Inventarisatie van (dader)preventie in Nederland bij de aanpak van Loverboyproblematiek



Dovnload 0.56 Mb.
Pagina1/21
Datum21.08.2016
Grootte0.56 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   21

Inventarisatie van (dader)preventie in Nederland

bij de aanpak van Loverboyproblematiek

Enschede, 16 februari 2009


Wendy Garnier

Masterthese Psychologie, afstudeerrichting ‘Veiligheid en Gezondheid’

Universiteit Twente

Begeleiding: Dr. C.H.C. Drossaert

Drs. I. Bakker
Bureau Nationaal Rapporteur Mensenhandel

Begeleiding: Dr. M. Smit


Inhoudsopgave





Inhoudsopgave 2

Samenvatting 4

Summary 5

1. Inleiding 6

2. Loverboyproblematiek 8

2.1 Begripsomschrijving 8

2.2 Proces 8

2.3 Ontstaan 11

2.4 Terminologie 12

2.5 Omvang 14

2.6 Aanpak via strafvervolging 15

2.7 De slachtofferkant 16

2.8 De daderkant 19

2.9 Gemeentelijke aanpak 22

2.10 Preffi 2.0 23

2.11 Doel van onderzoek 24

2.12 Probleemstelling en onderzoeksvragen 25

3. Methode 28

3.1 Kwantitatieve inventarisatie loverboyprojecten 28

3.1.1 Procedure en onderzoekssample 28

3.1.2Onderzoeksinstrument 29

3.1.3Analyse 29

3.2 Kwalitatieve inventarisatie dadergerichte interventies 30

3.2.1 Procedure en onderzoekssample 30

3.2.3 Onderzoeksinstrument 31

3.2.4 Analyse 31

4. Resultaten kwantitatieve inventarisatie loverboyprojecten 33

4.1 Respons 33

4.2 Interventietype 34

4.3 Methode 34

4.4 Doelgroep 34

4.5 Initiatiefnemer en samenwerkingspartners 34

4.6 Projectduur en continuïteit 37

4.7 Conclusies 38

5. Resultaten kwalitatieve inventarisatie dadergerichte interventies 39

5.1Interventieomschrijvingen 39

5.1.1Leerstraf Seksualiteit 39

5.1.2On Track Again II 40

5.1.3Project Beeldvorming 42

5.1.4Stedelijk Mobiel Jongeren Team 43

5.1.5Taskforce Aanpak Loverboys 45

5.2Theoretische onderbouwing, overdraagbaarheid en evaluatie 46

5.2.1Theoretische onderbouwing 46

5.2.2Overdraagbaarheid 47

5.2.3Evaluatie 48

5.3Preffi-beoordeling 49

5.4Conclusies 50

6. Discussie 52

6.1Interventietype 52

6.2Methode 53

6.3Doelgroep 54

6.4Initiatiefnemer en samenwerkingspartners 56

6.5Projectduur 57

6.6Theoretische onderbouwing 57

6.7Overdraagbaarheid 58

6.8Evaluatie 59

6.9Preffi-beoordeling 59

6.10Lege projecten 60

6.11Conclusies 61

Literatuur 63

Bijlage I. Relevante wetsartikelen Wetboek van Strafrecht 65

Bijlage II. Vragenlijst inventarisatie loverboyprojecten 67

Bijlage III. Interviewschema dadergerichte preventieprojecten 69

Bijlage IV. Inventarisatieoverzicht loverboyprojecten 72

85

Samenvatting



De problematiek aangaande het fenomeen ‘loverboys’, waarbij pooiers meisjes via verleidingstechnieken inpalmen om hen op den duur in de prostitutie uit te buiten, roept om een effectieve aanpak. Een volledig overzicht van de huidige interventies en de effectiviteit hiervan ontbreekt, met name over dadergerichte projecten is weinig bekend. Doel van onderzoek is het systematisch in kaart brengen van alle gemeentelijke initiatieven op het gebied van preventie van loverboyproblematiek, waarbij vooral wordt gekeken naar initiatieven die zijn gericht op de dader.

Alvorens is literatuuronderzoek uitgevoerd om de achtergrondfactoren bij het ontstaan van het verschijnsel loverboys uit te diepen. Vervolgens bestaat de onderzoeksmethode uit twee stappen: ter inventarisatie van projecten op het gebied van loverboyproblematiek zijn gemeenten en andere instanties die vermoedelijk loverboyprojecten uitvoeren telefonisch benaderd met een korte vragenlijst bestaande uit 10 items en ter verdieping zijn via een interviewschema bestaande uit 57 items, gebaseerd op diagnostisch kwaliteitsinstrument ‘Preffi 2.0’, gesprekken gevoerd met projectcoördinatoren van dadergerichte interventies.

De inventarisatie heeft in 37 projecten geresulteerd. Het blijkt hier vooral te gaan om incidentele projecten met een preventieve aanpak, gericht op voorlichting, met als doelgroep ‘risicomeiden’, ‘slachtoffers’ en ‘scholen’. Initiatiefnemers bij projecten zijn niet eenduidig te benoemen, wel kan gesteld worden dat er bij de meeste projecten wordt samengewerkt met meerdere partijen.

Uit de interviews bij dadergerichte interventies blijkt dat: er verschillende werkwijzen worden toegepast, de methodieken niet altijd theoretisch of empirisch onderbouwd zijn, niet alle interventies dusdanig gedocumenteerd zijn dat deze elders overdraagbaar zijn en vrijwel alle interventies procesevaluatie toepassen, echter effectevaluatie nauwelijks plaatsvindt. Volgens de Preffi 2.0, beoordelingsinstrument voor preventieprojecten, wordt over het algemeen goed gescoord op ‘randvoorwaarden en haalbaarheid’, ‘interventieontwikkeling’ en ‘implementatie’ en is er een zwakke beoordeling op ‘doelen’, ‘doelgroep’, ‘determinanten van (psychische) problematiek, gedrag en omgeving’ en ‘evaluatie’.

Er kan geconcludeerd worden dat er wel interventies zijn ontwikkeld ter bestrijding van loverboyproblematiek, maar dat er weinig bekend is over de effecten en er nauwelijks wordt gekeken naar de daderkant. Het is daarom wenselijk dat er effectevaluatie wordt toegepast en dat er een gestructureerde aanpak wordt ontwikkeld, opgesteld en geïmplementeerd volgens de richtlijnen voor effectieve interventieontwikkeling, met een theoretisch gefundeerde methodiek, met aandacht voor risicofactoren, zowel gericht op de slachtofferkant als de daderkant en met de mogelijkheid tot doorontwikkeling en structurele inbedding in het bestaande beleid.




  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   21


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina