Introductie op het boek van de profeet Jeremia. A: De geschiedenis van de profeet Jeremia



Dovnload 70 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte70 Kb.
Introductie op het boek van de profeet Jeremia.

A: De geschiedenis van de profeet Jeremia

Jer.1:1-3 Hier volgen de woorden van Jeremia, de zoon van Chilkia, afkomstig uit een priestergeslacht uit Anatot in het gebied van Benjamin. De HEER richtte zich tot hem in het dertiende jaar dat koning Josia, de zoon van Amon, over Juda regeerde. Ook sprak Hij tot hem tijdens de regering van koning Jojakim, de zoon van Josia, en in de jaren daarna, tot het einde van het elfde regeringsjaar van Sedekia, de zoon van Josia. In de vijfde maand van dat jaar werd Jeruzalem in ballingschap gevoerd.

De profeet Jeremia stamde uit een priestergeslacht. Hij was een zoon van Chilkia uit Anatot (Jer.1:1, 29:27) in Benjamin; Anatot was in de tijd van Jozua toegewezen aan de priesters uit het geslacht van Kehath (Joz.21:4+18). Zijn familie was niet arm, want zijn vader bezat grond in Anatot en Jeremia was zelf ook in staat grond te kopen, zelfs toen hij in de gevangenis zat (Jer.32:6-15). Hij was nog jong, toen hij in het 13e jaar van de regering van koning Josia in zijn geboorteplaats tot profeet werd geroepen (1:2+6, 25:3); dat was ongeveer in 627 v.Chr. Spoedig ging hij naar Jeruzalem, maar hij preekte ook in Anatot en in zijn latere profetieën ook tot de bewoners van Juda (Jer.5:20, 11:6, 18:11, 25:1). Maar Jeruzalem, de hoofdstad van het land, was het middelpunt van zijn werk (2:2, 7:2). Hij profeteerde in de periode van 627-586 v.Chr. in het land Juda.

Josia werd al op achtjarige leeftijd koning in het jaar 640 v.Chr. (2Kron.34:1) en hij regeerde 31 jaar lang in Jeruzalem tot aan 609 v.Chr. Hij was de zoon van koning Amon en kleinzoon van Manasse; maar deze beide koningen waren zeer goddeloos geweest (2Kron.33:1-25). Josia volgde echter het voorbeeld van koning David en op zestienjarige leeftijd begon hij zijn hart te richten op de God van Israël (2Kron.34:3a); en in het 12e jaar van zijn regering begon hij de stad Jeruzalem en het land Juda te reinigen van alle afgoden en de vele offerplaatsen (2Kron.34:3b-5). Een jaar later werd Jeremia door de Heer geroepen om profeet te zijn; hij werd dus een profeet in een tijd van grote veranderingen, maar de veranderingen bleken slechts uiterlijke veranderingen te zijn (Jer.3:6-11, 25:3).

Koning Josia gaf in het 18e jaar van zijn regering de opdracht om de tempel van de Heer te herstellen (2Kron.34:8) en tijdens dat herstel werd een boekrol met de hele wet van Mozes gevonden (2Kron.34:14). Josia schrok enorm van de inhoud van deze boekrol, omdat daarin veelvuldig werd gesproken over de oordelen van God, wanneer Zijn volk tot grote zonde zou vervallen. Hij scheurde berouwvol zijn kleren (2Kron.34:19) en vroeg om dringend advies aan de profetes Chulda (2Kron.34:22), die vervolgens het oordeel over Jeruzalem en Juda aankondigde (2Kron.34:23-25). Maar het woord van de Heer voor Josia was, dat hij zelf dit oordeel niet meer zou meemaken (2Kron.34:26-28), omdat hij zich voor de Heer vernederd had. Josia ging verder met de hervormingen en vierde in Jeruzalem het Pesach ter ere van de Heer op een manier zoals het sinds de dagen van de profeet Samuël niet meer in Israël was gevierd (2Kron.35:18).

Jeremia vond de reformatie van Josia een goede zaak en riep het volk nog indringender op tot bekering en gehoorzaamheid aan het woord van God (Jer. 11:1-8, 17:19-27), maar was niet gerustgesteld over de veranderingen. Hij zag wel een uiterlijke verandering, maar geen inwendige bekering. Omstreeks deze tijd trok Farao Necho naar het oosten en via Juda naar het noorden. In plaats van hem te laten begaan, trok Josia hem tegemoet, maar bij Megiddo verloor Josia het leven (2Kron.35:20-24). Juda was bitter teleurgesteld en wilde de Baäls terug. De vromen waren geschokt in hun geloof. Jeremia betreurde de koning even diep als het volk, getuige zijn klaagzang (2Kron.35:25).

In de plaats van Josia kwam zijn zoon Joahaz (Sallum in Jer.22:10-12), maar hij werd al na drie maanden door Necho naar Egypte gebracht (2Kron.36:1-4). Josia’s oudste zoon Jojakim werd door de farao tot koning over Juda en Jeruzalem aangesteld (2Kron.36:4). Van nu af preekte Jeremia steeds ernstiger, maar ondervond hij steeds meer vijandschap. Nu Jeremia geen ongelijk bleek te hebben, maakte de onverschilligheid plaats voor haat. Bij de ingang van de tempel maande hij de mensen tot boete en berouw, tot oprechte daden van recht en gerechtigheid. Jeremia zei: "Zeg niet: vrede, vrede, geen gevaar!", maar de Judeeërs waren zelfgenoegzaam (Jer.7:1-15 ) en zijn anti-patriotische woorden wekten verontwaardiging.

Priesters en valse profeten verenigden zich en klaagden Jeremia als godslasteraar aan, en als verrader van zijn eigen volk (Jer.18:18). De mannen van Anatot beraamden zelfs een aanslag tegen zijn leven (Jer.11:18-23), en ook zijn eigen familie liet hem vallen (Jer.12:6); zijn eigen vrienden lieten hem ook in de steek (Jer.20:10). Jezus Christus zou later zeggen dat een profeet nergens zo miskend zou worden als in zijn eigen stad en in zijn eigen familie (Matt.13:57, Marc.6:4, Luc.4:24). Jeremia kreeg wel steun en bescherming van mannen als Achikam (Jer.26:24), Elnathan, Delaja, Gemarja (Jer.36:25), en Ebed-Melech redde zelfs zijn leven uit een diepe modderige put (Jer.38:7-13). Maar een andere profeet Uria werd wel het slachtoffer van de wraak van koning Jojakim (Jer.26:20-23).

Onder Jojakims opvolger Jojachin begon de profetie van Jeremia in vervulling te gaan. Hij regeerde pas drie maanden, toen Nebukadnessar hem, zijn moeder en de beste mensen uit het volk in 597 v.Chr. in ballingschap voerde ((2Kron.36:9-10). Toen koning Nebukadnessar van Babylonië de farao Necho van Egypte versloeg, viel hij ook Juda binnen en stelde hij Sedekia als koning over Juda aan (2Kron.36:10), maar ook deze deed wat slecht was in de ogen van de Heer en hij kwam in opstand tegen Nebucadnessar (2Kron.36:11-14). Maar Jeremia zag in, dat Juda niet bestand was tegen Nebukadnessar en dat de val van de stad Jeruzalem bij de Heer onherroepelijk vaststond. Hij sprak over de vijanden uit het noorden (Jer.1:14-16, 4:6, 10:22). Toch profeteerde Jeremia dat het volk Juda niet voor eeuwig zou ondergaan. Nebukadnessar zou heersen over Juda, maar na 70 jaar ballingschap zou het volk gelouterd terugkeren (Jer.25:11, 29:10).

Omstreeks deze tijd ontving Jeremia van God de opdracht om de woorden die hij gesproken had te boek te stellen; hij droeg dit werk op aan Baruch (Jer.36:4). Toen Nebukadnessar naderde en duizenden Judeeërs uit Jeruzalem en Juda zich op een vastendag in de tempel verdrongen om Gods hulp af te smeken, liet hij Baruch de boekrol voorlezen (Jer.36:8). De boodschap ervan was dat Jeruzalem zou vergaan en de tempel vernietigd zou worden, maar het volk was verontwaardigd en koning Jojakim liet zich de rol voorlezen, maar verbrandde hem daarna en stuurde mannen om Jeremia en Baruch te grijpen, die zich echter hadden verborgen (Jer.36:26). Later schreef Jeremia met behulp van Baruch de woorden van God nogmaals op en voegde er nog nieuwe aan toe (Jer.36:27-32). In het jaar 588 v. Chr. kwam Nebucadnessar voor de derde keer met zijn leger naar Jeruzalem, deze keer om de stad definitief te verwoesten (2Kon.25:1, Jer.52:4, Ezech.24:2).

Op het gerucht dat een Egyptisch leger in aantocht was om Jeruzalem en Juda te bevrijden (Jer.37:5) brak Nebukadnessar het beleg op. Jeremia wilde van deze gelegenheid gebruik maken om de stad te verlaten, waarschijnlijk om in zijn geboorteplaats Anatot een stuk land in bezit te nemen (Jer.37:12). Maar hij werd aangehouden en als overloper voor de rechter gebracht, schuldig verklaard en in een kerker geworpen (Jer.37:11-16). Koning Sedekia redde hem van de dood; hij vroeg hem naar het woord van God en Jeremia herhaalde het profetische woord (Jer.37:17-19, 38:14-23). Daarna zat Jeremia in de wachthof van de soldaten gevangen (Jer.38:28). Hier was zijn toestand draaglijk en werd hij ook behoorlijk gevoed. Ook kon hij hier preken en het oude thema herhalen (Jer.21:8-10, 38:2-3). Maar de legerleiding wilde niet, dat de godsman de overgave van de stad aanprees als de wil van God. Jeremia werd in een put geworpen, zodat hij wegzonk in de modder; deze keer werd hij gered door Ebed-Melech (Jer.38:7-13).

Jeruzalem werd inderdaad ingenomen en Jeremia werd met Baruch naar Rama gebracht. Maar op bevel van Nebuzaradan, de gevolmachtigde van Nebukadnessar, werden zijn ketenen losgemaakt (Jer.39:11-14, 40:1-6,) en werd de profeet daarna eervol behandeld. De Babyloniërs stelden hem voor de keus om in Juda te blijven of mee te gaan naar Babylon. Jeremia koos het eerste, hoewel alles pleitte voor het laatste. Hij sloot zich aan bij Gedalja en ging verder met het spreken van Gods woord: hij wees zijn lotgenoten op een betere toekomst, op de ontferming en beloften van God, en was nu de trooster van het volk in de volle kracht van het woord.

Maar Gedalja werd al snel vermoord (Jer.41:2) en daarom trok de rest van het volk, bang voor de wraak van de Babyloniërs ondanks Jeremia’s vermaningen, naar Egypte. De profeet werd gedwongen mee te gaan (Jer.41-43). Maar ook in Egypte profeteerde hij, vurig wekte hij het volk op tot de dienst aan de enig ware God. Hoe lang hij in Egypte werkzaam geweest is, is niet bekend; zijn aankomst in het land is het laatste dat we met zekerheid van hem weten. Volgens de traditie werd hij gestenigd.

Zijn profetieën hadden invloed op de latere profeet Daniël (Dan.9:2). Er zijn legendes dat hij bij de verwoesting van Jeruzalem de tabernakel, de ark en het reukofferaltaar gered en verborgen heeft. Vooral de Egyptische Joden zoals Philo roemden Jeremia. De tijdgenoten van Jezus verwachtten zijn terugkeer voor de komst van de Christus (Matt.16:14). Jeremia was een gevoelige persoon wiens leven in twee woorden kan worden samengevat: lijden en liefhebben. Hij profeteerde in een tijd van nationaal verval en stond tegenover karakterloze en onstabiele koningen. In die situatie was hij de onverzettelijke boeteprediker, die zelf de ernst van het oordeel het diepste voelde. Hij was in opdracht van de Heer ongehuwd (Jer.16:1-4) en stond meestal alleen tegenover zijn volk, dat hij van harte liefhad.
B: De roeping van de profeet Jeremia.

Jer.1:4-10 De HEER richtte zich tot mij: Voordat Ik je vormde in de moederschoot, had Ik je al uitgekozen, voordat je de moederschoot verliet, had Ik je al aan Mij gewijd, je een profeet voor alle volken gemaakt. Ik riep: Nee, HEER, mijn God! Ik kan het woord niet voeren, ik ben te jong. Maar de HEER antwoordde: Zeg niet: Ik ben te jong. Richt je tot iedereen naar wie Ik je zend en zeg alles wat Ik je opdraag. Wees voor niemand bang, want Ik zal je ter zijde staan en je redden, spreekt de HEER. En de HEER strekte Zijn hand uit, raakte mijn mond aan en zei tegen mij: Hiermee leg Ik Mijn woorden in jouw mond. Nu, op deze dag, geef Ik je gezag over alle koninkrijken en volken, om ze uit te rukken en te verwoesten, om ze te vernietigen en af te breken, op te bouwen en te planten.

De roeping van Jeremia om een profeet voor Juda en Jeruzalem te zijn wordt in hoofdstuk 1 in vier gedeelten aan hem geopenbaard, zodat hij voor geen enkele verrassing zal staan. Vers 4-10 spreekt over de oorspronkelijke roeping.

Vers 11-12 spreekt over Gods belofte voor effectiviteit van de profetische roeping.

Vers 13-16 spreekt over de kern van de profetische boodschap.

Vers 17-19 spreekt over het lijden dat Jeremia als profeet zal ondergaan.
B1: De roeping van de profeet in zijn profetische bediening.

De oorspronkelijke roeping in vers 4-10 bevat zeven verschillende kenmerken.



1: de uitverkiezing.

Jer.1:5a De HEER richtte zich tot mij: Voordat Ik je vormde in de moederschoot, had Ik je al uitgekozen.

2: de heiliging.

Jer.1:5b ...... voordat je de moederschoot verliet, had Ik je al aan Mij gewijd (= geheiligd).

3: de aanstelling.

Jer.1:5c ...... je een profeet voor alle volken gemaakt.

4: de opdracht.

Jer.1:7b Richt je tot iedereen naar wie Ik je zend en zeg alles wat Ik je opdraag.

5: de bescherming.

Jer.1:8 Wees voor niemand bang, want Ik zal je ter zijde staan en je redden.

6: de zalving.

Jer.1:9 En de HEER strekte Zijn hand uit, raakte mijn mond aan en zei tegen mij: Hiermee leg Ik Mijn woorden in jouw mond.

7: de machtiging.

Jer.1:10a Nu, op deze dag, geef Ik je gezag over alle koninkrijken en volken, om ze uit te rukken en te verwoesten, om ze te vernietigen en af te breken, op te bouwen en te planten.
B2: De belofte voor de profetische bediening.

Jer.1:11-12 De HEER richtte zich tot mij: Wat zie je, Jeremia? Ik antwoordde: Ik zie een amandeltwijg. Dat zie je goed, zei de HEER, zo snel als een amandelboom in het voorjaar uitbot, zo snel laat Ik Mijn woorden uitkomen.

In de Hebreeuwse taal van het Oude Testament is er een prachtige speling tussen het woord

voor amandeltwijg en de snelle vervulling van Gods profetische woord; want het Hebreeuwse woord voor amandeltwijg is shaqed, en het Hebreeuwse woord voor waakzaamheid over de vervulling van het profetische woord is het werkwoord shaqad. Deze boom of struik, die thuis hoort in West-Azië, werd vanaf oude tijden in Palestina veel gekweekt. Amandelen komen reeds voor onder de beste vruchten van het land, die de zonen van Jacob naar Egypte mee namen (Gen.43:11) Onder de staven, die Jakob te Haran in de drinkbakken legde, waren amandelstaven (Gen.30:37); de staf van Aáron, die ter bevestiging van zijn roeping als hogepriester ging bloeien, droeg amandelen (Num.17:23). Van alle vruchtbomen bloeide hij het vroegst; in Syrië en Palestina tegen het einde van januari en in het begin van februari. Het boompje, dat vijf meter hoog wordt, heeft talrijke bruine takken en twijgen en deze brengen, uit schubbige knoppen, enkele of gepaarde, meestal zeer dicht op elkaar staande, vijfbladerige bloesems voort, die bijna geen stengel hebben, terwijl de lange, lancetvormige, getande bladeren zich later ontwikkelen. Het zachte roserood van de gesloten en het wit en rood van de ontloken bloesems is de eerste lieflijke lentetooi in de nog kale boomgaarden en wijnbergen. Terwijl de andere bomen nog enige tijd in de winterslaap liggen, heeft de amandelboom reeds zijn talrijke ogen geopend, als wachter van de komende lentemorgen. Hieruit verklaart zich ook zijn naam schaqed ofwel wachter, en hierin zien we de betekenis van de amandelstaf bij Jeremia, bij wie hij een teken is van Gods waakzame ijver in het vervullen van Zijn woord.
B3: De kern van de profetische boodschap.

Jer.1:13-16 De HEER richtte zich opnieuw tot mij: Wat zie je? Ik zei: Ik zie een gloeiend hete kookpot die vanuit het noorden overhelt. De HEER zei: Vanuit het noorden zal onheil over alle inwoners van dit land worden uitgestort. Ik roep de volken van alle koninkrijken uit het noorden op, spreekt de HEER. Ze zullen dit land binnenvallen en hun tronen voor de poorten van Jeruzalem zetten, rondom de muren en om alle andere steden van Juda. Ik zal het volk vonnissen voor al het kwaad dat het heeft gedaan. Ze hebben Mij verlaten, wierook gebrand voor andere goden en geknield voor wat ze zelf gemaakt hebben.

Jeremia is een profeet van Gods oordelen, zowel voor het volk van Juda (Jeremia 2-24) als voor de omringende volken (Jeremia 25, 46-51). Maar hoewel hij een profeet is van Gods oordelen over Israël, het eigen volk van God, is hij ook een profeet van Gods genade, want er is geen volledige vernietiging in tegenstelling tot de volken waarheen Juda en Israël gedreven worden (Jer.46:28a).



Jer.3:12 Kom terug, ontrouw Israël, spreekt de HEER, dan zal Ik Mijn woede laten varen, want Ik ben vol genade, niet eeuwig duurt Mijn toorn, spreekt de HEER.

Jer.4:27 Heel het land wordt een woestenij, maar vernietigen zal Ik het niet.

Jer.5:10 Bestorm de wijnterrassen, vertrap ze, maar vernietig ze niet helemaal.

Jer.5:18 Maar als het zover is, zal Ik ze toch niet vernietigen, spreekt de HEER.

Jer.30:11b Je krijgt de straf die je verdient, maar vernietigen zal Ik je niet.

Jer.46:28b En jou zal Ik tuchtigen, Ik zal je straffen. Je krijgt de straf die je verdient, maar Ik zal je niet vernietigen.

De toorn van God is altijd gericht op het verwijderen van alles wat Zijn liefde in de weg staat, want dit heeft te maken met het plan van God voor Zijn volk. Want de bestemming van Gods volk om in het land Israël te wonen is eeuwig, maar het recht om daar te wonen is afhankelijk van Israëls relatie met God in de verzoening. Want het heilige land is bestemd voor een heilig volk (Jer.7:1-9, Ezech.34:24-31), omdat dit land het speciale eigendom van de Heer Zelf is (Jer.2:7). Het land van God behoort voor eeuwig aan Israël toe vanwege Zijn verbond met hen, maar het recht om daar te wonen is voorbestemd voor een heilig volk dat leeft vanuit een liefdevol hart en gehoorzaamheid aan het verbond met God.

Jeremia is de profeet die met name profeteert over de koppigheid van Israël, want het woord ‘sheriyruwth’ voor koppigheid komt 10 keer voor in het Oude Testament, maar daarvan maar liefst 8 keer in het boek Jeremia, namelijk 3:17, 7:24, 9:13, 11:8, 13:10, 16:12, 18:12, 23:17, en verder alleen in Deut.29:18 en Ps.81:13. Dit woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord ‘sharar’ (5x) dat de betekenis heeft van iemands vijand zijn, maar God gaat deze koppigheid volledig overwinnen door Israël te breken, zowel de persoon Israël (Gen.32:29), als het volk Israël (Dan.12:7).
B4: Vervolging en bescherming van de profeet.

Jer.1:17-19 Jij, Jeremia, maak je gereed en zeg hun alles wat Ik je opdraag. Laat je door hen geen angst aanjagen, anders zal Ik jou angst aanjagen in hun bijzijn. Ik maak je nu tot een vestingstad en een ijzeren zuil, tot een bronzen muur om stand te houden tegen het hele land: de koningen en leiders van Juda, de priesters en het volk. Ze zullen je bestrijden, maar niet verslaan, want Ik zal je ter zijde staan en je redden, spreekt de HEER.

Jeremia had geen vrije keus in zijn bediening als profeet, want net als Mozes voerde hij een bezwaar aan tegen zijn roeping; hij vond zichzelf veel te jong om profeet te zijn en daarom kon hij het profetische woord niet voeren (Jer.1:6). En Mozes vond zichzelf veel te oud om profeet te zijn, en hij was de vaardigheid van het spreken allang verleerd (Ex.4:10). Maar in beide gevallen eiste de Heer volledige gehoorzaamheid, en hun bezwaren werden door de Heer van tafel geveegd, omdat Hij volledige bescherming bood. Mozes kreeg grote autoriteit in zijn herdersstaf (Ex.4:17), en Jeremia kreeg de hartsgesteldheid van een vestingstad, van een ijzeren zuil en een koperen muur (Jer.1:18). De profeet Ezechiël werd even onbuigzaam en hard gemaakt als het volk Juda, zodat hij vastberaden zou blijven om te profeteren over de oordelen van God (Ezech.3:7-9). Wanneer God een profeet roept voor een zeer moeilijke profetische bediening, geeft Gods eerst alle genade die nodig is voor de bediening. Het is zoals een kerkvader ooit eens tegen God zei: “Heer, U mag alles van mij vragen wat U maar wilt, als U mij maar eerst datgene geeft wat U van mij vragen wilt”.

Ook de apostel Paulus onderging dit principe, want hij wist dat hij al vanaf de moederschoot geroepen was (Gal.1:15-16), en hij wist dat Jezus zich speciaal over hem ontfermd had om een voorbeeld te zijn voor allen die in Jezus zouden gaan geloven (1Tim.1:15-16). Bij zijn roeping werd hem duidelijk gemaakt dat hij uitgekozen was om het evangelie te verkondigen aan alle volken uit de toenmalige wereld inclusief hun heersers, en ook aan het volk Israël (Hand.9:15). Maar de Heer openbaarde hem ook hoezeer hij zou moeten lijden omwille van de naam van Jezus (Hand.9:16, 2Tim.1:11-12), maar door de genade van God volbracht hij zijn volledige roeping (1Kor.15:10). Hij achtte zijn leven van geen enkele waarde, zolang hij maar zijn roeping kon vervullen (Hand.20:24), en aan het eind van zijn leven wist hij dat hij zijn taak volbracht had en dat de beloning voor hem klaar lag in de hemel (2Tim.4:7-8). Wanneer God iemand roept voor een moeilijke bediening, die gekenmerkt wordt door vervolging en lijden, geeft Hij ook de genade om te volharden.

1Kor.10:13 U hebt geen beproevingen te doorstaan die niet voor mensen te dragen zijn. God is trouw en zal niet toestaan dat u boven uw krachten wordt beproefd: Hij geeft u met de beproeving ook de uitweg, zodat u haar kunt doorstaan.

Maar Jeremia kreeg het op gegeven moment erg zwaar met zijn roeping, want iedereen liet hem in de steek; priesters en valse profeten verenigden zich en klaagden Jeremia als een godslasteraar aan, en als verrader van zijn eigen volk (Jer.18:18). De mannen van zijn eigen stad Anatot beraamden zelfs een aanslag tegen zijn leven (Jer.11:18-23), en ook zijn eigen familie liet hem vallen (Jer.12:6); zijn eigen vrienden lieten hem ook in de steek (Jer.20:10). Jeremia is een van de meest eenzame profeten van Israël geweest (Jer.15:17), en hij kon zijn vreugde alleen maar vinden in de woorden van de Heer.



Jer.15:16 Telkens als ik Uw woorden hoorde, nam ik ze als voedsel tot mij. Uw woorden gaven mij een diepe vreugde, want ik behoor U toe, o HEER, God van de hemelse machten.

Maar op gegeven moment stegen het verdriet en de eenzaamheid hem boven het hoofd uit, en hij sprak zijn bittere teleurstelling over de Heer Zelf uit (Jer.15:18), want hij ervoer lang niet altijd de vreugde van de Heer. Op dat moment riep de Heer hem op om terug te keren naar zijn bevoorrechte positie voor het aangezicht van de Heer, en Jeremia moest leren om zijn teleurstelling niet om te zetten in negatieve bewoordingen, maar alleen uit te spreken wat waardig was. De bedoeling was dat het volk Juda de profeet Jeremia tot een voorbeeld zou nemen, maar Jeremia mocht niet het volk als voorbeeld nemen (Jer.15:19). En vervolgens herhaalde de Heer Zijn belofte dat Hij Jeremia zou beschermen en bevrijden (Jer.15:20-21), de belofte die hij gekregen had bij zijn roeping (Jer.1:17-19).


C: Jeremia is de profeet van Gods passie voor Zijn volk.

Jer.2:2-3 Roep Jeruzalem toe: Dit zegt de HEER: Ik weet nog hoe je Mij liefhad in je jeugd, van Mij hield als Mijn bruid, hoe je Mij volgde door de woestijn, dat land waar niet wordt gezaaid. Israël is aan de HEER gewijd, het is de eerste vrucht van Zijn oogst. Wie het verslindt, laadt schuld op zich, hij wordt door onheil getroffen, spreekt de HEER.

Jeremia is een echte profeet van God voor het volk van Juda geweest, want hij heeft altijd de liefde van God voor het volk onder woorden gebracht in al zijn profetieën, zowel profetieën over Gods oordeel als profetieën over belofte van vernieuwing en herstel. Jeremia heeft altijd de liefde van God tot diep in zijn wezen gevoeld, want wanneer de schande, mishandelingen en vernederingen hem teveel werden en hij zijn profetische bediening wilde neerleggen, werd het woord van God als een brandend vuur in zijn binnenste. Jeremia werd door de Heer verleid tot de profetische bediening, en hij bezweek voor het krachtige vuur van de Goddelijke passie voor het volk. Het vuur van de passie van God in zijn binnenste brandde sterker dan het vuur van menselijke onderdrukking aan de buitenkant.



Jer.20:7-9 HEER, U hebt mij verleid, en ik ben bezweken, U was te sterk voor mij en hebt mij in Uw greep gekregen. Dag in dag uit lachen ze om mij, iedereen bespot mij. Telkens als ik spreek, moet ik schreeuwen: Ik word mishandeld, onderdrukt! Want de woorden van de HEER brengen mij dag in dag uit schande en vernedering. Als ik denk: Ik wil Hem niet meer noemen, niet meer spreken in Zijn naam, dan laait er in mijn hart een vuur op, dan brandt het in mijn gebeente. Ik doe moeite om het in bedwang te houden, maar ik kan het niet.

Jeremia werd telkens weer gegrepen door de Goddelijke passie van de hemelse Bruidegom, en dan laaide het vlammende vuur van het woord van God in zijn binnenste weer op. Of hij nu moest profeteren over de oordelen van God - bedoeld om alles te verwijderen wat de liefde van God in de weg stond - of dat hij nu moest profeteren over het geestelijke herstel van Israël en terugkeer naar het land, altijd stond de vurige liefde van de Heer centraal in zijn profetieën. De essentie van het boek Jeremia is dat de toorn van God wordt aangestoken door de passie in het hart van de hemelse Bruidegom.



Jer.9:23 Wil iemand zich op iets beroemen, laat hij zich erop beroemen dat hij Mij kent, inziet dat Ik, de HEER, dit land liefde schenk, rechtvaardigheid en recht, want daar schep Ik behagen in, spreekt de HEER.

In deze tekst spreekt de Koning-Rechter-Bruidegom van Israël, want de Heer zegt in deze tekst dat Hij behagen schept in liefde, rechtvaardigheid en recht. Hij is de Koning die recht handhaaft door Zijn koninklijke macht, om als Rechter rechtvaardigheid te kunnen toepassen en daarmee alles te verwijderen wat Zijn liefde als Bruidegom in de weg staat. Hij is de zeer jaloerse Bruidegom die Zijn toorn gebruikt om Zijn volk te overtuigen van Zijn hartstochtelijke liefde, en de profeet Ezechiël wist dit uitstekend onder woorden te brengen.



Ezech.5:13 Ik zal Mijn woede op hen koelen en Mijn toorn de vrije loop laten totdat Ik Mij genoegdoening heb verschaft. Wanneer Ik Mijn woede op hen gekoeld heb, zullen ze beseffen dat het Mijn hartstocht was die Mij zo deed spreken.

De profeet Ezechiël maakte ook duidelijk dat de overgebleven Israëlieten zowel tijdens de jaren van ballingschap als na geestelijk herstel en terugkeer in het land zich hun geestelijke overspel zouden herinneren. Ze zouden beseffen hoe diep ze de Heer gekwetst hadden, en ze zouden van zichzelf walgen en beseffen dat de Heer niet zonder reden had gedaan wat Hij had gezegd (Ezech.6:7-10, 14:22-23). De God van de jaloerse liefde had al in de Tien Geboden gesproken dat Zijn liefde een zuiver karakter van hartstochtelijke liefde had, en dat Hij geen enkele afgod zou dulden (Ex.20:5, 34:14, Deut.4:24, 5:9, 6:15). De Bruidegom van Israël is een Bruidegom die Zichzelf volledig geeft aan Zijn volk, maar ook volledig beslag wil leggen op het hart van Zijn volk dat Zijn bruid is. En in zijn allereerste profetie tot het volk van Juda bracht Jeremia dit al onder woorden, want de profetie van Jer.2:2-3 werd tot het volk gesproken tijdens de opwekking o.l.v. koning Josia (Jer.1:2), en dat was nog vóórdat Juda in ballingschap ging. In zijn allereerste profetische woorden tot het volk profeteerde Jeremia dat de Heer Zijn volk zag als Zijn bruid, en dit thema keert regelmatig terug.

In Jer.3:14 roept de Heer Zijn ontrouwe kinderen terug, want zij behoren Hem toe; maar het hier gebruikte Hebreeuwse werkwoord ba’al heeft niet zozeer de betekenis van toebehoren. Dit werkwoord heeft de betekenis van heersen over, of bezitten, of getrouwd zijn met; m.a.w. de Heer zegt dat Hij heerst over Juda en dat Hij het volk bezit, maar Hij doet dat als een Bruidegom, want Hij is met hen getrouwd. D.w.z. dat het huwelijksverbond gesloten is, maar de bruid woont nog niet bij de bruidegom in huis; zo was ook Jozef met Maria getrouwd, maar ze woonde nog niet bij hem in huis (Matt.1:18). Jozef was wel haar man (Matt.1:19), en Maria was wel zijn vrouw (Matt.1:20), maar hij moest haar nog wel bij zichzelf in huis laten wonen (Matt.1:24). Jezus, de Messias van Israël, had op de berg Sinaï een huwelijksverbond met Israël gesloten (Ex.19:4-6), maar Israël kon nog niet bij de Heer in huis komen wonen; dit wordt pas gerealiseerd na de tweede komst van Jezus (Hos.2:18+21-22).

In Jer.6:2 omschrijft de Heer het volk als Zijn lieflijke en tere vrouw, vrouwe Sion, maar Hij zal haar Zelf ombrengen vanwege haar overspel. In Jer.11:15-16 noemt Hij haar Zijn geliefde en een zilvergroene olijfboom vol prachtige vruchten, maar zij voert kwade plannen uit in Zijn huis, en daarom zal Hij de olijfboom in brand steken. In Jer.12:7 beschrijft de Heer Zijn volk als Zijn zielsbeminde, maar zij werd als een brullende leeuw die tegen Hem tekeer ging; daarom ging Hij haar haten. Maar Zijn afschuw van Zijn bruid is van tijdelijke aard, want Zijn liefde voor Zijn volk gaat het altijd winnen van Zijn toorn.



Jer.31:2-4a Dit zegt de HEER: In de woestijn kreeg Ik Israël lief, het volk dat aan vernietiging ontkomen was. Ik ging hun voor en gaf hun vrede. Van ver ben Ik naar je toe gekomen, vrouwe Israël. Ik heb je altijd liefgehad, Mijn liefde zal je altijd vergezellen. Ik breng je weer tot bloei.

In deze tekst is het de hemelse Bruidegom die Zijn eeuwige liefde verklaart aan Zijn volk, dat is Zijn bruid, maar Hij belooft haar ook dat Hij haar zo intens zal liefhebben dat zij Zijn liefde met heel haar hart zal beantwoorden. De Bruidegom is vol extatische liefde voor Zijn bruid, maar Hij bewandelt een weg met haar die ertoe zal leiden dat Hij ook vol extase zal zijn over haar liefde voor Hem. Zo is ook de bruidegom in Hoogl.4:9 en 6:5 vol hartstochtelijke extase over de bruid, en zij brengt hem zelfs in verwarring met haar liefde.



Jer.31:22 Hoe lang nog blijf je talmen, hoe lang nog blijf je eigenzinnig, vrouwe Israël? De HEER zal iets nieuws op aarde scheppen: een vrouw maakt een man het hof.

De Heer belooft aan Israël dat dit eigenzinnige volk aan het einde van de lange reis door de natuurlijke geschiedenis van de mensheid heen Jezus zal omarmen als de langverwachte Bruidegom, waar zij zolang naar heeft uitgekeken (Matt.23:39, Hos.3:5). En zo is de profeet Jeremia een profeet geweest van de hartstochtelijke liefde van Jezus de Bruidegom voor het volk van Juda, maar ook voor de tien stammen van Israël die al eerder in ballingschap waren gegaan.


D: Jeremia is ook de profeet van Gods verdriet over Zijn volk.

Jer.8:18-19 Mijn lach versluiert mijn verdriet, mijn hart is ziek. Uit een ver land schreeuwt mijn volk om hulp: Is de HEER niet op de Sion, oefent Hij daar Zijn koningschap niet uit?

Jer.13:17 Als jullie niet naar deze oproep luisteren, zal ik eenzaam huilen om je hoogmoed, dan vergiet ik vele tranen, dan zullen mijn ogen in tranen baden, want de kudde van de HEER wordt weggevoerd.

Jer.14:17 Zeg tegen hen: Laten mijn ogen vloeien van tranen, nacht en dag. Ogen, kom niet tot rust, want mijn volk is deerlijk verwond, niet te helen is zijn letsel.

Jeremia wordt ook wel de huilende profeet genoemd, want meer dan andere profeten moet hij zijn tranen laten vloeien over het volk van God vanwege hun ongehoorzaamheid en ook vanwege de ballingschap. Maar Jeremia huilt niet alleen uit zichzelf, hij is ook een profeet die namens God huilt; in bovengenoemde teksten is niet direct duidelijk of het Jeremia is die huilt of dat het de Heer Zelf is die huilt. Jeremia huilt als mens over zijn volk, maar hij huilt ook als profeet namens de Heer over het volk; hij is niet alleen een profeet van Gods woord maar ook een profeet van Gods emoties. Want in Zijn toorn heeft God Zijn oordelen over het volk uitgestort, maar in Zijn bewogenheid huilt het hart van God over Zijn volk omdat Hij het volk de rug heeft moeten toekeren. Jeremia is niet alleen de schrijver van het boek Jeremia, maar ook van het boek Klaagliederen; en dit boek is in dezelfde mate door de Heilige Geest geïnspireerd als elk ander Bijbelboek. Jeremia heeft God Zelf een klaaglied horen zingen, en door de Geest geïnspireerd heeft hij dit klaaglied opgeschreven.



Jer.9:8-11 Zou Ik hen hierom niet straffen? spreekt de HEER. Zou Ik Mij niet wreken op een volk dat zoiets doet? Ik weeklaag om de bergen, om de weidegronden hef Ik een klaaglied aan. Ze zijn verwoest, niemand trekt er nog doorheen, niemand hoort nog kudden blaten.

Vogels en vee, alles is op de vlucht. Ik maak Jeruzalem tot een ruïne, tot een oord voor jakhalzen. Ik maak Juda’s steden tot een woestenij, waar niemand meer kan wonen. Wie inzicht heeft moet dit doorgronden, wie naar de HEER geluisterd heeft moet het verkondigen.

Het oordeel van de Heer, Zijn wraak over de slechte daden van Zijn volk worden afgewisseld met Zijn weeklacht over de bergen en Zijn klaaglied om de weidegronden. Vervolgens roept de Heer Zijn oordeel over Jeruzalem tevoorschijn, en tenslotte vraagt de Heer aan de profeet om te verkondigen wat hij van de Heer gehoord heeft. De oordelen van God en het verdriet van God over de oorzaak van Zijn oordelen liggen heel dicht bij elkaar in de emoties van Gods hart, en elke waarachtige priester en profeet zal met deze emoties te maken krijgen en moeten leren daarmee om te gaan. Hetzelfde zien we in de profetie van Jeremia over het volk van Moab in Jer.48.

Jer.48:1 Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël, over Moab. Wee Nebo! Het wordt verwoest.

Jer.48:30-32a Ik weet, spreekt de HEER, hoe verwaand Moab is. Maar Moabs grootspraak stoelt op niets, zijn daden stellen niets voor. Daarom zal Ik jammeren om Moab, zal Ik huilen omdat hele land. Ik zal treuren om de inwoners van Kir-Cheres. En om jullie, de wijnstokken van Sibma, zal Ik luider huilen dan om Jazer.

Jer.48:36 Moab's rijkdom zal vergaan. Daarom klaagt Mijn hart als een schalmei om Moab, als een klagende schalmei treurt het over Kir-Cheres.

En niet alleen de profeet Jeremia wordt opgeroepen om het oordeel van de Heer te horen en het te verkondigen (Jer.9:11), en om deel te hebben aan het verdriet van zijn God, maar ook de klaagvrouwen in het volk van Juda worden opgeroepen om een klaaglied over het volk aan te heffen en dit klaaglied aan hun dochters te leren (Jer.9:16-20). De ware profeet is een profeet die het hart van God kent, en Zijn oordelen verkondigt, maar ook de tranen van God over het volk tot expressie brengt. De liefde van een echte profeet voor het volk van God zal nooit verdwijnen, en zelfs wanneer de Heer in Zijn toorn de profeet oproept om niet meer voor het volk te bidden (Jer.7:16, 11:14, 14:11), blijft hij toch vurig voor het volk bidden met het hart van een echte priester (Jer.15:11, 18:20). De waarachtige profeet van God is in de eerste plaats altijd een waarachtige priester van God, die op de bres staat voor Gods troon en aangezicht ten behoeve van het volk. En hij blijft bidden voor de redding van het volk, zelfs wanneer de Heer hem vraagt daarmee te stoppen, maar valse profeten springen niet in de bres voor het volk van God.



Ezech.13:5 Ze zijn niet in de bres gesprongen voor hun volk, ze hebben er geen muur om heen gebouwd waardoor het op de dag van de HEER in de strijd zou kunnen standhouden.

Ezech.22:30-31 Ik heb gezocht naar iemand die een muur om de stad kon bouwen, die voor het land in de bres wilde springen opdat het niet zou worden vernietigd, maar zo iemand heb Ik niet gevonden. Dus vervloekte Ik hen, met het vuur van Mijn toorn vernietigde Ik hen, Ik liet hun daden op hun eigen hoofd neerkomen, zo spreekt God de HEER.

Ezechiël wist net als Jeremia wat het betekende om op de bres te springen voor het volk van God, wanneer God Zijn oordelen aankondigde (Ezech.9:8, 11:13), want hij was geroepen om net als Jeremia een profeet te zijn, maar ook hij stamde af van een priesterlijk geslacht, net als Jeremia. De roeping van profeet werd vaak toevertrouwd aan priesters, omdat zij van jongsaf aan vertrouwd waren geraakt om ten behoeve van het volk op te treden voor Gods aangezicht. Ook Mozes wist van geen wijken, toen de Heer hem vroeg aan de kant te gaan, zodat Hij het volk kon vernietigen vanwege gruwelijke zonde (Ex.32:7-14, Num.14:11-20). Dat is de ware hartsgesteldheid van de priester-profeet; hij kent het hart van God en weet van de noodzaak van Gods oordelen, maar vereenzelvigt zich zowel met de emoties van Gods hart als de zwakheid van Gods volk. Ook Jezus zag dat Jeruzalem zich niet aan Hem wilde toevertrouwen (Luc.13:34-35), en Hij huilde over Jeruzalem omdat Hij het oordeel van God zag aankomen (Luc.19:41-44). Jezus profeteerde over de verwoesting van Jeruzalem (Luc.21:20-24), en Hij riep de dochters van Jeruzalem op om niet te weeklagen over Jezus, maar over zichzelf en hun kinderen (Luc.23:28-31).


E: Profetieën over de Heer Jezus Christus in het boek Jeremia.

In de Talmoed - het belangrijkste boek voor de Joden na de Thora - wordt Jeremia als de belangrijkste profeet beschreven, die als norm dient voor alle andere profeten. Zo kan het dus gebeuren dat Matteüs in Matt.27:9-10 een tekst uit het boek Zacharia citeert, maar deze toeschrijft aan de profeet Jeremia. De daar geciteerde tekst komt uit Zach.11:12-13, maar waarschijnlijk kon Matteüs zich niet herinneren in welk boek deze tekst stond, en dan was het de gewoonte om de profetie toe te schrijven aan de eerste van alle profeten, en dat was Jeremia. De profeet Jeremia wordt in het Nieuwe Testament geciteerd in Matt.2:18, 21:13, Marc.11:17, Luc.19:46, Rom.11:26-27, 1Kor.1:31, 2Kor.10:17 en Hebr.8:8-12, 10:16-17. Jeremia heeft maar tweemaal rechtstreeks over Jezus Christus geprofeteerd, maar er wordt vele malen indirect naar de tweede komst van Jezus verwezen.



Jer.23:5-6 De dag zal komen, spreekt de HEER, dat Ik aan Davids stam een rechtmatige telg laat ontspruiten, die als koning een wijs beleid zal voeren en die in het land gerechtigheid en recht zal handhaven. Dan wordt Juda verlost en zal Israël in vrede leven. Zijn naam zal zijn “De HEER is onze gerechtigheid”.

Jer.33:14-16 De dag zal komen, spreekt de HEER, dat Ik de belofte die Ik het volk van Israël en Juda heb gedaan, gestand zal doen. Op die dag, in die tijd, zal ik aan Davids stam een rechtmatige telg laten ontspruiten, die recht en gerechtigheid in het land zal handhaven. Dan wordt Juda verlost en de inwoners van Jeruzalem zullen in vrede leven. En de naam van de stad zal zijn “De HEER is onze gerechtigheid”.

Het opmerkelijke is dat dit twee identieke profetieën zijn met een opmerkelijk verschil, want in Jer.23:5-6 krijgt Jezus de naam Jehovah Tsidkenu (de HEER is onze gerechtigheid), maar in Jer.33:14-16 krijgt de stad Jeruzalem dezelfde naam Jehovah Tsidkenu. De gerechtigheid van Jeruzalem vloeit voort uit de relatie die de stad heeft met Jezus als de Koning der Joden, want alleen Zijn heerschappij kan gerechtigheid aan deze stad geven en en alleen Hij kan uit deze stad de gerechtigheid van God over de hele wereld laten verspreiden (Jes.2:2-4).


F: Overzicht van het boek Jeremia.

Hoofdstuk 1: de roeping van Jeremia.

Hoofdstuk 2-24: profetieën over Israël en Juda.

Hoofdstuk 25: profetie over de volken.

Hoofdstuk 26-28: een deel van de geschiedenis van Jeremia.

Hoofdstuk 29: een brief van Jeremia aan de ballingen in Babylonië.

Hoofdstuk 30-33: Gods belofte van de terugkeer van Joden in de eindtijd.

Hoofdstuk 34-45: geschiedenis van Jeremia en zijn secretaris Baruch.

Hoofdstuk 46-51: profetieën over de omringende volken.

Hoofdstuk 52: de verwoesting van Jeruzalem.


Hoofdstuk 1.

Jeremia werd door de Heer tot de bediening van profeet geroepen in het 13e jaar dat koning Josia over Juda regeerde, dat was in het jaar 627 voor Chr. De inhoud van hoofdstuk 1 is in het begin van dit document al uitvoerig behandeld.


Hoofdstuk 2-6.

Jer.2-6 lijkt de eerste profetie van Jeremia te zijn geweest die hij al uitgesproken heeft in de tijd van de nationale vernieuwing o.l.v. Josia, en dat was nog voordat Juda in ballingschap ging. In Jer.3:6 sprak de Heer al over de ontrouw van Juda ondanks de vernieuwing tijdens de regering van Josia. In dit gedeelte wordt geprofeteerd over het onheil dat uit het noorden komt, zonder dat de naam van Babel wordt genoemd (Jer.4:6, 6:1); bij zijn roeping was Jeremia al ingelicht over de vijand uit het noorden (Jer.1:13-15). Maar de naam Babel wordt pas voor het eerst in Jer.20:4 genoemd, en daarna nog vele malen in dit boek, en de naam van Nebucadnessar wordt pas voor het eerst in Jer.27:6 genoemd. Want in het begin van de bediening van Jeremia was het koninkrijk van Babel nog geen politieke factor van betekenis. Van 626-605 voor Chr. was Nabopolassar koning van Babylonië, en hij maakte van Babel een volk van betekenis; maar pas zijn zoon Nebucadnessar wist Babylonië tot een politieke grootmacht te maken, en hij regeerde van 605-562 voor Chr. daarom profeteerde Jeremia eerst over het volk uit het noorden. Deze eerste profetie van Jeremia wordt met een nogal opmerkelijke uitspraak over zijn bediening afgesloten.



Jer.6:27 Ik maak jou tot een keurmeester, je toetst de handelswijze van Mijn volk.
Hoofdstuk 7-10.

Jer.7-10 is een tweede profetie van Jeremia die hij later uitgesproken lijkt te hebben, en waarin het volk van God nog steeds naar de tempel gaat (7:1-15), maar hun vertrouwen is niet geworteld in de Heer en gehoorzaamheid aan Zijn geboden (7:5-10), maar op het uiterlijke vertoon van de tempeldienst (7:4). De Heer maakt Zijn volk duidelijk dat Hij deze tempel zal vernietigen zoals Hij ook de tabernakel van Silo heeft vernietigd (7:12-15), want alleen een heilig volk mag wonen in het heilige land van God (7:7). Naarmate deze profetie vordert, neemt het verdriet van de Heer steeds grotere vormen aan (8:18+21+23, 10:19-20).


Hoofdstuk 11-12.

In deze profetie neemt de rebellie van het volk van Juda steeds grotere vormen aan, want de Heer heeft al een samenzwering tegen Zichzelf ontdekt (11:9), een samenzwering die echter ook het leven van Jeremia treft, want de mannen van Anatot beraamden een samenzwering tegen de profeet met de bedoeling hem te doden (11:18-23). Jeremia gaat dan met God in discussie, terwijl hij weet dat God gelijk heeft en ook altijd wint (12:1-6), en de Heer geeft te kennen dat Hij Zijn volk Juda heeft opgegeven (12:7-17).


Hoofdstuk 13.

Deze profetie wordt geïnspireerd naar aanleiding van een opdracht die Jeremia moet uitvoeren met een leren gordel (13:1-7); de naam Perat komt vier keer voor in dit hoofdstuk (13:4-7), maar is in het Hebreeuws hetzelfde woord als de naam Eufraat. In het tweede gedeelte van dit hoofdstuk worden de koning en zijn moeder opgeroepen om van hun verheven zetel af te komen, want hun kostbare kroon zal vallen (13:18). Dit kan gezegd zijn tegen koning Jojachin en zijn moeder in de drie maanden dat Jojachin regeerde in het jaar 597 voor Chr.; toen werd hij met zijn moeder naar Babylonië gedeporteerd (2Kon.24:12).


Hoofdstuk 14-15.

Deze profetie kwam tot Jeremia naar aanleiding van een periode van grote droogte (14:1), terwijl valse profeten beweerden dat Juda gespaard zou blijven (14:13). Aan het eind stort Jeremia zijn hart uit bij de Heer, omdat hij een erg eenzaam leven leidt vanwege de roeping die God hem gegeven had (15:10-18), maar de Heer belooft hem dat Hij hem altijd terzijde zal staan en zal bevrijden (15:19-21).


Hoofdstuk 16-17.

Eerst krijgt Jeremia te horen dat hij niet mag trouwen en geen kinderen mag krijgen (16:2), en ook mag hij geen medeleven tonen in geval van rouw (16:5), en ook mag hij niet naar een huis gaan waar feest wordt gevierd (16:8). Want ouders en kinderen zullen aan dodelijke ziekten sterven (16:4), mensen zullen sterven en niet begraven worden (16:6), en elke vorm van feestvertoon zal uit het land verdwijnen (16:9). Maar tegelijkertijd belooft de Heer dat Hij het volk zal bevrijden uit alle landen waarin Hij hen verdreven heeft (16:15), en wanneer ze niet vrijwillig gaan, zal Hij hen zelfs laten opjagen (16:16). Hoofdstuk 17 profeteert over de diepe misleiding van het menselijke hart (17:1-11), en eindigt met de belofte dat er weer nakomelingen van David op de troon in Jeruzalem zullen zitten, wanneer het volk terugkeert tot de Heer (17:19-27).


Hoofdstuk 18-20.

Hoofdstuk 18 begint met een bezoek aan de werkplaats van een pottenbakker, waar Jeremia aanschouwelijk onderwijs krijgt over hoe de Heer met de volken op aarde omgaat. Want alle volken op aarde zijn in de handen van de Heer als klei in de handen van een pottenbakker, en de Heer modelleert elk volk op grond van de profetische boodschap die dat volk heeft ontvangen (vers 1-12). Maar Israël is als aardewerk dat niet functioneren wil volgens de bedoelingen van de Heer, want Gods volk verlaat de van oudsher vertrouwde wegen en gaat op ongebaande paden; en zo wordt het land een woestenij (vers 15-16). In hoofdstuk 19 geeft Jeremia zelf aanschouwelijk onderwijs aan enkele oudsten van het volk door een kruik van aardewerk voor hun ogen kapot te slaan, en daarbij de profetische boodschap te geven dat de Heer ook Jeruzalem zo zal kapotslaan, wanneer het volk blijft weigeren om naar de Heer te luisteren. In hoofdstuk 20 wordt Jeremia op grond van die woorden met een stok geslagen en gevangen gezet, waarna hij de volgende dag weer wordt vrijgelaten (vers 1-6). Daarna worstelt Jeremia met zijn roeping, en wenst hij dat hij nooit geboren was; net als Job vervloekt hij de dag van zijn geboorte, vergelijk Job 3:1-3 met Jer.20:14-15.


Hoofdstuk 21-24.

Deze hoofdstukken zijn profetieën tegen de slechte leiders van het volk Juda; eerst wordt er geprofeteerd tegen de koningen in hoofdstuk 21-22, en daarna tegen priesters en profeten in hoofdstuk 23. In hoofdstuk 21 geeft Jeremia een profetische boodschap mee aan de bode van koning Sedekia, en in hoofdstuk 22 profeteert hij tegen de zonen van Josia die hun vader zijn opgevolgd. In Jer.22:10-12 profeteert Jeremia tegen koning Sallum van Juda, maar dat is een bijnaam die Jeremia verzonnen heeft, want in werkelijkheid was dat Joachaz die maar drie maanden geregeerd heeft, en door farao Necho naar Egypte werd verbannen (2Kon.23:30-33, 2Kron.36:1-3). In Jer.22:13-23 profeteert Jeremia tegen Jojakim, ook een zoon van Josia, die door Nebucadnessar van Babylonië werd afgezet (2Kon.23:34-24:7, 2Kron.36:5-8). In Jer.22:24-30 profeteert Jeremia tegen Jojachin,, de zoon van Jojakim, die ook maar drie maanden geregeerd heeft en vervolgens naar Babylonië werd gedeporteerd (2Kon.24:8-16, 2Kron.36:9-10). De laatste koning van Juda was Sedekia met die Jeremia regelmatig contact heeft gehad.

In hoofdstuk 23 wordt er eerst geprofeteerd tegen de priesters (vers 1-4), die slechte herders

voor het volk blijken te zijn; deze profetie wordt afgesloten met de profetische belofte van de komst van de Messias die als een rechtvaardige koning over het land Israël zal regeren, en dan zullen de Israëlieten voor altijd in hun land blijven wonen (vers 5-8). Daarna volgt er een profetische waarschuwing tegen de valse profeten (vers 9-40). In hoofdstuk 24 belooft de Heer dat iedereen die in ballingschap naar Babylonië zal gaan, ook weer zal terugkeren naar het land Israël (vers 1-7), maar de koning en zijn raadsheren zullen tot een afschrikwekkend voorbeeld voor alle koninkrijk op de aarde zijn (vers 8-10).


Hoofdstuk 25.

Deze profetie werd door Jeremia uitgesproken in 606 voor Chr. tijdens de regering van koning Jojakim; dit jaar was het eerste jaar van koning Nebucadnessar van Babylonië (vers 1-2). In dit hoofdstuk wordt al aangekondigd dat de Babyloniërs alle volken in het Midden-Oosten zullen aanvallen o.l.v. koning Nebucadnessar, Juda als eerste (vers 9) en ook alle andere volken (vers 17-26). Maar na 70 jaar zal het Babylonische volk zelf moeten boeten voor alle misdaden (vers 12, 26b). Deze profetie loopt vooruit op de profetieën over de volken in hoofdstuk 46-51.


Hoofdstuk 26-28.

Deze drie hoofdstukken beschrijven een klein deel van de lotgevallen van Jeremia, de rest van zijn ervaringen worden in hoofdstuk 34-45 beschreven. Hoofdstuk 26 speelt zich af tijdens de regering van koning Jojakim, waarin Jeremia een profetie in de voorhof van de tempel uitspreekt, vervolgens gevangengenomen wordt en bijna ter dood veroordeeld wordt. Maar omdat hij geen angst toont en zijn leven volledig in de handen van de Heer legt, wordt hij door de Heer bevrijd (vers 12-15). Een andere profeet Uria profeteerde precies hetzelfde als Jeremia tegen Jeruzalem en Juda, maar toen de koning hem ter dood wilde laten brengen, vluchtte hij in paniek naar Egypte. Hij werd echter teruggebracht en alsnog ter dood veroordeeld (vers 20-23). Jeremia werd echter beschermd (vers 24), en zo zien we dat angst voor de dood een slechte raadgever is.

In hoofdstuk 27 moet Jeremia jukken met riemen naar de koningen van Edom, Moab, Ammon, Tyrus en Sion sturen (vers 3) via de afgezanten die in Jeruzalem waren; Jeremia geeft de profetische boodschap dat deze landen overgeleverd zullen worden aan de koning van Babel, Nebucadnessar (vers 4-11). Ook koning Sedekia krijgt dezelfde boodschap (vers 12-15), die door Jeremia ook tot de priesters en het volk van Juda wordt gesproken (vs.16). Op dat moment waren er al kostbaarheden van de tempel naar Babylonië afgevoerd tijdens eerdere invallen van het leger van Babylon in 606 v.Chr. en 597 v.Chr., zie 2kron.36:7+10. Maar op dat moment waren valse profeten bezig te beweren dat deze kostbaarheden weer zouden worden teruggebracht (vers 16); Jeremia profeteert echter dat alles naar Babel zal worden gebracht (vers 19-22). En dat is ook gebeurd in 2Kron.36:18.

In hoofdstuk 18 verzet Jeremia zich tegen een valse profeet met de naam Chananja, die beweerde dat het juk van de koning van Babylonië gebroken zou worden, en dat al het gerei van de tempel binnen twee jaar weer teruggebracht zou worden (vers 1-4); dit gebeurde in het jaar 593 voor Chr. Jeremia profeteert over deze valse profeet dat hij nog hetzelfde jaar zal sterven, en dat gebeurde ook (vers 7).


Hoofdstuk 29.

In dit hoofdstuk schrijft Jeremia een brief aan de ballingen van Juda, die tijdens de eerdere deportaties van 606 en 597 voor Chr. al naar Babylonië waren weggevoerd. Hij schrijft hen dat ze daar huizen moeten bouwen, tuinen aanleggen, hun kinderen moeten laten trouwen, en voor de stad bidden waarheen ze zijn weggevoerd; want de bloei van de stad zal ook voor hen bloei betekenen (vers 4-7). Ze moeten zich vooral niet laten misleiden door de valse profeten die beweren dat ze weer snel zullen worden teruggebracht naar het land Juda (vers 8-9). Want het woord van de Heer luidt dat deze Judeeërs 70 jaar lang in het land Babylonië zullen blijven, en dan zal de Heer hen laten terugkeren; deze profetie over een verblijf van 70 jaar vinden we al eerder in Jer.25:11 en nu in Jer.29:10. De brief werd tijdens de regering van koning Sedekia (597-586 voor Chr.) geschreven , en op grond van deze woorden begon de profeet Daniël later voorbede te doen voor Israël en Juda (Dan.9:1-3); dat was in 539 voor Chr, dus 47 jaar na de verwoesting van de tempel. De profetie van Jeremia is letterlijk in vervulling gegaan, want in 586 v.Chr. werd de tempel in Jeruzalem verwoest, en precies 70 jaar later werd de tempel in 516 voor Chr. voltooid; dat gebeurde in Ezra 6:15 mede dankzij de voorbede van Daniël.


Hoofdstuk 30-31.

De profetie in deze twee hoofdstukken is het hoogtepunt van het boek Jeremia, en Jeremia ontving deze profetie terwijl hij lag te slapen (Jer.31:26). Deze profetie spreekt over volledig herstel van het volk Israël en Juda, nadat de Heer hen teruggebracht heeft in het land en zij dat land in bezit zullen nemen (30:3). Maar de vervulling van deze profetie zal plaatsvinden in de eindtijd, want 30:24 spreekt in het Hebreeuws over het eind der dagen, waar de NBV spreekt over “eens”. Want eerst zal het volk van Jakob in grote nood komen tijdens de grote verdrukking (30:7), waarover Mozes al had geprofeteerd in Deut.28:49-50. Daniël noemde dit de tijd van ongekend grote verdrukking (Dan.12:1), wat later door Jezus geciteerd werd in Matt.24:21. Ook Ezechiël profeteerde daarover in Ezech.38-39; de boeken Joël en Habakuk gaan over deze crisis, en ook de profetie van Sefanja moet in dit licht worden begrepen. De Heer zal een woedende wind naar Israël sturen, een razende storm zal de verdorven Joden treffen; zie 30:23-24, en 23:18-20. Maar op die dag zal de Heer definitief het juk van de nek van Israël breken en zijn banden losrukken (30:8), want het is de tijd van de tweede komst van Jezus, de Joodse Messias (30:9). De Joden zullen van over de hele wereld naar het land Israël terugkeren (30:10), waarna het duizendjarige vrederijk zal aanbreken. Het volk Israël zal weer worden als vroeger (30:18-22), en het land Israël zal bloeien onder de zegen van de Heer, zoals Hij dat altijd heeft bedoeld (31:2-17).

Er gaat echter iets veel mooiers gebeuren, want de Heer zal ervoor zorgen dat Israël nooit meer in zonde en afgoderij zal vervallen; want de dag zal komen dat de Heer met Zijn volk een nieuw verbond zal sluiten, een ander verbond dan Hij met hun voorouders gesloten had, toen Hij hen uit Egypte wegleidde, want dat verbond hebben zij verbroken (31:31-32). Dit nieuwe verbond zal ervoor zorgen dat iedere Israëliet de Heer zal kennen, want Hij zal Zijn wetten in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven; dan zal de Heer werkelijk hun God zijn, en zij zullen werkelijk en voor eeuwig Zijn volk zijn. Ze hoeven elkaar dan niet meer te onderwijzen over een relatie met de Heer, want iedere Israëliet zal Hem kennen, en al hun zonden zullen vergeven zijn, en de Heer zal daar echt nooit meer aan terugdenken (31:33-34). Dit nieuwe verbond wordt ook genoemd in Jer.32:39-40 en 50:5+20. De dag zal komen dat de stad Jeruzalem zal worden herbouwd om nooit meer te worden verwoest (31:38-40).
Hoofdstuk 32-33.

Dit speelt zich af in het jaar 587 voor Chr. en dat is het laatste jaar vóór de val van Jeruzalem en de verwoesting van de tempel (32:1). De troepen van Nebucadnessar lagen al bijna een jaar rond de stad (2Kon.25:1), en de profeet Jeremia zat gevangen in het paleis (32:2-3). In de gevangenis ontvangt hij de opdracht om een stuk land van zijn familie te kopen (32:6-12), maar vervolgens bidt hij tot de Heer over deze situatie, omdat het hem onmogelijk lijkt dat hij ooit van het land gebruik zal kunnen maken (32:16-25). Het antwoord van de Heer luidt dat de Israëlieten terug zullen keren naar hun land, en dat ze daar in vrede zullen wonen; zij zullen het volk van God zijn, omdat de Heer met hen een eeuwig verbond zal sluiten waarin zij vervuld zullen raken met ontzag voor de Heer, zodat zij zich nooit meer van Hem zullen afkeren. Dan zal de Heer er weer vreugde in vinden om hen te zegenen en hen voorgoed in het land te planten; de Heer zal dat met hart en ziel doen (32:36-41). In hoofdstuk 33 krijgt Jeremia een tweede profetische bevestiging van deze belofte van terugkeer en herstel; de profetie van hoofdstuk 32-33 is een herhaling en een Goddelijke bevestiging van de profetie in hoofdstuk 30-31.


Hoofdstuk 34-45.

Deze hoofdstukken beschrijven verschillende gebeurtenissen in het leven van Jeremia en zijn secretaris Baruch tijdens de regering van Jojakim (hoofdstuk 35, 36) en van Sedekia (hoofdstuk 34, 37-39), en in de periode na de verwoesting van Jeruzalem (hoofdstuk 40-41) en de vlucht naar Egypte (hoofdstuk 42-44). Hoofdstuk 45 is een belofte van de Heer voor Baruch, de secretaris van Jeremia.


Hoofdstuk 46-51.

Deze hoofdstukken bevatten profetieën voor de volken van het toenmalige Midden-Oosten.

Hoofdstuk 46 bevat twee profetieën over Egypte.

Hoofdstuk 47 is een profetie over de Filistijnen.

Hoofdstuk 48 is een profetie over de Moabieten.

Hoofdstuk 49 bevat profetieën over Ammon (1-6), over Edom (7-22), over Damascus (23-27) en over Kedar en Chasor (28-33), en over Elam (34-39).

Hoofdstuk 50-51 is de langste profetie uit de hele Bijbel en gaat over de verwoesting van Babylonië; deze profetie is sterk verwant met Openbaring 18-19. Deze twee hoofdstukken beschrijven het werkelijke karakter van de geest van Babel, die al in Gen.10:8-12 voor het eerst openbaar wordt, vervolgens in Gen.11:1-9 zich verder ontwikkelt, en in de tijd van de koningen van Israël zijn oudtestamentische hoogtepunt bereikt, maar in de eindtijd de diepste vorm van goddeloosheid bereikt. Babel is de hamer van de hele aarde (50:23), een hoogmoedige stad (50:29-31), een land vol afgodsbeelden dat door demonen tot waanzin wordt gedreven (50:38), het hart van Gods tegenstander (51:1, zie NBG), de berg die de hele aarde verwoest (51:25), het goddeloze sieraad van de hele wereld (51:41). De echte koning van Babel is de duivel (Jes.14:4-20).
Hoofdstuk 52.

Dit hoofdstuk beschrijft de verwoesting van Jeruzalem en de tempel, dat ook in 2Kon.25 en 2Kron.36 beschreven wordt. Jeremia is ook voor ons een profeet van grote betekenis.









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina