Is iedereen muzikaal?



Dovnload 220.96 Kb.
Pagina1/3
Datum27.08.2016
Grootte220.96 Kb.
  1   2   3
Is iedereen muzikaal?
Context

Wanneer ben je precies muzikaal en is iedereen muzikaal? Deze vragen staan centraal tijdens de lessen. Het uiteindelijke doel van de lessenserie is, samen met de leerlingen, een onderzoekslab maken waarin ze hun zelfbedachte onderzoeksvraag over muzikaliteit gaan beantwoorden. Tijdens de eerste les staan de muziekbegrippen ritme, melodie, toonhoogte en muziekgenre centraal. Door middel van korte testjes kunnen de leerlingen hun eigen muzikaliteit testen. Tijdens de tweede les worden de criteria bedacht waaraan je moet voldoen om muzikaal te zijn en tijdens de derde les gaan de leerlingen een onderzoeksvraag bedenken en in groepjes bij een criterium een testje maken. In de vierde les vindt het onderzoekslab plaats en ten slotte in de vijfde les de nabespreking.


Inhoud en aanpak

De leerlingen vormen een beeld over wat muzikaliteit inhoud en welke criteria er zijn voor muzikaliteit. Ze zullen ervaren hoe het is om een echte onderzoeker te zijn en wat daar allemaal bijkomt kijken. Denk aan onderzoeksvraag formuleren, het volgen van een stappenplan, het leren van de begrippen anonimiteit en betrouwbaarheid. Ook komen er muziekbegrippen aanbod. De leerlingen leren over de begrippen toonhoogte, melodie, ritme en muziekgenre. Het bespreken van de begrippen en criteria gebeurt klassikaal aan het begin van de lessenserie. In de loop van de lessenserie zullen begrippen herhaald en gebruikt worden. Met de verschillende aangeleerde criteria voor muzikaliteit gaan de leerlingen zelf aan de slag. Als echte onderzoekers zullen zij een stappenplan volgen en zo tot een echt onderzoek komen om muzikaliteit te testen. De begrippen anonimiteit en betrouwbaarheid worden klassikaal besproken in de lessen waarin de leerlingen het onderzoek maken en uitvoeren. Ook houdt elke leerling gedurende de hele lessenserie een logboek bij. Waarin de begrippen, criteria en onderzoeksopzet terug te vinden is.

In de lessenserie is er plaats voor een bezoek van een wetenschapper. Als u in contact wil komen met een muziekwetenschapper kunt u kijken op de website: www.wka.uva.nl en via het loket naar een wetenschapper vragen. Dit is aan te raden, omdat de wetenschapper de lessenserie compleet maakt. De wetenschapper heeft een bredere kijk op muziek en kan dit overdragen aan de leerlingen. Daarnaast is de wetenschapper ervaren in het doen van onderzoek en kan als zodanig een voorbeeldfunctie vervullen. Ook worden de leerlingen extra gemotiveerd en kunnen ze de wetenschapper vragen stellen. Als u geen wetenschapper heeft kunnen regelen kunt u de rol van de wetenschapper overnemen.
Taalontwikkeling

Tijdens de lessen komt ook de taalontwikkeling aan bod. De leerlingen leren nieuwe woorden (muziekbegrippen) kennen, zoals absoluut gehoor, toonhoogte en genre. Ze leren ook onderzoeksbegrippen. De belangrijkste zijn anonimiteit en betrouwbaarheid. Daarnaast verbeteren ze hun leesvaardigheid, oefenen ze met het scannen van een tekst en met de essentie uit een stuk tekst halen.

Als laatste oefenen ze in de vijfde les hun mondelinge taalvaardigheid tijdens het presenteren.
Materialen


Het logboek, de filmpjes, de muziektesten, het contract, de tekst, de evaluatie-instrumenten en het muziek ABC zijn te vinden in de bijlagen.

- Logboek x het aantal leerlingen

- Filmpjes rond muzikaliteit

- Muziektestjes

- Digibord met aangesloten computer en internet

- Contract anonimiteit

- Tekst muzikaliteit criteria

- Materialen voor het uitvoeren van het onderzoek: muziekinstrumenten, stopwatch, Cd-speler, Computer waarop de leerlingen mogen werken

- Schrijf- en tekenmaterialen

- Gewoon papier en geruit papier voor het opschrijven van de resultaten

- Evaluatie instrumenten

- Het muziek ABC

- Eventueel labjassen voor tijdens het onderzoek en aankleding voor het inrichten van het lab.


Groepsindeling

Samenwerking is een belangrijk punt in deze lessenserie. Er wordt in groepsverband gewerkt aan het opstellen van een onderzoek. Een geschikte groepsgrootte is een groepje van vier of vijf leerlingen. Het is belangrijk dat de groepjes goed kunnen samenwerken om tot een mooi resultaat te komen. Het is als leraar dan ook belangrijk om goed na te denken over de groepssamenstellingen. In de lessenserie komen ook klassikale momenten aanbod, waarin ideeën worden uitgewisseld. De leerlingen vullen individueel hun logboek in.


Tijdschema


Lesfase

Tijdsduur

Confrontatie

15 min

Verkennen

60-75 min

Opzetten van experiment

90 min

Uivoeren van experiment

60-75 min

Concluderen

10 min

Presenteren

20 min

Verdiepen en verbreden

15-30 min



Lesdoelen
Inhoud

De leerlingen:




  • Voor het eerste en derde leerdoel is een evaluatie-instrument beschikbaar. Deze vindt u in bijlage VII.
    Weten aan het einde van de lessenserie wat de begrippen ritme, melodie, toonhoogte en muziekgenre inhouden.

  • Kunnen aan het einde van de lessenserie minimaal 1 test beschrijven om muzikaliteit te meten.

  • Kunnen aan het einde van de lessenserie minimaal 4 criteria noemen waarmee je muzikaliteit kan testen.


Onderzoek- en ontwerpvaardigheden

De leerlingen:




  • Het evaluatie-instrument voor deze leerdoelen vindt u in bijlage VII.
    kunnen aan het einde van de lessenserie in groepjes passende meetinstrumenten kiezen

  • kunnen de resultaten van de test nauwkeurig aflezen

  • houden rekening met de invloed van meetomstandigheden

  • kunnen aan het einde van de lessenserie in groepjes stap voor stap een onderzoeksopzet maken en uitvoeren.


Taalvaardigheden

De leerlingen:



  • Stellen vragen

  • Presenteren

  • Leren nieuwe muziekgerelateerde begrippen (absoluut gehoor, toonhoogte en genre) en onderzoeksbegrippen (anonimiteit en betrouwbaarheid) en gebruiken deze tijdens hun gesprekken.

  • Scannen een tekst op de bruikbare informatie.


Rekenvaardigheden

De leerlingen:



  • Werken met maatsindelingen

  • Leren informatie in een tabel te ordenen


Houding en inzichten

De leerlingen:

ontwikkelen hun nieuwsgierige en kritische houding

Les 1


confrontatie


De filmpjes vindt u in bijlage I


Introduceer het thema muzikaliteit aan de hand van filmpjes van Youtube. De leerlingen kijken gezamenlijk naar deze filmpjes. Het zijn vijf filmpjes. In het eerste filmpje zingt er iemand heel goed, in het tweede filmpje zingt er iemand heel slecht, in het derde filmpje wordt er gedanst, in het vierde filmpje wordt er een muziekinstrument bespeeld en in het vijfde filmpje danst en zingt een kind op muziek. De filmpjes worden besproken en de leerlingen beantwoorden de vraag wie er muzikaal is in deze filmpjes en waarom.


verkennen

Maak na de filmpjes, samen met de leerlingen, een woordweb rond het begrip muzikaliteit. Voer hierna een gesprek met de leerlingen over het woordweb. Mogelijke vragen kunnen zijn: wat is muzikaliteit en wanneer ben je muzikaal?



Het gesprek eindigt met de vraag: vind je jezelf muzikaal en waarom wel of niet?

De testen vindt u in bijlage I
De leerlingen gaan nu, aan de hand van een aantal testen op internet, kijken of ze muzikaal zijn. Na elke test wordt besproken welk begrip er precies gemeten werd en wat dit begrip inhoudt. Zorg er bij deze uitleg voor dat het begrip echt goed begrepen wordt. Laat ze bijvoorbeeld een aantal voorbeelden bedenken bij muziekgenre. Bekijk in het gesprek ook de verschillen tussen leerlingen. Hoe kan het dat de ene leerling wel deze vraag goed had en de andere niet? Kan dit bijvoorbeeld komen, doordat de ene leerling een muziekinstrument bespeelt en de andere niet? U zou hierbij kunnen ingaan op dat het gehoor van leerlingen die en muziekinstrument spelen beter ontwikkeld is en daardoor misschien beter ritme of toonhoogte kan onderscheiden. Laat de leerlingen hierover nadenken. Ze worden zo gemotiveerd om te onderzoeken.


taalvaardigheid

De volgende begrippen komen aan bod in de testen:


  • Ritme

  • Toonhoogte

  • Melodie

  • Emotie

  • Muziekgenre

Benadruk het bijhouden van het logboek. Het logboek vindt u in bijlage II.


De leerlingen schrijven in hun logboek de betekenis van de begrippen en of ze op dat punt muzikaal zijn. Daarna sluit u de les af en vertelt u wat er de volgende les op het programma staat.

Les 2


De vragen voor de test vindt u in het evaluatie-instrument in bijlage VII.




evaluatiemoment
U opent de les met een korte test om te kijken wat de leerlingen nog weten uit les één. U laat alle leerlingen de ogen sluiten en stelt vervolgens een vraag. Als de leerlingen denken dat het antwoord goed is doen ze hun handen in de lucht. Denken ze dat het fout is laten ze hun handen naar beneden. Na de vraag bespreekt u het goede antwoord. Deze procedure herhaalt u voor elke vraag.

Vervolgens vertelt u over het onderzoekslab dat de leerlingen gaan maken. U vertelt dat ze in groepjes gaan werken aan een onderzoekslab over muzikaliteit en u vraagt aan de leerlingen wat een onderzoekslab is. Om tot een onderzoekslab te komen moeten er criteria zijn waaraan mensen moeten voldoen om muzikaal te zijn. De leerlingen gaan nu in tweetallen overleggen welke criteria er zijn. Daarna worden deze criteria klassikaal ingebracht en op het bord geschreven.


verkennen



taalvaardigheid



De tekst vindt u in bijlage III.
Na het benoemen van de zelfbedachte criteria deelt u een tekst uit over muzikaliteit waarin de criteria benoemd staan. De leerlingen kunnen nu aan de hand van de tekst controleren of ze alle criteria al bedacht hadden. Als ze klaar zijn gaan ze alvast nadenken over hoe je een criterium zou kunnen testen.

Als de leerlingen allemaal klaar zijn kunt u de criteria bespreken. De leerlingen schrijven de criteria op in hun logboek.

U heeft de leerlingen al in groepjes gedeeld en ervoor gezorgd dat de leerlingen goed verdeeld zijn. Hierbij gaat het erom of de leerlingen een instrument bespelen, hoe goed ze zijn in onderzoeksvaardigheden en hoe sterk de leerlingen over het algemeen op school zijn.

De leerlingen worden in groepjes verdeeld en gaan in hun groepje overleggen welk criterium zij willen onderzoeken. Ze komen dit aan u vertellen en u verdeeld daarna de criteria. Als er meerdere groepjes voor eenzelfde criterium gaan, dan loot u en geeft u het verliezende groepje een ander criterium.




Les 3


Zie achtergrondinformatie voor informatie over het doen van onderzoek.


Les drie begint u in de kring. U herhaalt wat er in de voorgaande twee lessen is gebeurd. Hierna introduceert u de wetenschapper als u deze heeft kunnen regelen. De wetenschapper begint door zichzelf even voor te stellen en alvast enkele vragen beantwoorden. Hij houdt met de leerlingen een gesprek over onderzoek doen. Er wordt vooral gefocust op wat onderzoek is, hoe je de anonimiteit waarborgt en hoe je de onderzoeksresultaten meet. Het meten van de onderzoeksresultaten wordt aan de hand van een voorbeeld uitgelegd. Hij kan nog eens één van de testen uit de eerste les zien, bijvoorbeeld de test over de melodie. Hij geeft dan de leerlingen de keuzes uit de volgende meetinstrumenten:

  • Turven hoeveel leerlingen het goed hadden en hoeveel het niet goed hadden.

  • Met een horloge meten hoelang het duurt voordat de testpersonen het antwoord weten.

De meeste leerlingen zullen waarschijnlijk voor het eerste antwoord kiezen. De onderzoeker vertelt dan dat de manier van meten afhangt van de onderzoeksvraag. Als je wilde weten hoeveel jongens het antwoord goed hadden en hoeveel meisjes zou het al iets ingewikkelder geworden. Hij maakt met de leerlingen op het bord een tabel en laat zo zien hoe het er dan uit had gezien.

Hij vertelt de leerlingen dat de tijd meten bij een andere onderzoeksvraag wel handig zou zijn geweest. Bijvoorbeeld bij het volgende: Jan en Piet laten een heel bekend melodietje horen aan de testpersonen. Het melodietje is echter op een andere toonhoogte. Jan en Piet willen graag weten hoelang het duurt, voordat de testpersoon weet om welk liedje het gaat.

Met behulp van voorgaand verhaal kan er een bruggetje worden gemaakt naar de betrouwbaarheid van onderzoek doen. Telt het onderzoek ook als een testpersoon het liedje niet kent?

Hij vraagt of de leerlingen nog meer dingen kunnen bedenken waardoor een onderzoek eigenlijk niet goed is. Als de leerlingen nergens mee komen kan hij een voorbeeld geven over geluiden van buitenaf die de testpersoon mogelijk uit zijn concentratie kunnen halen.

Als laatste gaat de wetenschapper in op de samenwerking binnen een onderzoeksgroep. Er moet een duidelijke taakverdeling zijn en iedereen moet het uiteindelijk met de keuzes eens zijn.


In bijlage V kunt u het contract dat de leerlingen ondertekenen vinden.


De belangrijkste punten worden op het bord geschreven en de leerlingen nemen deze later over in hun logboek als ze weer op hun eigen plek zitten.

Voordat de onderzoeksvraag wordt opgesteld moet de anonimiteit nog even ter sprake komen. De wetenschapper laat alle leerlingen een contract tekenen, waarin staat dat ze de anonimiteit waarborgen en niets met de resultaten van het onderzoek zullen doen.




onderzoeksvragen stellen
De onderzoeker vertelt de leerlingen dat er voor het onderzoekslab een algemene onderzoeksvraag nodig is. Wat willen de leerlingen graag weten? De onderzoeksvragen worden geïnventariseerd en opgeschreven. Daarna wordt er gestemd. Bij de onderzoeksvragen kan er gedacht worden aan:

  • Zijn jongens muzikaler dan meisjes?

  • Zijn grote mensen muzikaler dan kleine mensen?

  • Zijn mensen die een muziekinstrument bespelen muzikaler dan mensen die er geen bespelen?

De leerlingen schrijven de onderzoeksvraag op in hun logboek.

Benadruk dat ze vanaf nu, in verband met de betrouwbaarheid van het experiment, het logboek op precies dezelfde manier invullen als de rest van hun groepsleden.

opzetten experiment

De leerlingen gaan daarna uiteen in hun groepjes en gaan aan de hand van het format in het logboek hun experiment opzetten. Hierbij worden ze geholpen door de docent en de eventuele wetenschapper. Het is handig als er minimaal drie docenten/wetenschappers in de klas zijn om te helpen.



Als de onderzoeksopzet is goedgekeurd door u of een andere docent/wetenschapper gaan de leerlingen aan de slag met het maken en uittesten van hun experiment en meetinstrument. U heeft ervoor gezorgd dat er verschillende materialen aanwezig zijn waar de leerlingen gebruik van kunnen maken. U kunt hierbij denken aan een stopwatch, een cd-speler, muziekinstrumenten of een computer bijvoorbeeld.

Het alfabet vindt u in bijlage IV.
Als de leerlingen klaar zijn maken ze een alfabet over het thema muziek. Bij elke letter schrijven ze een woord dat te maken heeft met muziek. Dit doen ze eerst individueel. Als ze het af hebben kunnen ze het vergelijken in hun groepje.

Als iedereen klaar is vertellen de groepjes kort aan elkaar over hun eigen test. Laat andere leerlingen reageren over de anonimiteit en de betrouwbaarheid van de test. De wetenschapper kan hierbij weer betrokken worden.

Daarna sluit u de les af en vertelt u wat er de volgende les op het programma staat.

Les 4


Zorg voor een vrije ruimte. Deze ruimte kunt u van te voren alvast inrichten en eventueel aankleden. Het is leuk als er bijvoorbeeld labjassen zijn.

uitvoeren experiment

U opent de les en vertelt wat er in de les gaat gebeuren. U legt uit dat de leerlingen vandaag hun experimenten gaan uitvoeren in het onderzoekslab (een ander lokaal) en daarbij de onderzoeksvraag gaan beantwoorden. De volgende punten zijn belangrijk:



  • Elk groepje heeft een eigen plek die ze op de plattegrond kunnen vinden. Op deze plek gaan ze straks hun experiment neerzetten.

  • Per groepje is er één persoon de onderzoeker. Hij of zij meet alle resultaten, schrijft deze nauwkeurig op en zorgt ervoor dat het anoniem blijft.

  • Alle andere leerlingen doen alle experimenten.

  • Op het signaal van de leerkracht wordt er doorgedraaid.

  • Als een groepje eerder klaar is wachten ze rustig op het wisselsignaal.

  • Aan het einde van de testen worden de gegevens verzameld en ingeleverd bij de leerkracht.

Mochten de testen teveel lawaai maken en mocht u niet genoeg of geen lege lokalen tot uw beschikking hebben, dan kunt u ook voor een andere organisatie kiezen. Dit geldt ook als u te weinig tijd hebt. U kunt de leerlingen de testen klassikaal laten afnemen waar mogelijk en de overige testen daarna buiten het lokaal. De groepjes die de testen klassikaal hebben afgenomen kunnen deze dan nakijken. De groepjes die dit niet hebben gedaan kunnen de leerlingen één voor één bij hen roepen om de test te doen.


Als de leerlingen klaar zijn neemt u alle testresultaten in, zodat u deze alvast kunt bekijken. U kunt er alvast zelf een tabel/grafiek van maken, voor het geval dat dit de leerlingen de volgende les niet lukt.

U sluit de les af in de klas en vertelt dat de volgende les de wetenschapper weer komt en dat de resultaten dan besproken zullen worden.



Les 5


concluderen


U opent de les en vertelt wat er op het programma staat. U laat daarna de leerlingen in hun groepjes evalueren over hun eigen test. Ze volgen bij dit gesprek het format uit hun logboek en vullen het logboek in.


  • Verliep de test hoe het hoorde?

  • Wat zijn de resultaten van de test?

  • Waren deze resultaten hetzelfde als je verwachtingen?

  • Wat is de conclusie (antwoord op je onderzoeksvraag)?




presenteren



Een voorbeeld van een tabel kunt u vinden in bijlage VI.
U laat de leerlingen daarna hun onderzoeksresultaten presenteren en invullen in een tabel op het bord. Hoe de tabel er precies uit komt te zien hangt af van de wijze van meten van de groepjes. Bij het invullen van de tabel zal mogelijk ook met percentages gerekend moeten worden in verband met een mogelijk ongelijk aantal leerlingen in de onderzoeksvraag.

De leerlingen maken en vullen deze tabel ook in hun logboek in.



Verdiepen


Nadat alle resultaten zijn gepresenteerd gaat de wetenschapper (en anders u zelf) een gesprek aan met de leerlingen. In dit gesprek komen de volgende punten aan de orde:



  • De resultaten

  • De conclusie (deze vullen de leerlingen in hun logboek in)

  • Hadden jullie deze conclusie verwacht?

  • Hoe verliep het onderzoek?

  • Zijn alle experimenten op de juiste manier gemeten?

  • Waren de experimenten betrouwbaar?

  • Hoe had het anders gekund?

  • Zijn er nog vragen over het onderwerp?



evaluatiemoment

De toets vindt u in bijlage VII (het evaluatie-instrument)
Na dit gesprek maken de leerlingen een toets om hun kennis te testen.

Daarna sluit u de les af en vraagt u wat de leerlingen ervan vonden, wat ze geleerd hebben en wat ze graag anders hadden gezien.


Achtergrondinformatie
Toelichting

Deze achtergrondinformatie is bedoeld voor de leerkracht en kan gebruikt worden tijdens de lessenserie. De informatie gaat dieper in op de stof en dient als extra kennis.


Wat is muzikaliteit?

Er is nog veel niet duidelijk over muzikaliteit. Er wordt al tijdens gezocht naar een juiste definitie en waarmee het te maken heeft. Heeft het bijvoorbeeld te maken met de gevoeligheid van je oren of met het vermogen om tonen te herkennen of juist om de juiste aansturing van de vingers. Daarnaast is het ook erg onduidelijk wat de biologische factoren zijn en of het erfelijk is. Zorgt de juiste positie van de haarcellen in je oor voor goede geluidsfrequenties of zit er iets in de hersenen wat voor een muzikaal gen zorgt? Ook omgevingsfactoren zouden voor een muzikaal persoon kunnen zorgen.


Muzikaliteit bestaat uit meerdere eigenschappen. Eigenlijk is iedereen die van muziek houdt muzikaal. Als muziek je helemaal niets zegt en je er ook helemaal niets mee kan dan ben je amuzikaal. Iemand die amuzikaal is zou wel noten kunnen lezen. Dit is namelijk een vaardigheid die iedereen met oefening kan leren en heeft daarom weinig met muzikaliteit te maken. Iemand die muzikaal is kan:

  • Toonhoogtes onderscheiden

  • Ritmes onderscheiden

  • Een tempo vasthouden

  • Een melodie onthouden en herkennen

  • Geëmotioneerd raken door muziek

  • Instrumenten herkennen

  • Afzonderlijke partijen herkennen in een band of orkestpartij

  • De maat meetikken of in de maat dirigeren

  • Een nummer nazingen of nafluiten

(popschool Maastricht, 2011)
Muziekbegrippen
Ritme

Regelmaat waarmee iets zich herhaalt. Een ritme in de muziek bestaat uit korte en lange tonen. Het is de verdeling van tijd binnen de maat.


Toon

Een voor het menselijk oor waarneembaar geluid met een vaste frequentie en een vaste klanksamenstelling.


Toonduur

De lengte van een toon


Toonhoogte

De hoogte van een toon. Hiermee wordt het aantal trillingen per seconde bedoeld. Het wordt uitgedrukt in hertz. De hoogte van de toon wordt aangegeven door de plaats van de noot op de notenbalk.


Melodie

Een opeenvolging van tonen die in combinatie met het ritme een muzikaal gestalte vormt.


Muziekgenre

Een stijl in de muziek.


Onderzoeksbegrippen
Betrouwbaarheid

De betrouwbaarheid van een test geeft de mate aan waarin meetresultaten een afspiegeling zijn van de te meten variabele. De metingen moeten vrij zijn van toevallige factoren.


Anonimiteit

Tijdens een onderzoek is het vaak niet gewenst dat de identiteit van de testpersonen bekend wordt. Daarom worden de testen vaak anoniem afgenomen.


Onderzoekend en ontwerpend leren

Informatie over de rol van de leerkracht tijdens onderzoekend en ontwerpend leren vindt u op:

http://igitur-archive.library.uu.nl/student-theses/2009-0828-200150/Masterthesis%20Veneklaas%2c%20LGW-3224384.pdf
Veneklaas, L. (2009) De rol van leraren tijdens Onderzoekend en Ontwerpend Leren (OOL) bij Natuur en Techniek in het Primair Onderwijs, De ontwikkeling van een observatie-instrument voor leraargedrag.



  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina