Jan Deloof – 2 ok



Dovnload 59.02 Kb.
Datum03.10.2016
Grootte59.02 Kb.
JOSEPH DERYCKE - SIDONIE CROMMELYNCK
Leven op het platteland in de goede, oude tijd

Jan Deloof – 2 okt. 2009

Derycke-Crommelynck, dat zijn de familienamen van mijn moeders vader en moeder, een echtpaar - zo stel ik me voor - dat lang en gelukkig getrouwd is geweest, ondanks twee verschrikkelijke wereldoorlogen. Vanaf hun huwelijk in Avelgem op 30 april 1902 tot grootvaders overlijden in Zwevegem op 27 januari 1947, het is inderdaad een lange tijd.


Ik herinner me die twee als bezige, bezorgde, maar al bij al tevreden oude mensen. Ik was natuurlijk nog maar op mijn zeventiende toen grootvader stierf en nog vreselijk groen achter mijn oren, maar toch... Zelfs de onbezonnen jeugd merkt wel wanneer iets grondig fout gaat en dat ging het daar, Deerlijkstraat 81 in Zwevegem, bepaald niet. (Op dat adres brachten ze vanaf 1936 hun pensioenjaren door, maar het was op 7 mei 1930 ook mijn geboortehuis. Ook mijn broer Giovan zag er het levenslicht, op 1 oktober 1932).

Voluit heetten ze Constant Joseph Derycke en Sidonie Marie Crommelynck. Hij was een weinig gecompliceerd en bedaard man, zij een vrouwtje met pit. Met heel veel pit. Ze hadden geen zoons, maar waren gezegend met zes dochters, namelijk (genoteerd volgens hun trouwboekje):


- Marguerite ° Avelgem 6.11.1903

- Madeleine-Hélène ° Orroir 17.12.1904

- Zulma Julienne ° Orroir 31. 3.1906

- Aline Celestine ° Zwevegem 29. 8.1909

- Adrienne Julienne ° Zwevegem 15. 9.1910

- Agnes Theresia Maria Josepha ° Zwevegem 16. 6.1912.

Moeder was de tweede in de rij. De tocht van Avelgem over Orroir naar Zwevegem, die je kunt aflezen van de geboorteplaatsen van de kinderen, is te verklaren door het beroep van de ouders: ze waren allebei in dienst van de Belgische spoorwegen en gingen wonen waar grootvader aan het werk werd gezet. In Zwevegem woonden ze in het ‘gardheus’ (het baanwachtershuis) in de Deerlijkstraat. Hoe ze daar genoeg ruimte vonden om hun zes dochters te slapen te leggen is me nog altijd een raadsel.
Voor moeder staat er dus 'Madeleine-Hélène'. Moeders voornaam is echter altijd een bron van verwarring geweest. Iedereen noemde haar Madeleine en van de jaren dertig tot de jaren zestig is 'Madlène Deriekers' in Zwevegem synoniem geweest van mooie dameskleding. Maar in haar eigen trouwboekje en op haar identiteitskaart heette ze al die tijd Helena Hortense. Haar hele volwassen leven heeft ze haar omgeving daarom voorgehouden: "Het is niet Madeleine, het is Hélène!" Het hielp niet. En toen ze eindelijk Helena werd (bij haar verhuizing naar het rusthuis van Zwevegem, in oktober 1990, werd namelijk haar officiële naam in gebruik genomen) begon ze na heel korte tijd precies het tegenovergestelde te beweren: "Laat ze ophouden met dat Helena, mijn naam is Madeleine!" De verwarring had zelfs haar in haar greep gekregen.
Enkele tijd geleden moest ik dan constateren dat moeder in het trouwboekje van haar ouders vermeld staat als Madeleine-Hélène... Ik wou daar nu toch definitief het fijne van weten en trok dus op een mistige februarimorgen van 1993 naar Orroir. Of eigenlijk naar Amougies, de kerngemeente van Mont-de-l'Enclus waar ook Orroir nu deel van uitmaakt. Conclusie: moeder is er ingeschreven als Hélène-Hortense. Toen ze in zijn trouwboekje Madeleine-Hélène vermeldden stond grootvader Jef erbij en keek ernaar...
Hij vond dat allicht een bagatel, want zelf luisterde hij niet naar twee maar naar drie namen. Dat kwam zo: zijn moeder werd vroeg weduwe met twee kinderen, zoals verder nog zal blijken. Die kinderen waren grootvader en zijn zus Zulma-Maria (geboren in Moen

op 9.5.1873 en aldaar gestorven op 3.11.1946, als weduwe van Aloïs Waelkens en echtgenote van Vital Demeulemeester). Grootvader groeide aanvankelijk op in het gezin van zijn tante Justine, een zuster van zijn overleden vader. Die Justine was met een Myle getrouwd en grootvader werd zodoende voor een tijdje 'Sif Myle'. Toen zijn moeder hertrouwde met een Reynaert ging hij naar haar terug en

werd 'Sifke Rennies', een naam die afgeleid was (hoe raar het ook moge klinken) van dat 'Reynaert'. Hij werd pas 'Sif Derycke' toen hij

als jonge volwassene in zijn eentje ging wonen in Avelgem, waar hij dus naderhand zijn Sidonie leerde kennen.



Joseph en Sidonie circa 1920

MOEDERS VADERS KANT

Wetend dat grootvader Jef Derycke van Moen afkomstig was, hadden mijn broer Giovan en ik ons grinnikend zitten afvragen of we aan die kant misschien een verdachte, want priester gewijde voorvader zouden vinden: de Moense pastoor Geert De Rycke, die drie natuurlijke kinderen had (Pieter, Anthonine en Josine). Maar we hadden pech. Voor ons was geen pastoor als stamvader weggelegd!

Het spoor leidde namelijk al vlug van Moen naar Heestert, een dorp waar het vroeger krioelde van mensen met de familienaam Derycke: de klapper op het doopregister heeft er voor de periode 1639-1796 verschillende bladzijden voor nodig. Heel het dorp was toen rijke!
Rijk tussen aanhalingstekens, vermoed ik. Ik heb geen gegevens over bezit of bezitloosheid van die mensen. Ik kan enkel zeggen wat ik gezien heb: bij sommige sterfgevallen van een Derycke in de achttiende eeuw noteert de parochiepriester van Heestert om niet bekende redenen, maar uitdrukkelijk genoeg: "parvam villam occupant." Wat ik vrij vertaal als: "ze wonen in een povere kortweunste."
(Het is raar, maar in 1991 waren er in Heestert hoop en al nog drie gezinshoofden die Derycke heetten. Waar zijn die gasten allemaal naartoe???)
Heestert was in de tweede helft van de zeventiende eeuw een plaats waar het gevaarlijk leven was, vooral voor rijpe vrouwen. Het verbranden van heksen was er toen volksvermaak nummer een. Ik zal dat hier allemaal niet herhalen, maar verwijs naar Zanten en zanen, 1997. Onthoud alleen dat de laatste heksverbranding in Heestert nog plaatsvond in 1676 (vonnis van 18 mei), toen Catherine Decraene, 46 jaar, geboortig van Otegem, op haar beurt in Heestert gewurgd en daarna opgestookt werd.
Al die zogenaamde heksen werden veroordeeld wegens "vleselijk paren ofte boeleren" met de duivel en andere baarlijke, nu nog nauwelijks te vatten kolder. Het is een niet zo fraaie bladzijde in de geschiedenis van dit nu bijna ingeslapen dorp.
Het is lang niet uitgesloten dat de ouders van Jan Derijcke en Maria Derycke als klein kind nog hebben staan kijken naar de brandstapels. Meteen zijn de namen genoemd van het echtpaar waarmee we de stamlijn van moeder kunnen laten beginnen. Hogerop ben ik jammer genoeg niet geraakt.

Joannes DERIJCKE en Maria DERYCKE trouwden in Heestert op 30 april 1721. Ze moeten dus hun kinderjaren doorgebracht hebben in de jaren negentig van de zeventiende eeuw, de barre tijd van de Negenjarige Oorlog tussen de Fransen en de Oostenrijkers (1688-1697). Die oorlog zorgde ook in Heestert en de naburige dorpen voor veel narigheid. Zo werd Heestert bv. in 1691 vier dagen lang door de Fransen geplunderd. Hetzelfde lot viel Moen ten deel in 1693. Het jaar daarop werd de kerk van Heestert opnieuw van alles beroofd dat nog ontsnapt of inmiddels weer samengespaard was. Maar Jan en Marie waren er misschien nog niet of ze zijn er heelhuids doorgesparteld.

Hun vermoedelijk eerste kind zet de stamlijn voort: Joannes Jacobus DERIJCKE, gedoopt in Heestert op 2 januari 1723. Deze Jan Jacob trouwt in hetzelfde dorp met Veronica (VAN) SCHAEMELHOUT of VANSCHAMMELHOUT op 17 november 1745. Zijn vrouw is in Heestert gedoopt op 11 januari 1724. Ze zijn er ook allebei gestorven, respectievelijk op 1 november 1781 en 25 oktober 1794. Van hun leven is verder niks bekend gebleven.


Hun zoon Guillielmus DERYCKE, bij zijn overlijden bekend staand als spinner, is in Heestert gebleven. Hij werd er geboren op 27 oktober 1761, en stierf er op 28 februari 1826. Hij trouwde met Maria Joanna DECRAENE (° Heestert 11.1.1767/ + Heestert 2.9.1816). Gieljoom (zoals hij hoogstwaarschijnlijk werd genoemd) en zijn vrouw hebben een hele reeks heersers gekend, en niet van de minst opmerkelijke: Jozef II van Oostenrijk, alias de keizer-koster, Napoleon in hoogsteigen persoon, en de bepaald niet populaire Willem I, Koning der Nederlanden... Van zoiets als België hadden ze toen natuurlijk nog geen besef, want dat nieuwe koninkrijk kwam pas in 1830 - tot ieders verrassing - tot stand.
Hun zoon Petrus Ludovicus (bekend als Louis DERYCKE), werd in Heestert geboren op 8 oktober 1807, maar trouwde op 22 augustus 1838 in Moen met Rosalie VERSPAILLE, spinster, aldaar geboren

op 16 februari 1810. Louis, geregistreerd als dagloner en 'aardewerker', overleed in zijn woning, Comminnestraat 3 in Moen, op 11 december 1869. Dat betekent dat hij het openbreken van onze streek voor de moderne samenleving van nabij heeft meegemaakt. Hij woonde al in Moen toen daar in 1858-1859 het kanaal Bossuit-Kortrijk werd gegraven, waardoor de Comminnestraat opeens van de Moense dorpskern werd afgesneden. Zou hij als 'aardewerker' nog deelgenomen hebben aan de graafwerken aan het kanaal?


In het jaar van zijn dood reed in Moen bovendien de eerste trein voorbij op de spoorlijn Kortrijk-Ronse. Dat gebeurde namelijk op 1 juni 1869. Zowel kanaal als spoor hebben flink bijgedragen tot de industrialisering van de streek, daar moet geen tekening bij.
Zijn zoon Charles Louis DERYCKE, geboren in Moen op 11 juli 1842, ging trouwens in dienst bij het spoor. Hij trouwde op 26 april 1870 met Coleta VERDONCK, maar dat huwelijk heeft niet lang geduurd: op 27 augustus 1873, nog geen vier maanden na de geboorte van hun tweede kind, was de man al dood. Coleta Verdonck bleef achter met haar twee kinderen: grootvader Jef Derycke en zijn zuster Zulma-Maria.
Op een bandje van 28 oktober 1978 vertelt moeder een en ander over haar ouders en haar grootouders. Hier volgt eerst het verhaal van Charles Louis, haar grootvader aan vaders kant:
"Vaders vader is doodgeschoten geweest door iemand die bij hem werkte, aan de spoorweg. Omdat hij te veel dronk, hij was afgezet en hij stak dat op de mensen die bij hem werkten. Hij ging ze allemaal doodschieten, maar hij heeft er maar één gehad en 't was vaders vader. Er waren in Moen van die gasten die altijd vochten, als ze niet gevochten hadden, hadden ze geen zondag gehad. 't Was van vivat Moen en 't mes op den torre. Ze zegden dat zo. Maar dat was een geheel ander geval. Die vent die vaders vader doodgeschoten heeft, heeft maar drie maanden meer geleefd. Ze wisten direct wie het was. Hij was een geweer gaan lenen bij een boer in den omtrek, en hij zei dat hij een haas wist zitten, dat 't was om een haas te schieten. En dus, van als ze wisten dat Charles Derycke doodgeschoten was, die boer wist direct wie het gedaan had. Hij was gevlucht naar Frankrijk. In die jaren, als je naar Frankrijk vluchtte was je vrij. Ze leverden geen moordenaars uit. Er gingen er dan veel van Moen naar Herseaux, met de trein, en ze pakten daar dan de kar om naar hun werk te gaan, in Frankrijk. Ze moesten voortgaan van rond de vijven in de morgen. Ze gaan daar in een café aan de Belgische kant van de grens, en het was een vrouw van Moen die daar woonde. Ze zegden: weet je wat, Charles Derycke is doodgeschoten en 't is die die 't gedaan heeft. En die man zat daar in bed! Hij was gevlucht, naar Frankrijk zogezegd, maar hij was niet ver genoeg. Ze klapten daar al Frans, maar 't was Fránkrijk nog niet. De gendarmen hebben hem daar van zijn bed gehaald! En ik heb mijn vader altijd horen zeggen dat hij maar een maand of drie meer geleefd heeft."

(Heel graag zou ik een persverslag over deze gebeurtenis in handen krijgen, maar dat is me tot nu toe niet gelukt)


Over haar vader (Constant Joseph DERYCKE, ° Moen 18.3.1871 - + Zwevegem 27.1.1947) vertelde moeder op dat bandje van 28 oktober 1978 het volgende:
"Vader heeft eerst een tijdje gezwingeld. Hij gaf dan zijn naam aan voor gendarm, want hij was gaarne gendarm geweest. Hij was goedgekeurd en heel den boel, want ja, ons vader was een grote, sterke vent. Hij zei altijd tegen mere - ze zegden mere en pere tegen hun vader en moeder - hij zei: dat is raar, dat dat nooit afkomt wanneer ik zal moeten gaan voor gendarm. Maar de papieren waren daar toegekomen als hij niet thuis was en zijn moeder had dat in de stoof gestoken. Hij was intussentijd al aan het gouvernement en ze had het niet gaarne dat hij gendarm werd. Ze heeft hem dat maar veel, veel later gezegd. Maar meter ( = Coleta Verdonck, ° Moen 23.12.1846 - + Moen 6.2.1932) had gelijk: ons vader zou geen goede gendarm geweest zijn. Hij zou gezegd hebben: Broerie, ge moogt dat niet meer doen, 't is goed voor ne keer, en hij zou geen proces gemaakt hebben!"
Grootvader Jef Derycke te braaf voor de rijkswacht! Ik zie hem nog altijd zitten naast de kachel, met zijn stenen pijp en zijn zware horlogeketting, stil en pyramidaal. Hij was een eenvoudige van geest. Zwart was zwart, wit was zonder vlek of smet. Zo is het mogelijk geweest dat deze doodbrave reus, die geen vlieg kwaadgedaan zou hebben, in de eerste wereldoorlog een houweel greep en een arrogant Duits lakei de kop zou hebben ingeslagen, hadden de omstanders zich niet met man en macht op hem geworpen. Het is een mirakel geweest dat hij toen niet gedeporteerd werd.

Of het waren de koelbloedigheid, het doorzicht en de onverschrokkenheid van 'Seednie', zijn vrouw, die zonder een moment te verliezen de deur platliep bij al wie uren in het rond enige invloed had, terwijl haar reus thuis achter de kachel zat te godveren, nog niet half bekomen van de emotie. Het is ook grootmoeder geweest die hem tenslotte zover kreeg dat hij vergiffenis ging vragen.



MOEDERS MOEDERS KANT

Grootmoeder van moeders kant heette dus Sidonie Crommelynck (°Avelgem, 6.3.1880). Ook al was ze uiterlijk een klein, schraal vrouwtje, grootmoeder was een echte mannetjesputter. Zolang grootvader aan het spoor was heeft ze een overweg bediend. Dit bracht regelmaat in haar leven, een onverzettelijke regelmaat, die nog altijd al haar doen en laten beheerste toen ze reeds lang niets meer met de spoorweg en zijn ijzeren wet te maken hadden. Bovendien was ze zo lang een klein, maar onvervangbaar onderdeeltje geweest in een reusachtig, zeer nauwkeurig raderwerk, dat ze als stammoeder haar sibbe op een even gesmeerd lopende, duidelijk gelede manier wou organiseren. Voor haar dochters - allicht tot haar intens ongenoegen heeft ze nooit zoons gehad - en hun man moet haar onvermoei- en onverschalkbare waakzaamheid geleken hebben op verregaande inmenging in 'binnenlandse aangelegenheden'.


Op een bepaald ogenblik raakte Sidonie haar werk kwijt. De barrière in de Deerlijkstraat werd vervangen door een onbewaakte overweg. (Toen al besparingen?) “Levensgevaarlijk,” zei grootmoeder, maar de beslissing was onherroepelijk. Dat wil zeggen: tot de sjees van Leo Leander Bekaert, de stichter van het wereldconcern en toen burgemeester of schepen van Zwevegem, daar op een haar na door de trein werd gegrepen. Grootmoeders ogen blonken als ze het vertelde: “In de kortste keren was de barrière weer in gebruik!”

Als snotneuzen van zes, zeven jaar noemden we haar 'meter-van-tutuut', ‘meter’ als onze gebruikelijke naam voor ‘oma’, en ‘tutuut’ omdat de trein, de ‘tutuut’ dicht bij haar huis voorbijreed. Ik heb

lange tijd gedacht dat grootvader haar 'Seernie' noemde; pas veel later ben ik erachter gekomen dat hij 'Seednie' zei, met sterke nadruk op de eerste lettergreep. Die 'Seednie' heeft altijd alles zelf moeten beredderen, want grootvader was zo braaf dat hij niet deugde. Maar ze was tegen een stootje bestand.
Meter-van-tutuut stond bekend als een harde. Moeder geeft daar op het bandje een voorbeeld van:
"Ons moeder is naar de begraving geweest van een nicht die al verschrikkelijk lang dood is. En als ze thuiskwam, moeder vertelde daarvan en ze schreide, en ze zei dat het zulk een triestige begraving was: die nicht was maar in de dertig jaar en ze liet

twee kleine jongens achter. Ze was nog in Amerika geweest en haar eerste man was ginder verongelukt. Ze was weergekeerd en was hier dan hertrouwd. Moeder schreide als ze vertelde welke triestige begraving dat het was. Maar vier weken later, dag op dag, ging die weduwnaar met een andere naar de paster. En hij had willen achterspringen in de put! Moeder zei: 'k zal nooit nog een traan voor iemand laten, zo ontgoocheld dat ze was. En ze hééft nooit nog voor iemand geschreid."


Sidonie snijdt boterhammen (circa 1954).

Sidonie was de dochter van Jan Baptist Crommelynck, die paardeknecht was bij een zekere Pieter Vandenhove, en in Avelgem



algemeen bekend stond als Jantje Pieter Ovies. Sympathieke naam, zeg nu zelf. Jan Baptist Crommelynck heb ik niet gekend, grootmoeder Seednies moeder wel: Marie-Thérèse Canoo, onnoemelijk oud (° Kwaremont, 19.11.1851), met een even onnoemelijke klederdracht uit voorbije eeuwen, compleet met een zwarte lintenmuts en een zwarte sjaal, die we 'sneudoek' noemden. Wat we als kinderen van de anderen niet kregen, kregen we van haar: snoep. Ze haalde het uit een verfrommeld papieren zakje, dat ergens diep in haar onderrokken verborgen zat. We gaven haar de naam 'd'andere meter' (de andere oma), wat we dan met kinderlijke logica vervormden tot het liefkozend 'd'ander-meterke'.

Marie Therese Canoo,
18 juli 1926

D'ander-meterke moet nochtans een raspaard zijn geweest, toen ze nog jong was. Moeder vertelt ervan op het bandje van 28 oktober 1978, daarbij voorlezend uit een versleten trouwboekje:
"In het jaar 1871, de negende juli, zijn ze te Avelgem getrouwd, Joannes Baptist Crommelynck (geboren te Avelgem, den 28en april 1838), zoon van Petrus en van Marie-Sophie Cooreman, jonkman, ten eendere, en Maria-Theresia Canoo (geboren te Kwaremont, den negentiende november 1851), dochter van Carolus en van Philotea Boulart, ten andere...

Meter ( = Marie-Thérèse Canoo) is in Avelgem getrouwd, maar ze was van de Kwaremont. Ze was maarte bij een boer in Avelgem. Ze heeft haar moeder bijna niet gekend... Haar vader stierf als ze een jaar of acht was en haar moeder is hertrouwd, met een kozijn van haar eerste man. Maar als meter een jaar of tien was, haar moeder ging dood. Ze had twee broers, en een zuster van die tweede vader. En die twee broers die ze had - heb je dat nog gehoord, dat boek nog gelezen van 'De Bestedeling'? - wel, haar broers zijn zo uitbesteed geweest, na de mis in een café, aan de boeren. Dat moet kort na 1860 geweest zijn.





D’andermeterke, circa 1934, met Giovan
(op haar schoot) en Jan Deloof

Meter was de oudste. Die broers zijn niet meer naar school geweest. Er kon niemand lezen of schrijven, want ze gingen niet naar school. Die broers zijn uitbesteed geweest op de Kwaremont, aan de boeren, en ze zijn altijd boereknechtje gebleven. Een ervan is naar Frankrijk gaan werken en hij is nooit meer weergekeerd. Hij is daar voorzeker bij den een of den anderen boer doodgegaan, ze hebben er nooit meer van gehoord.
Meter zelf was oud genoeg. Ze wilde bij die tweede vader niet blijven, dat was een vreemde vent voor haar, en ze is vanzelf voort gegaan. Ze had een kwartje in geld. Ze ging van de Kwaremont altijd voort, werk gaan zoeken. En als 't avond werd, ze had zulk een honger, ze was al in Tiegem, te voet! Ze ging daar in een bakkerij. En die vrouw vroeg zeker: Van waar komde gij? En wie zijde gij? En ze zei dat ze werk zocht. En die bakkerin zei: Ik weet van werk voor u. Ze ging ermee naar een schoolmeester van Tiegem. Ze hadden daar veel kleine kinderen en ze is daar lang kindermaartje geweest.
Totdat ze dan - ze verdiende daar niets, en veel moeten werken, meter heeft dat dikwijls verteld als ze bij ons was - ze was daar niet meer mee t'akkoord en ze ging daar weg. Ze trok weer naar de Schelde, werk gaan zoeken bij een boer. Ze werd aanvaard, maar ze was niet content van die boer van daar, hij kon van haar niet blijven, en ze trok weer naar een ander hof. En ze heeft daar Jantje Pieter Ovies leren kennen, hij was daar boever."

Het is een mooi verhaal dat ik ongewijzigd heb overgenomen, ook al kloppen een paar details niet helemaal met de naakte gegevens van de officiële stukken. Die volgen hier:

De vader van d'ander-meterke heette Carolus (Charles) Canoo. Hij was een dagloner, geboren in Berchem (nu Kluisbergen) op 5 mei 1817, als zoon van "maréchal ferrant" Charles Louis Canoo, 35 jaar oud, en van Marie Thérèse Van Steenbrugge, een "fileuse" van 26 jaar.
Haar moeder was Philotea Boulart, spinster, geboren in Kwaremont op 17 juli 1825, als dochter van Ludovicus en Carolina Wastyn.

Carolus en Philotea trouwden te Kwaremont op 30 november 1843 en kregen vier kinderen:

- Fredericus geboren op 20. 9.1844

- Augustus 18. 5.1849

- Maria Theresia 19.11.1851

- Pharaïldis 2. 1.1855.

Het is dus Frederik of August die naar Frankrijk getrokken zou zijn. En opgepast: Pharaïldis was een jongetje! Hij is later getrouwd met Marie Elodie Bouckaert (° Heestert 23.9.1854, + Avelgem 6.11.1938). D'ander-meterke en meter-van-tutuut hadden nog contact met deze mensen.
Dagloner Carolus Canoo was geen lang leven beschoren: hij stierf te Kwaremont op 28 mei 1856, pas 39 jaar oud. Hij woonde toen in het huis nummer 17 van wijk B (Stoutegem, tegen Berchem aan). Zijn kinderen waren dus elf, zes, drie (d'ander-meterke) en éen jaar oud.

Philotea hertrouwde te Kwaremont op 31 januari 1863 met Pieter Francies Canoo, een uurwerkmaker van Waarmaarde, aldaar geboren op 10 augustus 1811 (een man van 51!). D'ander-meterke was intussen elf, haar jongere broer bijna acht.

Philotea kreeg meteen een zoon van haar tweede man: Amandus, geboren op 21 november 1863, van wie we verder niks afweten. Maar er was meer aan de hand. De burgemeester van Kwaremont schreef in de huwelijksakte dat Pieter Francies Canoo en Philotea Boulart "door den huwelijksband vereenigd zijn, welk huwelijk openbaarlijk is voltrokken in het gemeentehuis," maar liet daar meteen op volgen:
"en hebben de aanstaande echtgenoten aanstonds ons verklaard dat van hun geboren is een kind van vrouwelijk geslacht, ingeschreven op de registers van geboorten dezer gemeente onder de date van den vierden Maart achttienhonderdnegenenvijftig, met de namen van Boulart Maria Elodia, welke dochter zij verklaren te zijn hun kind en vervolgens te erkennen en te wettigen..."

Een zuinige, niet bijzonder op trouwen beluste horlogemaker? Of een slippertje van Philotea, braaf door de kozijn van haar eerste man met de mantel der liefde bedekt? Dat is uit de akte niet af te lezen.


De kleine Marie Elodie Boulart is verder door het leven gegaan als Elodie Canoo. Ze stierf in Petegem-Oudenaarde op 16 januari 1938.

Ze was getrouwd met een zekere August Vanhoutte en had kinderen van hem, onder meer zoon Hippoliet (° Berchem 15.6.1888, + Berchem 18.9.1946).

Philotea Boulart van haar kant is niet ouder geworden dan haar eerste man: 39 jaar. Ze stierf te Kwaremont (Stoutegem) op 28 januari 1864, daardoor de poort open zettend voor de uitbesteding van twee van haar zoons (in de veronderstelling dat moeders verhaal klopt) en voor de escapade van d'ander-meterke, richting Schelde.
D’ander-meterke die dus in Avelgem trouwde met Jan Baptist Crommelynck. (Een weetje tussendoor: tot dezelfde tak van Avelgemse Crommelyncks behoort ook de in zijn tijd erg bekende Fernand Crommelynck, schrijver van het succesvolle toneelstuk Le cocu magnifique). Moeder vertelt op het bandje het volgende over Jan Baptist:

"Hij was dertien jaar ouder dan zij. Hij was drieëndertig jaar als hij trouwde... en zij twintig.
't Was een vent waar er poer in zat, ge weet wel, 't was iemand voor de vooruit. Ze woonden in hun eigen huisje! Hij heeft een getouw gekocht als ze trouwden en hij heeft geweven voor een fabrikant, als thuiswever. Als zijn zoons, Pé en Zjuul, groot geworden zijn hebben ze nog twee getouwen bijgezet. Moeder was de jongste. Ze waren met drieën. Er zijn er zeven geweest, maar er zijn er vier vroeg doodgegaan. Er was daar een Leootje dood, en een Zjuulke, en een Slienaatje...Er zijn er maar drie groot geworden.
Ze woonden in een huis van een boer, dat was toen zo, in de tijd. Er waren huisjes bij een boerenhof. En als ze trouwden gingen ze in zulk een huisje wonen. 't Moet zijn dat ze daar lang gewoond hebben, want nonkel Zjuul en nonkel Pé hadden al enigen ouderdom... als die boer sprak, ze moesten springen, ze moesten bij de boer gaan helpen. En peter die een beetje hardi was zei: Dat zal niet meer waar zijn dat ze hun werk zullen laten staan om bij de boer te gaan werken, te pas en ten onpas. En hij zei: Ze gaan niet komen. Ze gaan voort weven. - Ja, zei die boer, ge gaat dan moeten verhuizen. - Awel, zei peter, we zúllen verhuizen! En ze hebben dan dat huisje gekocht op

de Raaptorf (toentertijd nummer 39), waar peter dood is, in 't jaar tien (Jan Baptist Crommelynck stierf op 4 oktober 1910). In 't jaar zeventien is meter bij ons komen meewonen, binst den oorlog. Ze dierf niet meer alleen blijven... Ze was anders nog maar zestig jaar...
Een gelukkig toeval heeft ervoor gezorgd dat de brandpolis van dat huisje bewaard is gebleven (dd. 11 november 1898), en die geeft er ons een omstandige beschrijving van:

”De Antwerpsche Verzekerings-Maatschappij Securitas, verzekert tegen brand, aan de voorschrevene algemeene en aan de volgende bijzondere voorwaarden Mijnheer Jan Baptiste Crommelynck, wever met min dan 5

getouwen, wonende Avelghem Roptorfstraat, handelende in hoedanigheid van eigenaar, de som van Twee duizend franken verdeeld als volgt, te weten:
1. Twaalf honderd franken op een woonhuis met gerieven waarvan 1/3 deel gebouwd in steen en gedekt met stroo (zijnde de weefkamer) de andere 2/3 deelen gebouwd in stijlen en leem, gedekt met stroo, staande meer dan 20 meters afgelegen van andere gebouwen
2. Acht honderd franken op meubels en meubelende voorwerpen zooals: stoof met toebehoorten, kas, kleederen, bedden met bedderijen, lijnwaad, hangende en zakhorlogiën, weefgetouwen met de weefsels er op, immers geheel den huiselijken inboedel alsook: de aardappelen, tarwe, strooi en tabak zich bevindende op den zolder van het woonhuis alsmede kolen, geiten en schapen. (Noot: later met potlood veranderd in: zwijn)
Voor het gebruik van petrololie tot de verlichting wordt er eene verhooging van premie van 0.10 °/°° ‘s jaars gerekend op de gebouwen en voorwerpen verzekerd door de art. 1 en 2 van de tegenwoordige polis. Mits eene verhooging van premie van 0.10 °/°° ‘s jaars waarborgt de Maatschappij de schade veroorzaakt door den val of de losbarsting van donder en bliksem zonder gevolg van brand aan de gebouwen en voorwerpen verzekerd door art. 1 en 2 van tegenwoordige polis.” (Noot: Dat allemaal inbegrepen bedroeg de jaarlijkse premie 13.40 frank)
Moeder voegt daar nog aan toe: Na den oorlog hebben ze dat huisje verkocht, en 't moest publiek verkocht worden omdat er een weeskind bij was, het zoontje van nonkel Zjuul (eigenlijk Achille), die achtergebleven is bij de civiel-arbeiders. Die halfwees moest delen van zijn vaders kant en dat huis moest daarom publiek verkocht worden. Het heeft 3800 frank gegaan. 't Staat er nog, met een schone brok land erbij.
Meter heeft eenentwintig jaar bij ons meegewoond (in het nu verdwenen 'gardheus' aan de Deerlijkstraat in Zwevegem). Er was toen nog plaats voor de oude mensen. En ze kon niet eens bij ons slapen, ze moest elders gaan, want wij hadden maar twee slaapkamers, waar moeder en vader sliepen, en waar wij sliepen, met zessen op één kamer. Meter ging bij Ammelietje Laere slapen, totdat Ammelietje doodgegaan is. (Ammelietje Laere’ns huisje stond op de plaats waar nu de Bekaertstraat vertrekt van de Deerlijkstraat naar het sportcentrum).



Het huisje van Amelie Delaere in 1931


Ze heeft geleefd tot in achtendertig, toen wij onze Bernard kochten. Want ik ben naar de begraving niet geweest, wat óók zo simpel was: ik had nog mijnen kerkgang niet gedaan en ik mocht niet buiten gaan. Was dat nu niet te simpel om dood te doen? En nu... moeten ze niet eens hun kerkgang meer dóen! Ze waren toen in alles overdreven."

Het moet gezegd dat Jan Baptist Crommelynck en Marie Therese Canoo heel veel tegenslag hebben gekend met hun kinderen. Moeder heeft het hierboven over zeven telgen, van wie er maar drie volwassen werden. Als de registers van de burgerlijke stand van Avelgem juist zijn – en waarom zouden ze dat niet zijn? – werden er in totaal ácht kinderen geboren:


- Achille ° 11.05.1872
- Pierre (Petrus, alias Pé) ° 30.12.1873
- Celina ° 19.12.1874 (en gestorven vóor februari 1878)
- George Leopold ° 18.01.1877 (gestorven in 1878)
- Celina (tweeling) ° 04.02.1878 (gestorven in 1878)
- Charles Louis (tweeling) °10.02.1878 (gestorven in 1878)
- Alphonse Modeste ° 01.03.1879 (gestorven 02.03.1880)
- Marie Sidonie (meter van tutuut) ° 06.03.1880.



Het gezin van Jan Baptist en Marie -Therese
Crommelynck, met de drie overlevende kinderen
(v.l.n.r. Petrus, Sidonie en Achille). Circa 1900

Arme d’ander-meterke! Al die jonge kinderen een na een verliezen! En wat een lijdensweg moet de moeilijke geboorte van de tweeling Celina 2 en Charles Louis geweest zijn, met die zes dagen tussen het eerste en het tweede kind, met de middelen van toen. En als ze dan toch drie van haar acht kinderen ziet opgroeien wordt haar oudste in 14-18 opgeroepen als civielarbeider en keert niet terug. Je zou voor minder Avelgem ontvluchten en je heil zoeken bij je dochter in Zwevegem …



_____________________________________________________


Een toemaatje:


Jules (Achille) Crommelynck, civiel-arbeider

Jules (eigenlijk Achille) Crommelynck, een van grootmoeder Sidonies broers, is in de Eerste Wereldoorlog gestorven als Zivilarbeiter. Van hem heeft moeder twee hartverscheurende kaartjes bewaard, die ik hier zo letterlijk mogelijk overschrijf:

Eerste kaartje: 1 Maart 1917
beminde vrouw ik laat u Weeten
dat ik in Volle gezontijd ben en ik
Wenst u een gelukig Niewejaar
Ik vraag een paket van vijf kilogr
2 kgr peerdeboon of gelijk welke
2 kgr rijst een alven kigr tabac
en een alven kigr vleesch
perdebonnen beter (peerdebonen)
De rijs is hier goed en
vlehs is hier ook goe
Jul Crommelynck ___________
Amedee Krankens
Zoud gij zoo goend
niet wilen zijn van mij
ook eenen paak te zenden
Lucie (1 woord onleesbaar) mij 2 kilo
rijs een have kielo (1 woord onleesbaar)
of mil of perdeboonen (mil = meel)
ik moet geen kloefen
heben
Deze Zivilarbeiterpostkarte is afgestempeld
door de “Etappen-Inspektion Gent”, maar
‘nonkel Zjuul’ verbleef in de buurt van Laon.
Geadresseerd aan Jules Krommeling
Mouscoen petit Coertrei
N° 135 Mouscoen
West Vlander
Belgie
Afzender
Jules Krommeling
zivilarbeider
N° 1249
3 Companie Z.A.B.31

Het andere kaartje is geadresseerd aan Julens Crommelync

(Verbeterd tot Jul Crommelynck)
petit kortrijk
Meschroen (Mon doorgehaald) 135
Afzender: Cevilarbeiter
Julens Crommelynck
N° 1249
3de Companie
Z.A. B 31
Ook afgestempeld door de
“Etappen-Inspektion Gent”

17 Maart 1917


Beminde vrouw ik
heb nog genen, pak ge
zien ik zou geer tabak (geerne)
hebben, en rijs en boonen
tot 5 kilo wegende
en ik ben nog in volle
gezontijd en pijsse
van al gouw malkander
werder te zien (weder)
Jul Crommelynck
______________________
amedee Krankens
Beminde vrouwe Lucie
ik ben nog in vole gezontein
ik heb bog gene bak (nog genen pak)
on fangen mar ver wag
hem ale dagen ik zou
geeren tot 5 kilo heben
ries en mil bounen toebac (rijst en meel, bonen, tabak)
Amedee tot later










De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina