Interview met paus franciscus antonio spadaro



Dovnload 136.8 Kb.
Pagina1/3
Datum22.08.2016
Grootte136.8 Kb.
  1   2   3
INTERVIEW MET PAUS FRANCISCUS

ANTONIO SPADARO

 

 



Hoe beleefde kardinaal Bergoglio het conclaaf waarop hij tot paus verkozen werd? Hoe ziet hij zichzelf? En de Kerk? Wat vindt hij belangrijk in de spiritualiteit van de Jezuïeten? Welke muziek hoort hij het liefst? Op deze en andere vragen gaat paus Franciscus openhartig in tijdens gesprekken die hij met de Italiaanse Jezuïet Antonio Spadaro deze zomer gevoerd heeft.

Paus Franciscus treedt naar voren als een pastor die weigert zich op te sluiten in nostalgie en cultuurkritiek. Uit zijn woorden blijkt hoezeer hij zich door de drie klassieke theologale deugden – geloof, hoop en liefde – laat bezielen.

Het is maandag 19 augustus, 9.50u. Paus Franciscus heeft me een afspraak gegeven om 10.00u. in het Domus Santa Marta. Van mijn vader heb ik de gewoonte geërfd om steeds wat op voorhand aan te komen.

De personen die me ontvangen, introduceren me in een salonnetje, maar de wachttijd is niet lang. Al na een paar minuten word ik begeleid naar de lift. In deze twee minuutjes heb ik net de tijd om me te herinneren hoe, tijdens een vergadering in Lissabon van de vertegenwoordigers van de Europese jezuïetentijdschriften, het voorstel werd gedaan om gezamenlijk een interview met de paus te publiceren.

Over de kwesties die ter sprake moesten komen had ik op voorhand van gedachten gewisseld met de andere afgevaardigden, terwijl ik ook reeds zelf enkele vragen had bedacht die ieders interesse konden wekken. Ik stap uit de lift en zie de paus, die me al bij de deur staat op te wachten.

In feite heb ik de aangename indruk dat ik geen enkele deur heb moeten passeren. Ik ga zijn kamer binnen. De paus nodigt me uit in een zetel te gaan zitten. Zelf neemt hij vanwege zijn rugproblemen plaats op een hoge en nogal rigide stoel.

De atmosfeer is eenvoudig, heel sober. De werkruimte op zijn schrijftafel is klein. Ik word getroffen door de soberheid, niet enkel aangaande de inrichting, maar ook wat de aanwezige voorwerpen betreft. Er zijn weinig boeken en objecten. Ik zie een icoon van de Heilige Franciscus, een beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Luján, de patrones van Argentinië, een kruisbeeld en een beeld van een slapende, glimlachende Heilige Jozef. Dit beeld lijkt heel sterk op het beeld dat ik indertijd zag in het Colegio Máximo di San Miguel, op de kamer waar pater Bergoglio gewoond had toen hij rector en provinciaal overste was.

De spiritualiteit van Bergoglio bestaat niet uit ‘geharmoniseerde energieën’, zoals hij het zelf zou zeggen, maar uit het gelaat van mensen: Christus, Sint Franciscus, Sint Jozef, Maria. De paus ontvangt me met een brede glimlach. Deze glimlach is ondertussen herhaaldelijk de wereld over gegaan en heeft harten geraakt.


We beginnen te praten over van alles en nog wat, maar vooral over zijn Braziliëreis. De paus beschouwt het als een ware genade. Ik vraag hem of hij heeft kunnen uitrusten. ‘Ja’, antwoordt hij en het gaat goed met hem, maar de Wereldjongerendagen zijn voor hem vooral een ‘mysterie’ geweest. Hij zegt me dat hij het niet gewend is zo veel mensen toe te spreken: ‘Ik slaag erin individuele mensen te bekijken en zo op een persoonlijke manier in contact te komen met de persoon die ik voor mij heb, maar ik ben niet vertrouwd met een massale aanwezigheid’. Ik zeg hem dat dit ook door anderen is opgemerkt, maar dat het velen raakt.

Men heeft gezien dat, wanneer hij te midden van de mensen is, zijn blik zich in feite richt op individuele personen. De camera’s zenden beelden uit die iedereen kan zien, maar tegelijk blijft hij in rechtstreeks contact, al is het maar oogcontact, met de personen die hij voor zich heeft. Hij lijkt me daarmee tevreden te zijn, namelijk te kunnen zijn wie hij is, zonder zijn gebruikelijke manier van communiceren met anderen te hoeven veranderen, ook wanneer hij miljoenen personen voor zich heeft staan, zoals dat toen het geval was op het strand van Copacabana.

Voor ik mijn recordertje aanzet, praten we nog wat bij. Hij becommentarieert een van mijn publicaties en zegt me daarbij dat de twee hedendaagse Franse denkers die zijn voorkeur genieten Henri de Lubac en Michel de Certeau zijn. Ik vertel hem ook iets persoonlijks. Ook hij praat over zichzelf en in het bijzonder over zijn verkiezing als paus. Hij zegt me dat, toen hij zich bewust werd van zijn verkiezing als paus, hij op die woensdag 13 maart tijdens de lunch plots een heel diepe en onverklaarbare vrede en innerlijke troost in zich voelde opkomen, samen met een volledige donkerheid en diepe duisternis over al het andere. Deze gevoelens hebben hem vergezeld tot zijn verkiezing. Ik had nog lang met een dergelijk familiair gesprek kunnen doorgaan, maar ik neem mijn aantekeningen erbij met de vragen die ik op voorhand verzamelde, en druk op de opnameknop. Bovenal dank ik de paus uit naam van alle jezuïetentijdschriften die dit interview zullen publiceren.

In ons onderhoud voorafgaand aan de audiëntie met de medewerkers van La Civiltà Cattolica enkele dagen geleden, vertelde de paus hoe moeilijk het voor hem is interviews te geven. Hij vertrouwde me toe dat hij liever wat meer nadacht over de vragen die hem worden gesteld. Hij heeft het gevoel dat de juiste antwoorden pas achteraf opkomen, na een eerste antwoord te hebben gegeven. Hij zei me: ‘Ik herkende mezelf niet meer toen ik tijdens de terugreis van Rio de Janeiro antwoordde op de vragen die de journalisten op me afvuurden’.

Tijdens dit interview voelde de paus zich verscheidene malen vrij zijn antwoord op een vraag te onderbreken om nog iets toe te voegen aan de vorige vraag. Praten met paus Franciscus is als een lavastroom van ideeën die zich aan elkaar rijgen. Notities nemen geeft me het onaangename gevoel een opkomende dialoog te onderbreken.

Het is zonder meer duidelijk dat paus Franciscus veeleer vertrouwd is met het voeren van een gesprek dan met het geven van een les.

WIE IS JORGE MARIO BERGOGLIO?

Ik heb mijn eerste vraag klaar, maar beslis het schema dat ik van tevoren had opgesteld niet te volgen. Ik vraag hem zo’n beetje op de man af: ‘Wie is Jorge Mario Bergoglio?’. Hij kijkt me strak aan, in stilte. Ik informeer of het wel geoorloofd is een dergelijke vraag te stellen... Hij geeft een teken dat hij de vraag aanvaardt en zegt me: ‘Ik weet niet wat het meest precieze antwoord is... maar ik ben een zondaar. Dat is de juiste definitie. En het is niet zomaar een manier van zeggen, een literair genre.

Neen, ik ben een zondaar’. De paus gaat door met nadenken, net alsof hij, onvoorbereid op een onverwachte vraag, gedwongen wordt verder te reflecteren. ‘Ah ja, ik kan zeggen dat ik een beetje gewiekst ben, ik kan me uit de slag trekken, maar het is tevens juist dat ik ook een beetje naïef ben. Tja, de beste synthese die bij me opkomt en die ik als de meest correcte aanvoel is deze: ik ben een zondaar op wie de Heer zijn blik heeft laten vallen’. En hij herhaalt: ‘Ik ben iemand op wie de Heer zijn blik gericht heeft. Mijn motto 'Miserando atque eligendo' heb ik steeds heel sterk aangevoeld als toepasselijk op mijzelf’.

Het motto van paus Franciscus komt uit de homilieën van Beda de Eerbiedwaardige, die in zijn., die in zijn commentaar op de evangelische perikoop van Matteus’ roeping schrijft: ‘Jezus zag een tollenaar, en terwijl hij hem liefdevol aankeek, koos hij hem uit en zei tot hem: volg mij’. De paus voegt eraan toe: ‘het latijnse gerundium miserando lijkt me onvertaalbaar zowel in het Italiaans als in het Spaans. Ik vertaal het graag met een ander gerundium, namelijk misericordiando , alhoewel het niet bestaat’.

Paus Franciscus zet zijn redenering nog even voort en zegt me, terwijl hij een gedachtensprong maakt waarvan ik op het moment zelf nog niet de volle betekenis snap: ‘Ik ken Rome niet, of althans toch niet zo heel goed, maar ik ken de Santa Maria Maggiore basiliek: ik ging er steevast naartoe!’. Ik lach en zeg hem: ‘Oh, dat hebben we allemaal goed begrepen, Heilige Vader!’

‘Juist’, vervolgt de paus, ‘ik ken de Santa Maria Maggiore, de Sint Pieter... maar toen ik naar Rome kwam, woonde ik steeds in de Via della Scrofa 2 . Van daar bezocht ik dikwijls de kerk van San Luigi dei Francesi en ging ik er het meesterwerk van Caravaggio De roeping van Matteüs contempleren’. Ik begin aan te voelen wat de paus me wil zeggen. ‘Die vinger van Jezus zó... naar Matteüs. Zó ben ik. Zó voel ik me, zoals Matteüs’. En dan neemt de paus een resolute houding aan, juist alsof hij net het beeld heeft gevonden dat op hem van toepassing is: ‘Het is het gebaar van Matteüs dat me raakt: hij grijpt zijn geld als om te zeggen: “Neen, ik niet! Neen, dat geld is van mij!”. Voilà, dat ben ik: een zondaar op wie de Heer zijn oog heeft laten vallen. En dat is wat ik gezegd heb toen ze me vroegen of ik mijn verkiezing als paus aanvaardde’. Hij fluistert: ‘Hij fluistert:‘Peccator sum, sed super misericordia et infinita patientia Domini nostri Jesu Christi confisus et in spiritu penitentiae accepto' 3



WAAROM IS BERGOGLIO JEZUÏET GEWORDEN?

Ik begrijp dat de formule waarmee hij zijn pauskeuze heeft aanvaard, voor paus Franciscus een beetje als een identiteitskaart fungeert. Er is dus niets meer aan toe te voegen en ik ga over tot de volgende vraag, die ik in feite als eerste had willen stellen: ‘Heilige Vader, wat heeft u ertoe bewogen om in te treden in de Sociëteit van Jezus? Wat heeft u geraakt bij de jezuïeten?’

‘Ik wou iets meer, maar wát wist ik eigenlijk niet. Ik ben naar het seminarie gegaan. Ook de dominicanen spraken me aan, ik had trouwens vrienden dominicanen. Toch koos ik voor de Sociëteit van Jezus, die ik goed kende, omdat het seminarie toevertrouwd was aan de jezuïeten. Drie dingen spraken me in de Sociëteit aan: het missionaire élan, het gemeenschapsleven en de discipline. Eigenaardig trouwens, omdat ik van nature een door en door ongedisciplineerd mens ben. Maar hun discipline, de manier om hun tijd in te delen, dat sprak me heel sterk aan. Ik ben steeds op zoek gegaan naar een communauteit.

Ik zag mijzelf niet als priester alleen leven; ik heb een gemeenschap nodig. Getuige daarvan het feit dat ik hier vertoef in het Domus Santa Marta. Toen ik verkozen werd, woonde ik op kamer 207, die mij per loting was aangeduid. De kamer waar we nu zijn, was een gastenkamer.

Ik heb ervoor gekozen hier te wonen, op kamer 201, want, toen ik bezit nam van het pauselijke appartement, voelde ik een heel duidelijk ‘Neen, dit niet’.

Niet dat het pauselijke appartement in het Apostolisch Paleis luxueus is. Het is wel antiek, ingericht met smaak, en ruim, maar niet luxueus. Maar het is tenslotte toch een trechter op zijn kant: groot en ruim, maar de ingang is werkelijk nauw. Men geraakt er maar druppelsgewijs binnen, terwijl ik niet kan leven zonder mensen rondom mij. Het is voor mij heel belangrijk mijn leven te leiden samen met anderen’. Terwijl de paus spreekt over zending en over gemeenschapsleven, komen me tal van documenten van de Sociëteit van Jezus voor de geest waarin men het heeft over ‘gemeenschap voor de zending’, en ik vind dat terug in zijn bewoordingen.



WAT BETEKENT HET VOOR EEN JEZUÏET PAUS TE ZIJN ?

Paus Franciscus is de eerste jezuïet die tot Bisschop van Rome werd gekozen. Ik vraag hem: ‘Hoe beschouwt u de dienst aan de universele Kerk waartoe u geroepen werd vanuit het perspectief van de ignatiaanse spiritualiteit? Wat betekent het voor een jezuïet tot paus te worden verkozen? Welk element van de ignatiaanse spiritualiteit helpt u het best om uw ambt uit te oefenen?’

Onderscheiding’, antwoordt paus Franciscus. ‘De onderscheiding is een van de dingen die Ignatius het meest op zich heeft laten inwerken. Voor hem is het een breekijzer om de Heer beter te leren kennen en hem van dichterbij te volgen. De volgende kernspreuk waarmee de visie van Ignatius wordt weergegeven, heeft altijd al indruk op mij gemaakt: Non coerceri a maximo, sed contineri a minimo divinum est. (‘Niet door het grotere begrensd worden, en toch in het kleinste helemaal in zitten, dat is goddelijk’).

Ik heb veel over die zin nagedacht met betrekking tot het bestuur, in relatie tot het ambt van overste: je niet laten inperken door het grotere, maar in staat zijn te blijven staan bij wat geringer is. Deze deugd van het grotere en het kleinere heet grootmoedigheid. Vanuit de positie waarin we ons bevinden, houdt die onze blik steeds gericht op de horizon. Het gaat erom de kleine dingen van elke dag te doen, met een groot hart dat openstaat voor God en de anderen. Het gaat erom kleine dingen te kunnen waarderen binnen het perspectief van een wijdse horizon, namelijk die van het Rijk Gods’.

‘Deze stelregel reikt het nodige richtsnoer aan voor het aannemen van een correcte houding voor de onderscheiding, om de dingen van God aan te voelen vanuit “Zijn oogpunt”. Voor Ignatius moeten deze grote principes gestalte krijgen in de concrete omstandigheden van plaats, tijd en personen. Op zijn manier hield Johannes XXIII dezelfde bestuurshouding aan wanneer hij het heeft over Omnia videre, multa dissimulare, pauca corrigere4 , omdat door het geheel te zien, de dimensie van het grootste ons ertoe aanzet te ageren op het weinige, op een bescheiden schaal.

Men kan grootse projecten hebben en die realiseren door te ageren op enkele weinige, kleine zaken. Of nog, men kan gebruikmaken van zwakke middelen die echter efficiënter blijken dan sterkere middelen, zoals Paulus het uitdrukt in zijn Eerste Korinthiërsbrief’. ‘Een dergelijk onderscheidingsproces vraagt tijd. Velen, bijvoorbeeld, gaan ervan uit dat veranderingen en hervormingen in korte tijd gerealiseerd kunnen worden. Ik geloof daarentegen dat er tijd nodig is om de fundamenten te leggen van een echte, diepgaande verandering. Dat is de tijd van de onderscheiding. Af en toe zet onderscheiding er toch toe aan onmiddellijk te doen wat men aanvankelijk dacht naderhand te doen. En dat is ook wat mij is overkomen deze afgelopen maanden. Onderscheiding voltrekt zich altijd in tegenwoordigheid van de Heer, met aandacht voor de tekenen, met een luisterend oor voor wat er omgaat, voor wat mensen voelen, vooral de armen. Mijn keuzes, ook diegene die verband houden met het normale leven, zoals het gebruiken van een eenvoudige wagen, zijn verbonden met een geestelijke onderscheiding die beantwoordt aan de eisen die voortspruiten uit de dingen, de mensen, het lezen van de tekenen des tijds. Onderscheiding in de Heer leidt me in mijn bestuursvorm. In feite hoed ik me voor onverwachts genomen beslissingen. Ik vertrouw niet op de eerste gedachte, namelijk voortgaan op het allereerste wat me ingegeven wordt als ik een beslissing moet nemen. In het algemeen is dat de verkeerde optie. Ik dien te wachten, de zaak innerlijk in te schatten door er de tijd voor te nemen. De wijsheid van onderscheiding verlost ons van de onontkoombare dubbelzinnigheid van het leven en reikt ons de meest geschikte middelen aan, die zich niet steeds identificeren met wat groot of sterk lijkt’.



DE SOCIËTEIT VAN JEZUS

Onderscheiding is dus een steunpilaar van de spiritualiteit van de paus.



Daarin drukt zich op bijzondere wijze zijn identiteit als jezuïet uit. Ik vraag hem dus hoe hij denkt dat de Sociëteit van Jezus ten dienste kan staan van de Kerk vandaag, wat haar bijzonderheid is, maar ook wat de eventuele risico’s kunnen zijn die ze loopt. ‘De Sociëteit van Jezus is een instituut dat in een spanningsveld staat, altijd en steeds radicaal in spanning. De jezuïet is naar buiten gericht. De Sociëteit zelf is naar buiten gericht: haar centrum is Christus en zijn Kerk. Dus: als de Sociëteit Christus en de Kerk als haar centrum aanhoudt, dan heeft ze twee fundamentele referentiepunten voor haar evenwicht, die haar in staat stellen zich in de periferie te bewegen. Als ze te veel op zichzelf gericht is, dan plaatst ze zichzelf in het centrum als een solide bolwerk, heel goed ‘toegerust’, maar loopt ze wel het risico dat ze zich zelfzeker en zelfvoldaan gaat voelen. De Sociëteit moet steeds de Deus Semper Maior voor ogen houden, het zoeken van de steeds grotere glorie van God, de Kerk

Vera Sposa (‘Ware Bruid’) van Christus Onze Heer, de Christus Koning die ons wil winnen en aan wie we onze hele persoon en al onze inspanningen aanbieden, al zijn we maar ‘aarden vaten’, ontoereikend. Deze spanning nodigt ons voortdurend uit om boven onszelf uit te stijgen. Het middel dat de naar buiten gerichte Sociëteit werkelijk sterk maakt is ‘de rekenschap van geweten’ – wat tegelijk een vaderlijk en broederlijk instrument is – omdat het de Sociëteit in staat stelt haar zending beter te vervullen’. Hier verwijst de paus naar een heel specifiek element uit de Constituties van de Sociëteit van Jezus waar men stelt dat de jezuïet ‘rekenschap van geweten moet afleggen’, dat is zijn innerlijke leven blootleggen zodat de overste beter bewust is en op de hoogte is als hij iemand een zending geeft. ‘Maar het is niet gemakkelijk te spreken over de Sociëteit’, vervolgt paus Franciscus. ‘Als men het te expliciet voorstelt, dan riskeert men een misverstand. Men kan het enkel over de Sociëteit hebben in een narratieve vorm. Alleen met behulp van een verhalend discours kan men aan onderscheiding doen, niet met een filosofisch of theologisch discours, waar men kan debatteren. De stijl van de Sociëteit is niet die van het debat, maar wel die van de onderscheiding, dat uiteraard het debat veronderstelt in de loop van het onderscheidingsproces. Een mystieke sfeer legt geen grenzen vast, maakt gedachten nooit helemaal af. De jezuïet moet dus een persoon zijn met een gedachtengoed dat nooit helemaal af is, maar dat gekenmerkt wordt door een ruimheid van denken. Er zijn periodes geweest waarin de Sociëteit er eerder een gesloten gedachtengoed op nahield en aldus neigde naar het rigide, het meer instructief-ascetische dan het mystieke. Deze vervorming heeft gevoerd tot het 'Epitome Instituti'. Hier verwijst de paus naar een soort praktische synthese van de regels van de Sociëteit die teruggaat op de zeventiende eeuw en die in de twintigste eeuw werd aangepast. Van toen af begon dat Epitome gaandeweg hier en daar de plaats van de Constituties in te nemen. De vorming van de jezuïeten werd gedurende een zekere tijd gemodelleerd aan de hand van deze tekst, en zelfs op een zodanige manier dat sommigen er nooit aan toekwamen de Constituties, die toch de funderingstekst zijn, te lezen. Volgens de paus bestond gedurende deze periode wel degelijk het risico dat de regels van de Sociëteit de geest verstikten; zo kwam de verleiding op het charisma in duidingen en verklaringen vast te leggen. Hij vervolgt: ‘Neen, de jezuïet denkt altijd, voortdurend, zijn oog gericht op de horizon die hij wenst te bereiken, met Christus als centrum. Dat is zijn ware kracht. En dat spoort de Sociëteit ertoe aan op zoek te gaan, creatief en vrijmoedig te zijn. Zodoende, dient ze, meer dan ooit, contemplatief in de actie te zijn; ze moet een diepe intieme band beleven met de hele Kerk, en dat is zowel met het Volk Gods als met de hiërarchische Heilige Moeder de Kerk. Dat vergt veel nederigheid, opoffering en moed, vooral wanneer men stuit op onbegrip of nog wanneer men het voorwerp is van misverstand en kwaadsprekerij, maar het blijft niettemin de meest vruchtbare houding. Denken we maar aan de spanningen uit het verleden over de Chinese riten, de siro-malabaarse riten en de reducties in Paraguay’. ‘Ikzelf ben getuige van het onbegrip en de problemen die de Sociëteit ook recent heeft doorstaan. Er zijn inderdaad moeilijke tijden geweest, onder andere wanneer men het thema aansneed de ‘vierde gelofte’ van gehoorzaamheid aan de paus uit te breiden tot alle jezuïeten. Wat me zekerheid gaf tijdens de periode van pater Arrupe, was kennelijk dat hij een man van gebed was, een man die heel veel tijd doorbracht in gebed. Zodoende nam hij de juiste houding aan en trof hij de goede beslissingen’.

HET MODEL VAN PIERRE FAVRE:

DE ‘HERVORMDE PRIESTER ’

Op dit punt gekomen vraag ik me af of er onder de jezuïeten geen figuren zijn – van het begin van de Sociëteit tot heden – die de paus op een heel bijzondere wijze geïnspireerd hebben. En dus vraag ik hem of die er zijn, wie dat zijn, en waarom. De paus noemt eerst Ignatius en Franciscus Xaverius, maar dan staat hij stil bij een figuur die de jezuïeten kennen, hoewel die in het algemeen veel minder bekend is, namelijk de zalige Pierre Favre uit Savoie (1506-1546). Hij is een van de eerste gezellen van Ignatius, in feite de allereerste, met wie hij de kamer deelde toen beiden aan de universiteit van Parijs studeerden. De derde op diezelfde kamer was Franciscus Xaverius. Pius IX verklaarde Favre zalig op 5 september 1872, en zijn heiligverklaringsproces is ondertussen op gang. De paus citeert een uitgave van Pierre Favres' Memoriale die hij, toen hij provinciaal overste was, door twee specialisten liet verzorgen: zijn medebroeders Miguel A. Fiorito en Jaime H. Amadeo. Een andere editie die hem heel nauw aan het hart ligt, is die van Michel de Certeau.

Ik vraag dus aan de paus waarom hij zo sterk door Favre geraakt is, welke karaktertrekken van Favre hem nu zo sterk aanspreken. ‘Zijn zin voor dialoog met allen, ook met diegenen die het meest veraf stonden en met tegenstanders; zijn eenvoudige vroomheid misschien op het randje van de naïviteit, zijn onmiddellijke beschikbaarheid, zijn aandachtige innerlijke onderscheiding, het feit een man te zijn geweest van grote en belangrijke beslissingen, terwijl hij tegelijk een heel zachte, zó zachte man kon zijn...’. Terwijl paus Franciscus de persoonlijke eigen schappen van zijn meest geliefkoosde jezuïet opsomt, begrijp ik hoezeer deze figuur voor hem werkelijk een levensmodel is geworden.

Michel de Certeau definieert Favre eenvoudigweg als de ‘hervormde priester’ voor wie innerlijke beleving, dogmatische expressie en structurele hervorming onlosmakelijk hand in hand gaan. Ik heb de indruk dat paus Franciscus zich werkelijk laat inspireren door dit type van hervorming. De paus zet het gesprek voort met een reflectie over het ware gelaat van de stichter van de Sociëteit. ‘Ignatius van Loyola is een mysticus, geen asceet. Ik maak me telkens nogal kwaad wanneer ik hoor zeggen dat de Geestelijke Oefeningen enkel en alleen ignatiaans zijn wanneer men ze doet in stilte. In werkelijkheid kunnen de Oefeningen evengoed ignatiaans zijn in het dagelijks leven of zonder stilte. De stroming die het ascetische karakter, de stilte en de boetedoening benadrukt is een vervormde stroming die zich binnen de Sociëteit heeft verspreid, vooral in het Spaanse milieu. Ikzelf daarentegen leun dichter aan bij de mystieke stroming, zoals die van Louis Lallemant en Jean-Joseph Surin. En Favre was een mysticus’



DE BESTUURSERVARING

Pater Bergoglio was eerst overste van een kleine gemeenschap en vervolgens overste van de Argentijnse Provincie. Die bestuurservaring heeft hem zeker doen groeien. De bestuursstijl van de Sociëteit impliceert dat de overste beslist, maar ook dat hij luistert naar zijn consultores (raadgevers). Zo vraag ik aan de paus: ‘Denkt u dat uw bestuurservaring uit het verleden nuttig kan zijn voor het huidige bestuur van de universele Kerk?’. Na een korte reflectiepauze wordt paus Franciscus plots heel serieus, maar blijft sereen. ‘Tijdens mijn ervaring als overste in de Sociëteit heb ik me – om het ronduit te zeggen – niet altijd zo gedragen, ik heb namelijk niet altijd de nodige raadplegingen gedaan. En dat is niet altijd een goeie zaak geweest. Aanvankelijk vertoonde mijn bestuur als jezuïet veel gebreken. Het was trouwens een moeilijke tijd voor de Sociëteit; een volledige generatie jezuïeten was verdwenen. Om die reden ben ik op heel jonge leeftijd provinciaal overste geworden. Ik was 36 jaar: te gek in feite. Ik moest toen moeilijke situaties in handen nemen en nam mijn beslissingen vaak op een nogal bruuske en persoonlijke wijze. Tja, ik moet er nog iets aan toevoegen: wanneer ik iemand een zaak toevertrouw, dan vertrouw ik die persoon ten volle. Hij moet werkelijk een grove fout begaan vooraleer ik hem terugfluit. Ondanks dit alles worden mensen op den duur moe van autoritarisme. Mijn eigen autoritaire en snelle manier van beslissen heeft me serieuze problemen opgeleverd; ik werd er zelfs van beticht een ultraconservatief te zijn. Ik heb een periode van grote innerlijke crisis beleefd, toen ik in Córdoba was. Kijk, ik ben uiteraard nooit een engeltje 5 geweest, maar ik ben ook nooit rechts geweest.

Het is vooral mijn autoritaire bestuurswijze die me problemen heeft opgeleverd. Ik zeg dit als een soort levenservaring, om te doen begrijpen waar het gevaar ligt. Mettertijd heb ik uiteraard veel geleerd. De Heer heeft die bestuurspedagogie toegelaten, met inbegrip van mijn gebreken en zonden. Als aartsbisschop van Buenos Aires hield ik om de twee weken een vergadering met de zes hulpbisschoppen en verscheidene keren per jaar ook samen met de Priesterraad. Men stelde vragen en er was gelegenheid tot debat. Dat heeft me veel geholpen om de beste beslissingen te nemen. Pas nu hoor ik enkele personen die me zeggen: ‘Overleg niet te veel, maar beslis’. Ik geloof daarentegen dat overleg heel erg belangrijk is. De Consistories en de Synodes bijvoorbeeld zijn belangrijke gelegenheden om een degelijke en actieve consultatie mogelijk te maken. Men moet ze nochtans minder rigide maken qua vorm. Wat ik wens, is een echt en geen formeel overleg. Het instellen van een raad van acht kardinalen, adviseurs van buitenaf, is niet alleen maar mijn persoonlijke beslissing, het is ook de vrucht van de wens van de kardinalen, zoals die tot uitdrukking kwam tijdens de Algemene Congregaties voor het Conclaaf. Nogmaals, ik wil dat het een echt en geen formeel overleg wordt'




  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina