{itre}Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie



Dovnload 37.52 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte37.52 Kb.


EUROPEES PARLEMENT

1999



2004

{ITRE}Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie

<RefStatus>VOORLOPIGE VERSIERefStatus>

<RefProc>2000/2335RefProc><RefTypeProc>(COS)RefTypeProc>

<RefVer>RefVer
>

7 februari{24-01-2001} 2001



ONTWERPVERSLAG

over de mededeling van de Commissie over de olievoorziening van de Europese Unie

(COM(2000) 631 – C5 0739/2000 – 2000/2335(COS))

{ITRE}Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie

Rapporteur: Rolf Linkohr




INHOUD


Blz.

PROCEDUREVERLOOP 4

ONTWERPRESOLUTIE 5



TOELICHTING 7

MINDERHEIDSSTANDPUNT

ONTWERPRESOLUTIE (ART. 48) B5 ....

ADVIES VAN DE {ECON}ECONOMISCHE EN MONETAIRE COMMISSIE

ADVIES VAN DE {ENVI}COMMISSIE MILIEUBEHEER, VOLKSGEZONDHEID

EN CONSUMENTENBELEID

ADVIES VAN DE COMMISSIE REGIONAAL BELEID, VERVOER EN TOERISME


PROCEDUREVERLOOP

Bij schrijven van {12-10-2000}12 oktober 2000 deed de Commissie haar mededeling over de olievoorziening van de Europese Unie (COM(2000) 631 – 2000/2335(COS)) toekomen aan het Parlement.

Op {15-01-2001}15 januari 2001 gaf de Voorzitter van het Parlement kennis van de verwijzing van deze mededeling naar de {ITRE}Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie als commissie ten principale en naar de {ECON}Economische en Monetaire Commissie, de {RETT}Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme en op 18 januari 2001 naar de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid als medeadviserende commissies (C5 0739/2000).

De {ITRE}Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie benoemde reeds op haar vergadering van {07-11-2000}7 november 2000 Rolf Linkohr tot rapporteur.

De commissie behandelde de mededeling van de Commissie en het ontwerpverslag op haar vergadering(en) van ....

Op laatstgenoemde vergadering hechtte zij met ... stemmen voor en ... tegen bij ... onthouding(en)/met algemene stemmen haar goedkeuring aan de ontwerpresolutie.

Bij de stemming waren aanwezig: ... (voorzitter/waarnemend voorzitter), ... (ondervoorzitter), ... (rapporteur), ... (verving ...), ... (verving ... overeenkomstig artikel 153, lid 2 van het Reglement), ... en ....

De toelichting geschiedt mondeling ter plenaire vergadering.

De adviezen van de {ECON}Economische en Monetaire Commissie en de {ENVI}Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme zijn bij dit verslag gevoegd. (De Commissie ... heeft op ... besloten geen advies uit te brengen.)

Het verslag werd ingediend op ....

De termijn voor de indiening van amendementen wordt bekendgemaakt in de ontwerpagenda voor de vergaderperiode waarin het verslag wordt behandeld./Termijn voor de indiening van amendementen: ..., ... uur.


ONTWERPRESOLUTIE

Resolutie van het Europees Parlement over de mededeling van de Commissie over de olievoorziening van de Europese Unie (COM(2000) 631 – C5 0739/2000 – 2000/2335(COS))
Het Europees Parlement,

– gezien de mededeling van de Commissie (COM(2000) 631 – C5 0739/2000)1,

– gelet op artikel 160 van zijn Reglement,

– gezien het verslag van de {ITRE}Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie en de adviezen van de {ECON}Economische en Monetaire Commissie, de {ENVI}Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid en de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme (A5 0000/2000),

A. overwegende dat het aardolieverbruik in de gehele wereld tot 2020 op ongeveer 115 miljoen barrel per dag zal liggen, in vergelijking met ongeveer 77 miljoen barrel per dag in het jaar 2000,

B. overwegende dat de sterke afhankelijkheid van ingevoerde aardolie waarschijnlijk nog verder zal toenemen, namelijk van momenteel ca. 75% tot meer dan 85% in 2020,

C. overwegende dat op grond van de huidige prognoses 71% van de eindvraag naar aardolie in 2020 voor rekening van de vervoerssector zal komen, 7% voor rekening van de industrie, 8% van de dienstverlenende sector en 14% van particuliere huishoudens,

D. overwegende dat de hoge aardolieprijzen en prijsschommelingen vooral de armere delen van de bevolking treffen,

E. overwegende dat voorspellingen van de aardolieprijs onmogelijk zijn en dat op verdere schommelingen van de prijzen moet worden gerekend; overwegende dat alleen tussen de late zomer van 2000 en december van dat jaar de prijsspanne tussen de $ 37 en ca. $ 24 per barrel ruwe aardolie lag,


  1. overwegende dat door gebruikmaking van reeds beschikbare techniek nog een besparing van grote hoeveelheden aardolie mogelijk is; overwegende dat bij extrapolatie tot geheel Europa alleen al door montage van betere ramen ieder jaar ca. 65 miljoen ton aardolie zou kunnen worden bespaard, wat op grond van de huidige verbruikersprijzen ongeveer 25 miljard euro per jaar of met andere woorden 20% van de totale hoeveelheid in Europa geproduceerde aardolie betekent,

1. verzoekt de Commissie en de Raad een duurzame dialoog tussen de OPEC en de EU op te bouwen waarin de EU met één stem dient te spreken;

2. wenst dat bij deze dialoog rekening wordt gehouden met de belangen van de ontwikkelingslanden;

3. wenst dat de EU er sterker naar streeft aardolie zoveel mogelijk door andere energiedragers te vervangen;

4. verzoekt de Raad het voorstel voor een richtlijn inzake de belastingheffing op energieproducten, dat sedert 1979 bij de Raad in behandeling is, niet verder te blokkeren, opdat een harmonisering van de belastingheffing op communautair niveau mogelijk wordt;

5. wenst een debat over de vraag of eventueel geharmoniseerde belastingen op minerale olie aan de fluctuerende aardolieprijs kunnen worden aangepast;

6. wenst dat een einde wordt gemaakt aan de verschillende fiscale lasten op de vervoersondernemingen in Europa;

7. verzoekt de Commissie de richtlijn inzake de verplichting van de lidstaten van de EU tot het aanhouden van minimumvoorraden aardolie en/of aardolieproducten uit te breiden om eventueel ook in geval van een prijscrisis aardoliereserves vrij te geven;

8. verzoekt de Commissie om bespoediging van de liberalisering van de gasmarkt om de mededinging sneller dan beoogd een nieuwe impuls te geven;

9. is ingenomen met het voornemen van de Commissie het energieverbruik in de vervoerssector te verminderen;

10. steunt het voornemen van de Commissie de Raad van Göteborg een plan voor energiebesparingen en de diversifiëring van energiedragers voor te leggen dat zowel gericht is op een efficiënter energiegebruik - in het bijzonder in gebouwen - als op het bevorderen van de ontwikkeling van een nieuwe voertuiggeneratie;

11. verzoekt de Commissie nieuwe energiebesparingsprogramma's voor een rationeel energieverbruik op te stellen en aan de bestaande programma's SAVE II en ALTENER II vast te houden;

12. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen van de lidstaten.



TOELICHTING
Van februari 1999 tot aan het einde van de zomer van 2000 zijn de aardolieprijzen snel gestegen. Deze prijsstijging leidde in een groot aantal landen tot schokeffecten en had in sommige lidstaten van de EU een ongecoördineerd optreden tot gevolg. In tegenstelling tot de eerste oliecrisis in 1973 ging het echter ditmaal om een veeleer speculatieve prijsstijging en niet om een echte crisis in de voorziening. Bovendien zijn in vergelijking met 1973 drie parameters gewijzigd:
1. De aardolie-exporterende en aardolieverbruikende landen streven naar samenwerking en niet naar confrontatie. De basis voor een vruchtbare dialoog is daarmee aanwezig.

2. Op de markt zijn inmiddels ook andere verbruikers verschenen: Europa en Azië concurreren om dezelfde energiebronnen.

3. De Europese Unie heeft zich er in Kyoto toe verplicht haar emissies van broeikasgassen tot de periode 2008-2012 met 8% tegenover het niveau van 1990 te verminderen.
De prijsstijging van de herfst van 2000 zal vermoedelijk niet de laatste zijn. Wij zullen ons op de lange termijn veeleer op hogere dan op lagere aardolieprijzen moeten instellen. Op grond daarvan ontstaat een nieuwe economische en politieke situatie. De prijzen kunnen echter ook weer dalen, zoals tegen het eind van 2000. Daarom moet naar stabilisering van de prijzen op een voor beide zijden aanvaardbaar niveau worden gestreefd.
Stabilisering van de prijzen
De sterke prijsschommelingen vormen een groot probleem bij de aardolievoorziening. Plotselinge energieprijsschommelingen leveren voor onze samenleving grote economische en sociale gevaren op. Zowel economie als politiek hebben een groot belang bij een stabiele en berekenbare olieprijspolitiek. Hogere olieprijzen leiden ook tot een verslechtering van de handelsbalans. Volgens schattingen van de Commissie moet voor 2000 worden gerekend op een tekort op de energiehandelsbalans van de Gemeenschap van ongeveer 114 miljard euro ofwel 1,4% van het bruto binnenlands product (BBP). Dat zou betekenen dat het tekort 52 miljard euro ofwel 0,6% van het BNP hoger zou zijn dan in 1999.
Oorzaken voor de stijgende prijzen
In 1998 lag het aanbod van ruwe aardolie ver boven de vraag in de gehele wereld, wat tot een drastische daling van de prijs van ruwe aardolie leidde. Na enig aarzelen reageerde de OPEC met een beperking van het aanbod aan ruwe aardolie, hoewel tevens de vraag in de gehele wereld steeg. De OPEC hield met een verrassende discipline vast aan de afgesproken productiehoeveelheden, ondanks een groeiende vraag naar olie nadat de crisis in Azië was overwonnen. In zoverre kan men het restrictieve productiebeleid van de OPEC als de belangrijkste reden voor de gestegen prijzen aanwijzen. Verdere oorzaken waren de toegenomen vraag, de zwakte van de euro en de speculaties op de spotmarkten. Ontbrekende raffinagecapaciteiten vormden echter slechts een marginale en tijdelijke factor.

In het algemeen kan men zeggen dat het prijsniveau van de volgende factoren afhangt:

- economische groei in de importlanden

- vooruitgang bij het beheersen van de vraag

- ontsluiting van nieuwe reserves

- strengere milieubeschermingsvoorschriften.


Een te hoge prijs zou ook uit het oogpunt van de producerende landen op den duur negatieve gevolgen hebben. Zo zouden de niet-OPEC-landen meer olie gaan produceren. Ook zou de vraag drastisch dalen, wat niet in het belang van de OPEC kan zijn. Bovendien zou de economie van de olie-importerende landen sterker worden belast. Zo is de door de OPEC nagestreefde prijs van $ 22 tot $ 28 per barrel in het belang van beide zijden.
Geopolitieke invloeden
Niet alleen de beperking van de geproduceerde hoeveelheden bij een gelijktijdige stijging van de vraag is van invloed op de prijsontwikkeling geweest. Ook gebeurtenissen op het gebied van de buitenlandse politiek, zoals het meest recente probleem bij het vredesproces in het Nabije Oosten, het embargo tegen Irak of de onzekerheid over de ontwikkeling in Iran en in Libië, spelen een belangrijke rol. Gezien de grote afhankelijkheid van de Europese Unie van ingevoerde olie wordt energiebeleid ook steeds meer buitenlands beleid.
Ook de wijze van aanleg van de pijpleidingen heeft een grote betekenis op het gebied van het buitenlands beleid. Het geslaagde INOGATE-programma (Interstate Oil and Gas Transport Europe) verdient steun, want het vormt een voorbeeld voor goede betrekkingen met de producerende landen. De voorzieningssituatie in een uitgebreide Europese Unie kan door de sanering en verdere verbetering van de aardolie- en aardgasnetwerken van de voormalige Sovjetunie op lange termijn worden verbeterd. Het moet ons doel zijn om de reserves van Rusland en het Kaspische Bekken weer in sterkere mate voor Europa te benutten. Dit belang is wederzijds, want ook de Russische Federatie is bij dit programma gebaat.
Op grond van de grote betekenis op het gebied van de buitenlandse politiek van het energiebeleid is een voortdurende dialoog van de EU met de OPEC-landen absoluut noodzakelijk. De betrekkingen tussen de Europese Unie en de olieproducerende landen moeten geïntensiveerd en in zekere zin ook geïnstitutionaliseerd worden. De EU is in ieder geval een van de grote economische machten ter wereld en de op een na grootste verbruiker van minerale olie.

Hoewel de tijden van confrontatie voorbij zijn, is een dergelijke dialoog voor een beter begrip tussen de olieproducerende en -consumerende landen toch noodzakelijk. Deze constructieve dialoog moet een intensievere samenwerking mogelijk maken en in een breder kader de voorwaarden voor meer doorzichtigheid van de markt en voor een stabilisering van de prijzen op lange termijn vaststellen.



Daartoe is het noodzakelijk dat de Europese zijde met één stem spreekt. De beslissende vraag is of de EU ertoe bereid is een persoon te benoemen die namens haar spreekt. Een eerste stap werd reeds gezet toen de Commissaris voor energiezaken op het 7de Internationale Energieforum in Riad van 16 tot 17 november 2000 de EU vertegenwoordigde. Ook is het denkbaar dat de OPEC onderhandelt met het Internationale Energieagentschap (IEA), en de Europese Unie als een deel van het IEA zou optreden.
De conclusie die aan de geschetste geopolitieke invloeden en wenselijke maatregelen moet worden verbonden is: een Europees buitenlands beleid op energiegebied. Daarom moet ook bij de volgende Verdragswijziging een energiehoofdstuk worden opgenomen.
Vervoer en milieu
Volgens de huidige prognoses zal de vervoerssector in 2020 verantwoordelijk zijn voor 71% van de vraag naar aardolie. Daarmee vormt het vervoer het kernpunt bij het verminderen van de afhankelijkheid van aardolie. Het is niet eenvoudig benzine te vervangen, maar ook niet onmogelijk. Daarom moet er vaart worden gezet achter het onderzoek naar nieuwe brandstoffen (gas, waterstof, methanol, enz.). Daarvoor moet meer geld beschikbaar komen. Een doel op de langere termijn moet de winning van waterstof uit niet-fossiele energiebronnen zijn.
Naast het onderzoek naar alternatieve brandstoffen moet de aandacht ook beslist worden gericht op andere manieren van vervoer. Het streven naar een heropleving van het railvervoer speelt hierbij de allerbelangrijkste rol. In 1970 werd bijvoorbeeld nog minder dan de helft van het vervoer over de weg afgewikkeld, tegenwoordig is dit 80%. Ook een rationeler individueel vervoer in de centra van steden en de bevordering van het milieuvriendelijke vervoer over korte afstanden in stedelijke gebieden zijn van groot belang.
Het is de hoogste tijd in de vervoerssector te zorgen voor een harmonisering van de directe en indirecte belastingen en van de andere lasten in de vervoerssector omdat er sprake is van ernstige concurrentievervalsingen binnen de Europese Unie. Ook is het dringend noodzakelijk het vervoersbeleid te richten op een sterkere integratie van de vervoersmarkten en wijzen van vervoer (intermodaal vervoer).
Op grond van de huidige berekeningen zullen de emissies in 2010 afkomstig van het verbruik van aardolieproducten meer dan 50% van de totale CO2-emissies bedragen. Alleen al in de vervoerssector zullen de emissies met 35% toenemen (referentiejaar 1990). Uit deze prognoses blijkt dat er dringend behoefte aan maatregelen is. De energie-efficiëntie moet worden verhoogd en hernieuwbare energiebronnen moeten worden gestimuleerd.
Harmonisering van de belasting op minerale oliën
In de herfst van dit jaar zijn wij getuige geweest van individueel fiscaal optreden van lidstaten als reactie op een sterke pressie van het publiek. Belastingverlagingen zijn echter, ook wanneer zij per geval plaatsvinden, niet zonder meer verenigbaar met de communautaire rechtsvoorschriften (bijvoorbeeld de doelstellingen van de EU op het gebied van het milieu-, energie- en vervoersbeleid) en evenmin wenselijk. Bovendien zou het feit dat hoge aardolieprijzen door middel van belastingverlagingen worden opgevangen voor de olie-exporterende landen een vrijbrief voor hoge prijzen zijn. Veel beter zou een onderlinge aanpassing van de belastingen van de lidstaten op een hoger niveau zijn. Met behulp van een geharmoniseerde energiebelasting als flexibel instrument zouden sterke prijsverhogingen kunnen worden opgevangen. Op langere termijn valt ook te denken aan een gemeenschappelijke belasting op minerale oliën ter vervanging van de motorvoertuigenbelasting.
Over een geharmoniseerde energiebelasting konden de ministers van Financiën echter tot dusverre nog niet tot overeenstemming komen. In plaats daarvan heeft het Zweedse voorzitterschap van de Raad een speciale regeling voorgesteld. Deze voorziet, voor een tot twee jaar beperkte periode en mits degressief van karakter, in individuele nationale maatregelen op het gebied van brandstofsubsidiëring, hoewel de aardolieprijzen inmiddels weer aanzienlijk gedaald zijn en de basis voor de subsidies is weggevallen. Om redenen van binnenlands beleid vindt hier willens en wetens een overtreding van het EU-recht plaats en wordt concurrentievervalsing in het leven geroepen, terwijl de Commissie een oog dichtdoet. Strikt genomen is hier sprake van overtreding van het Verdrag.
Ter herinnering: de basisstructuur voor een verbruiksbelasting op minerale oliën (olie voor stookdoeleinden en brandstof) in de Gemeenschap werd in richtlijn 92/81/EEG geregeld. De oorspronkelijke voorstellen van de Commissie voor de tarieven van verbruiksbelastingen op minerale oliën in het kader van het programma voor de interne markt voorzagen in een absolute harmonisering op basis van gemiddelde tarieven. De Commissie was van mening dat, gezien het feit dat in vergelijking tot de sectoren alcohol en tabak een groter risico van concurrentievervalsing bestond, op minerale olie ofwel uniforme tarieven of onderdelen van tarieven moesten worden toegepast.

Desondanks werden - evenals bij alcohol en tabak - met richtlijn 92/82/EEG uitsluitend minimumtarieven vastgesteld.



De Commissie heeft in 1997 een voorstel voor de "herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten" (COM(97) 030) voorgelegd. In dit voorstel heeft de Commissie getracht verder te bouwen op het huidige systeem van belastingheffing op minerale oliën door uitbreiding van deze minimumverbruiksbelastingen tot alle energieproducten en daarmee ook tot producten die direct of indirect de plaats van minerale oliën kunnen innemen (kolen, cokes, bitumen, aardgas en elektrische stroom). Dit voorstel accepteerde de Europese Raad niet.
Naast de harmonisering van de belasting op minerale oliën is ook de invoering van een echte interne markt voor raffinaderijproducten wenselijk. Dit zou leiden tot de mogelijkheid voor een stelselmatige vergelijking van de in de lidstaten geldende prijzen voor mineralenolieproducten. Ongelijkheden binnen de Gemeenschap zouden eenvoudiger kunnen worden aangetoond en iedere exploitatie van een marktbeheersende positie zou voorkomen en bestraft kunnen worden. Het ontbreken van concurrentie in de exploitatiesector is momenteel een significante kostenfactor. Er worden prijsafspraken gemaakt en de winstmarges bij de raffinage en distributie zijn niet altijd in overeenstemming met de stijging van de prijzen voor ruwe aardolie.
Veilige voorziening
De Europese Unie is sterk afhankelijk van ingevoerde aardolie. In 2000 moest de Europese Unie reeds 75% van de totale vraag naar aardolie invoeren en daarbij kwam 43% van de invoer uit OPEC-landen. Tot aan 2020 moet zelfs 85% van de olie worden ingevoerd, omdat de reserves in de Noordzee langzaam op beginnen te raken. De algemene strategie van de Unie moet erop gericht zijn de afhankelijkheid van Europa van ingevoerde energie te verminderen. Op 29 november 2000 heeft de Commissie een Groenboek "op weg naar een Europese strategie voor een continue energievoorziening" (COM(2000) 769) vastgesteld. De daarin vermelde, op zes pijlers berustende strategie lijkt een goede basis te vormen voor een gemeenschappelijk beleid.

1 PB C nog niet gepubliceerd.


PR\431960NL.doc
PE 286.118

NL NL




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina