rekenen (ik spreek nu niet over het kabinet) en van de ene dag op de andere dan komt er zoiets, ja, dat geeft schokken. Ik denk dat als dat rustig aan zou zijn opgebouwd, dat het veel minder spanningen zou hebben gegeven’.

De directe aanleiding voor de ommezwaai was dus gelegen in de informatie die Biesheu­vel terugbracht uit Washington?

Zijlstra: ‘De rapportage van Biesheuvel heeft zeker een rol gespeeld, maar wanneer je de rede van Bruins Slot leest, dan wordt daar veel meer in gezegd dan alleen maar een paar tactische punten. Het ging feitelijk om een totaal andere visie: ‘wij hebben het Indone­sische probleem van meet af verkeerd behandeld’. Daar was ik het overigens wel mee eens, maar Bruins Slot heeft zijn oorspronkelijke standpunt natuurlijk heel lang vastgehou­den en dan is zo’n 180 graden draai wat moeilijk te verwerken. Het ging niet zozeer om een tactisch punt, al dan niet zonder voorwaarden vooraf met Soekarno praten, het was veel meer de aanzegging aan het kabinet’het moet afgelopen zijn, want zo kan het niet meer, het wordt niets en we hadden het anders moeten zien etc.’. De rede van Bruins Slot was een heel goede rede. Maar als die rede was gehouden in 1947 of 1948, dan was bij wijze van spreken het hele Indonesische drama misschien anders gelopen. Maar op dat moment kwam dat heel merkwaardig over. Ik zou die rede overigens niet zo hebben willen houden. Je kunt zo’n ommezwaai niet van de ene dag op de andere maken, als je zo met elkaar bezig bent geweest. Maar de overtuiging, dat we ons met Nieuw Guinea op een onhoudbare weg bevonden, leefde bij mij al in 1959, maar toen nog niet bij Bruins Slot. Als je dan die hele moeilijke weg gaat van onderhandelen zus en onderhandelen zo en het wordt steeds meer een eierdans en op het moment dat de moeilijkheden op een hoogte­punt zijn, dan komt er zoiets, dan kun je moeilijk meer uit de voeten, dat was het pro­bleem’.

Werden de mededelingen van dr Van Roijen dat vanaf het optreden van de regering-Kennedy in 1961 niet langer op Amerikaanse militaire steun kon worden gerekend dan onvoldoende op hun waarde geschat? Of waren de mededelingen van dr Van Roijen in het geheel niet bij het kabinet bekend?

Dr Zijlstra: ‘De directe rapportage van dr Van Roijen was aan minister Luns en niet

aan ons. We weten achteraf pas hoe die er precies uit zag, maar dat hebben we destijds niet geweten. Tot aan het bezoek van de Amerikaanse minister van Justitie, Robert F. Kennedy, aan Den Haag in februari 1962 was het wel moeilijk en dachten we’het zou wel eens mis kunnen lopen". Zo hebben we ons eind 1961 nog een tijdje vastgeklampt aan een voorstel, dat een aantal Afrikaanse landen over Nieuw Guinea bij de Verenigde Naties had ingediend, de zogenaamde Brazaville-resolutie. Maar vanaf het bezoek van Robert Kennedy kwam de ene klap na de andere en werd het ons duidelijk dat het een verloren zaak was. Kort na het bezoek van Robert Kennedy heeft Van Roijen erop gestaan dat hijzelf, persoonlijk, ook eens zou kunnen vertellen wat zijn visie was. Toen was het voor de meesten van ons, maar misschien nog niet voor iedereen, duidelijk dat het inderdaad een volstrekt verloren zaak was’.

Hoe verliep het bezoek van Robert Kennedy aan Nederland?

Dr Zijlstra: ‘Robert Kennedy had zich georiënteerd. Hij was eerst in Jakarta geweest. In Den Haag stelde hij hele precieze vragen, zo van ‘hoeveel dokters heb je daar? Hoeveel dit en hoeveel dat? Ga je ervoor vechten?’ Enfin, het was een bokspartij en dat waren wij eigenlijk niet gewend. Het was een betrekkelijk jonge man, hij kwam bij ons een beetje over als een jonge vlegel en toen hij zich in bepaald verre van diplomatieke bewoordingen en zeer krasse taal met ons onderhield, toen waren de oude heren ook wel onthutst, dat kun je je natuurlijk wel voorstellen. Maar het was de eye-opener natuurlijk. Alles kwam nu in een stroomversnelling. Het aftellen was begonnen. Kort daarna kwam het plan-Bunker op tafel. Dat plan was ook direct al aan de Indonesiërs gegeven, dus op dat moment was alles natuurlijk verloren. Het plan-Bunker behelsde feitelijk de overdracht van Nieuw Guinea aan Indonesië, de rest was volstrekt eyewash’.

Op 15 november 1962 bereikten Nederland en Indonesië overeenstemming over een regeling waarbij, na een korte overgangstijd, de soevereiniteit over Nieuw Guinea aan Indonesië werd overgedragen. Daarmee werd een resultaat bereikt, dat ook al twaalf en een half jaar eerder, bij de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië, had kunnen zijn bereikt. Veel mensen leggen achteraf een groot deel van de verantwoordelijkheid voor het falende Nederlandse Nieuw Guinea-beleid bij mr Luns, die vanaf 1952 als minister de direct verantwoordelijke bewindsman was geweest. De mening van dr Zijlstra hierover:

‘Dat vind ik niet terecht. Luns heeft zijn eigen wijze van optreden. Hij gelooft heel sterk in de zaak waarvoor hij staat. Hij heeft, wat ik een erg positief punt vind, zich altijd laten leiden door het belang van Nederland. Dat heb ik altijd erg belangrijk gevonden. Wij gaan er in Nederland namelijk wel eens van uit dat wij op de belangen van anderen moeten passen en dat is ook wel zo, maar anderen doen dat niet; er is niemand, die op het belang van Nederland past dan Nederland alleen. Luns was daar diep van doordrongen. Hij heeft altijd, naar zijn mening en volgens zijn ideeën, soms op een bijna monomane wijze, op de bres gestaan voor wat hij zag als het belang van zijn land en daarbij heeft hij fouten gemaakt. Die fouten kun je wel eens onder een vergrootglas leggen en dat moet misschien wel eens gebeuren. Dat professor De Quay in 1984 onthutst was door wat hij achteraf las en hoorde, dat Luns zelf nooit zo erg geloofd heeft in wat wij aanvankelijk wel met hem hebben geloofd, dat kan ik zeer goed begrijpen2. Dat is inderdaad iets, dat je uiterst merkwaardig kunt noemen. Maar voor mij zijn dat fragmenten uit een geheel, dat mij niet tot de conclusie brengt, dat Luns in deze zaak de kwaaie Pier is geweest. Dan zijn wij dat allemaal met hem geweest. Dan hadden we moeten zeggen: ‘waarde heer, nu is het afgelopen, d’r uit’. Dat heeft het kabinet destijds niet gezegd, dat heeft de Kamer destijds niet gezegd, dus daar moet je voorzichtig mee zijn. Maar dat hij op een geheel eigen manier zijn toko runde, dat is niet voor bestrijding vatbaar’.

Was de kwestie Nieuw Guinea het belangrijkste beleidspunt waar het kabinet-De Quay tussen 1959 en 1963 mee te maken heeft gehad?

Zijlstra: ‘Nieuw Guinea heeft het diepst ingesneden bij ons. In die zin is het het meest emotioneel ingrijpende beleidspunt geweest. Het ging ons niet in de koude kleren zitten. Wij hebben getracht de Papoea’s met geld, met instellingen, zo goed en zo kwaad als het ging, voor te bereiden op zelfbeschikking. We hebben nog even de hoop gehad dat we een mooie Papoea-staat zouden kunnen oprichten, zoals we de hoop gehad hebben dat we in een hechte Unie met Indonesië verbonden zouden blijven, met heel bijzondere banden op economisch gebied, met misschien bijzondere banden op buitenlandspolitiek gebied, onder de Kroon, onder het huis van Oranje. Dat zijn allemaal dingen, die illusies zijn gebleken. Kortom, een complex van factoren heeft het Nederlandse volk, vertegen­woordigd door zijn politici, verhinderd heeft om snelle, rustige, rationele oplossingen te kiezen voor het afscheid nemen van zijn koloniën. In het geval van Nieuw Guinea hebben we uiteindelijk hen, die ons vertrouwden, in de steek moeten laten. Dat was vreselijk.’

R.A. Gase, gepubliceerd in Vrij Nederland, 4 januari 1986


Bronvermelding


  1. Interviews prof. dr J. Zijlstra, Wassenaar, 5 november 1984, 24 januari 1985 en 8 maart 1985.

  2. Interview prof. dr J.E. de Quay, Beers (N.B.), 1 mei 1984.

  3. G. Puchinger, dr Jelle Zijlstra, Strengholt, Naarden, 1978.

  4. R.A. Gase, Misleiding of zelfbedrog, Anthos/In den Toren, Baarn, 1984.

  5. H. Coerts, De A.R.P. en Nieuw-Guinea, Wever, Franeker, 1983.

  6. B.W. Biesheuvel aan auteur, 13 januari 1986.

1 In een brief van 13 januari 1986 laat mr B.W. Biesheuvel weten dat hij niet door ambassadeur Van Roijen met Harriman in contact is gekomen. “Het gesprek met Averell Harriman werd op mijn verzoek gehouden. Het kwam tot stand door bemiddeling van een Amerikaanse vriend van mij, James Patton, voorzitter van de Amerikaanse Farmers’ Union. De heer Patton was dan ook aanwezig bij het langdurige en intensieve gesprek met Harriman, dat niet plaats vond op het State Department, maar bij Harriman thuis in Washington D.C., tijdens een lunch. Na mijn onderhoud met Harriman heb ik de ambassadeur over de resultaten van het gesprek ingelicht, dat niet slechts ging over het Amerikaanse beleid inzake Nieuw Guinea en de achtergronden daarvan, maar evenzeer over de politieke situatie in Nederland en de opvattingen over Nieuw Guinea in het parlement, in het bijzonder bij de politieke groepering, waartoe ik behoorde”.

2 Toen de auteur op 1 mei 1984 aan dr De Quay de tekst voorlegde van het interview, dat hij op 8 maart 1984 had gehad met mr Luns, waarin deze ondermeer verklaart "degenen die beweren, dat ik zou hebben gedacht dat wij door Amerika zouden worden gesteund, die hebben het mis", reageerde de oud-premier onthutst. De Quay zei "zou Luns mij dan toch te pakken hebben gehad?".




R.A. Gase, Interview J. Zijlstra Vrij Nederland, 04-01-1986

© R.A. Gase 1986/2003. Versie: 20-8-2016; HH:08 uur






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina