Jaarverslag 2010 federaal parket



Dovnload 2.08 Mb.
Pagina9/42
Datum19.08.2016
Grootte2.08 Mb.
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   42

Nieuw beleidsinitiatief 9: de gespecialiseerde onderzoeksrechters inzake de ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht.


Artikel 144 quater van het Gerechtelijk wetboek bepaalt dat de federale procureur exclusief bevoegd is voor de uitoefening van de strafvordering wegens ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht.


Deze onderzoeken zijn zowel feitelijk als juridisch zeer complex en zeer internationaal georiënteerd.
De praktijk toont aan dat deze onderzoeken zich vrijwel altijd in het gerechtelijk arrondissement van Brussel situeren en dat zich daarom doorheen de jaren een belangrijke en uitsluitende expertise heeft ontwikkeld bij de onderzoekers (federale gerechtelijke politie Brussel), de onderzoeksrechters en de rechters ten gronde van Brussel. Deze expertise bevindt zich nergens anders ten lande en er wordt in de praktijk daarom steeds getracht elementen te vinden waardoor de zaak aan het gerechtelijk arrondissement van Brussel kan worden gelinkt.
Om die redenen en teneinde deze onderzoeken zo efficiënt mogelijk te kunnen voeren, is het aangewezen in de wet te verankeren dat uitsluitend de onderzoeksrechters bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel bevoegd zouden zijn om kennis te nemen van de ernstige schendingen van internationaal humanitair recht.
De internationale Commissie voor internationaal humanitair recht heeft zich ook reeds in die zin uitgesproken.
Mutatis Mutandis, kan de vergelijking worden gemaakt met de zogenaamde gespecialiseerde onderzoeksrechters terrorisme (artikel 79 van het Gerechtelijk wetboek en de artikelen 47 duodecies en 62 bis van het Wetboek van Strafvordering)
Gevraagd aan de minister van Justitie: een wetgevend initiatief waardoor de onderzoeksrechters bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel uitsluitend bevoegd zouden zijn om kennis te nemen van de ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht.

Stand van zaken op 31.12.2008
Zonder gevolg van de minister van Justitie en/of de FOD Justitie.

Stand van zaken op 31.12.2009
Op 26 februari 2009 richtte de federale procureur een brief hierover aan de minister van Justitie. Op 30 oktober 2009 werd dit besproken met de directeur van de beleidscel van de minister van Justitie.
Zonder gevolg van de minister van Justitie en/of de FOD Justitie.


Stand van zaken op 31.12.2010
Zonder gevolg van de minister van Justitie en/of de FOD Justitie.


  • Nieuw beleidsinitiatief 10: verplaatsingen woon-werk.

De federale magistraten en de juristen van het federaal parket wonen verspreid in België en dienen dagelijks vanuit alle hoeken van het land zich te begeven naar hun werkplaats op het federaal parket in Brussel.


Sommigen gebruiken daartoe, of zouden dit wensen, het openbaar vervoer, met name de trein en de metro te Brussel.
Het gratis treinabonnement dat hen ter beschikking wordt gesteld door de FOD Justitie betreft enkel ‘tweede klasse’. Dit is uiteraard geen comfortabele vorm van reizen, zeker niet tijdens de piekuren, waar men geconfronteerd wordt met overvolle wagons.
Indien voor dit beperkte aantal federale magistraten en juristen een treinabonnement eerste klasse zou kunnen worden voorzien, zal dit hen onder meer toelaten verder te werken op de trein (het lezen van rapporten, het gebruik van een laptop, enz.).
Gevraagd aan de minister van Justitie: het ter beschikking stellen van een gratis treinabonnement eerste klasse voor de federale magistraten en juristen die de verplaatsing tussen hun woning en het federaal parket met de trein doen, gekoppeld (zoals thans ook reeds het geval is) aan een gratis abonnement voor de metro te Brussel.

Stand van zaken op 31.12.2008
Zonder gevolg van de minister van Justitie en/of de FOD Justitie.


Stand van zaken op 31.12.2009
Op 26 februari 2009 richtte de federale procureur een brief hierover aan de minister van Justitie. Op 30 oktober 2009 werd dit besproken met de directeur van de beleidscel van de minister van Justitie.
Zonder gevolg van de minister van Justitie en/of de FOD Justitie.


Stand van zaken op 31.12.2010
Zonder gevolg van de minister van Justitie en/of de FOD Justitie.


  • Nieuw beleidsinitiatief 11: verfraaiing en beveiliging van het gebouw van het federaal parket.


Het federaal parket betrekt momenteel 4 verdiepingen in de Quatre Brasstraat 19 te 1000 Brussel.


De gangen en de vergaderzalen van het federaal parket zijn vrijwel niet aangekleed. Het zou in elk geval aangenamer werken zijn en een meer stijlvolle ontvangst betekenen voor de binnenlandse en buitenlandse partners van het federaal parket, indien de vergaderzalen en gangen zouden kunnen worden verfraaid met bijvoorbeeld enkele planten, schilderijen, Belgische en Europese vlaggen en tapijten.
Om een idee te geven van de situatie: de aankoop van twee planten ter verfraaiing van de vergaderzaal waar de officiële buitenlandse delegaties worden ontvangen, werd in augustus 2007 categoriek geweigerd door de FOD Justitie, omdat daarvoor geen budget meer voorhanden zou zijn en dit een precedent zou kunnen scheppen voor de andere parketten die wel eens hetzelfde zouden kunnen vragen.
Een ander punt betreft de beveiliging van het gebouw: sinds verschillende maanden wordt vruchteloos aangedrongen bij de FOD Justitie om het camerabewakingssysteem op het federaal parket te herinstalleren, derwijze dat een permanente controle zou kunnen worden uitgeoefend op wie zich toegang wenst te verschaffen tot de garage en het gebouw van het federaal parket.
Op het ogenblik dat het federaal parket medio 2009 zijn intrek zal nemen in het gebouw QB 13 kunnen deze elementen uiteraard worden meegenomen en daar ook benut.
Gevraagd aan de minister van Justitie: het bekomen van een specifiek budget ter verfraaiing/beveiliging van de lokalen van het federaal parket.

Stand van zaken op 31.12.2008
Er werd geen specifiek budget bekomen, maar er konden wel twee planten en een Belgische en Europese vlag worden aangekocht. Het camerabewakingssysteem werd hersteld.
De verdere uitbouw van de beveiliging van de QB 19 is niet meer relevant, gezien de nakende verhuis van het federaal parket naar de QB 13.
Dit beleidsinitiatief wordt niet hernomen.

Stand van zaken op 31.12.2009
2009 kenmerkte zich door de verhuis van het federaal parket naar het mooie en functionele gerechtsgebouw “Montesquieu”, gelegen aan de Wolstraat 66/1 te 1000 Brussel.
Het federaal parket betrekt er tot zijn grote tevredenheid de zesde en zevende verdieping.
Wat de veiligheid betreft, stelt zich een zeer dringend probleem.
Op dit ogenblik zijn 5 medewerkers “beheer en toezicht” werkzaam in het gerechtsgebouw “Montesquieu”. Reeds van in het begin dringen de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de directeur COIV en de federale procureur zeer sterk en bij herhaling er op aan dat dit aantal medewerkers “toezicht en beheer”, middels de aanwerving van 6 bijkomende medewerkers, zou worden opgetrokken tot 11, teneinde juist de klok rond te kunnen instaan voor de veiligheid van het gerechtsgebouw “Montesquieu”. Het gebouw Portalis, waar het parket van Brussel en de onderzoeksrechters gehuisvest zijn, heeft wel reeds een dergelijke permanente beveiliging. Er is geen enkele reden waarom het gerechtsgebouw “Montesquieu”, waar onder meer het federaal parket is ondergebracht, niet over eenzelfde volwaardige dienstverlening inzake veiligheid als het gebouw Portalis zou beschikken. Alleen al de aard van de dossiers die worden behandeld door het federaal parket (bijzondere opsporingsmethoden, getuigenbescherming, terrorisme, georganiseerde criminaliteit, enz.) als de geclassificeerde documenten die er worden bewaard en die vallen onder de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, verantwoorden dit ten volle. De vele partners (Veiligheid van de Staat, ADIV, binnenlandse en buitenlandse politiediensten en rechtshandhavingsdiensten, Eurojust, College voor Inlichting en Veiligheid, OCAD, enz.) verwachten dit ook van het federaal parket, en terecht.
Bij brief van 23 december 2009 drongen de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de directeur COIV en de federale procureur nogmaals aan bij de minister van Justitie. Er zou geen budgettaire ruimte zijn om aan deze nochtans gerechtvaardige eisen tot beveiliging tegemoet te komen.


Stand van zaken op 31.12.2010
Ook in 2010 drongen de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de directeur COIV en de federale procureur verder aan bij de minister van Justitie om een aanwezigheid van de medewerkers beheer en toezicht de klok rond in het federaal parket te hebben. Noch op de gezamenlijke brief van 23 december 2009, noch op de brief van 1 december 2010 werd een antwoord van de minister van Justitie ontvangen.
De problematiek werd ook aangekaart tijdens de vergaderingen van het beheerscollege van het gebouw, waaraan ook de FOD Justitie deelneemt, van 29 januari 2010, 25 juni 2010 en 19 november 2010 en per mail van 22 juni 2010, allemaal zonder enig tastbaar resultaat evenwel.
Het gevolg is wel dat het gerechtsgebouw Montesquieu, zijnde het gebouw waarin ook het federaal parket is gehuisvest, niet kan beschouwd worden als een beveiligd gerechtsgebouw.
De federale procureur verspreidde op 11 januari 2010 en 1 december 2010 interne dienstnota’s met betrekking tot de beveiliging en de toegangsprocedure tot het gebouw.
Op 20 december 2010 werd het algemeen reglement uitgevaardigd door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de directeur COIV en de federale procureur.
Het federaal parket blijft voor het overige ook in 2010 een tevreden klant van het gerechtsgebouw Montesquieu, ook al bleven de problemen met de airco, de vochtigheidsgraad, de luchtverversing, de liften en de telecommunicatieverbindingen in het gebouw, alhoewel bij herhaling gemeld, onopgelost.
Tenslotte, vond op 7 mei 2010 de officiële opening plaats van het gerechtsgebouw Montesquieu door de minister van Justitie, de vice-eerste minister en minister van Financiën bevoegd voor de Regie der Gebouwen en de voorzitter van de Senaat, in aanwezigheid van tal van nationale en internationale partners van het federaal parket.


  • Nieuw beleidsinitiatief 12: verplaatsingskosten naar Eurojust.


Recent besliste de FOD Justitie volkomen eenzijdig dat voor de verplaatsingen van federale magistraten naar Eurojust niet langer een voorschot voor de reis –en verblijfskosten zou worden uitbetaald. De redenering van de FOD Justitie was dat, omwille van het feit dat Eurojust dikwijls een deel van de kosten op zich neemt, een deel van het voorschot naderhand toch door de magistraten aan de FOD Justitie dient te worden terugbetaald. Dat is volgens de FOD Justitie een te omslachtige procedure. Bovendien, steeds volgens de FOD Justitie, wordt het voorschot niet langer met een cheque uitbetaald, maar overgeschreven op de rekening van de magistraten, wat zo veel tijd in beslag neemt dat de magistraat al terug van Eurojust is, vooraleer hij het voorschot ontvangt.


Deze redenering van de FOD Justitie kan niet worden bijgetreden. De verplaatsingen naar Eurojust zijn professionele verplaatsingen, noodzakelijk voor de goede uitvoering van de opdrachten van het federaal parket en opgelegd in het kader van de internationale verplichtingen van ons land. Het is niet aan de federale magistraten die kosten voor te schieten.
Gevraagd aan de minister van Justitie: het herinvoeren van de vroegere procedure m.b.t. vergoeding van de reis –en verblijfskosten van de federale magistraten voor hun verplaatsingen naar Eurojust.


Stand van zaken op 31.12.2008
Zonder gevolg van de minister van Justitie en/of de FOD Justitie.


Stand van zaken op 31.12.2009
De reis –en verblijfskosten worden door Eurojust thans in grote mate vergoed.
Dit beleidsinitiatief wordt niet hernomen.


Stand van zaken op 31.12.2010
Dit beleidsinitiatief wordt niet hernomen.

  • Nieuw beleidsinitiatief 13: taalpremie voor het administratief personeel

Daar waar het taalexamen identiek is voor het volledige administratief personeel, is er een anomalie in de vergoeding, naar gelang deze wordt genoten door een secretaris en de overige medewerkers.


De medewerkers en assistenten genieten een bedrag van 12 Euro, de secretarissen en adjuncten een netto bedrag van 110 Euro.
Het spreekt voor zich dat een nivellering naar boven van dit bedrag de sfeer op de werkvloer zou ten goede komen en een extra stimulans zou zijn voor het administratief personeel van het federaal parket om het taalexamen te slagen. Dit zou onmiskenbaar bijdragen tot een betere en efficiëntere werking van het federaal parket. De praktijk wijst immers uit dat het administratief personeel in een volledig tweetalige omgeving werkt en dat de tweetaligheid aldus een essentiële vereiste is. Het is ook het beleid van de federale procureur dat het personeel zou trachten de tweetaligheid te verwerven en het tweetaligheidsexamen zou slagen. Het is duidelijk dat een opwaardering van de laagste premie dit beleid zou ondersteunen.


Stand van zaken op 31.12.2008
Wat de taalpremie van het administratief personeel betreft, bekomen de medewerkers en assistenten vanaf 1 december 2008 een verhoging van de premie.
Er blijft evenwel een verschil bestaan, gezien het verschil in niveau tussen de taaltest die door Selor wordt afgenomen voor de secretarissen, adjunct-secretarissen en administratieve deskundigen (vertalers) en die voor het ander administratief personeel.
Dit beleidsinitiatief wordt niet hernomen.


Stand van zaken op 31.12.2009
Dit beleidsinitiatief wordt niet hernomen.


Stand van zaken op 31.12.2010
Dit beleidsinitiatief wordt niet hernomen.

  • Nieuw beleidsinitiatief 14: jaarlijks strategisch seminarie federaal parket.


De federale procureur stuurt het federaal parket voornamelijk aan via de beleidscel.


In de beleidscel zetelen de federale procureur, de 5 beleids-magistraten/hoofd van de secties en de hoofdsecretaris.
De beslissingen die in de beleidscel worden besproken of genomen betreffen voornamelijk de dagelijkse werking van het federaal parket.
De praktijk toont aan dat er ook een absolute behoefte is om jaarlijks te kunnen reflecteren en nadenken met alle federale magistraten over de missie, de visie en de strategie en de doelstellingen van het federaal parket.
Een dergelijke reflectie dient in alle kalmte en weg van de operationele drukte van het federaal parket te kunnen gebeuren. Dit kan met andere woorden enkel wanneer dit in een afzonderlijke locatie plaats vindt en daarvoor genoeg tijd wordt vrij gemaakt.
Er is om dit te realiseren nood aan een specifiek budget dat moet toelaten om jaarlijks een meerdaags strategisch seminarie met de magistraten van het federaal parket te organiseren.
Gevraagd aan de minister van Justitie: een specifiek budget voor de jaarlijkse organisatie van een meerdaags strategisch seminarie met de magistraten van het federaal parket.


Stand van zaken op 31.12.2008
Positief gevolg van de minister van Justitie en de FOD Justitie.
Op 25 en 26 september 2008 vond het eerste strategisch seminarie van de magistraten en juristen van het federaal parket plaats.
Het zou interessant zijn mocht hiervoor in de toekomst jaarlijks een specifiek budget worden vastgelegd.
.
Stand van zaken op 31.12.2009
Er vond in 2009 geen strategisch seminarie van de magistraten en juristen van het federaal parket plaats.
Een specifiek budget kon niet worden bekomen.
Er is een onduidelijke bevoegdheidsafbakening tussen de FOD Justitie en het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding betreffende deze materie.


Stand van zaken op 31.12.2010
Positief gevolg van de minister van Justitie en de FOD Justitie.
Op 18 en 19 maart 2010 vond het jaarlijkse strategisch seminarie van het federaal parket plaats in Asselborn (Luxemburg), met de federale magistraten en de juristen.
Tijdens dit seminarie werden volgende punten besproken:

  • Strijd tegen de gerechtelijke achterstand. Langdurig medegedeelde dossiers.

  • Strijd tegen de gerechtelijke achterstand. Dossiers langdurig in gerechtelijk onderzoek.

  • Strijd tegen de gerechtelijke achterstand. Aanpak, beheersing en bewaking van de gerechtelijk onderzoeken.

  • Beleidsprioriteiten van het federaal parket.

  • Opleiding personeel federaal parket.

  • Sectievergaderingen.


Het voorziene punt over de samenwerking tussen het federaal parket en de politiediensten werd besproken op de korpsvergadering van 26 mei 2010.

  • Nieuw beleidsinitiatief 15: team-buildingsactiviteiten van het federaal parket.


Het is de bedoeling op het federaal parket jaarlijks vier teambuildingsactiviteiten te organiseren:




  • twee activiteiten met de federale magistraten en de juristen;

  • twee activiteiten met de federale magistraten, de juristen en het administratief personeel.

Er bestaat daarvoor op dit ogenblik geen specifiek budget op het federaal parket.


De team-buildingsactiviteiten in juni en december 2007 dienden daarom voor een groot deel door de federale procureur en de federale magistraten met eigen middelen te worden bekostigd.
Er is dus nood aan een specifiek budget voor de team-buildingsactiviteiten van het federaal parket.
Gevraagd aan de minister van Justitie: een specifiek budget voor de organisatie van vier team-buildingsactiviteiten per jaar door het federaal parket.


Stand van zaken op 31.12.2008
Positief gevolg van de minister van Justitie en de FOD Justitie.
Volgende teambuildingsactiviteiten vonden plaats:
- 28 juni 2007: MBT-tocht pajottenland

- 7 december 2007: bezoek Brugge

- 30 mei 2008: bezoek slagveld Waterloo

- 25 september 2008: zeiltocht op zee
Het zou interessant zijn mocht hiervoor in de toekomst jaarlijks een specifiek budget worden vastgelegd.


Stand van zaken op 31.12.2009
Positief gevolg van de minister van Justitie en de FOD Justitie.
Volgende teambuildingsactiviteiten vonden plaats:
- 13 januari 2009: bezoek militaire vliegbasis Kleine Brogel (magistraten en juristen)

- 15 oktober 2009: dropping en barbecue voor gans federaal parket
Een specifiek budget kon niet worden bekomen.
Er is een onduidelijke bevoegdheidsafbakening tussen de FOD Justitie en het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding betreffende deze materie.


Stand van zaken op 31.12.2010
Positief gevolg van de minister van Justitie en de FOD Justitie.
Volgende teambuildingsactiviteiten vonden plaats:
- 1 maart 2010: werkbezoek aan CGSU (magistraten en juristen)

- 18 november 2010: bezoek slagvelden eerste wereldoorlog en barbecue op de hoeve (iedereen).

  • Nieuw beleidsinitiatief 16: telecommunicatie –en informaticaproblemen


2008 kenmerkte zich door ernstige problemen met de telecommunicatiemiddelen en informatica van het federaal parket.


Sedert de ingebruikname van de nieuwe telefooncentrale in Portalis heeft het federaal parket te kampen met aanhoudende problemen met het gebruik van de faxtoestellen. Op een bepaald ogenblik beschikten alle secretariaten en
magistraten verspreid over de vier verdiepingen van het federaal parket slechts over één enkel faxtoestel om faxen te versturen. Op een ander ogenblik dienden bedienden zich zelfs te begeven naar het gerechtsgebouw omdat alle faxtoestellen op het federaal parket buiten werking waren.
Pas nadat de federale procureur hierover op 18 februari 2008 de minister van Justitie persoonlijk aanschreef, werd aan deze toestand geremedieerd.
Sedert de installatie van de nieuwe PC’s met Linux en Openoffice is de toestand op het gebied van informatica op het federaal parket chaotisch te noemen. Een deel van het personeel en de magistraten hebben nieuwe computers gekregen met Linux, terwijl een ander deel nog steeds werkt met Windows. De systemen zijn niet compatibel, waardoor veel werk en tijd verloren gaat en het federaal parket intern en extern aan slagkracht en efficiëntie inboet. Dit is niet aanvaardbaar voor een operationeel parket, dat onmiddellijk moet kunnen reageren en kort op de bal moet kunnen spelen in kritieke situaties.
Op 23 april 2008 werd daarover de directeur van de stafdienst ICT van de FOD Justitie aangeschreven. Op 4 september 2008 had de federale procureur een persoonlijk onderhoud met de directeur stafdienst ICT, waarbij hem werd beloofd dat in de loop van de maand oktober 2008 het federaal parket opnieuw en uitsluitend zou worden uitgerust met Windows/Microsoft. Niettegenstaande aandringen werd deze belofte niet ingelost.

Stand van zaken op 31.12.2008
De problemen met de faxtoestellen lijken momenteel opgelost te zijn.
De problemen met de informatica zijn acuut te noemen. In december 2008 sprak de federale procureur hierover de directeur van de beleidscel van de minister van Justitie aan. Met zijn akkoord zal de federale procureur hierover in 2009 de secretaris-generaal van de FOD Justitie contacteren. Een terugkeer naar Windows/Microsoft is absoluut noodzakelijk.


Stand van zaken op 31.12.2009
Op 26 februari 2009 richtte de federale procureur een brief hierover aan de minister van Justitie. Op 30 oktober 2009 werd dit besproken met de directeur van de beleidscel van de minister van Justitie.
De problemen met de informatica zijn acuut en talrijk. De problematiek overstijgt echter het federaal parket en raakt alle diensten binnen het Openbaar Ministerie. De problematiek werd herhaaldelijk door het College van procureurs-generaal bij de minister van Justitie en de FOD Justitie aangekaart.

Stand van zaken op 31.12.2010
Ook in 2010 bleven de problemen met de informatica van het federaal parket bestaan. De problematiek overstijgt echter het federaal parket en raakt alle diensten binnen het Openbaar Ministerie. De problematiek werd herhaaldelijk door het College van procureurs-generaal bij de minister van Justitie en de FOD Justitie aangekaart.


  • Nieuw beleidsinitiatief 17: de bestrijding van de gerechtelijke achterstand door een betere monitoring van de doorlooptijden van federale dossiers.

In een belangrijk federaal dossier diende in 2007 een vordering genomen te worden waarin de raadkamer werd verzocht de strafvordering vervallen te verklaren wegens de verjaring van de feiten. Het dossier bleef immers, na mededeling ervan door de onderzoeksrechter voor eindvordering, te lange tijd onbehandeld liggen op het federaal parket. De doorgedreven controle op de langdurig meegedeelde onderzoeken bij het aantreden van de nieuwe federale procureur bracht dit aan het licht.


Dergelijke situatie is niet aanvaardbaar. De federale magistraten werden daarom per algemene dienstnota in herinnering gebracht dat tijdens de planningsgesprekken eenieder zich ertoe verbonden heeft zich in te spannen de doorlooptijden van de hem/haar toevertrouwde dossiers zo minimaal mogelijk te houden, inzonderheid wat de voor eindvordering meegedeelde dossiers betreft.
Tevens werden de volgende interne richtlijnen uitgevaardigd wat de afhandeling betreft van de dossiers die voor eindvordering door de onderzoeksrechters zijn meegedeeld:


  • in de federale dossiers met aangehouden personen wordt de eindvordering steeds prioritair en zo snel als mogelijk opgesteld;




  • in de gewone federale dossiers zonder aangehouden personen bedraagt de termijn voor het opstellen van de eindvordering vier maanden;




  • voor de buitengewone federale dossiers zonder aangehouden personen (i.e. de zeer complexe en/of zeer omvangrijke onderzoeken) kan deze termijn, indien nodig en in akkoord met de beleidsmagistraat, maandelijks worden verlengd;




  • in uitzonderlijke gevallen kan om “strategische redenen” (bijvoorbeeld de verknochtheid met een ander dossier, brongevaar, enz.) het nemen van een eindvordering worden uitgesteld. Deze beslissing wordt uitsluitend genomen door de federale procureur op basis van een schriftelijk verzoek hiertoe door de federale magistraat-titularis, gevalideerd door de beleidsmagistraat.


Stand van zaken op 31.12.2008
De naleving van deze richtlijnen wordt nauwgezet gecontroleerd.

Stand van zaken op 31.12.2009
De naleving van deze richtlijnen wordt nauwgezet gecontroleerd.
De procureur-generaal te Gent ontvangt in dit verband maandelijks kopie van het overzicht van de federale procureur en waarbij aan de federale magistraten persoonlijke instructies gegeven worden per langdurig medegedeeld dossier.
Begin 2009 werd bovendien, op basis van data aangeleverd door de statische analisten van het College van procureurs-generaal, door de federale procureur een individuele bevraging gedaan aan de federale magistraten over 83 federale dossiers die op 10 juli 2008 langer dan 2 jaar in gerechtelijk onderzoek waren. De federale magistraten-titularis werden met name verzocht per dossier na te gaan of er zich geen maatregelen opdrongen om de goede voortgang van het gerechtelijk onderzoek te verzekeren.

Stand van zaken op 31.12.2010
De naleving van deze richtlijnen wordt nauwgezet gecontroleerd.
De procureur-generaal te Gent ontvangt in dit verband maandelijks kopie van het overzicht van de federale procureur, waarbij aan de federale magistraten persoonlijke instructies gegeven worden per langdurig medegedeeld dossier.
De federale procureur besprak bovendien op 2 en 3 juni 2010, op basis van data aangeleverd door de statistische analisten van het College van procureurs-generaal, met de zaakmagistraten de 82 federale dossiers die op 10 januari 2010 langer dan 2 jaar in gerechtelijk onderzoek waren. Per dossier werd onderzocht of en in welke mate er zich bepaalde maatregelen opdrongen om de goede voortgang van het gerechtelijk onderzoek te benaarstigen of vrijwaren.
De problematiek van de strijd tegen de gerechtelijke achterstand werd eveneens besproken tijdens het strategisch seminarie van 18 en 19 maart 2010 te Asselborn (Luxemburg) en tijdens de korpsvergadering van 26 mei 2010. Op deze korpsvergadering werd ook aan de federale magistraten gevraagd een beslissing te nemen over de overtuigingsstukken in hun dossiers.


Nieuw beleidsinitiatief 18: een grotere aanwezigheid van (gedelegeerde) federale magistraten bij verplaatsingen van Belgische militairen naar het buitenland.


De federale procureur heeft specifieke bevoegdheden ten aanzien van de misdrijven gepleegd door Belgische militairen in het buitenland, op basis van de artikelen 309bis en 144quinquies van het Gerechtelijk wetboek.


In het kader van de uitoefening van deze bevoegdheden is een aanwezigheid van (gedelegeerde) federale magistraten in het kader van operaties of belangrijke oefeningen van de Belgische strijdkrachten in het buitenland op een meer regelmatige basis aangewezen.
De bedoeling is dat de magistraten ervaring zouden opdoen, de context waarin zij beslissingen moeten nemen beter zouden begrijpen en dat er een grotere, meer regelmatige en meer zichtbare gerechtelijke aanwezigheid zou zijn op het terrein.
Na verkennende gesprekken terzake met de ministers van Justitie en Defensie te hebben gevoerd , bekwam de federale procureur op 8 november 2008 hierover het principeakkoord van het College van procureurs-generaal. Het College stemde ermee in dat de federale procureur hierin verdere initiatieven zou nemen, onder meer t.a.v. de militaire overheden.
Het College vroeg wel erop toe te zien dat de aanduiding van magistraten uit de lijst van het Koninklijk besluit van 18 september 2008 steeds in overleg zou gebeuren met de korpschefs en dat rekening zou worden gehouden met de impact ervan op de werking van de parketten(-generaal) en met de persoonlijke situatie van de magistraten.
De federale procureur gaat hiermee volledig akkoord en zal te gepasten tijde een concrete planning (periodes - namen van magistraten) aan het College ter goedkeuring voorleggen. In eerste instantie zullen vooral federale magistraten worden uitgezonden.
In die context verplaatste de federale procureur zich naar Afghanistan (Kandahar en Kaboul) van 10 tot 16 november 2008.


Stand van zaken op 31.12.2008
Er is overleg bezig met de militaire overheden om dit beleidsinitiatief verder te concretiseren.

Stand van zaken op 31.12.2009
De federale procureur legde op 19 maart 2009 aan het College van procureurs-generaal een nota voor, die volgende punten behandelde:


  • Modaliteiten van kennisgeving van strafbare feiten gepleegd door Belgische militairen in het buitenland in vredestijd aan het federaal parket;

  • Lijst van strafbare feiten gepleegd door Belgische militairen in het buitenland in vredestijd die onmiddellijk dienen te worden gemeld aan het federaal parket;

  • Overzichtstabel van de verplaatsingen van federale magistraten naar het buitenland in het raam van de toepassing van artikel 309bis Gerechtelijk wetboek;

  • Gerechtelijke reactie ingeval van zogenaamde “Collateral Damage” bij het uitvoeren van de opdrachten door de Belgische luchtmacht in Afghanistan;

  • Protocolakkoord tussen de Minister van Landsverdediging en de Minister van Justitie betreffende de door Defensie verleende ondersteuning in het kader van gerechtelijke opdrachten in het buitenland in vredestijd door
    magistraten van het Openbaar Ministerie, ingevolge de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd.



Het College keurde de voorgestelde werkwijze goed.
Op basis hiervan zond de federale procureur op 9 april 2009 een brief aan de CHOD Defensie houdende richtlijnen en principeakkoorden met betrekking tot bepaalde aspecten in het kader van de uitoefening van de militaire bevoegdheden van het federaal parket. Bij brief van 12 oktober 2009 van de federale procureur aan de CHOD Defensie werden deze richtlijnen en principeakkoorden verfijnd.
In een onderhoud op 14 april 2009 met de federale procureur verleende de minister van Justitie zijn principieel akkoord m.b.t. het vergezellen door federale magistraten van de Belgische troepen naar het buitenland.
Teams van twee federale magistraten vergezelden de Belgische troepen in 2009 naar Libanon (2x) en Kosovo (2x). Er waren in 2009 ook verplaatsingen bij de Belgische Strijdkrachten in Afghanistan gepland, maar wegens de onzekere juridische toestand van de dekking door de verzekeringsmaatschappij voor de federale magistraten, besliste de federale procureur voorlopig aan deze verplaatsingen te verzaken. Met de beleidscel van de ministers van Justitie en Landsverdediging werd de laatste hand gelegd aan een volledige sluitende oplossing voor dit dringend probleem. Op 26 februari 2009 richtte de federale procureur een brief hierover aan de minister van Justitie. Op 30 oktober 2009 werd dit besproken met de directeur van de beleidscel van de minister van Justitie. Op 18 november 2009 werd een zeer constructieve technische vergadering gehouden met de adjunct-directeur van de beleidscel van de minister van Justitie.
Om te beantwoorden aan de wettelijke vereisten nam de federale procureur de nodige schikkingen opdat alle federale magistraten in 2009 en 2010 deel zouden nemen aan de gespecialiseerde opleiding tot het bekomen van het brevet inzake militaire technieken, noodzakelijke voorwaarde om de Belgische troepen te mogen vergezellen bij militaire operaties in het buitenland (artikel 309bis van het Gerechtelijk Wetboek). De eerste opleidingssessie vond plaats in het Competentiecentrum Landcomponent in Arlon in november en december 2009.


Stand van zaken op 31.12.2010
Op de korpsvergadering van 15 januari 2010 werd een evaluatie gemaakt van alle verplaatsingen van federale magistraten naar het buitenland in het kader van hun opdrachten ex artikel 309bis en 144quinquies Gerechtelijk Wetboek. Op 2 februari 2010 liet de federale procureur deze evaluatie aan de Chef C-Ops van Defensie geworden.
Op 24 juni 2010 vaardigde de federale procureur een “vademecum” uit, met bijhorende documentatiemap en duidelijke richtlijnen voor de uitoefening van de “militaire bevoegdheden” van het federaal parket. Dit bijzonder kwaliteitsvolle vademecum werd toegezonden aan alle federale magistraten en aan alle magistraten van het Openbaar Ministerie die gemachtigd zijn de Belgische troepen te vergezellen naar het buitenland.
De federale procureur schreef op 22 april 2010 de Minister van Justitie en de Minister van Landsverdediging aan teneinde toelating te bekomen voor de aanwezigheid van magistraten van het Openbaar Ministerie bij de Belgische troepen in het buitenland. Op basis van de ministeriële toelating van 30 april 2010 werden vervolgens met de militaire overheden de verplaatsingen naar het buitenland op basis van artikel 309 bis van het Gerechtelijk Wetboek in 2010 gepland. De brief van de Ministers bood ook een sluitend antwoord wat de verzekering van de magistraten betreft, ook ingeval van een verplaatsing op basis van artikel 144quinquies van het Gerechtelijk Wetboek (punt 5).
Op zijn vergadering van 22 april 2010 besliste het College van procureurs-generaal dat de federale procureur voortaan ook een beroep kan doen op magistraten van het Openbaar Ministerie, houder van het brevet inzake militaire technieken en opgenomen op de lijst van het College van procureurs-generaal zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, om de Belgische troepen naar het buitenland te vergezellen.
Op 23 april 2010 werd de wet tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel (B.S. 07.05.2010) afgekondigd. Artikel 2 van deze wet vervangt artikel 44 van de wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de krijgsmacht. Hierdoor kan een militair naar de korpstucht worden verwezen door het Openbaar Ministerie, de onderzoeksgerechten en de rechter ten gronde. De federale procureur verzocht de sectie “militaire bevoegdheden” optimaal gebruik te maken van deze mogelijkheid.
Teams van twee federale magistraten of magistraten van het Openbaar Ministerie daartoe aangeduid door de federale procureur vergezelden de Belgische troepen in 2010 telkens voor de duur van ongeveer 1 week naar Afghanistan (3x). De federale procureur en een federale magistraat vergezelden het regiment paracommando’s van 11 tot 18 juni 2010 op oefening in Noorwegen. Eén federale magistraat was gedurende twee weken (van 7 tot 22 december 2010) aan boord van het Belgische fregat “Louise-Marie” op anti-piracy-mission in de Indische Oceaan.
Om te beantwoorden aan de wettelijke vereisten namen tussen 25 en 29 oktober 2010 een aantal federale magistraten en andere geïnteresseerde parketmagistraten in het Competentiecentrum Landcomponent in Arlon deel aan de gespecialiseerde opleiding tot het bekomen van het brevet inzake militaire technieken, noodzakelijke voorwaarde om de Belgische troepen te mogen vergezellen bij militaire operaties in het buitenland (artikel 309bis van het Gerechtelijk Wetboek).

  • Nieuw beleidsinitiatief 19: Meer gerechtelijke aandacht en slagkracht voor Belgen die in het buitenland slachtoffer zijn geworden van zwaarwichtige misdrijven – aanpassing van artikel 12 VTSV.




Terrorisme

Via de artikelen 6.1°ter en 10ter, 4° Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering (VTSv) werd in de wet van 19 december 2003 betreffende de terroristische misdrijven de extraterritoriale rechtsmacht uitgebreid om vervolging in België mogelijk te maken voor de terroristische misdrijven begaan buiten België. Deze uitbreiding van de rechtsmacht betreft niet alleen terroristische misdrijven die in het buitenland gepleegd zijn tegen een Belgische onderdaan of instelling, maar ook deze tegen een instelling van de Europese Unie of van een orgaan opgericht overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese gemeenschap of het Verdrag betreffende de Europese Unie, die in het Rijk is gevestigd. Dit laatste lijkt te willen betekenen dat België ook rechtsmacht heeft voor terroristische misdrijven gepleegd tegen de “filialen” van Europese instellingen die hun hoofdzetel in België hebben (bijvoorbeeld de permanente vertegenwoordiging van de Europese commissie in de lidstaten van de EU). Het betreft met andere woorden een bijzonder belangrijke uitbreiding van de rechtsmacht.


Welnu, overeenkomstig artikel 12 VTSv is de vervolging echter maar mogelijk indien de verdachte in België wordt gevonden. Dit is uiteraard problematisch. Het feit dat de verdachte in België moet worden gevonden, maakt de extra-territoriale bevoegdheid in terrorisme-zaken, zoals bepaald in artikel 10ter, 4° van de VTSv, de facto tot dode letter.
In de praktijk zal het Openbaar Ministerie (in casu het federaal parket) dus enkel een zeer beperkt opsporingsonderzoek kunnen voeren, maar zal het geen onderzoeksrechter kunnen vatten (wanneer zich bijvoorbeeld dwangmaatregelen zouden opdringen, zoals een internationaal aanhoudingsmandaat bij verstek met het oog op uitlevering) of een verdachte niet voor een Belgische rechtbank kunnen dagvaarden, desgevallend met het oog op een veroordeling bij verstek. Deze kwestie is dus niet louter theoretisch en deze beperking resulteert in toestanden die onder meer voor Belgische slachtoffers van terroristische misdrijven als onrechtvaardig worden ervaren.
Bijvoorbeeld werden tweemaal, in 2007 en meer recent in 2009, terroristische zelfmoordaanslagen in Kaboel (Afghanistan) gepleegd ten nadele van Belgische militairen, belast met de bewaking van het militair kamp en de internationale luchthaven. In beide gevallen werden Belgische militairen gewond. In beide gevallen kon het federaal parket geen volledig strafonderzoek voeren naar de opdrachtgevers of mededaders of medeplichtigen, omdat deze waarschijnlijk nooit in België zouden kunnen worden gevonden. Aan de vereiste van artikel 12 VTSv zou met andere woorden wellicht nooit kunnen worden voldaan.

Op vandaag, wanneer het dergelijke feiten onderzoekt, beperkt het federaal parket zich tot het openen van een strafonderzoek op basis van de artikelen 10bis VTSv en 144quinquies Ger Wb, waarbij echter het voorwerp van het onderzoek op dat moment een eventuele inbreuk op artikel 418 van het Strafwetboek wordt (onopzettelijke slagen en verwondingen door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg) in hoofde van de Belgische militairen ter plaatse. Het hoeft weinig betoog dat de perceptie van het federaal parket dat ter plaatse afstapt om een strafonderzoek te voeren lastens Belgische militairen, die net zelf rechtstreeks of onrechtstreeks het voorwerp uitmaakten van een terroristische aanslag, heel ongelukkig is. Een dergelijke afstapping ter plaatse zou heel wat aannemelijker worden indien op dat ogenblik kan worden medegedeeld dat ook een strafonderzoek naar de terroristische aanslag werd geopend en dat de bewijselementen verzameld in het raam van het onderzoek op basis van de artikelen 10bis VTSv en 144quinquies Ger Wb ook aan dit onderzoek zullen kunnen worden toegevoegd.


Geen strafonderzoek voeren is al evenmin een optie, omdat bij dergelijke feiten zowel de militaire overheid, als de Belgische regering en bevolking steeds zal willen dat het Belgisch Openbaar Ministerie een grondig, volledig, onafhankelijk en onpartijdig onderzoek voert. Dit zal zeker het geval zijn wanneer het zeer ernstige feiten betreft, zoals bijvoorbeeld een terroristische aanslag tegen een Belgische ambassade of tegen Belgische troepen in het buitenland waarbij Belgische militairen om het leven komen.
In die zin is een ander opsporingsonderzoek dat door het federaal parket wordt gevoerd illustratief. Het betreft een terroristische aanslag op 18 januari 2008 op een groep Belgische toeristen in Jemen, toegerekend aan AL Qaida, waarbij onder meer twee Belgische vrouwen om het leven kwamen en een Belgische man zwaar gewond werd. Dankzij dit onderzoek, dat ingevolge artikel 12 VTSv echter niet ten volle kon worden gevoerd en bijvoorbeeld nooit zou kunnen leiden tot de vervolging van de daders in België, konden de Belgische slachtoffers en nabestaanden een minimum aan informatie bekomen over de juiste toedracht van de feiten en de resultaten van de opsporingsinspanningen van de plaatselijke autoriteiten. Het federaal parket, in nauwe samenwerking met de FOD Buitenlandse Zaken, zond drie rechtshulpverzoeken aan de Jemenitische autoriteiten en 1 federaal magistraat en twee politiemensen verplaatsten zich naar Jemen wat hen toeliet het strafdossier (in het Arabisch) aldaar in te zien, kopie ervan te bekomen, de kopie te laten vertalen en vervolgens, eens terug in België, de slachtoffers en nabestaanden hierover uitvoerig te informeren.
In 2007-2009 voerde het federaal parket een strafonderzoek lastens personen die ervan verdacht worden deel te nemen aan de activiteiten van een terroristische groep, met name Al Qaïda. Uit het onderzoek komt naar voren dat verschillende personen vanuit België vertrokken naar de regio van Afghanistan/Pakistan om daar deel te nemen aan gevechten of om er een training te volgen in trainingskampen. In dit federaal strafonderzoek werden 2 Belgen die een opleiding in het hanteren van explosieven in deze kampen hadden gevolgd en die nadien in België werden aangetroffen, in België vervolgd. Een derde Belg kon evenwel voor deze feiten niet in België worden vervolgd, omdat hij na het plegen van de feiten nooit in ons land kon worden aangetroffen. Dit toont goed de beperking van artikel 12 VTSv aan.
Om aan deze situatie te remediëren, werd in 2009 binnen het federaal parket een werkgroep gevormd die een voorstel van voorontwerp van wet en memorie van toelichting (in beide landstalen) uitwerkte tot wijziging van artikel 12 VTSv, waarbij de voorwaarde om de verdachte vóór elke daad van vervolging in België te vinden, weggelaten wordt wat de gepleegde terroristische misdrijven betreft die limitatief zijn opgesomd in artikel 137 SWB. De geviseerde artikelen daarbij zijn de artikelen 6, 1°ter en 10ter, 4° VTSv.
Moord, doodslag, oudermoord, kindermoord, vergiftiging en gijzeling.
Dit voorstel van voorontwerp van wetsontwerp regelt verder ook een soortgelijke problematiek met betrekking tot enkele andere misdrijven buiten elke terroristische context om. Dezelfde problematiek rijst inderdaad ook wat de vervolging in België betreft van vreemdelingen wanneer zij in het buitenland een misdaad hebben gepleegd tegen een Belgisch onderdaan en waarbij het feit strafbaar is krachtens de wetgeving van het land waar het gepleegd werd met een gevangenisstraf waarvan het maximum vijf jaar vrijheidsberoving overtreft. Ook hier dient de verdachte vóór het instellen van de vervolging in België te worden gevonden (artikel 10, 5° en 12 VTSv).
Ook hier toont de ervaring jammer genoeg aan dat Belgische nabestaanden of slachtoffers zich vaak geconfronteerd zien met criminele feiten gepleegd in het buitenland waar zij of hun familieleden het slachtoffer van werden, gepleegd in verre landen met vaak onstabiele of moeilijk toegankelijke regimes, waar zij letterlijk op een “justitiële muur” botsen en zij (zelfs met behulp van hun advocaten) verstoken blijven van elke informatie of vorm van slachtofferbejegening of waar enig gerechtelijke reactie of optreden lijkt uit te blijven.
Zo federaliseerde het federaal parket, op verzoek van het parket van Antwerpen, het onderzoek naar een Belgische vrouw die in 2008 in een wildpark in Oeganda door stropers zou zijn vermoord. De Belgische familie bleef volledig verstoken van enige informatie, zowel wat de juiste toedracht van de feiten betreft, als de stand van het onderzoek van de plaatselijke autoriteiten. In het raam van het federaal opsporingsonderzoek gebeurde een autopsie op het stoffelijk overschot in België. Het federaal onderzoek, dat ingevolge artikel 12 VTSv echter niet ten volle kon worden gevoerd en bijvoorbeeld nooit zou kunnen leiden tot de vervolging van de daders in België, verschafte de familie van het slachtoffer een minimum aan informatie over de juiste toedracht van de feiten en de resultaten van de opsporingsinspanningen van de plaatselijke autoriteiten. Het federaal parket, in nauwe samenwerking met de FOD Buitenlandse Zaken, zond een rechtshulpverzoek aan de Oegandese autoriteiten en 1 federaal magistraat en twee politiemensen verplaatsten zich naar Oeganda, wat hen toeliet het strafdossier aldaar in te zien, kopie ervan te bekomen, de vermoedelijke daders die daar waren aangehouden te verhoren en vervolgens, eens terug in België, de familie van het slachtoffer hierover uitvoerig te informeren.
Op dezelfde wijze stelde zich het probleem van de ontvankelijkheid van de strafvordering ingevolge artikel 12 VTSv. toen een Belgische onderdaan die voor een NGO werkte, in 2008 negen maanden lang gegijzeld werd gehouden in Somalië.
In een ander federaal dossier, waarbij in 2009 een Belgische vrouw ontvoerd en gegijzeld werd in Kenia, kon het federaal parket zijn volheid van bevoegdheid maar uitoefenen vanaf het ogenblik dat de ontvoerders telefonisch contact hadden opgenomen met de familie in België en hun eis om losgeld hadden geformuleerd, waardoor op basis van de ubiquiteitstheorie één van de constitutieve bestanddelen van de gijzeling (namelijk het voldoen aan een bevel of een voorwaarde) op Belgisch grondgebied plaatsvond.
Meer nog dan in de reeds aangehaalde voorbeelden stelt de problematiek zich zeer scherp wanneer er bijna sprake is van rechtsweigering in het buitenland of wanneer het duidelijk is dat het lokale strafonderzoek niet naar behoren of met onvoldoende aandacht of middelen wordt gevoerd.
Op 10 februari 1998 vertrok een toen 24 jarige landgenoot naar een Midden-Amerikaans land. Sinds zijn vertrek vernam zijn familie niets meer van hem. Zijn reischeques ter waarde van 2100 USD werden twee dagen na zijn vertrek geïnd. Via Interpol werd vernomen dat in februari 1998 een Amerikaans onderdaan in contact met hem zou zijn geweest en zijn reischeques zou hebben gebruikt. De gerechtelijke autoriteiten van het Midden-Amerikaans land waren niet bereid een verzoek tot rechtshulp naar de Verenigde Staten van Amerika in deze zaak te sturen en stelden dat het onderzoek enkel verder gezet kan worden mits een internationaal rechtshulpverzoek van België aan de Verenigde Staten van Amerika. De FOD Buitenlandse Zaken contacteerde daarop het parket van de woonplaats van de verdwenen landgenoot, dat zich echter onbevoegd verklaarde. Er gebeurt dus klaarblijkelijk geen verder onderzoek naar de verdwijning en wellicht moord van onze landgenoot in het buitenland.
In een andere zaak werd een toen 34 jarige landgenoot op 20 juli 2003 vermoord in een Zuid-Amerikaans land. Betrokkene wou een fietsreis van 2 jaar maken door Latijns-Amerika. Hij werd overvallen op het platteland met de bedoeling hem te beroven en werd gedood toen hij weerstand bood. Er zijn twee verdachten waar tegen een nationaal aanhoudingsbevel werd uitgevaardigd. De lokale politiediensten die het onderzoek voeren beschikken echter klaarblijkelijk niet over voldoende financiële middelen om alle zich opdringende onderzoeksdaden te stellen. Zo werd bijvoorbeeld vernomen dat zij over geen financiële middelen zouden beschikken om het transport te bekostigen om een huiszoeking bij de familie van de verdachten uit te voeren. De daders zijn tot op heden nog steeds spoorloos.
In de nacht van 8 op 9 september 2001 werd een landgenoot, toen 50 jaar oud, die werkzaam was als ingenieur voor een Zwitsers bedrijf, het slachtoffer van een roofmoord in een Zuid-Afrikaans land. De hoofdverdachte verliet dit land onmiddellijk na de moord en verblijft thans ongestoord in een West-Europees land. Er vond geen overdracht van strafvervolging plaats. Betrokkene werd nooit voor deze feiten verontrust.
Op 31 december 2004 werd een 39 jarige landgenoot vermoord in een Midden-Afrikaans land. Hij werd thuis neergestoken en overleed aan zijn verwondingen. Het betrokken land had niet de nodige know-how in huis om een DNA-analyse van het bewijsmateriaal uit te voeren en werd daarin dan ook ondersteund door België. Sindsdien zou bepaald bewijsmateriaal evenwel spoorloos zijn en lijkt het onderzoek op een dood spoor te zitten.
Al deze gevallen tonen duidelijk aan hoe belangrijk het is dat de gerechtelijke slagkracht van het Belgisch Openbaar Ministerie zou worden vergroot, opdat deze (slachtoffers en) nabestaanden niet in de kou zouden blijven staan en opdat de daders van criminele feiten het voorwerp zouden kunnen uitmaken van opsporing en vervolging in België, desgevallend aan België zouden kunnen worden uitgeleverd of desgevallend bij verstek zouden kunnen worden gevonnist.
De voorwaarden om de Belgische extraterritoriale rechtsmacht ten uitvoer te leggen dienen ook hier te worden uitgebreid, wat een wijziging van artikel 12 VTSv impliceert, in die zin dat de voorwaarde om de verdachte vóór elke daad van vervolging in België te vinden, wordt weggelaten. Het geviseerde artikel daarbij is het artikel 10, 5° VTSv.
Ook hier wordt ervoor gekozen het toepassingsgebied beperkt te houden en worden enkel de allerzwaarste misdrijven weerhouden: de gijzeling (artikel 347bis SWB), de doodslag, moord, oudermoord, kindermoord en vergiftiging (artikelen 393 tot en met 397 SWB) en de roofmoord (artikel 475 SWB).
Vervolgingsfilter
Om te vermijden dat klachten met burgerlijke partijstellingen zouden kunnen worden aanhangig gemaakt bij de onderzoeksrechter door Belgische of buitenlandse slachtoffers, is het nodig te voorzien in een “vervolgingsfilter”, zoals deze ook reeds bestaat voor de ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht en artikel 12 bis VTSv, en die in de praktijk goed functioneert.

Stand van zaken
Zoals gezegd werd binnen het federaal parket een werkgroep opgericht die in 2009 een voorstel van voorontwerp van wet en bijhorende memorie van toelichting uitgewerkt.
Op 28 juli 2009 bracht de federale procureur de problematiek schriftelijk onder de aandacht van de minister van Justitie.
Op 11 september 2009 werd de problematiek besproken op de overleggroep gerechtelijke samenwerking in strafzaken SCHINS-MINE.
Op 30 oktober 2009 besprak de federale procureur dit beleidsinitiatief met de directeur van de beleidscel van de minister van Justitie, die geen bezwaar had tegen het feit dat binnen het federaal parket een tekstvoorstel zou worden uitgewerkt dat vervolgens, na akkoord van het College van procureurs-generaal, aan de FOD Justitie zou worden overgemaakt.
Op 17 december 2009 werd dit initiatief en tekstvoorstel door de federale procureur aan het College van procureurs-generaal voorgesteld. Het College gaf zijn principeakkoord om dit initiatief verder uit te werken.
Dit initiatief geniet ook de steun van de FOD Buitenlandse Zaken die onder meer de federale procureur een overzicht gaf van de belangwekkende zaken van Belgen die in het buitenland vermoord of ontvoerd zijn en die kaderen in de geviseerde problematiek.

Stand van zaken op 31.12.2010
Het beleidsinitiatief werd in 2010 verder gezet.
De federale procureur stelde het voorstel voor aan de minister van Justitie op de vergadering van het College van procureurs-generaal van 29 januari 2010. De minister stemde in met de initiatieven die het federaal parket ter zake reeds op het terrein genomen had en zou het voorgestelde wetgevend initiatief onderzoeken.
Via Eurojust werd een rechtsvergelijkende bevraging in de andere EU-landen gedaan: op de 19 landen die reageerden, zijn er slechts 3 EU-landen (Portugal, Luxemburg en de Tsjechische Republiek) die, zoals België, een aantreffen op het nationale grondgebied vereisen.
De federale procureur hield met alle betrokken federale zaakmagistraten en de FOD Buitenlandse Zaken op 23 maart 2010, 5 mei 2010 en 10 november 2010 opvolgingsvergaderingen tijdens dewelke alle dossiers besproken werden.

  • Nieuw beleidsinitiatief 20: nieuwe wettelijke opdracht “de strijd tegen de piraterij”


De Belgische marine nam in 2009 (en ook in 2010) deel aan de operatie ATALANTA, die onder leiding van de Europese Unie wordt georganiseerd. Deze operatie, die in 2008 van start ging en op 08 december 2009 door de Raad van de Europese Unie werd verlengd, heeft tot doel de daden van piraterij te bestrijden, die in de Golf van Aden hoofdzakelijk vanaf Somalisch grondgebied worden gepleegd.


De opdrachten die aan de Belgische marine worden toevertrouwd zijn:

  • het escorteren en beschermen van schepen die humanitaire hulp van het Wereldvoedselprogramma (WFP) vervoeren alsook, geval per geval, van humanitaire schepen, Europese schepen, schepen die de vlag voeren van de staten die aan de operatie deelnemen en van andere schepen die als kwetsbaar worden beschouwd,

  • het patrouilleren in de zones nabij de plaatsen waar daden van piraterij werden gepleegd of gemeld,

  • het controleren en onderzoeken van schepen, waarvan de bemanningen ervan verdacht worden daden van piraterij te proberen te plegen, te plegen of te hebben gepleegd.

Omdat verwacht mag worden dat bij de uitvoering van deze opdrachten vroeg of laat personen verdacht van piraterij zullen worden geïntercepteerd, was er nood aan een passend wettelijk kader.


In 2009 hebben de federale procureur en 2 federale magistraten en een jurist op zeer actieve wijze bijgedragen tot de totstandkoming van de wet van 30 december 2009 betreffende de strijd tegen piraterij op zee en de wet van 30 december 2009 betreffende de strijd tegen piraterij op zee en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek.
In deze wetten wordt de federale procureur een exclusieve bevoegdheid toegekend in de opsporing en vervolging van piraterijzaken. Het betreft met andere woorden een nieuwe wettelijke opdracht voor het federaal parket.
Binnen het federaal parket behandelt de sectie terrorisme en/of de sectie “militaire bevoegdheden” de dossiers inzake piraterij. Enerzijds, zijn de in de wet gebruikte definities en kwalificaties grotendeels gebaseerd op de artikelen 139 en volgende van het Strafwetboek inzake terrorisme. Anderzijds, kunnen feiten van piraterij gepaard gaan met strafbare feiten gepleegd door Belgische militairen waarvoor het federaal parket bevoegd is op basis van artikel 10bis VTSv. en artikel 144quinquies Gerechtelijk Wetboek. Om die redenen zal de federale procureur beslissen of het onderzoek wordt gevoerd door de sectie terrorisme of door de sectie militaire bevoegdheden of samen, in functie van de concrete omstandigheden van de zaak en het overwegend belang van de feiten.
Inmiddels werd in 2009 het federaal parket wel al geconfronteerd met zijn eerste concrete kaping van een Belgisch schip “Pompei” en gijzeling van de bemanning. Op 18 april 2009 werd een strafonderzoek geopend door het federaal parket. Met de Regering werd afgesproken deze kaping/gijzelingssituatie af te handelen conform de principes van de afhandeling van een terroristische gijzeling. Dit hield in dat een beleidsstaf werd ontplooid in het Crisiscentrum die werd voorgezeten in co-voorzitterschap door de federale procureur en de premier (in casu daartoe gemandateerd de directeur-generaal Crisiscentrum). De reden voor deze werkwijze was dat de te nemen beslissingen de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van zowel de gerechtelijke als de politieke overheden raken en derhalve, met respect voor eenieders bevoegdheden, in volledige overeenstemming dienden te worden genomen en gedragen zowel door de regering als door de gerechtelijke autoriteiten. De federale procureur en een federale magistraat waren gedurende 10 weken in de weer met de goede afhandeling van deze kaping, die uiteindelijk met succes na 72 dagen kon worden beëindigd. Het strafonderzoek wordt verdergezet.

Stand van zaken op 31.12.2010
Intern het federaal parket werden 2 dienstnota’s uitgevaardigd: de algemene dienstnota n° 2/2010 van 28 juni 2010 en de aanvullende algemeen dienstnota n° 2bis/2010 van 15 september 2010.
De eerste dienstnota licht de wet toe en bevat onder meer de criteria die de federale procureur zal hanteren bij het nemen van zijn beslissing om al dan niet zelf in België de strafvordering uit te oefenen lastens gevangen genomen piraten:
- een Belgisch schip (= schip onder Belgische vlag) maakt het voorwerp uit van een daad van piraterij; of
- een Belgische militair die deel uitmaakt van een Belgisch oorlogsschip of een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip, wordt naar aanleiding van een daad van piraterij gedood of ernstig gewond of zeer ernstig bedreigd (bijvoorbeeld het gericht veelvuldig vuren door de piraten op deze militairen of het afvuren van een raket door de piraten naar deze militairen; negatief voorbeeld: het vuren in de lucht of het niet gericht of niet veelvuldig vuren door de piraten naar deze militairen); of
- een Belgisch oorlogsschip wordt ernstig beschadigd naar aanleiding van een daad van piraterij; of
- een Belgisch onderdaan wordt gedood of ernstig gewond naar aanleiding van een daad van piraterij.
Deze criteria werden gevalideerd door het College van procureurs-generaal op zijn vergadering van 22 juni 2010.
De tweede dienstnota bevat een uitgebreide modellenreeks van processen-verbaal en vorderingen en beantwoordt een aantal vragen die gerezen zijn naar aanleiding van de voorbereiding van de anti-piratenopdracht waarmede het Belgisch fregat LOMA in het najaar van 2010 werd belast. Deze vragen en antwoorden werden op 16 juni 2010 en 7 juli 2010 besproken tussen het federaal parket en de FOD Landsverdediging en afgetoetst tijdens een oefening in de Noordzee op 18 augustus 2010. Deze FAQ zullen als leidraad dienen voor de federale magistraten die tijdens hun wachtdienst door de commandant van de LOMA (of van een ander Belgisch oorlogsschip) zouden worden gecontacteerd voor misdrijven van piraterij.
Tegelijkertijd werd in oktober 2010 met een onderzoeksrechter te Brussel herhaaldelijk een verhoor op afstand getest, via videoteleconferentie, met het fregat Louise-Marie. Er waren heel wat technische problemen. Bij brief van 11 oktober 2010 verzocht de federale procureur de minister van Justitie een afzonderlijk lokaal uit te rusten met alle technische faciliteiten om videoconferenties te kunnen organiseren. Waar eerst gedacht werd dit lokaal te voorzien bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, lijkt nu de piste om een dergelijk lokaal te installeren bij het federaal parket veel meer opportuun, gelet op het feit dat het lokaal aldus ook zou kunnen worden aangewend voor de andere (internationale) materies van het federaal parket waarvoor anders tijdverslindende en dure internationale rechtshulpverzoeken en verre verplaatsingen elders in de wereld geboden zijn.
De federale procureur vroeg bij brief van 11 oktober 2010 de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel een Nederlandstalige en Franstalige onderzoeksrechter, desgevallend telkens ook een vervanger, aan te duiden tot wie het federaal parket zich zou kunnen wenden, ingeval het gevat wordt van misdrijven van piraterij. De wet van 30 december 2009 bepaalt inderdaad dat de rechtscolleges te Brussel uitsluitend bevoegd zijn om kennis te nemen inzake piraterij.
Op 4 oktober 2010 vertrok het Belgische oorlogsschip Louise-Marie op een anti-piraterij-opdracht in de Golf van Aden en voor de Somalische kust, in het raam van de Europese missie Atalanta. Op 20 oktober 2010 voer het fregat het operatiegebied binnen. Tijdens deze operatie was één federale magistraat gedurende twee weken (van 7 tot 22 december 2010) aan boord van het Belgische fregat “Louise-Marie”.
Op 29 oktober 2010 intercepteerde de Louise-Marie 7 piraten. De federale procureur, na de toetsing aan voormelde criteria te hebben gedaan, besliste niet zelf de strafvordering uit te oefenen. Naderhand ontving zijn ambt op 1.12.2010 het bericht dat één van de verdachten op foto was herkend én door de kapitein én door de eerste stuurman én door de tweede stuurman van de Pompei, alsook door een Kroatisch bemanningslid, als zijnde één van de daders van de kaping met gijzeling van de Pompeï, het jaar voordien. Het Federaal Parket vorderde daarop de onderzoeksrechter. Deze besliste om beklaagde te arresteren met het oog op voorleiding. De procedure zoals voorgeschreven door de nieuwe wet inzake piraterij van 2009, die zoals alle procedurewetten onmiddellijk van toepassing is, werd toegepast. In casu werd de verdachte gearresteerd door de onderzoeksrechter op 1 december 2010. Hij werd van op afstand (= vanuit België) verhoord op 2 december 2010, waarna de onderzoeksrechter een voorlopig aanhoudingsmandaat uitvaardigde. De gearresteerde piraat werd vervolgens overgebracht naar België. Bij zijn aankomst op 10 december 2010 werd hem het voorlopig aanhoudingsmandaat betekend, waarna hij diezelfde dag nog werd voorgeleid voor de onderzoeksrechter, die lastens hem een klassiek aanhoudingsmandaat uitvaardigde.
Betrokkene zou in 2011 voor de correctionele rechtbank te Brussel worden vervolgd. Inmiddels wordt het federaal gerechtelijk onderzoek naar de overige piraten, verantwoordelijk voor de kaping van de Pompeï in 2009 verder gezet door de onderzoeksrechter te Brugge.
Tussen 1 en 23 maart 2010 bevond het Belgische oorlogsschip Godetia zich ter hoogte van Kameroen en Benin, een regio gevoelig voor aanvallen van piraterij. Op 3 februari 2010 vond overleg plaats tussen de FOD Landsverdediging en het federaal parket, waarbij duidelijke gerechtelijke richtlijnen werden gegeven ingeval de Godetia met een daad van piraterij zou geconfronteerd worden.
Op 13 september 2010 werd het federaal parket verwittigd van de kaping van een baggerschip de Amerigo Vespucci voor de kust van Kameroen. Aan boord waren onder meer 8 Belgische bemanningsleden. Het schip voer echter onder Luxemburgse vlag, waardoor het federaal parket geen bevoegdheid had. Een federale magistraat bood, onder regie van het Crisiscentrum van de Regering, ondersteuning aan de Luxemburgse gerechtelijke autoriteiten voor de duur van de kaping.
Op 12 juli 2010 namen een magistraat en een jurist van het federaal parket deel aan een strategische vergadering over piraterij in Eurojust, met 11 landen, Europol en Interpol.
Het beleidsinitiatief werd dus ook in 2010 verder gezet. Het belang van de internationale strijd tegen de piraterij neemt trouwens ook toe, getuige daarvan het feit dat de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie op de plechtige openingszitting van het Hof op 1 september 2010 hierover een zeer gesmaakte rede hield, met als titel “De strijd tegen de moderne piraterij die de scheepvaart belemmert en het fundamenteel recht van de Verenigde Naties”.

  • Nieuw beleidsinitiatief 21: informatica-criminaliteit (internetbanking hacking)

Naast de reeds vermelde prioritaire criminaliteitsdomeinen (rondtrekkende dadergroepen, internationale drughandel, terrorisme), besliste de federale procureur in 2009 ook prioritaire aandacht te besteden aan het fenomeen van de “internetbanking hacking”.


Reeds in 2008 had de federale procureur aan één federale magistraat de opdracht gegeven zich te specialiseren in het domein van de informaticacriminaliteit, door middel van het voeren van eigen federale onderzoeken en het volgen van theoretische en praktische opleidingen in binnen –en buitenland bij de gespecialiseerde opsporingsdiensten, met de bedoeling zijn expertise zowel extern als intern het federaal parket ten dienste te stellen van zijn collega’s. Sinds enkele jaren wordt immers vastgesteld dat personen, verdacht van terroristische misdrijven of georganiseerde criminaliteit, steeds vaker met elkaar communiceren via het internet of via andere hoogtechnologische middelen, veeleer dan via de klassieke communicatiemiddelen (telefoon of GSM), op een sterk beveiligde manier en dat ook op het gebied van de magistratuur een inhaalbeweging nodig is om de nodige know-how op te doen om deze tendens het hoofd te kunnen bieden.
Binnen het domein van de informaticacriminaliteit werd het fenomeen van de “internetbanking hacking” als bedreigend voor de kritieke infrastructuur van ons land beschouwd en voerde het federaal parket daarom in 2009 rond dit fenomeen in 23 dossiers een strafonderzoek.


Stand van zaken op 31.12.2010
Ook in 2010 werd de informaticacriminaliteit als een prioritair criminaliteitsdomein voor het federaal parket beschouwd, wat zich verder vertaalde in de federale strafonderzoeken die werden geopend.


  • Nieuw beleidsinitiatief 22: de verhuis naar het gerechtsgebouw “Montesquieu” en de creatie van het beheerscollege “Montesquieu”.


In de maand juni 2009 verhuisde het federaal parket naar het nieuwe gerechtsgebouw “Montesquieu”. De voorbereiding van deze verhuis en de inname van het nieuwe gebouw werden minutieus voorbereid. Reeds voor de verhuis werd op initiatief van de federale procureur een beheerscollege “Montesquieu” opgericht. Het beheerscollege bestaat uit de federale procureur, de directeur COIV en de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, bijgestaan door hun hoofdsecretarissen/hoofdgriffier en medewerkers, met wiens diensten het gebouw gedeeld wordt. De voorzitter REA Bxl werd aangeduid als feitelijke gebouwenbeheerder.


Op 17 februari 2009 werd een pré-vergadering van het beheerscollege gehouden en vervolgens op 4 maart 2009 de eerste effectieve vergadering, gevolgd door vergaderingen op 3 april, 6 mei, 23 juni, 15 september en 20 november 2009.
Op deze vergaderingen werden onder meer beslissingen genomen in verband met: het beheer van het gebouw, de aanwijzing en de taken van de feitelijke gebouwenbeheerder, de verhuis, het beheer en het onderhoud van de infrastructuur en de technische installaties, de toewijzing van de lokalen, de veiligheid, het beheer van de “medewerkers toezicht en beheer”, het huishoudelijk reglement, evenementen en gebeurtenissen, de onthaalfunctie, de telefonie en ICT, de postbedeling, de archieven en de parking.
De notulen van de vergaderingen worden, zodra goedgekeurd, bij dienstnota verspreid.
De verhuis legde beslag op heel wat tijd en energie van de federale procureur, de beleidscel, de hoofdsecretaris en haar medewerkers, maar kan als zeer geslaagd worden beschouwd.


Stand van zaken op 31.12.2010
Afgehandeld.




1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   42


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina