Islamisering versus Democratisering Egypte, Syrië en de Moslim Broederschap



Dovnload 280.94 Kb.
Pagina1/7
Datum18.08.2016
Grootte280.94 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7
Islamisering

versus

Democratisering

Egypte, Syrië en de Moslim Broederschap

24 december 2009

Charlotte Taffijn

Begeleider F. Joustra

Inhoudsopgave

Inleiding………………………………………………………………………………….....5

Hoofdstuk 1 Theoretisch kader………………………………………………………….11

§1.1. Democratie volgens Robert Dahl…………………………………………………...11

Polyarchie………………………………………………………………………………… 13

Kritiek op Dahl…………………………………………………………………………… 15

§1.2. Politieke cultuur volgens Almond en Verba……………………………………….17

Civic culture……………………………………………………………………………… 19

Kritiek op Almond en Verba……………………………………………………………… 20

§1.3. Larry Diamond……………………………………………………………………...22

Kritiek op Diamond………………………………………………………………………. 24

§1.4. Conclusie…………………………………………………………………………… 27

Hoofdstuk 2 Islamisering…………………………………………………………………28

§2.1. Bronnen……………………………………………………………………………..29

Imperialisme……………………………………………………………………………… 29

Falend overheidsbeleid…………………………………………………………………... 30

Secularisatie……………………………………………………………………………… 32

§2.2 Islamisering in Egypte en Syrië…………………………………………………......33

Islamisering in Egypte op sociaal en cultuur gebied en zijn gevolgen…………………... 33

Islamisering in Egypte op het politieke vlak en zijn gevolgen.............................................34

Islamisering in Syrië op het sociale en culturele vlak en zijn gevolgen………………..... 36

Islamisering in Syrië op het politieke vlak en zijn gevolgen……………………………... 37

§2.3. Islamisering binnen de Moslim Broederschap…………………………………….38

§2.4. Conclusie…………………………………………………………………………… 40

Hoofdstuk 3 Democratisering……………………………………………………………41

§3.1. Bronnen……………………………………………………………………………..42

§3.2. Democratisering in Egypte en Syrië………………………………………………..43

Gekozen regeerders (1) en vrije, eerlijke en regelmatige verkiezingen (2)……………… 43

Vrijheid van meningsuiting (3) en toegang tot alternatieve informatiebronnen (4)……... 46

Recht van vereniging (5)…………………………………………………………………. 49

Inclusief burgerschap (6)………………………………………………………………… 51

§ 3.3. Democratisering binnen de Moslim Broederschap………………………………..54

§ 3.4.Conclusie…………………………………………………………………………… 56

Hoofdstuk 4 Politieke cultuur en conclusie……………………………………………..57

§4.1. Politieke cultuur in Egypte en Syrië en binnen de Moslim Broederschap………...57

Egypte……………………………………………………………………………………. 58

Syrië………………………………………………………………………………………. 59

Moslim Broederschap…………………………………………………………………….. 60

§ 4.2. Islamisering en politieke cultuur…………………………………………………..62

Egypte……………………………………………………………………………………. 63

Syrië………………………………………………………………………………………. 64

Moslim Broederschap……………………………………………………………………..65

§ 4.3. Democratisering en politieke cultuur……………………………………………...66

Egypte……………………………………………………………………………………. 66

Syrië………………………………………………………………………………………. 67

Moslim Broederschap…………………………………………………………………….. 68

§ 4.4 Conclusie………………………………………………………………………….... 69

Literatuurlijst……………………………………………………………………………...71

Inleiding

“Iman geeft Verdonk geen hand.”1 “Betrapte homo in Iran krijgt zweepslagen of de doodstraf.”2 Dit is maar een kleine greep uit de artikelen die een willekeurige krantenlezer bijna dagelijks tegenkomt in de populaire pers. Meestal schetsen de auteurs geen al te positief beeld van deze godsdienst, die 1,2 miljard aanhangers over de hele wereld telt. Voor de terroristische aanslagen in New York, Madrid en Londen was de berichtgeving al niet rooskleurig, maar hierna is de negatieve beeldvorming over de islam alleen maar toegenomen. Politici als Pim Fortuyn en Geert Wilders gooiden olie op het vuur door de islam een ‘achterlijke cultuur’ te noemen respectievelijk door te claimen dat de islam een fascistisch gedachtegoed predikt en de democratie om zeep dreigt te helpen.3 Uit opinieonderzoek blijkt dat van de 750 ondervraagde Nederlanders een meerderheid de islam als een intolerante, vrouwonvriendelijke en humorloze godsdienst beschouwt. De helft meent tevens dat islam en democratie niet hand in hand kunnen gaan.4

Veel moslims beschouwen hun godsdienst echter niet als zodanig. Zij zijn het dan ook niet eens met deze verwijten en wijzen op het feit dat binnen de islam vele verschillende groeperingen en subgroepen bestaan. Dé islam bestaat daarom niet.5 De opvattingen en interpretaties van de Koran lopen niet alleen tussen landen uiteen, maar ook binnen regio’s. Toch hebben wel alle moslims gemeen dat ze zich houden aan de in de Koran opgelegde rechten en plichten, deze zijn door Allah aan de profeet Mohammed doorgeven. De gelovigen baseren zich tevens op de Hadith, dit zijn de overleveringen van Mohammed en zijn opvolgers. De groepen binnen de Islam verschillen in de mate waarin en de wijze waarop ze de Koran en Hadith uitleggen.6

Deze discrepanties binnen de islamitische wereld komen onder andere tot uiting in de wetgeving. Een land als Saoedi-Arabië, de bakermat van de islam, heeft bijvoorbeeld de shari’a als wetgevingsorgaan. Dit zijn uit de Koran en Hadith samengestelde wetten. Andere landen, zoals Egypte, hebben naast de shari’a ook een westers model van wetgeving. Nog minder invloed heeft de islamitische wetgeving in een land als Marokko, waar deze alleen van toepassing is op het familierecht. Veruit het populairst is een combinatie van beide wet-gevingsstelsel, zoals in Egypte.7

Werkelijk seculiere landen zijn in de Arabische wereld dan ook lastig te vinden. Religie speelt niet alleen een rol in de wetgeving, maar ook vaak in de politiek. Eén van de oudste en grootste religieuspolitieke partijen is de Moslimbroederschap (MB). Deze claimt een islamistische organisatie te zijn die democratische principes nastreeft.8 Het is interessant om te onderzoeken of dit daadwerkelijk mogelijk is of dat een democratische islamistische politieke partij een contradictio in terminis is. De hoofdvraag van dit onderzoek luidt dan ook: “In hoeverre beïnvloedt de in Egypte en Syrië heersende politieke cultuur de mogelijkheid tot democratisering dan wel islamisering en welke invloed heeft deze politieke cultuur intern op de Moslim Broederschap?”

De Moslim Broederschap is in 1928 opgericht door de Egyptische onderwijzer Hassan Al-Banna (1906-1949). Hij was tot aan zijn dood de eerste leider van deze organisatie en zag het als zijn taak om moslims weer in contact te brengen met de Koran en de Soenna. Zijn volgelingen en hij deden dit op soms onorthodoxe plekken zoals koffiehuizen, maar ook gewoon in moskeeën. De organisatie hechtte dan ook groot belang aan de ‘islamitische opleiding’ van zijn leden. Voor de buitenwereld was de MB voornamelijk een welzijnsorganisatie. De Broeders konden op deze manier profiteren van het uitgebreide netwerk opgedaan in de moskeeën, via de predikers, de viering van de Islamitische feestdagen en bij andere welzijnsorganisaties.

Na een paar jaar echter ontwikkelde de groepering de basis voor een moderne ideologie en formuleerden ze politieke, sociale, economische en religieuze hervormings-programma’s. In Egypte was dit een nieuw fenomeen, omdat het tot die tijd niet de gewoonte was om religie met politiek te vermengen.9 In 1939 veranderde de organisatie officieel van een welzijnsorganisatie in een politieke partij met de Koran en Hadith als uitgangspunt.10 Al-Banna beschouwde armoede als een sociale ziekte die op te lossen was door het ‘ware geloof’, de islam, te volgen. Dit houdt een terugkeer in naar de oude tradities zoals overgeleverd door Mohammed. De leider van de Broederschap beschouwde tevens iedereen die zich hier niet aan hield als een vijand van de Islam.

Al-Banna’s opvattingen vonden gehoor bij de Egyptische bevolking. Het aantal leden van de groepering steeg dan ook razend snel; in 1949 telde de groepering al ongeveer een half miljoen broeders, hoewel andere bronnen al spreken van één miljoen alleen in Egypte.11 De leden kwamen uit alle lagen van de samenleving, maar met name uit de middenklasse.12 Al-Banna’s uiteindelijke doel was het stichten van een islamitische staat, vrij van buitenlandse overheersing, te kunnen stichten. Hier zouden zijn volgelingen als voorbeeld dienen voor andere moslims.13

Vanaf het moment dat de Moslim Broederschap steun kreeg van een groot deel van de bevolking leefde ze op gespannen voet met de Egyptische regering. Dit escaleerde toen een lid van de MB de toenmalige minister-president Nokrashi (1888-1948) vermoordde. Als reactie hierop doodden aanhangers van het staatshoofd de leider van de MB, Hassan Al-Banna. Hierna volgde een periode waarin de groepering soms was verboden en soms was toegestaan.14 In 1954, na een mislukte aanslag op President Gamel Abdel Nasser (1918-1970), kwam een einde aan dit tweeslachtige beleid. De Egyptische leider stelde een totaalverbod in en zette tientallen Broeders gevangen. Dit strenge optreden wierp zijn vruchten af, want aan het begin van de jaren zestig hadden ze in Egypte bijna geen leden meer.15

Na Nassers dood in 1970 hervormde de toenmalige leider van de MB, Al-Hudaybi (1891-1973), de organisatie in een conservatie, maar gematigde islamistische beweging. Hij was van mening dat een islamitische maatschappij alleen kon ontstaan wanneer onder de bevolking een islamitisch bewustzijn aanwezig was. Daarom wees hij revolutie af. Hij was echter een voorstander van geleidelijke ontwikkeling van binnenuit door middel van onderwijs, sociaal engagement en participatie in het politieke systeem.16 Deze door Al-Hudaybi ingezette gematigde koers en de komst van Hosni Mubarak als president van Egypte in 1981 leidde tot opheffing van het verbod op de Moslim Broederschap als sociale organisatie. Als politieke partij zijn ze nog steeds verboden aangezien de Egyptische wet geen partijen op religieuze basis toestaat. Vanaf 1987 mochten individuele Broeders wel als onafhankelijke kandidaten meedoen aan de verkiezingen. Tijdens de verkiezingen van 2005 wonnen zij zodoende zelfs twintig procent van de stemmen.17

Tegenwoordig beschouwen de leden de MB als meer dan een politieke partij of welzijnsorganisatie. Ze zien het als een wereldwijde spirituele organisatie met acht functies. Ten eerste is het dawa, een soort roeping, vanuit de Koran en Soenna. Ten tweede is het een methode die trouw blijft aan de Soenna. Ten derde is het een realiteit die ten grondslag ligt aan de puurheid van de ziel. Ten vierde is het een politieke associatie. Ten vijfde is het een atletische organisatie. Dit vond Al-Banna belangrijk omdat dit de jeugd volgens hem afhoudt van vleselijke lusten en deze energie omzet in activiteiten die bijdragen aan de verspreiding van de islam.18 Ten zesde is het een educatieve en culturele organisatie. Ten zevende is het een economische onderneming. Als laatste is het ook nog een sociaal concept.19

De MB is tegenwoordig op vele plekken ter wereld actief, dit begon met de opkomst van de groepering in Syrië. De Moslim Broederschap kreeg hier in de jaren dertig voet aan de grond. Voornamelijk jongenmannen die de shari’a bestudeerden waren gevoelig voor hun boodschap, maar ook de aanwezigheid van Broeders uit Egypte leidde tot een groeiend draagvlak voor de beweging. Het geloof speelde een grote rol binnen de Syrische tak. Dit bleek onder andere uit het feit dat de eerste leiders allemaal afkomstig waren van de ‘ulama’ rechtsgeleerden die vanwege hun kennis van de Sunna, verzen waaruit de Hadith bestaat, leiding geven aan de gelovigen.20

De Moslim Broederschap (MB) als islamistische groepering staat centraal, omdat in de ogen van vele moslims deze organisatie de moeder aller islamistische bewegingen is. Het heeft deze titel te danken doordat het de eerste van deze soort groepering was en het uitgroeide tot een moslim massabeweging die zich verspreidde over de hele wereld.21 De doelen van de Broeders zijn het herstel van het Kalifaat en de invoering van de shari’a. Tot de jaren zeventig stond de groepering bekend om het geweldsgebruik. De Broeders waren dan ook voorstanders van een gewelddadige jihad. Tegenwoordig beweren ze dat ze het geweld hebben afgezworen en dat ze democratische principes nastreven. Toch blijven ze sterven voor het geloof zien als een nobele daad.22

De ideoloog van de Broederschap, Said Qutb (1906-1966), vond het geoorloofd om door middel van geweld de doelstellingen te behalen. President Gamal Abdel Nasser liet hem executeren wegens het aansporen tot een gewapende opstand tegen zijn regering. Osama Bin Laden verkondigde dat hij geïnspireerd was geraakt door de werken van Qutb.23 Het Westen bekijkt de Moslim Broederschap dan ook met argusogen, terwijl de Broeders zelf beweren lid te zijn van een vredelievende democratische organisatie. Vanwege deze ambivalenties vormt de Moslim Broederschap een interessante casus voor dit onderzoek.

Egypte en Syrië staan centraal als landen waar de Moslim Broederschap actief is. De keuze voor Egypte ligt natuurlijk voor de hand omdat de MB in dit land is ontstaan. Voor Syrië geldt dat het net als Egypte een overwegend soennitische bevolking heeft en de oorsprong van de Syrische tak deels van Egyptische aard is.24 Beide landen zijn in het verleden door een westerse grootmacht gekoloniseerd, Egypte door Engeland en Syrië door Frankrijk, en vormden in de postkoloniale tijd kortstondig de Verenigde Arabische Republiek (1958-1961).25 Hun overeenkomsten en verschillen maken deze twee landen interessante casestudies.

Het onderzoek bestaat uit vier hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk komt het theoretisch kader aan bod, dit is tweeledig, want het betreft zowel democratie als politieke cultuur in Egypte en Syrië. In dit hoofdstuk wordt geanalyseerd welke invloed de politieke cultuur in deze twee landen heeft op democratisering en islamisering. Daarnaast wordt de aandacht gericht op de mogelijkheid tot interne democratisering binnen de Moslim Broederschap en op de participatie van de MB in een democratiserend dan wel islamiserend Egypte of Syrië. Hiervoor is het noodzakelijk eerst het begrip democratie uit te leggen, alvorens politieke cultuur aan bod komt.

Het tweede en derde hoofdstuk hebben dezelfde indeling, alleen gaat het ene over islamisering en het andere over democratisering. In beide hoofdstukken worden de bronnen van islamisering c.q. democratisering behandeld, alsmede de vragen in welke mate islamisering respectievelijk democratisering voorkomt in Egypte en Syrië en wat de gevolgen hiervan zijn. Tenslotte wordt in deze hoofdstukken geanalyseerd hoe islamisering en democratisering tot uiting komen in het politieke programma van de MB.

In het vierde hoofdstuk wordt de toepassing van de politieke cultuur gecombineerd met de conclusie. Hiervoor is gekozen, omdat deze twee logischerwijs in elkaar overvloeien. Als eerste wordt de heersende politieke cultuur, aan de hand van de theorie van Almond en Verba, onderzocht in Egypte, Syrië en de Moslim Broederschap. Daarna wordt de gevonden cultuur toegepast op islamisering en democratisering. Hieruit vloeit voort een analyse over de invloed van politieke cultuur op beide. Als laatste kan dan vanuit de heersende politieke cultuur worden geconcludeerd of democratisering dan wel islamisering meer kans van slagen heeft in Egypte en Syrië.

In deze scriptie tracht ik een verdere bijdrage te leveren aan onderzoek over het spanningsveld tussen democratisering en islamisering. Het is een extra toevoeging op de al bestaande literatuur, omdat het zich tevens richt op de Moslim Broederschap in Egypte en Syrië. Het schept inzicht in de standpunten van de MB en de organisaties die door hun denkbeelden geïnspireerd zijn geraakt, zoals Al Qaeda. Aan de hand van de criteria van democratie zoals behandeld in het hoofdstuk over het theoretisch kader kan worden bepaald in hoeverre democratie is bewerkstelligd in Egypte en Syrië. De politieke cultuur in deze landen verklaart waarom de inwoners in deze landen tot bepaalde denkbeelden over het politieke systeem zijn gekomen. Mijn onderzoek kan dan ook leiden tot beter begrip vanuit het westen en misschien een nuancering of juist versterking van het beeld van de islam als intolerante godsdienst. Hopelijk kan de lezer na het lezen in ieder geval een beter gefundeerde mening geven, zodat hij zelf een afweging kan maken of de krantenkoppen die de populaire pers vaak hanteert correct zijn of niet.



Hoofdstuk 1 Theoretisch kader

Het theoretisch kader van dit onderzoek is tweeledig. Aan het begin behandelt het de voorwaarden van democratie, daarna kijkt het naar politieke cultuur. Voor deze combinatie is gekozen, omdat democratie en politieke cultuur wederzijds afhankelijk zijn. De politieke cultuur van een samenleving beïnvloedt het politieke gedrag van haar inwoners, en andersom. Politieke cultuur is een belangrijke voorwaarde voor het welslagen van democratie binnen een land.26 Bij democratie is gekozen voor de theorie van Robert A. Dahl, inclusief de door hem geformuleerde criteria waaraan een land moet voldoen zodat het voor een democratie kan doorgaan en het door hem geïntroduceerde begrip polyarchie. Daarna volgt een uiteenzetting van de politieke cultuur aan de hand van het onderzoek van Gabriel Almond en SidneyVerba over de ‘civic culture’. Als laatste komt Larry Diamond aan bod die een brug tussen slaat tussen de theorie van Dahl enerzijds en de theorie van Almond en Verba anderzijds.


§ 1.1. Democratie volgens Robert Dahl

De Amerikaanse politicoloog Robert Dahl bestudeert al vanaf de jaren veertig van de vorige eeuw het wezen van democratie en vraagstukken hieromtrent. In zijn boek On Democracy behandelt Dahl in vier delen hoe democratieën zijn ontstaan, wat de ideale democratie is, hoe deze werkelijk is vormgegeven en welke voorwaarden gunstig en ongunstig zijn voor een democratie. Voor mijn onderzoek is het vooral van belang te kijken naar de werkelijkheid, aangezien het de huidige situatie in twee landen van het Midden-Oosten bestudeert. Het ideaalbeeld is echter ook van belang, aangezien de realiteit zich hieraan spiegelt. Dahl maakt duidelijk welke instituties volgens hem van belang zijn voor het functioneren van een democratie. Hij kiest voor instituties omdat in zijn optiek de vroegere democratieën, zoals de stadstaten in het oude Griekenland, overeenkomsten sloten. Deze resulteerden in gewoonten, die uiteindelijk uitmondden in instituties.27

Eerst stelt Dahl de vraag hoe de noodzakelijke politieke instituties ontstaan. Hij ziet hiervoor drie mogelijkheden. In de eerste plaats kunnen politieke instituties ontstaan door bestudering van landen die in de loop der tijd onder druk van hun bevolking hun instituties toegankelijk hebben gemaakt voor iedereen en waarbinnen allen kunnen participeren. Deze landen veranderden vanaf de achttiende eeuw in een democratische of republikeinse staat. Een tweede manier vloeit voort uit het vergelijken met andere landen, die de meeste inwoners en mensen van buiten als democratisch beschouwen. Als laatste mogelijkheid oppert Dahl het uitvoeren van een denkbeeldig experiment binnen een hypothetisch land dat beschikt over alle noodzakelijke politieke instituties.28

Volgens Dahl leiden alle drie methoden tot dezelfde zes minimale voorwaarden voor een moderne democratische regering, ook wel instituties genoemd. Een democratie is gebaseerd op het uitgangspunt van gelijkheid tussen alle burgers. Als iedereen namelijk even competent is om een beslissing te nemen, vloeit hieruit logischerwijs voort dat de bevolking de noodzakelijke beslissingen democratisch neemt. De eerste institutie voor een moderne democratische regering bestaat uit (1) gekozen regeerders. Dit houdt in dat democratische regeringen representatieve in plaats van absolute vertegenwoordigingen zijn. De tweede institutie wordt gevormd door (2) vrije, eerlijke en regelmatige verkiezingen. De derde is (3) vrijheid van meningsuiting. De vierde institutie is (4) toegang tot alternatieve bronnen van informatie, zoals kranten, boeken en magazines, die niet onder invloed van de regering staan. De vijfde is (5) het recht om relatief onafhankelijke verenigen en organisaties op te richten, zoals politieke partijen en belangengroepen. De zesde institutie noemt Dahl (6) ‘inclusief burgerschap’. Dit houdt in dat elke burger van een democratisch land een beroep op de voorgaande vijf instituties kan doen door onder meer gebruik te maken van het stemrecht, zowel op actief als passieve wijze. Overigens is Dahl van mening dat deze zes basale politieke instituties niet tegelijkertijd in een land hoeven te ontstaan.29

Dahl illustreert zijn standpunt over het democratisch gehalte van staten door te wijzen op de Verenigde Staten van Amerika. Volgens hem voldeed dit land al in de achttiende eeuw aan de eerste vijf politieke instituties. Hij wijst tevens op de Franse historicus en politieke denker Alexis de Tocqueville (1805-1859), die in 1831 de Verenigde Staten bezocht en het land als democratisch bestempelde. In de ogen van deze Fransman was de Amerikaanse bevolking soeverein omdat de gemeenschap zichzelf bestuurde, de macht van de meerderheid onbegrensd was en de inwoners zichzelf hadden gegroepeerd. Hieruit ontsproten twee politieke partijen.30 Dit waren de Federalisten en de Republikeinen. Dit komt dan ook overeen met de door Dahl opgestelde instituties. Alleen het inclusief burgerschap bleef lange tijd voor velen onhaalbaar, zoals voor vrouwen en Afro-Amerikanen. Pas in de loop van de twintigste eeuw voldeden de meeste democratische landen aan deze laatste voorwaarde.31

Daarna beschrijft Dahl vijf situaties waarop de zes minimale instituties die volgens hem idealiter in een democratie aanwezig zijn, toepasbaar zijn. De eerste van deze situaties is (I) effectieve participatie, deze draagt zorg voor de voorwaarden: gekozen regeerders, vrije en eerlijke verkiezingen, vrijheid van meningsuiting, alternatieve informatiebronnen en het recht om relatief onafhankelijke verenigen en organisaties op te richten (1,2,4,5). In de tweede plaats (II) gelijkheid bij verkiezingen, die logischerwijs bij de voorwaarde vrije en eerlijke verkiezingen hoort (2). De derde situatie betreft (III) het goed geïnformeerd zijn, dit past bij de voorwaarden vrijheid van meningsuiting, alternatieve informatiebronnen en het recht om onafhankelijke verenigen en organisaties op te richten (3,4,5). In de vierde plaats (IV) de beheersing van de politieke agenda, welke toepasbaar is op de eerste vijf voorwaarden (1,2,3,4,5). De laatste situatie (V) betreft de inclusiviteit van de burgers en hoort bij inclusief burgerschap (6).

In Dahls optiek moet elke regerende associatie aan deze vijf situaties voldoen. Hierdoor kunnen dan alle leden op een gelijke manier deelnemen aan het besluitvormings-proces.32 Dit is volgens hem de ideale democratie. Het is een utopie om dit te bereiken, maar sommige landen zijn al een heel eind op weg om aan deze criteria te voldoen. Dahl noemt deze ook wel polyarchieën.
Polyarchie

In het in 1992 gepubliceerde boek Politics, Economics and Welfare gebruikte Dahl voor de eerste keer de term polyarchie. Het begrip sloeg toen op een sociaal proces dat het mogelijk maakte voor burgers om controle uit te oefenen op de regeerders.33 Het doel hiervan was een onderscheid te maken tussen aan de ene kant het ideaal van een democratie en aan de andere kant de kenmerken van democratische politieke systemen. Later kwam Dahl tot de conclusie dat het begrip polyarchie slaat op een set van instituties, zoals gebruikt in Democracy, Liberty and Equality 34

Dahl wijst tevens op de vijf verschillende interpretaties van het begrip polyarchie. Zo kan het verwijzen naar (i) een type regime met de voorgaande zes voorwaarden, maar ook naar (ii) een product van het democratiseren van natiestaten. Een andere mogelijkheid is (iii) een vereiste voor een democratisch proces, of (iv) een controlesysteem door competitie waardoor de massa en de elite elkaar wederzijds beïnvloeden. Tenslotte kan polyarchie worden beschouwd als (v) een rechtssysteem waarin bepaalde rechten institutioneel zijn verzekerd en beschermd. Deze vijf interpretaties complementeren elkaar.35

Volgens Richard Krouse, een Amerikaanse politieke wetenschapper, is Dahls theorie van polyarchie één van de invloedrijkste theorieën over democratie.36 Meerdere sociale wetenschappers zijn dit begrip dan ook in de loop der tijd gaan gebruiken. Een goede, ruime definitie komt van de Engelse politicoloog David Held die polyarchie definieert als een situatie zonder eenduidig machtscentrum. De regering bestaat uit concurrerende elites, die consensus tot besluitvorming komen. Polyarchie functioneert door een pluralistische ver-tegenwoordiging van verschillende en conflicterende sociale belangen. Instituties zijn van belang, maar volgens Held is hun uitvoering afhankelijk van de onuitgesproken overeen-stemming over de regels van de procedure, consensus over de reikwijdte van de beleidsopties en over de politieke activiteit.37

Vervolgens wijst Dahl op nog drie variaties van democratie binnen landen. Zo geeft hij als voorbeeld de Griekse stadsstaat Athene, dit is de bakermat van het huidige democratisch stelsel zoals dat vandaag de dag bekend is. Toch voldeed Athene niet aan alle zes door Dahl opgestelde instituties. Athene had namelijk geen representatieve democratie maar een vergaderdemocratie. Evenmin waren alle burgers stemgerechtigd. Daarna laat Dahl de verschillende grondwetten en rechtstelsels zien die democratische landen kennen. De meeste staten hebben bijvoorbeeld een geschreven grondwet, dit in tegenstelling tot Groot-Brittannië. Hij kaart ook verschillen aan tussen kiessystemen. Het meeste voorkomend is dat van de proportionele vertegenwoordiging, terwijl een andere mogelijkheid het districtenstelsel is. Hierdoor ontstaan verschillende partijenstelsels.38

Tenslotte schetst Dahl vijf condities die de slagingskansen van een democratie in een land bevorderen. De eerste is (A) dat de gekozen vertegenwoordigers controle hebben over het leger en de politie, anders ontstaat het risico van een militaire coup, zoals bij veel landen in Midden-Amerika het geval is geweest. De tweede is (B) het bestaan van democratische overtuigingen en politieke cultuur, zodat inwoners hun democratie willen behouden. De derde is (C) het tegengaan van buitenlandse overheersing door een ondemocratisch land. Ten tijde van de Koude Oorlog bijvoorbeeld verbood de Sovjet-Unie de landen binnen zijn invloedssfeer om democratische beginselen toe te passen. De vierde is (D) een moderne markteconomie en samenleving, hoewel dit aan de andere kant ook ongelijkheid tussen de burgers oplevert. De vijfde is (E) zwak subcultureel pluralisme: in landen met een vrij homogene bevolking delen de inwoners een gemeenschappelijke identiteit. Dit vermindert het risico op conflicten. Volgens Dahl zijn de eerste drie condities (A,B,C) essentieel voor het bestaan van een democratie, terwijl de laatste twee (D,E) nuttig zijn maar niet noodzakelijk.39

Hieruit blijkt dat Dahl duidelijke criteria (I,II,III,IV,V) formuleerde voor een democratische bestuursinrichting. Hij verwacht echter dat geen enkele staat aan al deze voorwaarden kan voldoen. Het is dan ook een ideale democratie met zes politieke instituties (1,2,3,4,5,6) die in een land aanwezig moeten zijn. Dahls theorie geeft een overzichtelijk en compleet beeld over de wijze waarop een democratie ontstaat en welke omstandigheden dit in de hand werken of juist niet. Mijn onderzoek betreft echter ook de politieke cultuur. Daarom richt ik mij voornamelijk op de tweede door Dahl genoemde conditie (B), het bestaan van democratische overtuigingen en politieke cultuur, zodat de inwoners de democratie willen behouden.
Kritiek op Dahl

Ondanks de vele prijzen die Dahl in zijn loopbaan heeft ontvangen, heeft hij ook kritiek te verduren gehad. Zijn critici verwijten hem onder meer dat hij aan het begin van zijn loopbaan een heel andere visie op democratie had dan aan het eind van zijn carrière. Zij beschouwden hem eerst als een pluralist, maar later veranderde hij in hun ogen in een democratische socialist. Zij schertsen dan ook van ‘twee Dahls’. Dahl zelf verwerpt deze constatering. Wel erkent hij dat hij zich in zijn loopbaan voornamelijk heeft beziggehouden met de tekort-komingen binnen pluralistische markt en politieke systemen. Daarvoor probeerde hij een oplossing te vinden. Hij geeft toe dat deze zoektocht soms neigde naar het willen vinden van een utopie.40

Zijn critici waren echter over het algemeen niet sceptisch over zijn theoretisch geraamte, maar voornamelijk over zijn empirische bevindingen. Zo is de Amerikaanse politicoloog Richard Krouse van mening dat Dahls empirische theorie van polyarchie is veranderd in een normatieve theorie van democratie. Krouse beargumenteert dat Dahl duidelijk laat blijken dat een polyarchie zijn voorkeur heeft als politiek stelsel.41 Jeffrey Isaac, een Amerikaanse vakgenoot van Dahl, zaagt aan de poten van het fundament van Dahls theorie over democratie door de vraag te stellen of democratie daadwerkelijk het hoogst haalbare politieke systeem is.42

Isaac wijst tevens op het feit dat Dahl weliswaar toegeeft dat de meeste liberale democratieën niet aan zijn vijf criteria voldoen voor het bewerkstelligen van een ideale democratie, maar dat hij hiervoor geen goede verklaring biedt. Het meest in het oog springende probleem is dat bij liberale democratieën niet iedereen gelijk kan zijn, terwijl Dahl dit wel nastreeft. Volgens Dahl zijn deze defecten inherent aan deze vorm van politiek systeem en moeten ze dan ook veranderen in ideale democratieën om dit probleem op te lossen. Volgens Isaac ontstaat dan een sociaaldemocratie. Isaac betwijfelt echter of liberale democratieën een dergelijke transformatie wel kunnen en willen doormaken.43 Hij behoort dan ook tot de critici die Dahl in de hoek van de sociaal democraten duwt.

Charles Lindblom, vriend en collega, merkte op dat volgens hem een polyarchie snel kan veranderen in een corporatistische staat. Dit houdt in dat de belangrijkste politieke eenheid waarmee de regering zich binnen een land bezighoudt niet het individu is, maar een bepaalde groep zoals een familie, clan of bedrijf. De wetgevende macht binnen het politieke systeem bestaat dan uit belangengroeperingen afkomstig uit de agrarische sector, industrie, economie en vakbonden. Volgens Lindblom is deze transformatie van het politieke systeem mogelijk, omdat bij een polyarchie de verschillende elitegroepen steeds meer macht krijgen. Hierdoor ontstaat het risico dat zij gaan samenwerken in plaats van elkaar bestrijden.44 Op deze wijze ontstaat een soort overlegdemocratie. Dit gaat ten koste van het democratische gehalte van een staat.

Toch staat Dahls theorie over democratie na al die tijd nog recht overeind. De kritiek die in de loop der tijd is gegeven heeft hieraan geen afbreuk kunnen doen. Dit komt mede omdat zijn critici de theorie zelf en niet de voorwaarden aanvielen. Zijn theorie is ook sterk doordat Dahl vele verschillenden landen met andere politieke culturen heeft onderzocht. Zo keek hij naar landen die een transitie hebben doorgemaakt naar een democratie, landen die hun democratische instituties hebben geconsolideerd, maar ook naar staten die na een transformatie in elkaar zijn gestort en landen die nooit de overgang hebben gemaakt naar een democratisch staatsbestel.45 Daarom is de theorie van Dahl goed bruikbaar voor dit onderzoek.





  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina