Jacob Versteegh, pontbaas op het Haersterveer



Dovnload 10.3 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte10.3 Kb.
Jacob Versteegh, pontbaas op het Haersterveer
“Kinderen noemen mij wel eens de ‘heen-en-weerwolf’. Die kennen ze van Pluk van de Petteflet en misschien lijk ik ook wel wat op hem. Ik heb natuurlijk een wat woeste baard en ik ben een veerman! Dat ben ik nu al zo’n dertig jaar op dit pontje, de laatste handgetrokken pont van Nederland. Eind jaren zeventig bedacht de toenmalige directeur van de VVV in Zwolle dat het pontje uit de Willemsvaart hier mooi dienst zou kunnen doen. Medewerkers van de WEZO zouden het gaan bedienen. Maar die wilden dat niet in het weekend en ze wilden ook op tijd naar huis. De vrouw die toen in het veerhuis woonde, zei: “Wij pakken het hier wel op.” In het begin gebeurde dat een beetje hap, snap. Wie zag dat er iemand over wou, die ging dat doen. Er lagen hier wat schepen, dus genoeg mensen om de handen uit de mouwen te steken. Dankzij de schepen hier, de mensen, kon het veer hier bestaan. Gaandeweg is er een soort rooster ontstaan. Tegenwoordig hebben we een echt rooster, met zeven mensen bedienen we het pontje. Van tien uur ’s morgens tot zeven uur ’s avonds zijn we in bedrijf, van 1 mei tot 1 oktober iedere dag. Het geld dat je ophaalt, steek je in je zak. Dat geld staat nergens in de boeken. Wie het veer bedient, die mag het hebben. Dat heeft toch wel een bijzondere waarde: niet omdat het veel is, dat is het niet, maar omdat het geld is dat een bepaalde vrijheid weerspiegelt: je krijgt het, je mag ermee doen wat je goeddunkt en niemand heeft er iets over te zeggen. Ik merk dat dat ook voor de anderen die hier werken een bijzondere magie heeft.

Mijn vrouw heeft het wel eens jammer gevonden dat wij door het pontje nooit in de zomer met vakantie konden. We gaan altijd voor mei of na oktober. Inmiddels hebben we nu een aantal mensen wel zo ingewerkt, dat we in de zomer wel een paar weken weg gaan. Maar ik wil in de zomer eigenlijk geen dag missen. Iedere dag spreek je wel iemand met een bijzonder verhaal. Alles komt hier voorbij. En allemaal in goede stemming, want iedereen is met vakantie. En de hele dag hoor je: “Wat wonen jullie hier mooi!” Dat maakt het natuurlijk ook leuk.

En je spreekt de mensen uit het dorp, je ziet weer alle schoolkinderen langs komen. Dan hoor je onderweg veel als veerbaas. Maar dat zijn dingen die je niet verder vertelt.

Ik moet eerlijk zeggen dat ik tegen het eind van het seizoen ook de rust wel weer kan waarderen. Even niet steeds dezelfde vragen beantwoorden. En aan het eind van de winter verlang je weer naar de pont: laten ze maar weer komen!

Er komen hier ook wel bruidsparen voor hun trouwfoto’s. Daar ben je dan soms een uur mee bezig. Maar als er klanten komen, dan gaan die voor. Ik heb een hoge ‘veerman-ethiek’. De klant is koning en die laat je niet wachten. Nieuwe medewerkers leer ik altijd dat kinderen zo bang zijn als hun moeder. Kinderen zijn van nature niet bang, maar door de soms subtiele signalen die ze van hun moeder opvangen kunnen ze opeens toch bang worden. Veel mensen zijn bang op een wiebelig pontje: als je niet gewend bent aan dat wiebelen is dat blijkbaar toch eng.
Ik ben opgegroeid aan de Linge, in de Betuwe. Ik had al jong een kano en daarna een zeilbootje. Ik kan me geen leven voorstellen zonder water.

Ik heb mijn hele huwelijksleven op het schip geleefd. Ons schip is een Hasselter aak, gebouwd in 1906 in Zwartsluis. Ik kocht het schip na mijn wereldreis. Ik kreeg een baan, maar wilde absoluut niet in een huis. Ik was in de veronderstelling dat bij het wonen in een huis bovenal controle hoorde. Over hoe je bijvoorbeeld je elektriciteit had geregeld. Op een schip bemoeit niemand zich ergens mee. Dat vond ik een prettig idee.

In die tijd konden we eigenlijk nergens langer dan een half jaar liggen. Toen onze kinderen naar school moesten, zijn we hier bij het Haersterveer terecht gekomen. Dat was in 1978. Hier konden we blijven. We kenden de mensen die het grote huis hier gekocht hadden en door hen kwamen we hier terecht. In 1988 zijn we in het Veerhuis gaan wonen. Maar slapen doen we nog steeds op ons schip.
Het feit dat de Vecht een stromende rivier is, vind ik prettig. Er komt van alles voorbij. Tussen de 10 en 20 procent van ons stookhout komt uit de rivier.

Vroeger lagen we in Jutphaas. Toen mijn vrouw zwanger was dreef er een kinderstoel voorbij. Die hebben we nu nog steeds in gebruik in onze familie. We hadden daar altijd de afspraak dat je uit het water mocht pakken, wat naast jouw boot dreef. Dus als je iets moois aan zag komen, dan bleef je stil en dan wachten tot het in de buurt kwam en hopen dat niet iemand het eerder uit het water viste…


De stroming is in de Vecht de loop der jaren wel veranderd, vooral door de automatische stuwen. Nu is er ook in de zomer soms stroming, wat voor ons pontje natuurlijk niet altijd even handig is. Ik heb wel eens gevraagd of ze niet ’s nachts het overtollige water kunnen laten afstromen, maar dat kan niet vanwege de automatisering. Dat vind ik wel eens jammer van deze tijd: het zijn steeds meer de machines die het overnemen. En de mobieltjes, dat mag van mij ook wel minder. Klanten die bellen, jammer! Ik roep dan wel eens dat ze daarmee de navigatieapparatuur verstoren. En degene die de pont bedient, die mag sowieso niet bellen. Het is niet klantvriendelijk, maar het kan ook niet vanwege het verkeer op het water. Kleine bootjes moeten de pont voorrang geven, maar dat weten de eigenaren van die kleine bootjes niet altijd. Dan moet je als veerbaas een beetje brutaal zijn en laten zien dat jij voor mag. Want anders gaan ze later tegen elkaar vertellen dat zij voorrang hebben…Daar krijg je problemen mee!
Het is hier drukker geworden met bootjes. En ze zijn groter: je kan zien dat de mensen rijker geworden zijn. Over het algemeen zijn het leuke mensen die voorbij komen. Ze kiezen toch bewust voor dit stukje rivier.
De ingrepen die de overheid, en dan met name het waterschap, heeft willen doen bij dit stukje van de Vecht hebben mij wel de nodige energie gekost in de loop der jaren. In de jaren negentig wilde het waterschap hier de dijken verhogen. Daar hadden ze allerlei mooie rapporten over geschreven, maar mijn indruk was dat het vooral ging om het uitgeven van geld. Een van de gevolgen van dat plan was, dat een groot deel van de begroeiing hier weggehaald zou moeten worden. Wij zijn daar met de hele buurtschap tegen gaan protesteren. Het heeft ervoor gezorgd dat we elkaar in de buurt erg goed hebben leren kennen. Dat was zeker een positieve kant. Maar ik heb er ook wel nachten van wakker gelegen. We hebben uiteindelijk de procedure bij de Raad van State niet gewonnen, maar door de lange periode die het had geduurd heeft de begroeiing hier het toch overleefd. De contracten die het waterschap al had getekend met een aannemer die dat zou uitvoeren, waren inmiddels verlopen. Later ben ik nog wel weer eens tegen plannen in gegaan, maar ik weet ook dat je als gepensioneerd ingenieur in dat vak niet zoveel invloed hebt. Ik heb me voorgenomen om er nooit meer zo persoonlijk in te gaan zitten. Het kost teveel en winnen kan je niet.

Inmiddels zijn de stenen in de binnenbochten van de rivier weggehaald. Ook een uitwerking van weer een ambitieus plan. Het aardige is dat daar nu weer mooie strandjes ontstaan. Nu hoop ik maar dat ze de komende twintig jaar de boel weer met rust laten hier.”



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina