Is tongentaal iets stichtelijks? 1 Kor. 14: 1-7



Dovnload 45.21 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte45.21 Kb.
VIII. IS TONGENTAAL IETS STICHTELIJKS?

1 Kor. 14:1-7.


1.Jaagt de liefde na, en ijvert om de geestelijke gaven, maar meest, dat gij moogt profeteren.

2.Want die een vreemde taal spreekt, spreekt niet voor de mensen, maar voor God; want niemand verstaat het, doch met de geest spreekt hij verborgenheden.

3.Maar die profeteert, spreekt de mensen stichting, en vermaning en vertroosting.

4.Die een vreemde taal spreekt, die sticht zichzelf; maar die profeteert die sticht de gemeente.

5.En ik wil wel, dat gij allen in vreemde talen spreekt, maar meer, dat gij profeteert; want die profeteert, is meerder dan die vreemde talen spreekt, tenzij dan dat hij het uitlegt, opdat de Gemeente stichting moge ontvangen.

6.En nu, broeders, indien ik tot u kwam, en vreemde talen sprak, wat nuttigheid zou ik u doen, zo ik tot u niet sprak, of in openbaring, of in kennis, of in profetie of in lering?

7.Zelfs ook de levenloze dingen, die geluid geven, hetzij fluit, hetzij citer, zo zij geen onderscheid met hun klank geven, hoe zal bekend worden, hetgeen op de fluit of op de citer gespeeld wordt?

Schua ea schua ea

O tschi biro ti ra pea.
Dat zijn de eerste regels van een lied ('Laat mij gaan') in tongentaal. Op schrift gesteld door de zanger der tongenbeweging Paul von Steglitz (Duitsland/ Hamburg). Aan het begin van 20e eeuw.
Reeds eerder (in 19O6) was de Noorse Methodistische predikant T.B. Barratt gegrepen door de geest der tongentaal. In aanraking gekomen met de Azuza-Street Mission te Los Angeles waar het vuur van de Geest in 19O6 op velen gevallen was. 39 dagenlang bad hij om de ontvangst van de Geest en Zijn gaven; op een dag zelfs 12 uren achter elkaar.

En na de komst van de Geest schrijft hij: 'Ik werd vervuld door zulk een licht en kracht, dat ik met luide stem in een mij vreemde taal begon te roepen. Te oordelen naar de verschillende taalvormen en klanken moet ik in zeven of acht talen hebben gesproken....' 'Mijn hele wezen leek af en toe van binnen als met vuur vervuld en dan kwam ik weer tot rust in liefelijke liederen in een vreemde taal. O, wat een lof aan God kwam er uit mijn ziel voor Zijn genade. Ik voelde me zo sterk als een leeuw en ik weet nu, waar David en Simson hun kracht vandaan hadden.....'



Och, of al het volk des Heeren profeten waren

Tongentaal. Het is daarover dat de apostel Paulus uitvoerig schrijft in 1 Kor. 14. Een verschijnsel dat velen vandaag hoogst vreemd in de oren klinkt. Maar dat zich op een verrassende wijze in onze eeuw in allerlei vormen weer lijkt te openbaren.



Na het hoofdstuk over de liefde (hoofdstuk 13) neemt Paulus in hoofdstuk 14 de draad weer op van het onderwerp dat reeds uitvoerig aan de orde was in het 12e hoofdstuk, dat van de geestelijke gaven. Uit alles wat daarover reeds is gezegd, is duidelijk, dat men in Korinthe de gave van de glossolalie (het spreken in vreemde talen) behoorlijk op de spits dreef. Als ware dit de beste en meest geestelijke Geestesgave waarbij alle andere in het niet verzonken. Een privilege van een geestelijke elite waardoor al het andere niet of weinig meer kon meetellen.
En dat heeft de apostel ertoe gebracht om het de Korinthiërs op het hart te binden, dat alle gaven niets zijn, als de liefde ontbreekt. Maar ook dat men - als de liefde er maar is - toch ook moet staan naar al die uitingen van de Geest die Gods gemeente op aarde aanzien geven. In het 14e hoofdstuk van zijn brief voelt de apostel zich echter geroepen om zich met de Korinthische christenen af te vragen, of het spreken in vreemde talen nu werkelijk wel hét teken van de ware geestelijke mens genoemd kan worden. In de samenkomsten van de gemeente geeft Paulus hier duidelijk voorrang aan een andere Geestesgave, nl. de profetie.
Vandaar de inzet van dit hoofdstuk die heel het spreken over Geestesgaven beheerst. Jaagt de liefde na en ijvert naar de geestelijke gaven, maar meest, dat gij moogt profeteren (vs. 1). De liefde kan niet gemist worden. Zij is bron en doelwit van alles van wat Gods Geest geeft. Daar moet iedereen dus het meest achteraan zitten. Laat ieder zich bij alles afvragen: 'Waar ben ik mee bezig; wie en wat bedoel ik er eigenlijk mee?' 1. De liefde is de uitnemender weg. Vgl. 1 Kor. 12:10, 31; 14:12; 1 Thess. 5:20.
Maar als men dat spoor der liefde bewandelt, dan mag men ook zijn uiterste best doen om de geestelijke gaven (de 'pneumatica') te bezitten en te beoefenen. 2. En hoewel de ene gave van de Geest niet meer of minder is dan welke andere ook, laten de Korinthiërs dan maar het meest 3. verlegen zitten om de gave van de profetie. Dat is beter dan te wedijveren in tongentalen. Terwijl uiteraard elk streven om een uitblinker te willen zijn bij de wortel moet worden afgesneden. Vgl. M'Och, of al het volk des Heeren profeten waren'. Dat zei Mozes eens. En is het na de uitstorting van de Geest van Pinksteren op alle vlees niet van God uit mogelijk geworden, dat al het volk des Heeren profeten worden? Die Geest van Pinksteren staat met handen vol voor onze deur. Doe Hem open. Heet Hem welkom. Laat Hij u begiftigen met het beste. Laat heel het volk profeet zijn. Vgl. Num. 11:29; 1 Kor. 11:4v.
Maar - zo vraagt iemand - de gaven van Gods Geest mag men toch niet van God afpersen? Is het goed, dat ik uren- en dagenlang blijf bidden om iets dat ik zo graag heb? Het hangt er maar van af, waarom u het zo graag hebt. En het hangt er maar vanaf, dat u God de wet niet voorschrijft. Voor het overige: Vraag maar, bestorm de hemel, opdat u een echte en oprechte profeet zou kunnen zijn. Het mag. Al het volk. Iedere gelovige heeft de gave van de profetie binnen bereik van zijn biddende handen.
Maar waarom nu geeft de apostel Paulus aan deze gave van de Geest zo duidelijk voorrang op die andere, de glossolalie? Nogmaals, hij doet dat niet omdat hij de gaven van de Geest in rangorden indeelt. Er is niets uit de volle korf van Geestesgaven dat niet voluit meetelt in Gods gemeente. Maar Paulus vergelijkt hier twee Geestesgaven met elkaar en beoordeelt ze naar de maatstaf van hun opbouwende functie in de gemeentesamenkomsten. En dan moet er voorkeur zijn voor de profetie.

Wat is tongentaal?



Want die een vreemde taal spreekt, spreekt niet voor de mensen, maar voor God; want niemand verstaat het, doch met de geest spreekt hij verborgenheden. Maar die profeteert, spreekt de mensen stichting en vermaning en vertroosting (vs.2, 3). Ziedaar enkele kenmerkende dingen van beide Geestesgaven. Allereerst de z.g. glossolalie. 4.

Het woord is de letterlijke weergave van wat er in de grond tekst staat: spreken in een tong/ taal ('gloossa'). Een ingrijpend gebeuren, omdat de Heilige Geest iemands tong daarbij zodanig in beslag neemt, dat hij de grenzen van zijn moedertaal kan overschrijden en bij verrassing klanken gaat uiten, die hem eerder nooit over de lippen zijn gekomen en die hij ook nimmer heeft ingestudeerd. De Heilige Geest doet grote wonderen. Waarom zou Hij dat ook niet doen met het communicatiemiddel van de menselijke tong en taal? Rom. 11:25; 16:25; 1 Kor. 2:1, 7; 4:1; 13:2; 15:51.


Laat U mijn tong en mond

En 's harten diepste grond

Toch welbehaaglijk wezen.

(Psalm 19:7 ber.)


Ook in Hand.2 is er sprake van een tong- en taalwonder. De discipelen van Christus spreken op de Pinksterdag in talen die de Heilige Geest hen 'stante pede' - op staande voet - ingaf. Er is echter verschil met wat we over de glossolalie in Korinthe lezen. Bij de uitstorting van Gods Geest in Jeruzalem wordt er gesproken in bestaande volkstalen die verstaan worden door de omstanders, uitlandse Romeinen, beiden Joden en Jodengenoten: 'Wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken. Dus een 'taal- en hoorwonder' en niet alleen een 'hoorwonder'. Vgl. Hand. 2:11.
Of er in de gemeente van Korinthe ook in talen werd gesproken, die door eventuele buitenlandse gasten werden verstaan, is niet bekend. Uit het vervolg van wat Paulus schrijft in 1 Kor.14 moeten we concluderen, dat dit niet het geval was (zie vs. 4vv). Paulus zegt hier in elk geval niet, dat de tongentaal nuttig is uit missionaire overwegingen. Integendeel, hij schrijft, dat ze geen betekenis heeft met het oog op de stichting van de gemeente. Van een 'hoorwonder' zoals op de Pinksterdag (Hand. 2) is hier dus geen sprake.
De tongentaal is veeleer een Geesteswonder dat te maken heeft met de eigen stichting. Iemand die glossolaleert behoeft niet door medegelovigen en zelfs niet door mensen in het algemeen verstaan te worden. 5. De spreker in een vreemde taal weet alleen zelf wat hij zegt. Niemand verstaat het (vs. 2). Met zijn geest of door de Geest 6. spreekt hij verborgenheden ('mustèria'); dingen die het begrip te boven gaan. 7.
Wie het wel hoort en verstaat, is God. Net zo goed als Hij zelfs het woordeloze zuchten van de Geest in de harten van de gelovigen opvangt. Glossolalie is een 'Geest-elijke' aanbidding en lofzegging aan God. Met tongen en in een taal die zo anders is dan welke aardse taal ook, dat ze het beste 'hemeltaal' genoemd kan worden, taal die door hemellingen wordt gesproken en verstaan. Vgl. Rom. 8:26; 1 Kor. 14:28.
Nergens echter in wat wij erover horen in 1 Kor.12-14 is hier sprake van het ontvangen van boodschappen van God die d.m.v. een door niemand te controleren taal aan de gemeente zouden moeten worden overgebracht: 'Aldus spreekt de Heere'.... Er is veeleer eenrichtingverkeer, van de gelovige naar God toe.

Overigens mag niemand ontkennen, dat God ook vandaag bij machte en gewillig is om het Geesteswonder van de glossolalie aan de Zijnen te voltrekken. De Geest gaat door. Waarom niet ook onder ons? Waarom ook niet zo?



Wat is profetie?

En nu dan de profetie. Reeds eerder hebben we gelegenheid gehad om enkele kenmerkende dingen over de profetie te zeggen. 8. Iemand die profeteert, spreekt in zijn moedertaal. Maar dat wel op een bijzondere wijze. Hij doet het in een 'tale Kanaäns', d.w.z. met een tong die door de Geest is gekuist en in een taal die weliswaar geen geheimtaal is, maar toch ook door de wereld niet wordt doorzien. Hij houdt zich aan het geschreven en gepredikte Evangelie. En hij spreekt daarover met het oog op zijn eigen tijd. Hij laat Geesteslicht vallen op de vaak donkere wegen van Gods gemeente. Eigenlijk is hij voortdurend aan het interpreteren en wegwijzen. Dat is iets dat in de gemeente van Christus altijd gebeuren moet. Ook b.v. door een herder en leraar op een kansel. Maar in de profetie is het het gemeentelid dat zonder iets van tevoren op schrift gesteld te hebben, zich spontaan en 'geestdriftig' uit.


Maar wat eigenlijk het punt is, dat Paulus aan de orde stelt in 1 Kor.14 en wat het grote onderscheid uitmaakt tussen de glossolalie en de profetie, is kort gezegd, dat het in de gemeentesamenkomsten moet gaan om de stichting, de opbouw van de gemeente. En dan is het duidelijk, dat de profetie daar wel voor geschikt is, de glossolalie niet. Het gaat om: stichting, vermaning en vertroosting van de mensen. Dat is de algemene doelstelling. Paulus gebruikt geen lidwoorden. En hij heeft het over mensen. Iedereen moet het kunnen meemaken. Ook de gast en vreemdeling die een keer om het hoekje komt kijken. Hij moet erdoor gegrepen kunnen worden. Vgl. 1 Kor. 14:12.

Stichting, opbouw van de gemeente. 9. Dat is de kern waarom hier alles draait. Het moet niet kunnen voorkomen, dat mensen die een gemeentesamenkomst bezoeken noch koud noch heet worden van wat ze daar meemaken. Laten allen in vuur en vlam komen te staan. Vgl. Hand. 9:31.


Dat betekent niet, dat mensen in de gemeentesamenkomsten aangenaam bezig moeten worden gehouden. Het betekent, dat zij nooit met een kluitje in het riet moeten worden gestuurd. In de gemeente mogen wij best worden aangesproken over onze levenswandel en afgemaand worden van het pad van de zonde. Kwaad moet niet goed worden gepraat en goed niet kwaad. Het is zeker opbouwend, als we ons in Gods bedehuis diep in ons hart aangepakt gevoelen. Om vervolgens de deur uit te gaan met een heilig voornemen in ons hart om in de praktijk van het dagelijkse leven ons af te keren van onze dwaalwegen en om de wil van God in alles te betrachten. Vgl. 1 Thess. 2:12.
Vermaningen zijn opbouwend. Maar vermaningen zijn nooit alleen maar waarschuwingen. Ze zijn alleen echt opbouwend, als ze tegelijk ook bemoedigingen/ vertroostingen zijn. 1O. Wanneer wij menen, dat we bij iemand de waarschuwende vinger moeten opsteken, laten we dan niet vergeten hem tegelijk ook de arm om de schouder te slaan. Dan staan we echt naast hem. Wanneer wij een gemeente voor ons zien en er worden - om een enkel voorbeeld te noemen - kinderen gedoopt, laat ons dan denken aan die gehuwden die al jaren misschien het kruis van kinderloosheid moeten dragen. Of als we in de gemeente mannen en vrouwen bij elkaar zien zitten, vergeten we dan die vrouwen niet die geen man naast zich hebben en die mannen die hun geliefde echtgenote verloren en voortaan alleen op een kerkbank zitten. Vgl. Rom. 12:8.
Welnu, hoe nodig en nuttig is het, als er profeten in de gemeente rondlopen die de heilige kunst verstaan om mensen de arm om de schouder te leggen. Die hun medemensen de weg weten te wijzen in het gecompliceerde en moeitenvolle leven. Zodat zij weer een weg voor zich zien, waarop hun voet kan gaan. En opdat zij echt warm van binnen worden, wanneer zij horen, hoe de God aller vertroosting 'wolken, lucht en winden wijst spoor en loop en baan'.
Laat dat de pastorale motivatie zijn voor allen die een preekstoel beklimmen.Maar laat het ook het doel zijn, waarvoor elk gemeentelid die in Gods Naam zijn mond mag opendoen, zich inspant.
Paulus schrijft: Die een vreemde taal spreekt, die sticht zichzelf; maar die profeteert, die sticht de gemeente (vs.4).

Voorrang dus aan de profetie in de samenkomsten der gemeente. Laat het niet voorkomen, dat iemand in de gemeente in een tong/ taal gaat spreken met geen ander doel dan om opzien te baren of aandacht voor zichzelf te vragen.


Houdt dit alles dan in, dat de apostel de in Korinthe zo hoog geroemde glossolalie opeens van de tafel veegt als van nul en generlei waarde? Nee. Hij schrijft: En ik wil wel, dat gij allen in vreemde talen spreekt, maar meer dat gij profeteert; want die profeteert is meerder dan die vreemde talen spreekt, tenzij dan dat hij het uitlegt, opdat de gemeente stichting moge ontvangen (vs.5).
Als alle gemeenteleden in Korinthe in tong-/talen zouden spreken, zou daar geen bezwaar tegen zijn. Paulus beveelt zoiets niet. Hij schrijft niet: ik gebied het u. Hij schrijft: ik wil 11. Van harte aanbevolen. Maar onder één voorwaarde. Het moet opbouwend zijn. Nu, dat kan wel gezegd worden van de profetie die in haar wezen en bestemming gericht is op de stichting van de ander. Maar niet zonder meer van de glossolalie. Die kan alleen maar opbouwend zijn, wanneer de persoon die spreekt, het uitlegt, zodat ook anderen er wat aan kunnen hebben. Dat behoeft geen letterlijke vertaling van het gesprokene te zijn. Misschien is de persoon die spreekt in een tong-/taal ook niet direct in staat om alles wat hij zegt, woord voor woord te vertalen. Maar hij zal wel weten waarover hij het heeft gehad. En dat moet de gemeente ook weten. En als hij het zelf niet goed weet uit te leggen, laat een ander dat dan doen. 12. Of heeft de gemeente daar soms geen recht op? Vgl. 1 Kor. 14:13.
Het is nooit goed, als men maar raden moet naar iemands innerlijke gevoelens en naar de eigenlijke inhoud van zijn woorden. Een christen is niet iemand die het achterste van zijn tong nooit laat zien. Hij is geen puzzelboek. Hij is geroepen om tekst en uitleg te geven van zijn christen-zijn. Dat moet kunnen lijden. Wat hij denkt en zegt, moet de toets van de kritiek kunnen doorstaan. Anders kan het ook allemaal bedrog zijn, met veel bravoure voorgedragen. Vg. 1 Kor. 12:10.
Op glossolalie zonder meer zet Paulus dus de rem. Hij geeft de voorkeur aan de profetie. Dat maakt hij nog eens duidelijk door het volgende: En nu, 13. broeders, indien ik tot u kwam en vreemde talen sprak, wat nuttigheid zou ik u doen, zo ik tot u niet sprak, of in openbaring of in kennis of in profetie of in lering? (vs.6). Stel u voor: op een dag stapt Paulus binnen in een gemeentesamenkomst te Korinthe. Hij neemt het woord, 'begeistert' en verrukt. Maar de woorden die hem over de lippen rollen, zijn geen Griekse, ook geen Hebreeuwse woorden. Maar woorden van een tong-/taal. Stel, dat hij niets anders zou doen dan dat. Het zou 'abracadabra' (onbegrijpelijke taal) zijn. Men zou toch zeker terecht tegen hem zeggen:'Zeg, Paulus, heb je niet wat beters te doen? hier snapt niemand iets van; hier wordt niemand door gesticht.' En stel, dat daar toch iemand op zou staan, die zou kunnen zeggen, dat hij het wel begrepen had, dan nog zou de gehele gemeente buiten spel staan. Vgl. 1 Kor. 14:26.
Iemand vraagt, of men dan in Korinthe Paulus ooit in een tong-/taal had horen spreken? Dat is best mogelijk. In vs.18 dankt hij immers zijn God, dat hij meer vreemde talen spreekt dan alle christenen van Korinthe bij elkaar. Wat dat betreft kon Paulus wel beantwoorden aan de criteria die de geestelijke elite van Korinthe aan 'de geestelijke mens' gesteld wilde zien.

Toch - niettegenstaande dit alles - wil de apostel zich persoonlijk gaarne op het punt van de glossolalie inhouden (zie vs.19). Glossolalie is iets onbruikbaars, als daar niet ook iets anders bijkomt.



De fluit en de luit geven niet hetzelfde geluid

Wat dan? We lezen het in het slotgedeelte van vs. 6. Grote dingen waaraan de gemeente het oor te luisteren mag leggen. Een openbaring, d.i. een geheimenis van Gods Geest, door de Geest de mens in het hart en in het oor gefluisterd. 14. En dan: het uitdragen van kennis waardoor de gemeente op de hoogte van de heilsfeiten komt en inzicht krijgt in Gods heilshandelen 15. Verder: profetie waarmee de gemeente het levensspoor gewezen wordt. Ook: lering (zie vs. 26), d.i. het inprenten van de stukken van het geloof, de ruggestreng van de gemeente. Houdt u, mensen, aan de gezonde woorden van de Heere Jezus. Vgl. 1 Kor. 12:8.

Het is door dit alles, dat Gods gemeente binnen de perken mag blijven van een strijdvaardig bestaan. Het Woord alleen zal het doen. En daarbij moet ieder ertegen waken, dat hij niet een harddraver of hoogvlieger wordt. Geen enkele 'schrede boven de rechtvaardiging uit' 16. (vgl.1 Kor. 1O:1vv).
Met dit alles is duidelijke taal gesproken. Niettemin legt de apostel Paulus het nog eens uit. Aan de hand van een voorbeeld uit de muziekwereld. Zelfs (zoals 17.) ook de levenloze dingen , die geluid geven, hetzij fluit hetzij citer..(vs. 7a). Neem de fluit, neem de luit (harp) 18. Muziek in onze oren. Maar als iemand ons zou vragen welke klank de fluit en welke klank de luit geven, dan zeggen we niet: 'Het maakt niet uit; 't is gewoon muziek'. Nu ja, er zijn mensen die zo naar muziek luisteren. Inderdaad, het gaat hen meer om de cadans en het ritme dan om de veelzeggende klanken van de verschillende muziekinstrumenten. Zo leven ze op de achtergrond van de radio. Ganse dagen bij het werk. Zo zitten ze helaas ook soms in de kerk. Ze horen vertrouwde geluiden. Maar ze letten weinig of niet op de fijnzinnige tonen van fluit en luit, in het gesproken woord. Ze worden pas wakker, als er niets meer wordt gezegd. Zoals iemand die de aanwezigheid van een klok eerst opmerkt, als deze ophoudt met tikken. Vgl. Openb. 1:8.
Maar in de samenkomsten van de gemeente komen we niet om alleen maar geluid te horen. Taal die niet verstaan wordt. Tongentaal. We gaan hier niet slechts af op vertrouwde klanken van een prediking in de tale 'Kanaäns'. Ook al klinkt ons die nog zo bekend in de oren.

De gemeente is geen gehoorzaal waar een concert wordt opgevoerd door de helden van de taalwereld. En ze is al helemaal niet een concertzaal waar de muzikanten druk aan het oefenen zijn - vlak voor de uitvoering - ieder op zijn eigen instrument. Je kunt er geen touw aan vastknopen. De fluit en de luit zijn amper van elkaar te onderscheiden.


In Gods gemeente gaat men niet maar op klanken af. Daar gaat het om het eigen geluid van fluit en luit. D.w.z. dat de mensen moeten kunnen zeggen: 'Dat is een fluit en dat is de luit'. Men moet het eigenlijke van de instrumenten van Gods Geest, het lied van lof en dank aan God, op de hoge tonen van de fluit, maar ook het tere weemoedvolle uitzingen van smart op de snaren van harp kunnen onderscheiden. Het gaat om een herkenbare boodschap. Van 'psalmen die lief'lijk zijn en harten treffen' en van het lied van het Lam. 19.
Wanneer we aandachtig en nauwgezet geluisterd hebben naar wat ons in de eerste zeven verzen van 1 Kor.14 wordt voorgehouden, behoeft het ook voor ons niet moeilijk meer te zijn om te zeggen, waar ons hart naar uitgaat in de samenkomsten van de gemeente van Christus.
Hoe zalig is het volk dat naar Uw klanken hoort.

Zij wand'len, Heer', in 't licht van 't Godd'lijk Aanschijn voort.(Psalm 89:7 ber.)



NOTEN
1. Het Griekse werkwoord 'diokoo' = achtervolgen, ingespannen najagen. Vgl. Rom. 9:3Ov; 12:13; 14:19; Fil. 3:12; 1 Thess. 5:15; 1 Tim. 6:11; 2 Tim. 2:22.
2. Voor de betekenis van 'ijveren' (Gr.'dzèloöo') zie onze uitleg van 1 Kor. 12:31.
3. 'Meest' is weergave van het Griekse 'mallon'- meer, hier in de betekenis van 'meest'. Zie ook het Griekse woord 'mallon' in vs. 4 waar het ook wel vertaald kan worden met 'meer' (vgl. het daarna volgende woord 'meidzoon'; zie ook 1 Kor. 13:31). Ligt er in deze eerste zin van 1 Kor.14 een herinnering aan wat de Korinthiërs mogelijkerwijs aan Paulus in hun brief hebben gevraagd: 'Naar welke gave van de Geest moeten wij het meest staan?'
4. Voor het spreken in een tong/ taal zie verder in 1 Kor.14: vs. 4, 13, 14, 19, 22, 26, 27. J. Calvijn, a.w., blz. 23O meent, dat 'Paulus allerlei talen prijst, die slechts dienden om het Evangelie onder alle heidenen te openbaren'. O.i. echter gaat het in 1 Kor.14 niet om het spreken in vreemde talen in het perspectief van de verbreiding van het Evangelie, zoals in Hand.2.

Het Griekse woord 'gloossa' kan zowel tong als taal betekenen. Het gaat hier om een wondere werking van Gods Geest die 's mensen tong en taal in beslag neemt. H.D. Wendland, a.w., S. 134ff zegt, dat het woord drie betekenissen heeft: a. tong (spreken in tongen zou dan inhouden, dat het verstand daarbij is uitgeschakeld); b. spraak (bestaande talen; zie J. Calvijn); c. ouderwetse of onverstaanbare uitdrukking. Wendland kiest voor de derde betekenis en omschrijft 'die Zungenrede als ein Sprechen Geistergriffener, das sich geheimnisvoller, unver-ständlicher Ausdrücke bedient'. Hij vermoedt, dat deze oer-christelijke extase een christelijke vormgeving is van een hellenistische voorstelling van de wonderlijke hemeltaal waarin men in de hemel met God spreekt (J. Weisz). Vgl. 1 Kor. 13:1; 2 Kor. 12:4; Openb. 14:3. O.i. moeten we overigens wel uiterst voorzichtig zijn om verband te leggen tussen de tong-/taal als verschijnsel van de Geest en de 'voces mysticae', het geheimzinnige stamelen van de antieke 'Zauberpapyri' en dan voorts de 'glossolalie' te kwalificeren 'als merkwaardige omwegen die de levende God niet bewandelt (aldus Werner de Boor, a.w., S.232f). Paulus wijst de 'tong-/taal' in Korinthe niet van de hand als iets heidens en onzinnigs.


5. 'Spreekt niet voor mensen' (het lidwoord voor mensen ontbreekt in de grondtekst). Letterlijk staat er verder: 'niemand hoort' (hoort in de zin van verstaat). H.D.Wendland, a.w., S. 135 schrijft: 'Der Zungenredner ist in seiner ekstatisc hen Rede allein mit Gott verbunden, die anderen aber können an dieser Verbundenheit nicht teilhaben.'
6. De Griekse woorden 'pneumati de lalei mustèria' kunnen beide betekenissen hebben.
7. Het spreken van 'mustèria' is hier niet hetzelfde als in 1 Kor. 13:2. Terecht zegt Gordon D.Fee, a.w., p. 656, dat deze verborgenheden juist wel bedoeld zijn om geproclameerd te worden en niet zozeer om ermee tot God te gaan zoals in 1 Kor. 14:2 (vgl.1 Kor. 2:16). Het gaat hier over een geheimtaal die het begrip te boven gaat en die bedoeld is om te communiceren met God. J.Calvijn, a.w,, blz. 229 duidt het begrip 'mustèria' in 1 Kor. 12:2 slechts 'in kwade zin' als: duistere en onverstaanbare woorden. O.i. echter is dat slechts één kant van de zaak.
8. Zie o.a.bij onze verklaring van 1 Kor. 12:1O. Zie verder 1 Kor.14 naast vs. 1 en 3 ook: vs. 4, 5 (tweemaal), 6, 22, 24, 29, 31, 32 (tweemaal), 37 en 39.
9. Gr.'oikodomè' = de bouw van het huis (van de gemeente). Zie voor de uitleg van dit woord: 1 Kor. 3:1O; 8:1O; 1O:23. Hoewel in vs. 4 van 1 Kor.14 de eigen stichting niet als onbelangrijk wordt gezien, ligt bij 'stichting' in het NT toch meestal de nadruk op de opbouw van elkaar (de gemeente). Zie Werner de Boor (a.w., S. 234). J. Calvijn, a.w., blz. 229 omschrijft het woord als 'leer waardoor wij onderwezen worden tot godzaligheid, tot geloof en tot dienst en vreze Gods en tot werken der heiligheid en rechtvaardigheid'.
1O. Voor 'vermaning' wordt hier het bij Paulus gebruikelijke woord 'paraklèsis' gebruikt. In het Evangelie naar Johannes is het de Heilige Geest die Parakleet heet. De in Christus' plaats getredene die erbij geroepen is. Als een bijstand (advocaat) van Gods gemeente. Letten we erop, dat Zijn werk als Parakleet vermanen en vertroosten is in één adem. Waarschuwen en bemoedigen horen bij elkaar. Op dat laatste valt alle nadruk in het andere woord, dat in 1 Kor. 14:3 gebruikt wordt, het Griekse woord 'paramuthia' - aanmoediging. Vgl. ook 1 Kor. 14:31; Fil. 2:1; 1 Thess. 2:12. Zo oefent dan de Geest Zijn ambt als Parakleet uit in de arbeid van hen die opbouwend tot vermaning en vertroosting in de gemeente werkzaam zijn.
11. Gr.'theloo' = wensen, niet: gebieden.
12. Het Griekse 'diermèneuoo' = vertalen, interpreteren. Het behoeft hier niet te gaan om een exacte woord-voor-woord vertaling waarvoor men bij een eventueel examen een tien zou halen. Bedoeld is vermoedelijk, dat de boodschap van het gesprokene zuiver moet worden vertolkt in een taal die ieder verstaat. Hetzij door de spreker zelf hetzij door iemand anders. Vgl. 1 Kor. 14:26v. Zie G.Kittel, a.w., Bnd. II, S.66Off. De Griekse woorden 'ektos ei mè' in het tweede deel van vs. 5 betekenen: tenzij dan dat...(mits);zie 1 Kor. 15:2; 1 Tim. 5:19.
13. 'Nuni de' ,de Griekse woorden waarmee vs. 6 beginnen, geven een logische voortzetting van Paulus' betoog weer: als ik nu eens...'Nu' is hier niet temporeel (vgl. de behandeling van dit woord onder 1 Kor. 13:13).
14. Zie voor het woord 'apocalupsis':Rom. 2:5; 8:19; 1 Kor. 1:7; 2 Thess. 1:7 (i.v.m. de wederkomst van Christus); verder: Gal. 1:12; 2:2 (i.v.m.de overdracht van het Evangelie door Christus aan Paulus en van Gods wil in zijn leven). Gordon D.Fee, a.w., p.662 (note 14) veronderstelt, dat het woord in 1 Kor. 14:6 met het laatste samenhangt. Het kan ook zijn, dat de apostel meer doelt op wat hij in 2 Kor. 12:1, 7 vertelt (de geheimenissen van de derde hemel).
15. 'Apocalupsis' en 'gnosis'(Gr) - openbaring en kennis komen hier paarsgewijs voor (vgl. 1 Kor. 13:2); zo ook profetie en lering (Gr.'didachè'). J. Calvijn, a.w., blz.23Ov verbindt 'openbaring' meer met 'profetie' en 'kennis' meer met 'leer'. Met 'didachè' doelt Paulus in elk geval op de overdracht van de apostolische leer. Het valt niet in te zien, wat Gordon D.Fee, a.w., p.663 (note 19) beweert, nl. dat het hier slechts om de Geestesuiting gaat en niet om 'leer'. Dat in vs. 7 weer een andere opsomming van gaven genoemd wordt dan die van 1 Kor.12 (vs.8vv en vs.28vv), ook dan die van 1 Kor. 13:1v en die van Kor. 14:26 wijst erop, dat het Paulus hier nergens gaat om volledigheid. Hij maakt selecties.
16. Met deze woorden signaleert Kurt Hutten in zijn boek over secten en stromingen het gevaar dat ons bedreigt, als wij alles op de noemer zetten van opzienbarende Geestesuitingen.
17. Vs. 7 begint in het Grieks met 'homoos' dat het beste weergegeven kan worden met: zoals. Vgl. Gal. 3:15. Met de vergelijking met 'levenloze dingen die geluid geven' (Gr.'ta apsucha phoonèn didonta') wil Paulus aantonen, dat het ook in de 'onbezielde' schepping niet alleen maar om geluiden gaat, maar om herkenbare klanken.
18. De instrumenten die hier genoemd worden, zijn (Gr.) de 'aulos'- fluit en de 'kithara'- citer of harp (een instrument met vier, later met zeven snaren), ook wel in heidense erediensten in gebruik.
19. Het gaat Paulus in dit beeld niet om het punt van een herkenbare melodie, zoals Gordon D.Fee, a.w., p. 664 suggereert, maar om het punt van een herkenbaar klankonderscheid (Gr.'ean stolèn tois phthoggois'; letterlijk: een uiteenzetten/ onderscheid aan stemgeluiden). Een fluit en een harp hebben elk een eigen klank waaraan zij te herkennen zijn.

G E S P R E K S V R A G E N

1. Er zijn enkele opvallende verschillen tussen het spreken van de discipelen in vreemde talen op de Pinksterdag (Hand.2) en het spreken in tong-/talen in Korinthe (1 Kor. 14 vooral). Welke zijn die verschillen?


2. Kunt u een aantal dingen noemen die kenmerkend waren voor het verschijnsel van de glossolalie in Korinthe volgens 1 Kor. 14?
3. Welk gevaar liepen de Korinthiërs bij het beoefenen van de tong-/taal? En is het verschijnsel van de 'glossolalie' in onze tijd altijd betrouwbaar?
4. Waarom spreekt Paulus één en andermaal zijn voorkeur uit voor de profetie? Wat is volgens hem 'stichtelijker' en waarom?
5. Uit 1 Kor. 14 kunnen we de conclusie trekken, dat Paulus zelf ook wel in tong-/talen heeft gesproken. Als hij ons in vs. 1 opwekt om ons uiterste best te doen om de geestelijke gaven te beoefenen, betekent dat dan, dat wij ook vandaag nog zouden moeten bidden om de gave van de 'glossolalie'?








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina