Jasper Swain De dood van mijn zoon



Dovnload 316.96 Kb.
Pagina1/7
Datum07.10.2016
Grootte316.96 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7


Jasper Swain

De dood van mijn zoon

Een verslag van het leven na de dood


Uitgeverij Ankh-Hermes bv - Deventer

Oorspronkelijke titel: On the Death of my Son; an Account of Life after Death, uitgegeven door Turnstone Press, 1974; The Aquarian Press, Wellingborough, Northamptonshire, Engeland, 1989.
Nederlandse vertaling: Marja Hilsum

Redactie: Noel Langley

CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK, DEN HAAG
Swain, Jasper
De dood van mijn zoon : een verslag van het leven na de dood / Jasper Swain ; [vert. uit het Engels door Marja Hilsum ; red.: Noel Langley]. - Deventer : Ankh-Hermes

Vert. van: On the death of my son : an account of life after death. - London : Turnstone Press, 1974 - Met lit. opg.

ISBN 90-202-5559-2

NUGI 626


Trefw.: parapsychologie.

© Oorspronkelijke uitgave 1974 Jasper Swain

© Nederlandse vertaling 1991 Uitgeverij Ankh-Hermes bv, Deventer

Uit deze uitgave mag uitsluitend iets verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm, opnamen, of op welke andere wijze ook, hetzij chemisch, elektronisch of mechanisch, na voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Any part of this book may only be reproduced, stored in a retrieval system and/or transmitted in any form, by print, photoprint, microfilm, recording, or other means, chemical, electronic or mechanical, with the written permission of the publisher.

Inhoud

Voorwoord
1. Het ongeluk
2. Contact
3. Hoog tijd om je leven te veranderen

Voorwoord


Het is misschien vreemd om de wijze waarop een bedroefde vader met zijn overleden zoon communiceert alledaags te noemen; dat gold evenwel ook voor de ‘geestverwant’ van dit boek, Philip in Two Worlds van Alice Gilbert - dat echter een veel kleiner publiek bereikte, omdat het meer dan twintig jaar geleden in eigen beheer gedrukt werd.

De lezer die zich voor het eerst op dit terrein waagt, zal merken dat het boek helder en indringend geschreven is: ik denk hierbij aan de jonge stenografe in Los Angeles, die het manuscript van de auteur gefotokopiëerd heeft. Ze was enorm gefascineerd, omdat ze nog nooit zoiets gelezen had en ze ‘had het in één adem uitgelezen’.

Jasper Swain is advocaat in Pietermaritzburg in Zuid-Afrika. Voor het overlijden van zijn zoon geloofde hij niet in para­psychologische dingen en hij had ook nog nooit geprobeerd te schrijven. Zijn boek is een eenvoudig verslag van wat hij zelf heeft meegemaakt.

De blanke minderheid in de Republiek Zuid-Afrika, die bestaat uit vroegere Britse kolonisten en Hollandse Afrikaners, is onderling vaak verdeeld door een zekere bekrompenheid. De twee groepen vinden het heerlijk het over ongeveer alles oneens te zijn, behalve over het feit dat ze geen van beiden ergens anders naartoe kunnen. Zo gezien is het land een ‘eenzame lange­afstandsloper’ die alleen zelf de uiteindelijke oplossing kan vinden.

Vroeger, toen het land nog bij het Britse Rijk behoorde, was de Tuinkolonie Natal, die drie welige vlakten in het noordoosten omvat, de meest Britse provincie. Durban bloeit op subtropisch zeeniveau; Pietermaritzburg, de vroegere hoofdstad van het land, domineert de eerste vlakte; en die gaat weer over in de machtige keten van de Drakensbergen boven de derde vlakte, met daarachter de hoogvlakte van Oranje Vrijstaat en Trans­vaal. De snelweg naar Johannesburg volgt uiteraard dezelfde route.

Ik heb een persoonlijke interesse voor de schrijver, omdat ik de eerste tweeëntwintig jaar van mijn leven bij wijze van spreken zij aan zij met hem geleefd heb.

Jasper Swain is een man naar mijn hart. Sinds hij voor het eerst zijn inlandse versie van zijn ervaring heeft gepubliceerd, heeft hij spitsroeden moeten lopen in zijn gemeenschap.

Ik ben het van ganser harte eens met de filosofie in dit boek. Toen iemand Bernard Shaw vroeg of hij dacht dat er leven was op andere planeten, zei hij eenvoudig: ‘Natuurlijk! Wij zijn hun gekkenhuis!’ - een zo tolerant en verstandig antwoord dat ik het ook daar van harte mee eens ben.

Net als in de gewone wereld in het algemeen, zijn de occulte zijwegen vol malloten, zogenaamde toekomstvoorspellers, valse goeroes, opgeblazen ego's en vluchtelingen van Mansons krank­zinnige ‘Gotterdämmerung’. Het is echter een van de weinige plaatsen, waar de Christusfiguur niet onderworpen is geweest aan ernstige vervormingen. En zelfs al zijn de bloemrijke Tartuffes even opgeblazen als een rechter in zijn vertrekken, het is toch de enige deur in de gevangenis die niet op slot zit. We openen hem op eigen risico.
Noel Langley, 1973

We hebben Mike niet verloren. In de geest is hij altijd bij ons. En door de manier waarop hij is overgegaan, zijn wij geen van allen meer bang voor de dood.

Daarom heeft hij me gevraagd dit boek voor hem te schrijven, in de hoop dal ook u troost kunt putten uit de wetenschap dat de dood in deze wereld alleen een overgang is naar een prettiger gebied, waar we oneindig beter kunnen functioneren.

De feiten worden gegeven zoals ze gebeurd zijn. Het oordeel en de zegen ervan laat ik aan u over.

Jasper Swain, Pietermaritzburg, 1973
1. Het ongeluk

Het gebeurde allemaal op een hete midzomerdag. Het was even na twaalven en het verkeer gonsde over de snelweg. Onder de kleine witte wolkjes, die bewegingloos aan de hemel hingen, sloeg plotseling de tragedie toe.

Mike reed in zijn kleine groene Mini terug naar Pietermaritz­burg. De ouders van zijn vriendin Moira hadden hem uitgeno­digd naar Johannesburg te komen om met hen naar de autoraces in Kyalami te gaan en de woensdag erna waren ze allemaal op de terugweg naar Pietermaritzburg.

Mike had pas zijn eindexamen gedaan en hij was optimistisch over de uitslag. Zijn ouders hadden al contact opgenomen met het bestuur van de universiteit in Durban, zo graag wilden ze dat hij zijn graad haalde in architectuur.

Terwijl hij in de verzengende hitte in het kleine autootje reed (het was ruim boven 30°C), was Mike in gedachten met zijn toekomst bezig. Hij zou nu het comfortabele thuis dat hij zijn hele leven gekend had verlaten, maar hij was er zeker van dat hij op de universiteit in Durban al gauw op eigen benen zou kunnen staan.

Voor zich zag hij, door het schitterende waas van hitte heen, de auto van Moira's ouders, Bill en Maureen. Bill was een voorzichtige chauffeur die nooit harder reed dan negentig kilometer per uur. Moira en een vriendin van haar zaten bij hen in de auto.

Tot ongeveer een uur voor de tragedie hadden Moira en haar vriendin bij Mike in de auto gezeten. Maar in Harrismith had Moira's elfjarige zusje Heather besloten dat zij met Mike wilde meerijden. Omdat Moira en haar vriendin wat verkrampt waren geworden in de kleine Mini, was iedereen blij dat Heather met ‘grote broer’ Mike meereed.

Ze spraken af dat ze weer zouden stoppen bij Mooi Rivier of Estcourt, verderop langs de weg, zodat Moira weer bij Mike in de Mini kon gaan zitten.

Ze waren blij dat ze het eind van hun lange reis naderden, want ze waren al vroeg uit Johannesburg vertrokken.

Bill, achter het stuur van de grote auto, maakte een opmerking over het drukke verkeer die dag. Ze werden voortdurend ingehaald door auto's die met de maximumsnelheid van hon­derdtien km per uur reden en in de tegengestelde richting, naar Transvaal, was het even druk.

Bill merkte een tegemoetkomende nieuwe Duitse auto op en zei tegen Maureen: ‘Kijk, daar heb je zo'n nieuwe Duitse slee.’ Hij keek hem achteloos na in de achteruitkijkspiegel.

Toen dacht hij dat zijn hart stilstond. Hij zag de Mini niet meer. In plaats daarvan zag hij, in een ademloze eeuwigdurende seconde, de Duitse auto de lucht in gaan, over de kop slaan en in een grote stofwolk neerkomen.

Hij trapte op de rem. Hij heeft nooit kunnen navertellen hoe het hem lukte de auto te keren, maar het volgende ogenblik racete hij terug in de richting van de stofwolk.

Eerst zag hij de Mini niet. Toen dacht hij dat hij hem zag, geparkeerd naast de weg, maar toen hij weer naar de auto keek, besefte hij dat deze de verkeerde kleur had. Mike's Mini was donkergroen en deze was lichtgroen. Vertwijfeld stopte hij langs de weg, de wielen knarsten en slipten over het grind.

Links van hem, net naast de weg, zag hij een verkreukeld donkergroen ding. Twee verwarde blonde hoofden hingen uit het linker raampje. Zonder dat hij wist hoe, kwam hij uit zijn auto en rende naar de Mini.

Maureen stapte aan haar kant uit de auto. Ze realiseerde zich vaag dat er een grote tragedie was gebeurd. Toen ze naar de Mini rende, dook uit het niets een man met gespreide armen op die zei: ‘Ga er niet heen, ga er niet heen.’

IJzig kalm antwoordde Maureen: ‘Ik moet. Ze horen bij mij.’ Ze keken ontzet naar de Mini. Alleen de twee achterwielen waren nog intact. Verder was er niets dan verkreukeld metaal en verwrongen delen van de motor. Het leek onmogelijk dat iemand het overleefd had.

Bill legde zijn hand op Heathers hoofd. In een ellendig ogenblik wist hij dat zijn dochter dood was.

Hij kon alleen maar tegen zijn vrouw zeggen: ‘Ze is weg.’ Maureen, nog ongelovig, zei automatisch: ‘Maar Mike is alleen maar bewusteloos, Bill.’

Bill rende naar de andere kant van de auto, door de verwrongen massa heen legde hij zijn hand onder Mike's overhemd. Toen keek hij haar aan en zei dof: ‘Nee, hij is ook weg.’

Ze bleven zwijgend staan. De wereld leek stil te staan.

Toen hoorde Maureen een gesmoord geluid achter zich en draaide zich om. De andere auto lag op zijn zijkant. Ernaast lag de verwrongen figuur van een man. Hij hoestte en lag toen stil. Nu stopten er andere auto's en mensen kwamen naar hen toe om te helpen. Bill besefte dat Maureen hier niet kon blijven. Hij legde zijn arm om haar heen en bracht haar terug naar hun eigen auto.

Toen ging hij terug naar de Mini en probeerde de twee lichamen te verplaatsen, hij probeerde met zijn handen het wrak uit elkaar te halen, maar besefte dat het zinloos was.

Overal op de weg lagen persoonlijke bezittingen uit de Mini. Als een automaat begon hij ze op te rapen en naar de kofferbak van zijn eigen auto te brengen. Vijfenveertig meter verder vond hij de filmcamera die Mike in Kyalami gebruikt had. De deksel was van het etui gerukt, maar verder was zij intact.

Hij vond ook het etui van de kijker, en de inhoud was nog heel. Toen begon hij de dingen op te pakken, die Mike op de achterbank van de Mini had gelegd en bracht ook die naar zijn eigen auto.

Hij hield de Mini vanuit zijn ooghoek in de gaten en hij zag er een jonge man naartoe gaan. Onmiddellijk kwam een golf van woede in hem op en hij rende terug naar de Mini om hem weg te sturen. Maar de man zei: ‘Kan ik helpen? Ik ben dokter.’ Daardoor kwam Bill bij zinnen. Hij vroeg de dokter te kijken of de twee jonge mensen nog leefden. Hij wist dat het niet kon, rnaar toch was er misschien nog een kans...

De dokter onderzocht ze even en zei: ‘Ze zijn allebei dood.’

Bill luchtte zijn hulpeloze woede op de toeschouwers, het waren er nu meer dan honderd. Mike had altijd zijn gereedschap in de kofferbak van de Mini gehad, netjes in een oude witte deken gerold. Bill gooide het gereedschap eruit en spreidde de deken over de twee lichamen, zodat ze fatsoenlijk verborgen waren voor het publiek.

Nu verschenen er drie politiemannen op het toneel om meer botsingen op de drukke snelweg te voorkomen. Een van hen kwam naar Bill toe die er verdoofd bij stond en zei dat ze via de radio in Ladysmith al om een ambulance en een takelwagen hadden gevraagd.

Een jong stel dat met hun kinderen op weg was naar Rhodesië, kwam naar Bill toe omdat ze begrepen dat hij bijna in shock was. Ze boden aan de vrouwen naar het Colenso Hotel te brengen, waar ze konden rusten tot Bill naar ze toe kwam, aangezien hij categorisch weigerde weg te gaan voor de twee lichamen geborgen waren.

Een uur later kwamen de ambulance en de takelwagen, en hydraulische kriks trokken het wrak uit elkaar. Toen pas konden de twee gebroken lichamen op brancards naar de ambulance gebracht worden, en toen pas stond Bill zijn nieuwe vrienden toe hem naar Colenso te brengen.

Maureen had de eigenaar van het Colenso al gevraagd contact op te nemen met Mike's ouders in Pietermaritzburg. Er was een dokter geroepen voor Maureen en Moira, maar ze hadden zijn hulp geweigerd. Ze wilden niet onder verdoving zijn als Mike's ouders kwamen.

Mike's vader Jasper, een jurist, was die dag begonnen met een pleidooi voor een dronken chauffeur, die twee mensen verwond had bij een auto-ongeluk, en hij had zijn best gedaan, omdat hij vond dat de feiten van de zaak aanleiding waren voor enige clementie.

Hij ging zoals gewoonlijk naar huis voor de lunch en als altijd wachtten Clarice en Kevin op hem.

Onder het eten hadden ze het erover dat Mike waarschijnlijk niet voor drie uur die middag thuis zou zijn. Ze spraken ook over de uitslag van Mike's eindexamen, die nu elk moment in de plaatselijke pers bekend gemaakt kon worden.

Mike's jongere broer Kevin, nu zestien jaar, was zo'n geweldige leerling geweest, dat hij zijn oudere broer had kunnen inhalen en een jaar voor hem eindexamen had kunnen doen, waardoor er een heftige broederlijke rivaliteit tussen hen was. Terwijl Mike de voorkeur gaf aan architectuur, had Kevin besloten medi­cijnen te studeren en hij had zich al aangemeld bij de universiteit van Kaapstad.

Om kwart over één ging de telefoon. Met een opmerking over mensen die anderen op etenstijd bellen, nam Jasper de telefoon aan. Hij hoorde de telefoniste zeggen: ‘Ogenblikje alstublieft, u wordt gebeld vanuit Glencoe’, en vroeg zich af wie van zijn cliënten hem op dit uur kon bellen. Hij hoorde een mannenstem naar hem persoonlijk vragen. Jasper verzekerde hem dat hij het zelf was. Toen zei de stem: ‘Ik heb hier een mevrouw die u wil spreken.’ Jasper hoorde Maureen aan de andere kant.

‘Hallo, Maureen!’ begroette hij haar vriendelijk. ‘Ik ben blij dat jullie zo dicht bij huis zijn!’

Maureen antwoordde: ‘O Jasper, er is een ongeluk gebeurd.’ Jasper antwoordde: ‘Nou, zo erg kan het niet zijn. Je klinkt helemaal in orde!’

Ze antwoordde: ‘Nee, Jasper. Er is iets verschrikkelijks gebeurd. Mike is omgekomen bij een auto-ongeluk.’

Jasper hoorde de woorden, en daarna leek het of hij uit zijn lichaam was gestapt en naar zichzelf keek terwijl hij telefo­neerde. Hij zei: ‘Wat zeg je?’

Maureen herhaalde: ‘Mike is omgekomen.’ Automatisch zei hij: ‘En Moira?’

Hij dacht dat Maureen antwoordde: ‘Ja’, en er aan toevoegde: ‘En Heather ook.’

Toen gooide de man aan de telefoon naar wie hij stond te kijken, zijn hoofd achterover en gaf een verschrikkelijke gil. ‘Blijf daar. Ik kom eraan’, zei hij tegen Maureen en legde de hoorn neer. Hij zag de man zich omdraaien en terwijl hij terugliep naar zijn vrouw werd hij weer zichzelf. Hij keek Clarice aan en zei: ‘Mike en Moira en Heather zijn gedood bij een auto-ongeluk.’

Maurice keek hem alleen maar met grote ogen aan, ze wilde het niet begrijpen. Kevin scheen verlamd. De drie keken elkaar lange tijd aan. Toen zei Jasper tegen Clarice: ‘Ik zal hun familie moeten bellen, en de onze. Dan moeten we gaan.’

Hij besloot Clarice's ouders eerst te bellen, maar hij had geen idee hoe hij ze het nieuws moest vertellen. Hij besloot alleen te zeggen dat er een ongeluk was gebeurd en dat hij en Clarice en Kevin meteen vertrokken om te zien wat er eigenlijk gebeurd was.

Toen belde hij zijn eigen ouders en luisterde naar zijn moeders verschrikkelijke smartekreet toen ze het nieuws hoorde. In de lange stilte daarna legde hij de telefoon neer en ging meteen naar de auto waar zijn vrouw en zoon op hem wachtten. Hij vulde de tank en ze gingen op weg naar het Colenso Hotel.

Jasper zag nu zijn ‘andere ik’ de auto besturen. Het gaf hem een gevoel van onwerkelijkheid, alsof de man naar wie hij keek inderdaad iemand anders was. Toch voelde hij zijn eigen krachtige greep op het stuur. Hij voelde zijn voet op het gaspedaal en de reactie van de auto.

Vanbinnen voelde Jasper een ijskoude, moordzuchtige woede opkomen toen het vreselijke nieuws tot hem doordrong. Die ‘golden boy’ die hij als baby verzorgd had, de veelbelovende jongen die hij cricket had leren spelen, de adolescent die vaak leiding nodig had gehad, maar zo weinig mogelijk had genomen... de blonde Griekse god, langer dan Jasper zelf, was weggevaagd, vernietigd.

Jasper was niet slecht. Hij voelde niet snel haat, afgunst of begeerte, maar toch besloot hij op dat moment dat degene die het gewaagd had zijn zoon van het leven te beroven, veroordeeld moest worden tot eeuwig branden in de hel. Genadeloos, onverbiddelijk - zielig - groeide deze akelige fixatie in het hart van de man achter het stuur.

Pas toen ze de bergen boven Pietermaritzburg ingingen, voelde Jasper zich terugkeren achter zijn eigen stuur en een ogenblik later werd hij zich bewust van een stralende aanwezigheid. Toen hij naar Clarice keek, zag hij de gouden vorm van zijn zoon tussen hen zitten, en in zijn hoofd kwamen duidelijk de woorden: ‘Doe geen stomme dingen, Jasper. Wees niet dom!’ Ongelovig wendde hij zich af en keek toen weer naar het beeld, maar het was weg, alleen klonk in zijn hoofd de nagalm van een donderslag. Hij wist heel duidelijk dat zijn zoon wilde dat hij zijn woede overwon.

Hij reed verder en vroeg zich af waarom alles zo gegaan was. Het tempo waarin al deze verschrikkingen zich opgestapeld hadden, verdoofde hem. Het kwam bij hem op dat dit vast het einde van de weg moest zijn, zo diep was het gevoel van troosteloosheid, de pure en extreme angst die zijn pijnlijke hart vervulden.

Aan het begin van de rit was Clarice even verbijsterd geweest als hij, niet wetend wat ze moest geloven, niet wetend wat ze moest denken. Geleidelijk aan begon ze te aanvaarden dat haar oudste zoon werkelijk dood was, en toen kwam de verschrikkelijke gedachte dat hij bij het sterven pijn had gehad. ‘Alstublieft God, laat hem geen pijn meer voelen’, herhaalde ze zwijgend terwijl de auto door het land snelde.

Kevin, achter in de auto, was nog niet in staat te aanvaarden dat zijn enige broer hem afgenomen was.

Hij zou later pas gaan lijden onder de eenzaamheid, die de constante metgezel wordt van de bedroefden... geen broederlijke uitdagingen en triomfen meer, geen vrolijk geplaag meer, geen ruzies meer over popzangers en rockmuziek... nu alleen nog maar eenzaamheid.

In de lounge van het Colenso Hotel zaten Bill en Maureen naast Moira te wachten op de komst van Mike's familie. Ze hadden weinig of niet gesproken, want nu had de schok behoorlijk toegeslagen, en Maureen had zich teruggetrokken in een wereld waarin geen tijd meer doordrong.

Toen de lichten van Jaspers auto naderden, ging Bill, die naar hen uitgekeken had, hen tegemoet. Zwijgend sloegen ze hun armen om elkaar heen in een band van wederzijds medelijden. Toen kwam Maureen de stoep af en zij en Clarice omhelsden elkaar, hun verdriet te rauw voor woorden.

Ze gingen de lounge in voor Jasper tijd gehad had om Bill te vragen wat er gebeurd was. Nu zag hij Moira. Tot op dat ogenblik had hij gedacht dat beide meisjes bij de botsing gedood waren. Hij vond het vanzelfsprekend dat ze nog leefde en zijn vermoeide geest verwachtte dat Mike ook in de lounge zou verschijnen.

Hij begreep al gauw dat alleen Heather, samen met Mike, omgekomen was en ze zaten elkaar allemaal verdoofd aan te kijken. Toen besefte hij dat hij het lichaam van zijn zoon officieel zou moeten identificeren, en dat Bill Heather moest identifi­ceren. Hij stond erop dat Bill en hij teruggingen naar de plaats van het ongeluk. Hij moest het met eigen ogen zien. Pas dan kon hij naar Ladysmith, waar de lichamen van de twee jonge mensen naartoe waren gebracht. Kevin kreeg opdracht te blijven om de vrouwen te troosten, en de twee mannen reden weg in het donker.

Op het politiebureau van Ladysmith werd hen gezegd dat de dood van beide jonge mensen bij aankomst bevestigd was en dat hun lichamen al overgebracht waren naar het lijkenhuis van het ziekenhuis. De politieman zag dat de twee mannen de uitputting nabij waren en ging met hen mee.

In het lijkenhuis was een kast die leek op een enorme dossierkast met veel grotere laden dan normaal. Toen de bediende de linker bovenla opende, bleek die meer dan een meter tachtig lang. Daar zag Jasper zijn oudste zoon, de bekende blonde krullen en het stoppelbaardje ongedeerd.

Jasper wierp een lange blik op hem en zag opgelucht de vredige, ontspannen uitdrukking op zijn gezicht. Hij kon er niet toe komen het laken weg te slaan om naar verwondingen aan het lichaam te zoeken. Er waren er geen op het gezicht, de hals of de schouders van de jongen.

Toen sloot de bediende de lade en trok die daaronder open. Daar lag het lichaam van Heather.

Bill hoefde zich niet schrap te zetten, want hij had zijn dochter al gezien toen ze haar uit de Mini tilden.

In doodse stilte draaiden de twee mannen zich rustig om en gingen samen het lijkenhuis uit.

Weer in de auto zei de politieman dat hij ze dankbaar was dat ze zo snel gekomen waren, omdat het hem hielp bij zijn werk en hij vroeg zich hardop af hoelang het zou duren voor het andere lichaam officieel geidentificeerd zou worden.

Pas toen besefte Jasper dat de chauffeur van de andere auto ook het leven verloren had. Even flitste de gedachte door hem heen dat dit de man toekwam, maar hij herinnerde zich toen dat hij (nog) niet wist hoe het ongeluk gebeurd was. In elk geval zou het een heel loze overwinning zijn om iemand verwijten te maken wanneer geen van de slachtoffers daardoor weer tot leven gebracht kon worden.

Ze kwamen terug op het politiebureau waar zo laat op de dag geen typiste meer beschikbaar was. Omdat de overlijdensaktes nog afgemaakt moesten worden, ging Jasper achter de schrijf­machine zitten en typte beide verklaringen met één vinger uit.

Toen gingen ze terug naar het Colenso Hotel en beide bedroefde families gingen in hun auto's terug naar Pietermaritzburg en kwamen daar omstreeks acht uur die avond aan.

Jasper en Clarice gingen naar haar ouders, waar Clarice's vader de goddelijke logica achter de tragedie uitlegde, of althans dat probeerde.

Daarna gingen ze naar Jaspers ouders. Opnieuw moesten ze beschrijven wat er gebeurd was en bevestigen dat Mike dood was. Jaspers vader had de huisarts geroepen omdat zijn vrouw Louise was ingestort bij het horen van het nieuws. De dokter had slaappillen achtergelaten voor Jasper en Clarice voor het geval ze niet konden slapen.

Er stond een auto geparkeerd voor hun huis en er kwam een jonge man naar ze toe. Een vlaag van machteloze woede in Jaspers hart verdween toen de jongeman hem hoffelijk condo­leerde. De tragedie was al omgeroepen over de radio en hij wilde een foto van Mike voor de ochtend-editie van de plaatselijke krant.

Toen Jasper en Clarice de volgende ochtend vroeg hun ogen openden, zagen ze Clarice's zuster Rose en haar man aan het voeteneind van hun bed staan.

Rose was jonger dan Clarice en zij wist beter dan wie ook hoe hecht de band tussen moeder en zoon was geweest. Ze waren de vorige avond om middernacht uit Durban aangekomen en hadden het hele huis nog helder verlicht gevonden. Toen er niet gereageerd werd op hun kloppen, begrepen ze dat iedereen in het huis van pure uitputting in slaap gevallen was, dus hadden ze tot zonsopgang op de bank in de woonkamer geslapen.

Jasper ging naar beneden om de krant te halen en zag de koude, harde feiten van de tragedie groot op de voorpagina staan met de foto van Mike erbij.

Eindelijk aanvaardde Jasper dat het werkelijk gebeurd was, dat het geen nachtmerrie was; en toen hij de krant naar Clarice gebracht had, drong de harde werkelijkheid van de vorige dag pas echt tot hem door.

Hij ging veel vroeger dan normaal naar zijn kantoor, maar zijn secretaresse was er al en wist ook al van de tragedie. Toen Jasper haar gevraagd had al zijn zaken uit te stellen, zag hij een briefje op zijn bureau: ‘Een zekere mevrouw Merrington uit Sezela aan de zuidkust heeft gebeld met de volgende boodschap: "Omdat u haar in het leven geholpen hebt, zal zij u nu helpen in de dood."’ Zijn enige reactie was verontwaardiging, omdat een vreemde zich in zijn privé-verdriet probeerde te mengen en hij gooide het briefje in de prullenmand.

Jasper was opgevoed als orthodox christen in de Anglicaanse kerk, maar hij had al langgeleden gevoeld dat de georganiseerde religie geen realistische rol meer speelde in de moderne maat­schappij. In de loop der jaren had hij andere religies onderzocht - lutheraans, katholiek, protestant - en zelfs wat duisterder geloven die alleen minderheidsgroepen aantrokken. Bij geen enkele had hij een antwoord gevonden op zijn twijfels.

Hij had zelfs het spiritisme onderzocht, maar ook dat had hem niet bevredigd. Toen had hij zich tot de oosterse religies - hindoeïsme, islam, boeddhisme, taoïsme en zen - gewend maar kon ook daar zijn twijfels niet tot rust brengen.

Pas toen hij het werk van Paul Brunton ontdekte, begon hij een verwante filosofie te zien. Vandaar ging hij verder naar Vera Stanley Alder en van haar werken naar die van Alice Bailey, die hij te streng vond omdat ze totale toepassing en discipline eisten. Toen de tragedie toesloeg, was Jaspers greep op spirituele waarden dan ook nog steeds in het geïmproviseerde stadium.

Sven Larsen, de begrafenisondernemer met wie Jasper contact opnam, was ook een oude vriend van de familie. Hoewel zijn assistent gewoonlijk de lichamen ophaalde en naar de rouw­kamer bracht, reed Larsen zelf de ambulance de bijna tweehon­derd kilometer naar Ladysmith, zodat hij aanwezig kon zijn bij de postmortem en hijzelf bracht de lichamen van de twee jonge mensen terug naar Pietermaritzburg.

Er kwam een eindeloze stroom bloemen van vrienden, die hun sympathie en verdriet wilden tonen. Clarice had het druk met het zoeken van vazen om ze in te zetten.

De brieven puilden die ochtend uit de brievenbus; bood­schappen van liefde, sympathie en steun van mensen die vaak bijna vreemden waren. Onder de eerste bezoekers waren de huisarts en zijn vrouw. Hij kwam als vriend zowel als dokter, want hij had Mike behandeld bij al zijn kinderziekten.

Clarice was al voor zonsopgang opgestaan. Ze had in de koude ochtendlucht over de veranda lopen ijsberen en geprobeerd iets te bedenken, dat een of andere reden voor deze tragedie kon onthullen. Ze besloot ook dat Tobias MacGregor Mike's stoffe­lijke overschot ter aarde moest bestellen.

MacGregor was tot priester gewijd in een orthodoxe kerk. Hij was een goed mens voor wie Mike een diep respect had gehad. Meteen toen deze gedachte in haar opkwam, wist Clarice dat deze man ook haar kon helpen.

Ze begon te informeren waar hij was, want hij was een paar jaar tevoren uit Pietermaritzburg vertrokken. Uiteindelijk kreeg hij de boodschap, en zonder aarzelen stapte MacGregor in Durban in zijn auto en reisde naar ze toe om zoveel mogelijk troost te brengen.

Dave en Brian, twee goede vrienden van Jasper, een elektronica­expert en een hoogleraar in de muziekwetenschappen hadden toegang tot een orgel en een grote muziekbibliotheek, en samen stelden ze een medley samen van kerkgezangen en populaire melodieën waarvan Mike en Heather het meest hadden gehouden. Er zou een gezamenlijke kerkdienst worden gehouden voor de crematie, omdat de ouders overeengekomen waren dat de jonge mensen samen gezuiverd moesten worden. MacGregors eerste reactie was verbazing, maar hij luisterde zwijgend naar de hele band, leunde toen achterover en zei: ‘Dit is echt heilige muziek. Het is absoluut zuiver.’

De stroom vrienden hield aan. In de volgende week kreeg de familie ruim vijfhonderd brieven.

Vrijdags belde Larsen om te zeggen dat de twee lichamen in zijn rouwkamer waren, en laat die middag gingen Clarice, Jasper en Kevin naar ze kijken.

Zodra ze de kapel binnenkwamen, hadden ze het gevoel dat het er warm en vriendelijk was en vol oude vrienden, ook al waren ze er alleen.

Op zaterdagochtend aan het ontbijt merkte Jasper op dat er een vierde plaats gedekt was. Hij ging naar de keuken en zei tegen de kok: ‘Elphus, je weet dat de inkosaan er niet meer is. Je hoeft dus niet voor hem te dekken. Hij zal niet meer met dit gezin eten.’ Elphus was een man van veertig jaar, een grote, sterke, knappe Zoeloe. De Zoeloes worden opgevoed met het geloof dat een man nooit zijn verdriet of leed mag tonen, maar toen Mike's naam werd genoemd, schoten zijn ogen vol tranen.

‘Elphus, dit was geen standje’, verzekerde Jasper hem bezorgd. ‘De inkosaan is door de Hoge tot zich geroepen in de hemel. Ons hart kan huilen, maar het is goed zo!’

Later die ochtend, toen de verschillende familieleden van beide families begonnen aan te komen, ging Jasper doelloos naar buiten om de voortuin te sproeien. De melkboer kwam het pad op en zette twee flessen melk op de grond. Met door emotie verstikte stem zei hij: ‘Hauw! Er is dit huis een vreselijke slag toegebracht!’

Mike had altijd zijn vrienden gekozen zonder op kleur of geloof te letten, en nu ging Jaspers hart uit naar deze oude Zoeloe wie de tranen over de wangen stroomden. Hij zei: ‘Mikize, de Hoge is naar mijn huis afgedaald en heeft beslist dat deze jonge man een goede leider voor hem zou zijn, dus zei Hij tegen me dat Hij mijn zoon wilde hebben. Omdat ik een van Zijn stamleden ben, moest ik aan Zijn verzoek voldoen. Ik wilde mijn zoon niet verliezen, maar zede en wet zeiden dat het moest.’

Dit was volkomen in de lijn van het geloof van het Zoeloe-volk en de oude man begreep het onmiddellijk. Zijn gezicht klaarde op en hij overwoog zijn antwoord zorgvuldig. ‘Ja’, zei hij, ‘ik kan zien dat als de Hoge iets wil hebben dat van jou is, je het moet geven. Nu heeft de Hoge een heel goede nieuwe leider!’ Hij pakte de lege flessen op en stapte weg, helemaal blij dat wat hij eerst beschouwd had als een vreselijke onrechtvaardigheid in feite goed en juist was, zoals hij het begreep. Jaspers eigen door pijn gekwelde hart putte er evenveel troost uit.

Terwijl hij de tuin sproeide, reden de bestelwagens van bloe­misten af en aan, en bezoekers kwamen en gingen. Hij ging naar de verste hoek van de tuin, zodat die mensen, vriendelijk en goedbedoelend als ze waren, zijn gedachten niet meer zouden storen.

Toen MacGregor de beide families vroeg waar ze de uitvaart­dienst wilden houden, kozen Bill en Maureen Heathers kerk, en Clarice en Jasper sloten zich bij hun wensen aan.

Maar er stonden voor diezelfde middag vijf bruiloften op het programma, dus belde MacGregor Jasper en vroeg hem of de dienst verplaatst kon worden naar Mike's kerk. Maar toen Jasper informeerde, bleek ook die kerk voor die middag volge­boekt.

MacGregor besloot de zaak zelf te regelen. Nadat hij de deken benaderd had, vertelde hij ze dat de kathedraal om half drie die middag beschikbaar zou zijn.

MacGregor was een ongewone man in deze moderne wereld; hij was een ware dienaar van God. Toch had hij in zijn schooltijd zelden of nooit aan zijn uiteindelijke roeping gedacht, want hij beschouwde priesters als een bijkomstigheid in zijn gemeen­schap. Nadat hij eindexamen had gedaan en naar de universiteit was gegaan, had hij een aaneenschakeling van tijdelijke baantjes gehad. Geen ervan bevredigde hem en tenslotte keerde hij terug tot zijn vroegere manier van denken en werd onderwijzer.

De volgende paar jaar ‘bleef’ hij op een middelbare school in Pietermaritzburg en hier leerde hij Mike kennen. Er was onmiddellijk een band tussen de leraar en de jongen. Als Mike thuiskwam, vertelde hij wat een fijne leraar hij had, en Clarice en Jasper begrepen al gauw dat dit de eerste ‘held’ was die hij in zijn leven vereerde. MacGregor was een van de heel weinige leraren die hun leerlingen werkelijk begrijpen. Maar door deze periode voor de klas kreeg MacGregor ook het verlangen om zich voorgoed aan het werk van God te wijden en tenslotte ging hij naar het hoofd van de school en diende zijn ontslag in.

Toen ging hij terug naar de universiteit om godgeleerdheid te studeren. Daarna stak hij de oceaan over om in Engeland theologie te studeren, en werd daar tenslotte gewijd in de Heilige Orden.

Bij zijn terugkeer in Zuid-Afrika werd hij aangesteld in een parochie in Natal, waar hij al gauw geliefd was bij zijn gemeente. Een van zijn parochianen vertelde Jasper dat Mac­Gregor ‘de vreugde van de eredienst teruggegeven’ had aan hun diensten.

Op een dag kreeg hij bezoek van een erg bezorgde jonge vrouw. Ze was al jarenlang lid van de parochie en had, tot haar grote ontsteltenis, ontdekt dat haar man een verhouding had met een andere vrouw. Op advies van haar ouders was ze van hem gescheiden op grond van overspel. Nadat de scheiding uitge­sproken was en de kinderen aan haar waren toegewezen, werd haar gezegd dat een gescheiden vrouw niet kon worden toege­laten tot de Heilige Communie.

MacGregor, overtuigd dat de Kerk hem niet kon verbieden het sacrament toe te dienen aan een dergelijke vrouw, liet haar en haar zoon, die pas was aangenomen als lid van de kerk, op eigen houtje toe tot zijn dienst. Ook kondigde hij, zonder haar naam te noemen, deze beslissing vanaf de preekstoel aan en niemand protesteerde.

Helaas kreeg hij toen griep en moest drie weken ziekteverlof nemen. Toen de vrouw als gewoontegetrouw naar de kerk ging, werd haar tot haar schrik de communie geweigerd door de priester die MacGregor verving.

Toen de zaak onder de aandacht van de bisschop werd gebracht, moest MacGregor op het matje komen. Hij redeneerde lang en ernstig. Zijn argument was dat de vrouw eerherstel had gekregen volgens de wetten van het land: hoe kon ze dan uitgesloten worden van het sacrament van de communie? De bisschop begreep MacGregors standpunt, maar hij wilde zich ook aan de regels en reglementen houden. En dit was niet de eerste keer dat MacGregors ‘houding’ in botsing kwam met het dogma van de Kerk. Bij het dienen van zijn groeiende kudde was hij steeds vaker in botsing gekomen met alles dat niet echt ‘Mijn kudde voedde en leidde’.

MacGregor probeerde het conflict op te lossen zoals Christus het zou hebben gedaan. Niet door te proberen zich in de plaats van Christus te stellen, maar door te proberen te doen wat hij dacht dat zijn Meester zou hebben goedgekeurd.

Het werd hem echter steeds duidelijker dat hij in de ogen van de bisschop niet zozeer een pastor was die ‘Mijn schaapjes voedde en leidde’, maar meer een onwereldlijke lastpak.

Zijn hart kwam heftig in opstand. Zich maar al te bewust van zijn eigen tekortkomingen, vroeg hij zich af wat zijn ergste zonde was. Verdiende hij echt toorn en censuur? Moest hij naar een andere parochie verbannen worden in dit uur van bittere afrekening? Hij wilde maar al te graag alle zonden van de wereld op zijn eigen smalle schouders nemen.

Op dit ogenblik was Mike gestorven en reageerde hij op de hulpkreet van Jasper en Clarice.

Hij begon met een gebed voor de twee dode kinderen. Het was het mooiste gebed dat Clarice en Jasper ooit hadden gehoord. Hij praatte die avond met ze over het verschil tussen hun Persoonlijke God en de God van de hele Evolutie; hij beschreef de wetten van de rede die de weg van het lot bepalen. En hij bad om hun aanvaarding en begrip door in hun naam het mede­dogen van de Almachtige op te roepen, zodat ze zouden blijven geloven in Zijn genade, ook al voelden ze zich nog te zwaar door Hem geteisterd.

Toen hij weg was, voelden Jasper en Clarice een mager zonnestraaltje hun somberheid doordringen en ze begonnen aan het lange, langzame proces van weer te vertrouwen op Zijn wil. Jasper wilde niet dat de begrafenis van Mike en Heather een gelegenheid voor verdriet en geweeklaag werd. Hij wilde dat het paste bij zoals ze geweest waren, zorgeloos en vrolijk. Mac­Gregor begreep het volkomen. Hij had nooit begrepen waarom bij een christelijke begrafenis de bloemen van het altaar gehaald werden, of waarom het paasgezang niet in de uitvaartdienst opgenomen was.

Hij had heel wat begrafenissen geleid, maar toen hij ging zitten om de rede te schrijven, kon hij voor het eerst geen woorden vinden.

Voor het eerst begreep hij het afschuwelijke van wat er gebeurd was. Hij knielde en bad zijn Schepper om hem kracht te geven in deze chaos van verdriet.

Terwijl ze zich kleedden voor de begrafenis, kwam Kevin bij Jasper en zei: ‘Pap, mijn enige nette schoenen zijn wit met bruin. Dat staat niet bij een begrafenis!’

Zoals de meeste jonge mensen van hun leeftijd, droegen Mike en Kevin het liefst ‘mod’ schoenen, maar nu herinnerde Jasper zich dat Mike ook conservatiever schoeisel had, dus zei hij: ‘Kijk maar in Mike's kast. Zijn zwarte schoenen passen je vast wel.’ ‘Pap!’ protesteerde Kevin. ‘Met Mike's schoenen aan naar zijn eigen begrafenis gaan?’

‘Ben je soms bang dat hij het niet goed zou vinden?’ antwoordde Jasper met een strak gezicht.

Opgelucht maar nog steeds lichtelijk ontzet ging Kevin weg om beslag te leggen op de schoenen.

Om kwart over twee reden ze naar de kathedraal waar zich al een grote menigte verzameld had.

Terwijl Jasper de auto parkeerde, gingen Clarice en Kevin naar binnen, niet in staat de meevoelende, onderzoekende blikken van zo veel vreemden te verdragen. Jasper volgde ze even later. De kathedraal, waar duizend mensen in konden, was helemaal vol. Ze gingen in de rechter voorste bank zitten en Rose en Mike kwamen naast hen zitten. In de andere voorste rij banken zaten Bill, Maureen, Moira en Maureens moeder.

MacGregor kwam naar het altaar, maakte een kniebuiging en ging toen langzaam verder door het middenpad naar de grote deuren.

Larsen had de lijkwagen voor deze deuren gereden. Nu wenkte hij de twee groepen dragers. Stap voor stap werden de twee kisten door het middenpad gedragen.

De kleine witte kist met het lichaam van Heather werd gedragen door vier familieleden van Bill en Maureen.

Daarna kwamen Jaspers broer Jake, vervolgens Kevin en daarachter Clarice's vier broers met de kist van Mike.

Vanuit het diepe hart van de kathedraal kwam zachte muziek van het grote orgel.

Toen ze ter hoogte van Jasper kwamen, zag hij dat de kisten met de voeten vooruit naar het altaar gedragen werden. Met een ziekmakende schok herinnerde hij zich, dat de ziekenhuis­broeder hem met zijn voeten vooruit naar de operatiekamer had gereden en door een passerende dokter scherp terechtgewezen was, omdat ‘alleen de doden met de voeten vooruit gaan’.

Nu werden de twee kisten op baren voor het grote altaar getild en MacGregor begon de dienst. Jasper en Bill en hun gezinnen waren zich maar vaag bewust van het ritueel van de dienst, maar Jasper herinnerde zich duidelijk dat MacGregor zei: ‘Hij was een schuldeloze jongeman. Ikzelf kon geen fout in hem vinden. Maar we mogen, we kunnen niet twijfelen aan de wegen van onze Vader in de Hemel. Christus had zo makkelijk kunnen zeggen: "Ik ben pas drieëndertig jaar. Laat me tot ik zesenzestig ben. Dan zal ik nog de wereld voor U redden, maar denk eens aan wat Ik intussen kan bereiken!" De dood is alleen logisch voor een volkomen liefhebbende God. Als stervelingen hebben we innig verdriet. Maar als christenen kunnen we ons ver­heugen, want het was tegen kinderen als deze dat Jezus zei: "Ik ga een plaats voor u bereiden. Als het niet zo was, zou ik het u hebben gezegd."’

MacGregors vaste stem gaf de twee bedroefde families kracht en troost en plotseling besefte Jasper dat de aangrijpende dienst bijna voorbij was. De dragers namen hun last weer op en liepen het middenpad af naar de grote deuren.

Clarice nam haar vaders arm. Hij was een oude man van tweeënzeventig die het verlies van zijn gouden kleinzoon diep voelde.

Jasper liep achter ze. Daarachter kwamen Bill en Maureen, gevolgd door de rest van hun familie.

Buiten in het heldere zonlicht werden de twee kisten voorzichtig in de lijkwagen gezet en de laatste rit naar het crematorium begon.

Jasper had ermee ingestemd dat er geen formele stoet zou zijn, omdat die het verkeer zou ophouden.

Maar onverwacht sloten zich drie motoragenten bij de begrafe­nisstoet aan. Een motorrijder met loeiende sirenes voorop en twee achteraan begeleidden de rouwenden door de drukke zakenwijk van de stad.

De tranen schoten in Jaspers ogen toen hij de betekenis begreep van dit saluut. Het was niet de gewoonte van de plaatselijke politie om een particuliere begrafenis een escorte te geven, maar Mike, die een krachtige Suzuki 250 cc motorfiets had gehad, was bevriend geraakt met veel verkeersagenten in de stad, en deze mannen hadden zich buiten hun diensttijd ‘opgegeven’ als hun eigen privé-saluut. Kort voor het crematorium zwaaiden de motoragenten af naar links en gingen in de houding staan en salueerden toen de lijkwagen langs reed.

Voor de grote deuren was een pauze, terwijl de dragers zich weer opstelden. Toen werden de twee kisten naar binnen gebracht en op de verhoging gezet. Het kleine crematorium was al snel overvol met vrienden en sympathisanten. Achter in de kapel voelde Larsen de diepe emotie. Hij wist dat er maar iemand hoefde in te storten en iedereen zou in tranen uitbarsten.

Jasper bleef buiten, alleen. Hij was geroerd door de massa jongeren, jonge mannen op bromfietsen, die met een eindeloos gezoem bij het crematorium aankwamen.

Tenslotte ging hij zelf naar binnen. Het was bijna tijd voor de dienst. Toen hij ging zitten, hoorde hij de zachte, sussende muziek die voor de band was uitgekozen. De Shadows speelden ‘Marie Elaine’ en ‘Stardust’, de prachtige hymne ‘De dag die Gij gegeven hebt’ en Heathers lievelingslied ‘Eens in Koning Davids stad’ waren samengevoegd tot een harmonieus geheel. Toen de muziek de oren van de mensen vulde, kon Jasper de spanning zien afnemen. Toen de muziek afgelopen was, nam MacGregor plaats achter de katheder en gaf de stoffelijke resten over, nadat hij de les gelezen had. De dienst was afgelopen.

Maar pas toen de mensen de kapel hadden verlaten, knielde MacGregor voor de twee kisten en liet zijn tranen zonder schaamte de vrije loop.

Zwijgend gingen de families naar hun auto's. Toen Jasper nog een keer omkeek naar het crematorium, nu geel in de onder­gaande zon, kwam het eerste sliertje rook uit de hoge schoor­steen. Hij wist dat het van de lak van de kisten kwam. Heather en Mike waren nu overgedragen aan de zuiverende vlammen.

En op datzelfde ogenblik, ver weg in hun huis, hief hun tekkel Mitzi haar snuit en jankte haar verdriet uit naar de hemel. Toen viel een doodse stilte over de buurt, die pas verbroken werd toen de auto met de familie terugkwam.



  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina