Ja-63 „profi“ Alarm systeem Installatie wijzer



Dovnload 291.2 Kb.
Pagina2/10
Datum20.08.2016
Grootte291.2 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

2Controle paneel installatie





  • Het controle paneel moet makkelijk bedienbaar zijn maar niet zichtbaar. Er moet een stopcontact beschikbaar zijn en ook een telefoonlijn (als het systeem de optionele ingebouwde communicatiemodule bevat).

  • Bevestig de achterbehuizing van de controle panel aan de muur (zie boor diagram op de laatste pagina van deze module).

  • Trek alle kabels door naar het controle paneel (energie, input, telefoonkabel, enz.) voordat u de behuizing vastmaakt op de gewenste locatie.

Let op: Alleen een gekwalificeerde technicus mag de installatie uitvoeren en de telefoonlijn aansluiten en onderhouden. De gebruiker is niet toegestaan de behuizing te openen en/of wijzigingen te maken.

2.1Power kabel bedrading

Het controle paneel is een klasse II apparaat met dubbele isolatie en de energie naar zijn stroomeenheid moet bedraad zijn met een geïsoleerde twee centrum krachtdraad.




  • Gebruik het flexibele 2 centrum (maat van 0.75 tot 1.5 mm2) dubbel geïsoleerde krachtdraad. Deze verbinding moet verbonden worden met een onafhankelijke stroomonderbreker (Max. 10 A) in het object, die de functie heeft van een switch.

  • Trek de power kabel naar de energie terminals (uitgerust met zekeringT100mA/250 V)

  • Zet de kabel goed vast met de plastic sluiter.


3Antenne voor de radio module


Indien de “R” radio module wordt gebruikt, moet de antenne geïnstalleerd worden (rubberen roede of een extern model AN-01). De antenne mag niet bedekt worden door metalen objecten in zijn omgeving. Het werkbereik van de draadloze accessoires is ongeveer 100 meter onder optimale omstandigheden. Hoewel, bouwmaterialen kunnen radio signalen absorberen of in de weg staan en communicatie kan ook beïnvloed worden door stoornissen van andere radio signalen. Om deze redenen dient u een korter werkbereik te anticiperen voor binnen installaties.

3.1Rubber roede antenne gebruikt in het controle paneel

Er is een gat bovenin het controle panel voor de rubberen antenne. De rubberen antenne wordt geleverd met het controle paneel. Bevestig de antenne aan het bord met de schroef die afgebeeld wordt in de diagram. Metalen objecten dienen niet in de weg te komen.


3.2Gebruik van de externe antenne


Een optionele externe antenne, model AN-01, heeft een connector die in de connector van het radio module bord past. Als u de externe antenne gebruikt, dient de rubberen antenne niet te worden geïnstalleerd. De AN-01 antenne heeft een kleine plastic ring op het eind, die gebruikt kan worden om het aan de muur te bevestigen. Het actieve deel (van de plastic ring tot de bevestiging) die verticaal dient te worden geïnstalleerd en metalen objecten dienen niet in de weg te komen. De antenne kan achter meubels, etc. worden geplaatst.


4Terminals en verbindingen op het hoofdbord



Er is een digitale data ingang voor de JA-60E keypad(s) en/of voor een PC interface kabel. Dezelfde connector is ook aanwezig aan de rechteronderkant van de behuizing van het controle paneel. De digitale bus signalen zijn ook aanwezig op de terminals 1234.

1,2,3,4 digitale data terminals hebben de mogelijkheid om standard kabel te gebruiken voor de bedrading van JA-60E keypads.
Tot en met vier JA-60E keypads kunnen bedraad worden aan het controle paneel (parallel in connectie gebracht). De totale lengte van de keypad kabels mag niet meer dan 100m zijn. Als de hefboomconnectoren worden gebruikt, mag de data kabel niet langer zijn dan 10m. Gebruik het normaal getwiste paar kabel. Gebruik normale gevlochten kabel verbonden aan de 1234 ingangen voor een langere afstand.

AC20V – output van de energie omzetten (20VAC) is verbonden aan dit paar terminals.

L1,L2, L3, L4 – hard bedrade zone – detecteer outputs kunnen hier bedraad worden: zie voorbeelden van bedrading op pagina 7. Voor elke input is het mogelijk om zijn manier van opwekking te programmeren: Normaal gesloten lus, gebalanceerde lus (2k2) of dubbel gebalanceerde lus (2x 1k1) en het type reactie van het systeem (zie sectie 10.2).

Fabriek standaardsetting: Alle inputs zijn opgewekt als een gebalanceerde lus, reacties: L1= vertraging, L2= volgende vertraging, L3= gelijke a L4= sabotage

COM common terminal om de input te sluiten (balans)

NO is een normaal open contact van het alarm output relais.

NC is een normaal gesloten contact van het alarm output relais.

C is een common contact van het alarm output relais, Max. voeding 60V / 1A. Het relais gaat aan tijdens elk alarm.

SIR is een externe sirene output. In de normale mode heeft het een +U terminal voltage. In het alarm modus heeft het een GND terminal potentieel. Verbind een gewone externe sirene aan +U en de SIR terminals (Max. 0,7 A). Een twee draden back up sirene moet verbonden worden aan de GND en de SIR terminals (tijdens een alarm, zal de lading tijdelijk stopgezet worden). De sirene kan ook gebruikt worden voor het inschakelen en uitschakelen van de geluid signalen en als een hoorbare indicator tijdens de testmodus (zie sectie 1).

PGX, PGY zijn outputs (schakelt naar GND wanneer deze wordt geactiveerd, Max. 12V, 100mA). De functie van deze outputs worden bepaald door de instelling in de programmeer mode (zie 9.7). Het controle paneel kan de PGX en PGY signalen ook draadloos doorsturen en de UC ontvang units kunnen gebruikt worden als outputs op afstand voor deze signalen.

+U is een back up power output voor de externe onderdelen (detectoren, etc.). De Max permanente stroom is 0.4A (1.2 A voor max. 15 min – niet meer dan één cyclus per uur). Deze output is verzekerd (FU2 1.6A) en gesupervised door het controle paneel. Als deze wordt overgeladen, zal een controle paneel fout worden aangeduid (fout C).

GND is een standaard grond terminal voor de power output (-).









1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina