Jezus gevangengenomen en verhoord



Dovnload 130.69 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte130.69 Kb.
Jezus gevangengenomen en verhoord

Johannes 18

1 Nadat Jezus dit alles gezegd had, ging hij met zijn leerlingen naar de overkant van de Kidronbeek. Daar liep hij een olijfgaard in, met zijn leerlingen. 2 Judas, zijn verrader, kende deze plek ook, want Jezus was er vaak met zijn leerlingen samengekomen. 3 Judas ging ernaartoe, samen met een cohort soldaten en dienaren van de hogepriesters en de Farizeeën. Ze waren gewapend en droegen fakkels en lantaarns. 4 Jezus wist precies wat er met hem zou gebeuren. Hij liep naar hen toe en vroeg: ‘Wie zoeken jullie?’ 5 Ze antwoordden: ‘Jezus uit Nazaret.’ ‘Ik ben het,’ zei Jezus, terwijl Judas, zijn verrader, erbij stond. 6 Toen hij zei: ‘Ik ben het,’ deinsden ze achteruit en vielen op de grond. 7 Weer vroeg Jezus: ‘Wie zoeken jullie?’ en weer zeiden ze: ‘Jezus uit Nazaret.’ 8 ‘Ik heb jullie al gezegd: “Ik ben het,”’ zei Jezus. ‘Als jullie mij zoeken, laat deze mensen dan gaan.’ 9 Zo gingen de woorden in vervulling die hij gesproken had: ‘Geen van hen die u mij gegeven hebt, heb ik verloren laten gaan.’ 10 Daarop trok Simon Petrus het zwaard dat hij bij zich had, haalde uit naar de slaaf van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af; Malchus heette die slaaf. 11 Maar Jezus zei tegen Petrus: ‘Steek je zwaard in de schede. Zou ik de beker die de Vader mij gegeven heeft niet drinken?’

12 De soldaten met hun tribuun en de Joodse gerechtsdienaars grepen Jezus en boeiden hem. 13 Ze brachten hem eerst naar Annas, de schoonvader van Kajafas. Kajafas was dat jaar hogepriester 14 en hij was het die de Joden had voorgehouden: ‘Het is goed dat één man sterft voor het hele volk.’ 15 Simon Petrus liep met een andere leerling achter Jezus aan. Deze andere leerling kende de hogepriester en ging met Jezus het paleis van de hogepriester in, 16 maar Petrus bleef buiten bij de poort staan. Daarop kwam de andere leerling, de kennis van de hogepriester, weer naar buiten; hij sprak met de portierster en nam Petrus mee naar binnen. 17 Het meisje sprak Petrus aan: ‘Ben jij soms ook een leerling van die man?’ ‘Nee, ik niet,’ zei hij. 18 De slaven en de gerechtsdienaars stonden zich te warmen bij een vuur dat ze hadden aangelegd omdat het koud was; ook Petrus ging zich erbij staan warmen.

19 De hogepriester ondervroeg Jezus over zijn leerlingen en over zijn leer. 20 Jezus zei: ‘Ik heb in het openbaar tot de wereld gesproken. Ik heb steeds onderricht gegeven op plaatsen waar de Joden bij elkaar komen, in synagogen en in de tempel, en nooit heb ik iets in het geheim gezegd. 21 Waarom ondervraagt u mij? Vraag het toch aan de mensen die mij gehoord hebben, zij weten wat ik gezegd heb.’ 22 Toen Jezus dat zei gaf een van de dienaren die erbij stonden, hem een klap in het gezicht: ‘Is dat een manier om de hogepriester te antwoorden?’ 23 Jezus zei: ‘Als ik iets verkeerds gezegd heb, zeg dan wat er verkeerd was, maar als het juist is wat ik heb gezegd, waarom slaat u me dan?’ 24 Daarna stuurde Annas hem geboeid naar Kajafas, de hogepriester.

25 Simon Petrus stond zich intussen nog steeds te warmen. ‘Ben jij soms ook een leerling van hem?’ vroegen ze. ‘Nee,’ ontkende Petrus, ‘ik niet.’ 26 Maar een van de slaven van de hogepriester, een familielid van de man van wie Petrus het oor had afgeslagen, zei: ‘Maar ik heb toch gezien dat je bij hem was in de olijfgaard?’ 27 Weer ontkende Petrus, en meteen kraaide er een haan.

28 Jezus werd van Kajafas naar het pretorium gebracht. Het was nog vroeg in de morgen. Zelf gingen ze niet naar binnen, om zich niet te verontreinigen voor het pesachmaal. 29 Daarom kwam Pilatus naar buiten en vroeg: ‘Waarvan beschuldigt u deze man?’ 30 Ze antwoordden: ‘Als hij geen misdadiger was, zouden we hem niet aan u uitgeleverd hebben.’ 31 Pilatus zei: ‘Neem hem dan mee, en veroordeel hem volgens uw eigen wet.’ Maar de Joden wierpen tegen: ‘Wij hebben het recht niet om iemand ter dood te brengen.’ 32 Zo ging de uitspraak van Jezus in vervulling waarin hij aanduidde welke dood hij sterven zou.

33 Nu ging Pilatus het pretorium weer in. Hij liet Jezus bij zich komen en vroeg hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ 34 Jezus antwoordde: ‘Vraagt u dit uit uzelf of hebben anderen dit over mij gezegd?’ 35 ‘Ik ben toch geen Jood,’ antwoordde Pilatus. ‘Uw volk en uw hogepriesters hebben u aan mij uitgeleverd – wat hebt u gedaan?’ 36 Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld hoorde, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om te voorkomen dat ik aan de Joden werd uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is niet van hier.’ 37 Pilatus zei: ‘U bent dus koning?’ ‘U zegt dat ik koning ben,’ zei Jezus. ‘Ik ben geboren en naar de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan, luistert naar wat ik zeg.’ 38 Hierop zei Pilatus: ‘Maar wat is waarheid?’

Na deze woorden ging hij weer naar de Joden buiten. ‘Ik heb geen schuld in hem gevonden,’ zei hij. 39 ‘Maar het is bij u gebruikelijk dat ik met Pesach iemand vrijlaat – wilt u dat ik de koning van de Joden vrijlaat?’ 40 Toen begon iedereen te schreeuwen: ‘Hem niet, maar Barabbas!’ Barabbas was een misdadiger.



19

1 Toen liet Pilatus Jezus geselen. 2 De soldaten vlochten een kroon van doorntakken, zetten die op zijn hoofd en deden hem een purperen mantel aan. 3 Ze liepen naar hem toe en zeiden: ‘Leve de koning van de Joden!’, en ze sloegen hem in het gezicht. 4 Pilatus liep weer naar buiten en zei: ‘Ik zal hem hier buiten aan u tonen om u duidelijk te maken dat ik geen enkel bewijs van zijn schuld heb gevonden.’ 5 Daarop kwam Jezus naar buiten, met de doornenkroon op en de purperen mantel aan. ‘Hier is hij, de mens,’ zei Pilatus. 6 Maar toen de hogepriesters en de gerechtsdienaars hem zagen begonnen ze te schreeuwen: ‘Kruisig hem, kruisig hem!’ Toen zei Pilatus: ‘Neem hem dan maar mee en kruisig hem zelf, want ik zie niet waaraan hij schuldig is.’ 7 De Joden zeiden: ‘Wij hebben een wet die zegt dat hij moet sterven, omdat hij zich de Zoon van God heeft genoemd.’ 8 Toen Pilatus dat hoorde werd hij erg bang. 9 Hij ging het pretorium weer in en vroeg aan Jezus: ‘Waar komt u vandaan?’ Maar Jezus gaf geen antwoord. 10 ‘Waarom zegt u niets tegen mij?’ vroeg Pilatus. ‘Weet u dan niet dat ik de macht heb om u vrij te laten of u te kruisigen?’ 11 Jezus antwoordde: ‘De enige macht die u over mij hebt, is u van boven gegeven. Daarom draagt degene die mij aan u uitgeleverd heeft de meeste schuld.’ 12 Vanaf dat moment wilde Pilatus hem vrijlaten. Maar de Joden riepen: ‘Als u die man vrijlaat bent u geen vriend van de keizer, want iedereen die zichzelf tot koning uitroept pleegt verzet tegen de keizer.’ 13 Pilatus hoorde dat, liet Jezus naar buiten brengen en nam plaats op de rechterstoel op het zogeheten Mozaïekterras, in het Hebreeuws Gabbata. 14 Het was rond het middaguur op de voorbereidingsdag van Pesach. Pilatus zei tegen de Joden: ‘Hier is hij, uw koning.’ 15 Meteen schreeuwden ze: ‘Weg met hem, weg met hem, aan het kruis met hem!’ Pilatus vroeg: ‘Moet ik uw koning kruisigen?’ Maar de hogepriesters antwoordden: ‘Wij hebben geen andere koning dan de keizer!’

16 Toen droeg Pilatus hem aan hen over om hem te laten kruisigen.

Jezus gekruisigd en begraven

Zij voerden Jezus weg; 17 hij droeg zelf het kruis naar de zogeheten Schedelplaats, in het Hebreeuws Golgota. 18 Daar kruisigden ze hem, met twee anderen, aan weerskanten één, en Jezus in het midden. 19 Pilatus had een inscriptie laten maken die op het kruis bevestigd werd. Er stond op ‘Jezus uit Nazaret, koning van de Joden’. 20 Het stond er in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks, en omdat de plek waar Jezus gekruisigd werd dicht bij de stad lag, werd deze inscriptie door veel Joden gelezen. 21 De hogepriesters van de Joden zeiden tegen Pilatus: ‘U moet niet “koning van de Joden” schrijven, maar “Deze man heeft beweerd: Ik ben de koning van de Joden”.’ 22 ‘Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven,’ was het antwoord van Pilatus.



23 Nadat ze Jezus gekruisigd hadden, verdeelden de soldaten zijn kleren in vieren, voor iedere soldaat een deel. Maar zijn onderkleed was in één stuk geweven, van boven tot beneden. 24 Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten we het niet scheuren, maar laten we loten wie het hebben mag.’ Zo ging in vervulling wat de Schrift zegt: ‘Ze verdeelden mijn kleren onder elkaar en wierpen het lot om mijn mantel.’ Dat is wat de soldaten deden.

25 Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder met haar zuster, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria uit Magdala. 26 Toen Jezus zijn moeder zag staan, en bij haar de leerling van wie hij veel hield, zei hij tegen zijn moeder: ‘Dat is uw zoon,’ 27 en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ Vanaf dat moment nam die leerling haar bij zich in huis.

28 Toen wist Jezus dat alles was volbracht, en om de Schrift geheel in vervulling te laten gaan zei hij: ‘Ik heb dorst.’ 29 Er stond daar een vat water met azijn; ze staken er een majoraantak met een spons in en brachten die naar zijn mond. 30 Nadat Jezus ervan gedronken had zei hij: ‘Het is volbracht.’ Hij boog zijn hoofd en gaf de geest.

31 Het was voorbereidingsdag, en de Joden wilden voorkomen dat de lichamen op sabbat, en nog wel een bijzondere sabbat, aan het kruis zouden blijven hangen. Daarom vroegen ze Pilatus of de benen van de gekruisigden gebroken mochten worden en of ze de lichamen mochten meenemen. 32 Toen braken de soldaten de benen van de eerste die tegelijk met Jezus gekruisigd was, en ook die van de ander. 33 Vervolgens kwamen ze bij Jezus, maar ze zagen dat hij al gestorven was. Daarom braken ze zijn benen niet. 34 Maar een van de soldaten stak een lans in zijn zij en meteen vloeide er bloed en water uit. 35 Hiervan getuigt iemand die het zelf heeft gezien, en zijn getuigenis is betrouwbaar. Hij weet dat hij de waarheid spreekt en wil dat ook u gelooft. 36 Zo ging de Schrift in vervulling: ‘Geen van zijn beenderen zal verbrijzeld worden.’ 37 Een andere schrifttekst zegt: ‘Zij zullen hun blik richten op hem die ze hebben doorstoken.’

38 Na deze gebeurtenissen vroeg Josef uit Arimatea – die uit vrees voor de Joden in het geheim een leerling van Jezus was – aan Pilatus of hij het lichaam van Jezus mocht meenemen. Pilatus gaf toestemming en Josef nam het lichaam mee. 39 Nikodemus, die destijds ’s nachts naar Jezus toe gegaan was, kwam ook; hij had een mengsel van mirre en aloë bij zich, wel honderd litra. 40 Ze wikkelden Jezus’ lichaam met de balsem in linnen, zoals gebruikelijk is bij een Joodse begrafenis. 41 Dicht bij de plaats waar Jezus gekruisigd was lag een olijfgaard, en daar was een nieuw graf, waarin nog nooit iemand begraven was. 42 Omdat het voor de Joden voorbereidingsdag was en dat graf dichtbij was, legden ze Jezus daarin.

Jesus Is Betrayed and Arrested



18

1 When Jesus had finished praying, he and his disciples crossed the Kidron Valley and went into a garden..

2 Jesus had often met there with his disciples, and Judas knew where the place was.

3-5 Judas had promised to betray Jesus. So he went to the garden with some Roman soldiers and temple police, who had been sent by the chief priests and the Pharisees. They carried torches, lanterns, and weapons. Jesus already knew everything that was going to happen, but he asked, “Who are you looking for?”

They answered, “We are looking for Jesus from Nazareth!”

Jesus told them, “I am Jesus!”

6 At once they all backed away and fell to the ground.

7 Jesus again asked, “Who are you looking for?”

“We are looking for Jesus from Nazareth,” they answered.



8 This time Jesus replied, “I have already told you that I am Jesus. If I am the one you are looking for, let these others go. 9 Then everything will happen, just as I said, ‘I did not lose anyone you gave me.’ ”

10 Simon Peter had brought along a sword. He now pulled it out and struck at the servant of the high priest. The servant's name was Malchus, and Peter cut off his right ear.

Jesus told Peter, “Put your sword away. I must drink from the cup

that the Father has given me.”

Jesus Is Brought to Annas



12 The Roman officer and his men, together with the temple police, arrested Jesus and tied him up. 13 They took him first to Annas, who was the father-in-law of Caiaphas, the high priest that year.

This was the same Caiaphas who had told the Jewish leaders, “It is better if one person dies for the people.”

Peter Says He Doesn't Know Jesus

15 Simon Peter and another disciple followed Jesus. That disciple knew the high priest, and he followed Jesus into the courtyard of the high priest's house. 16 Peter stayed outside near the gate. But the other disciple came back out and spoke to the girl at the gate. She let Peter go in, 17 but asked him, “Aren't you one of that man's followers?”

“No, I am not!” Peter answered.



18 It was cold, and the servants and temple police had made a charcoal fire. They were warming themselves around it, when Peter went over and stood near the fire to warm himself.

Jesus Is Questioned by the High Priest



19 The high priest questioned Jesus about his followers and his teaching. 20 But Jesus told him, “I have spoken freely in front of everyone. And I have always taught in our meeting places and in the temple, where all of our people come together. I have not said anything in secret. 21 Why are you questioning me? Why don't you ask the people who heard me? They know what I have said.”

22 As soon as Jesus said this, one of the temple police hit him and said, “That's no way to talk to the high priest!”

23 Jesus answered, “If I have done something wrong, say so. But if not, why did you hit me?” 24 Jesus was still tied up, and Annas sent him to Caiaphas the high priest.

Peter Again Denies that He Knows Jesus



25 While Simon Peter was standing there warming himself, someone asked him, “Aren't you one of Jesus' followers?”

Again Peter denied it and said, “No, I am not!”



26 One of the high priest's servants was there. He was a relative of the servant whose ear Peter had cut off, and he asked, “Didn't I see you in the garden with that man?”

27 Once more Peter denied it, and right then a rooster crowed.

Jesus Is Tried by Pilate



28 It was early in the morning when Jesus was taken from Caiaphas to the building where the Roman governor stayed. But the crowd waited outside. Any of them who had gone inside would have become unclean and would not be allowed to eat the Passover meal.

29 Pilate came out and asked, “What charges are you bringing against this man?”

30 They answered, “He is a criminal! That's why we brought him to you.”

31 Pilate told them, “Take him and judge him by your own laws.”

The crowd replied, “We are not allowed to put anyone to death.”

And so what Jesus said about his death would soon come true.

33 Pilate then went back inside. He called Jesus over and asked, “Are you the king of the Jews?”

34 Jesus answered, “Are you asking this on your own or did someone tell you about me?”

35 “You know I'm not a Jew!” Pilate said. “Your own people and the chief priests brought you to me. What have you done?”

36 Jesus answered, “My kingdom doesn't belong to this world. If it did, my followers would have fought to keep me from being handed over to the Jewish leaders. No, my kingdom doesn't belong to this world.”

37 “So you are a king,” Pilate replied.

“You are saying that I am a king,” Jesus told him. “I was born into this world to tell about the truth. And everyone who belongs to the truth knows my voice.”



38 Pilate asked Jesus, “What is truth?”

Jesus Is Sentenced to Death

Pilate went back out and said, “I don't find this man guilty of anything! 39 And since I usually set a prisoner free for you at Passover, would you like for me to set free the king of the Jews?”

40 They shouted, “No, not him! We want Barabbas.” Now Barabbas was a terrorist.

19

1 Pilate gave orders for Jesus to be beaten with a whip. 2 The soldiers made a crown out of thorn branches and put it on Jesus. Then they put a purple robe on him. 3 They came up to him and said, “Hey, you king of the Jews!” They also hit him with their fists.

4 Once again Pilate went out. This time he said, “I will have Jesus brought out to you again. Then you can see for yourselves that I have not found him guilty.”

5 Jesus came out, wearing the crown of thorns and the purple robe. Pilate said, “Here is the man!”

6 When the chief priests and the temple police saw him, they yelled, “Nail him to a cross! Nail him to a cross!”

Pilate told them, “You take him and nail him to a cross! I don't find him guilty of anything.”



7 The crowd replied, “He claimed to be the Son of God! Our Jewish Law says that he must be put to death.”

8 When Pilate heard this, he was terrified. 9 He went back inside and asked Jesus, “Where are you from?” But Jesus did not answer.

10 “Why won't you answer my question?” Pilate asked. “Don't you know that I have the power to let you go free or to nail you to a cross?”

Jesus replied, “If God had not given you the power, you couldn't do anything at all to me. But the one who handed me over to you did something even worse.”



12 Then Pilate wanted to set Jesus free. But the crowd again yelled, “If you set this man free, you are no friend of the Emperor! Anyone who claims to be a king is an enemy of the Emperor.”

13 When Pilate heard this, he brought Jesus out. Then he sat down on the judge's bench at the place known as “The Stone Pavement.” In Aramaic this pavement is called “Gabbatha.” 14 It was about noon on the day before Passover, and Pilate said to the crowd, “Look at your king!”

15 “Kill him! Kill him!” they yelled. “Nail him to a cross!”

“So you want me to nail your king to a cross?” Pilate asked.

The chief priests replied, “The Emperor is our king!” 16 Then Pilate handed Jesus over to be nailed to a cross.

Jesus Is Nailed to a Cross

Jesus was taken away, 17 and he carried his cross to a place known as “The Skull.”

In Aramaic this place is called “Golgotha.” 18 There Jesus was nailed to the cross, and on each side of him a man was also nailed to a cross.



19 Pilate ordered the charge against Jesus to be written on a board and put above the cross. It read, “Jesus of Nazareth, King of the Jews.” 20 The words were written in Hebrew, Latin, and Greek.

The place where Jesus was taken wasn't far from the city, and many of the Jewish people read the charge against him. 21 So the chief priests went to Pilate and said, “Why did you write that he is King of the Jews? You should have written, ‘He claimed to be King of the Jews.’ ”



22 But Pilate told them, “What is written will not be changed!”

23 After the soldiers had nailed Jesus to the cross, they divided up his clothes into four parts, one for each of them. But his outer garment was made from a single piece of cloth, and it did not have any seams.

The soldiers said to each other, “Let's not rip it apart. We will gamble to see who gets it.” This happened so that the Scriptures would come true, which say,

“They divided up my clothes

and gambled

for my garments.”

The soldiers then did what they had decided.



25 Jesus' mother stood beside his cross with her sister and Mary the wife of Clopas. Mary Magdalene was standing there too.

26 When Jesus saw his mother and his favorite disciple with her, he said to his mother, “This man is now your son.” 27 Then he said to the disciple, “She is now your mother.” From then on, that disciple took her into his own home.

The Death of Jesus

Jesus knew that he had now finished his work. And in order to make the Scriptures come true, he said, “I am thirsty!” 29 A jar of cheap wine was there. Someone then soaked a sponge with the wine and held it up to Jesus' mouth on the stem of a hyssop plant. 30 After Jesus drank the wine, he said, “Everything is done!” He bowed his head and died.

A Spear Is Stuck in Jesus' Side



31 The next day would be both a Sabbath and the Passover. It was a special day for the Jewish people, and take their bodies down. 32 The soldiers first broke the legs of the other two men who were nailed there. 33 But when they came to Jesus, they saw that he was already dead, and they did not break his legs.

34 One of the soldiers stuck his spear into Jesus' side, and blood and water came out. 35 We know this is true, because it was told by someone who saw it happen. Now you can have faith too.

All this happened so that the Scriptures would come true, which say, “No bone of his body will be broken”

and, “They will see the one in whose side they stuck a spear.”

Jesus Is Buried



38 Joseph from Arimathea was one of Jesus' disciples. He had kept it secret though, because he was afraid of the Jewish leaders. But now he asked Pilate to let him have Jesus' body. Pilate gave him permission, and Joseph took it down from the cross.

Nicodemus also came with about seventy-five pounds of spices made from myrrh and aloes. This was the same Nicodemus who had visited Jesus one night.



40 The two men wrapped the body in a linen cloth, together with the spices, which was how the Jewish people buried their dead. 41 In the place where Jesus had been nailed to a cross, there was a garden with a tomb that had never been used. 42 The tomb was nearby, and since it was the time to prepare for the Sabbath, they were in a hurry to put Jesus' body there.

Jesús es arrestado



Juan 18

Después de decir estas cosas, Jesús pasó con sus discípulos al otro lado del arroyo de Cedrón,a donde había un huerto en el que entró Jesús con ellos.b También Judas, el que le traicionaba, conocía el lugar, porque muchas veces se había reunido allí Jesús con sus discípulos. Así que Judas se presentó con una tropa de soldados y con algunos guardias del templo enviados por los jefes de los sacerdotes y por los fariseos. Iban armados y llevaban lámparas y antorchas. Pero como Jesús ya sabía todo lo que había de pasarle, salió a su encuentro y les preguntó:

–¿A quién buscáis?



–A Jesús de Nazaret –le contestaron.

Dijo Jesús:

–Yo soy.c

Judas, el que le traicionaba, estaba también allí con ellos. Cuando Jesús les dijo: “Yo soy”, se echaron atrás y cayeron al suelo. Jesús volvió a preguntarles:

–¿A quién buscáis?

Repitieron:

–A Jesús de Nazaret.

Jesús les dijo:

–Ya os he dicho que soy yo. Si me buscáis a mí, dejad que los demás se vayan.



Esto sucedió para que se cumpliese lo que Jesús mismo había dicho: “Padre, de los que me confiaste, ninguno se perdió.”d 10 Entonces Simón Pedro, que llevaba una espada, la sacó y le cortó la oreja derecha a uno llamado Malco, criado del sumo sacerdote. 11 Jesús dijo a Pedro:

–Vuelve la espada a su lugar. Si el Padre me da a beber esta copa amarga,e ¿acaso no habré de beberla?

Jesús ante Anás

(Mt 26.57-58; Mc 14.53-54; Lc 22.54)

12 Los soldados de la tropa, con su comandante y los guardias judíos del templo, arrestaron a Jesús y lo ataron. 13 Le llevaron primero a casa de Anás, porque este era suegro de Caifás,f el sumo sacerdote de aquel año. 14 Este Caifás era el mismo que había dicho a los judíos: “Es mejor que un solo hombre muera por el pueblo.”g

Pedro niega conocer a Jesús



(Mt 26.69-70; Mc 14.66-68; Lc 22.55-57)

15 Simón Pedro y otro discípulo seguían a Jesús. El otro discípulo era conocido del sumo sacerdote, de modo que entró con Jesús en la casa; 16 pero Pedro se quedó fuera, a la puerta. Por eso, el discípulo conocido del sumo sacerdote salió y habló con la portera, e hizo entrar a Pedro.h 17 La portera preguntó a Pedro:

–¿No eres tú uno de los discípulos de ese hombre?

Pedro contestó:

–No, no lo soy.



18 Como hacía frío, los criados y los guardias del templo habían encendido fuego y estaban allí, calentándose. Pedro también estaba entre ellos, calentándose junto al fuego.

Jesús es interrogado por el sumo sacerdote



(Mt 26.59-66; Mc 14.55-64; Lc 22.66-71)

19 El sumo sacerdotei comenzó a preguntar a Jesús acerca de sus discípulos y de lo que enseñaba. 20 Jesús le respondió:

–Yo he hablado públicamente delante de todo el mundo. Siempre he enseñado en las sinagogas y en el templo,j donde se reúnen todos los judíos; así que no he dicho nada en secreto. 21 ¿Por qué me preguntas a mí? Pregunta a quienes me han escuchado y que ellos digan de qué les hablaba. Ellos saben lo que he dicho.



22 Cuando Jesús dijo esto, uno de los guardias del templo le dio una bofetada,k diciéndole:

–¿Así contestas al sumo sacerdote?



23 Jesús le respondió:

–Si he dicho algo malo, muéstrame qué ha sido; y si lo que he dicho está bien, ¿por qué me pegas?



24 Entonces Anás envió a Jesús, atado, al sumo sacerdote Caifás.

Pedro niega de nuevo a Jesús



(Mt 26.71-75; Mc 14.69-72; Lc 22.58-62)

25 Entre tanto, Simón Pedro seguía allí, calentándose junto al fuego. Le preguntaron:

–¿No eres tú uno de los discípulos de ese hombre?

Pedro lo negó, diciendo:

–No, no lo soy.



26 Luego le preguntó uno de los criados del sumo sacerdote, pariente del hombre a quien Pedro le había cortado la oreja:l

–¿No te vi con él en el huerto?



27 Pedro lo negó otra vez, y en aquel mismo instante cantó el gallo.m

Jesús ante Pilato



(Mt 27.1-2,11-14; Mc 15.1-5; Lc 23.1-5)

28 Llevaron a Jesús de la casa de Caifás al palacio del gobernador romano.n Como ya comenzaba a amanecer, los judíos no entraron en el palacio, pues habrían quedado ritualmente impuros y no habrían podido comer la cena de Pascua.ñ 29 Por eso salió Pilatoo a hablar con ellos y les preguntó:

–¿De qué acusáis a este hombre?



30 –Si no fuera un criminal –le contestaron–, no te lo habríamos entregado.

31 Pilato les dijo:

–Lleváoslo y juzgadle conforme a vuestra propia ley.

Los judíos contestaron:

–Los judíos no tenemos autoridad para ejecutar a nadie.p



32 Así se cumplió lo que Jesús había dicho sobre la manera en que tendría que morir.q 33 Pilato volvió a entrar en el palacio, llamó a Jesús y le preguntó:

–¿Eres tú el Rey de los judíos?r



34 Jesús le dijo:

–¿Eso lo preguntas tú de tu propia cuenta o porque otros te lo han dicho de mí?



35 Le contestó Pilato:

–¿Acaso yo soy judío? Los de tu nación y los jefes de los sacerdotes te han entregado a mí. ¿Qué has hecho?



36 Jesús le contestó:

–Mi reino no es de este mundo. Si lo fuese, mis servidores habrían luchado para que yo no fuera entregado a los judíos. Pero mi reino no es de aquí.



37 Le preguntó entonces Pilato:

–¿Así que tú eres rey?

Jesús le contestó:

–Tú lo has dicho: soy rey.s Yo nací y vine al mundo para decir lo que es la verdad. Y todos los que pertenecen a la verdad, me escuchan.t



38 –¿Y qué es la verdad? –le preguntó Pilato.

Jesús, sentenciado a muerte



(Mt 27.15-31; Mc 15.6-20; Lc 23.13-25)

Después de esta pregunta, Pilato salió otra vez a hablar con los judíos. Les dijo:

–Yo no encuentro ningún delito en este hombre. 39 Y ya que tenéis la costumbre de que os ponga en libertad a un preso durante la fiesta de la Pascua, ¿queréis que os ponga en libertad al Rey de los judíos?

40 Todos volvieron a gritar:

–¡A ese no! ¡A Barrabás!

Y Barrabás era un ladrón.

19

Pilato, entonces, ordenó que azotaran a Jesús. Además, los soldados tejieron una corona de espinas y la pusieron en la cabeza de Jesús, y le vistieron con una capa de color rojo oscuro.a Luego se acercaban a él, diciendo:

–¡Viva el Rey de los judíos!

Y le golpeaban en la cara.

Pilato volvió a salir y les dijo:

–Mirad, os lo he sacado para que sepáis que yo no encuentro en él ningún delito.b



Salió, pues, Jesús, con la corona de espinas en la cabeza y vestido con aquella capa de color rojo oscuro. Pilato dijo:

–¡Ahí tenéis a este hombre!



Cuando le vieron los jefes de los sacerdotes y los guardias del templo, comenzaron a gritar:

–¡Crucifícalo! ¡Crucifícalo!

Pilato les dijo:

–Pues lleváoslo y crucificadle vosotros, porque yo no encuentro ningún delito en él.



Los judíos le contestaron:

–Nosotros tenemos una ley, y según nuestra ley debe morir porque se ha hecho pasar por Hijo de Dios.c



Al oir esto, Pilato tuvo más miedo todavía. Entró de nuevo en el palacio y preguntó a Jesús:

–¿De dónde eres tú?

Pero Jesús no le contestó nada.d 10 Pilato insistió:

–¿Es que no me vas a contestar? ¿No sabes que tengo autoridad, tanto para ponerte en libertad como para crucificarte?



11 Jesús le contestó:

–Ninguna autoridad tendrías sobre mí, si Dios no te la hubiera dado.e Por eso, el que me ha entregadof a ti es más culpable de pecado que tú.



12 Desde aquel momento, Pilato buscó la manera de poner en libertad a Jesús; pero los judíos le gritaban:

–¡Si le pones en libertad, no eres amigo del césar! ¡Todo el que se hace rey es enemigo del césar!



13 Al oir esto, Pilato ordenó que sacaran a Jesús, y luego se sentóg en el tribunal, en el lugar que llamaban en hebreo Gabatá (es decir, El Empedrado). 14 Era la víspera de la Pascua, hacia el mediodía.h Pilato dijo a los judíos:

–¡Aquí tenéis a vuestro Rey!



15 Pero ellos gritaban:

–¡Muera! ¡Muera! ¡Crucifícalo!

Pilato les preguntó:

–¿Acaso he de crucificar a vuestro Rey?

Y los jefes de los sacerdotes le contestaron:

–¡No tenemos más rey que el césar!



16 Entonces Pilato les entregó a Jesús para que lo crucificaran, y ellos se lo llevaron.i

Crucifixión de Jesús



(Mt 27.32-44; Mc 15.21-32; Lc 23.26-43)

17 Jesús, llevando su cruz, salió para ir al llamado “Lugar de la Calavera” (que en hebreo es Gólgota). 18 Allí lo crucificaron, y con él a otros dos, uno a cada lado. 19 Pilato mandó poner sobre la cruz un letrero que decía: “Jesús de Nazaret, Rey de los judíos.” 20 Muchos judíos leyeron aquel letrero, porque el lugar donde crucificaron a Jesús se hallaba cerca de la ciudad, y el letrero estaba escrito en hebreo, latín y griego. 21 Por eso, los jefes de los sacerdotes judíos dijeron a Pilato:

–No escribas: ‘El Rey de los judíos’, sino: ‘El que dice ser Rey de los judíos.’



22 Pero Pilato les contestó:

–Lo que he escrito, escrito queda.



23 Después de crucificar a Jesús, los soldados tomaron sus ropas y se las repartieron en cuatro partes, una para cada uno. Tomaron también su túnica, pero como no tenía costura, sino que estaba tejida de arriba abajo de una sola pieza, 24 se dijeron entre ellos:

–No la partamos. Echémosla a suertes, a ver a quién le toca.

Así se cumplió la Escritura que dice: “Se repartieron entre sí mi ropa y echaron a suertes mi túnica.”j Esto fue lo que hicieron los soldados.

25 Junto a la cruz de Jesús estaban su madre y la hermana de su madre, María, esposa de Cleofás, y María Magdalena.k 26 Cuando Jesús vio a su madre y junto a ella al discípulo a quien él quería mucho,l dijo a su madre:

–Mujer, ahí tienes a tu hijo.



27 Luego dijo al discípulo:

–Ahí tienes a tu madre.m

Desde entonces, aquel discípulo la recibió en su casa.n

Muerte de Jesús



(Mt 27.45-56; Mc 15.33-41; Lc 23.44-49)

28 Después de esto, como Jesús sabía que ya todo se había cumplido, y para que se cumpliera la Escritura,ñ dijo:

–Tengo sed.



29 Había allí una jarra llena de vino agrio.o Empaparon una esponja en el vino, la ataron a una rama de hisopop y se la acercaron a la boca. 30 Jesús bebió el vino agrio y dijo:

–Todo está cumplido.

Luego inclinó la cabeza y murió.

La lanzada en el costado



31 Era el día de la preparación de la Pascua. Los judíos no querían que los cuerpos quedasen en las cruces durante el sábado, pues precisamente aquel sábado era muy solemne.q Por eso pidieron a Pilato que ordenara quebrar las piernasr a los crucificados y quitar de allí los cuerpos. 32 Fueron entonces los soldados y quebraron las piernas primero a uno y luego al otro de los crucificados junto a Jesús. 33 Pero al acercarse a Jesús vieron que ya había muerto. Por eso no le quebraron las piernas.

34 Sin embargo, uno de los soldados le atravesós el costado con una lanza, y al momento salió sangre y agua.t 35 El que cuenta esto es uno que lo viou y que dice la verdad. Él sabe que dice la verdad, para que vosotros también creáis. 36 Porque estas cosas sucedieron para que se cumpliera la Escritura que dice: “No le quebrarán ningún hueso.”v 37 Y en otra parte dice la Escritura: “Mirarán al que traspasaron.”w

Jesús es sepultado



(Mt 27.57-61; Mc 15.42-47; Lc 23.50-56)

38 Después de esto, José, el de Arimatea,x pidió permiso a Pilato para llevarse el cuerpo de Jesús. José era un seguidor de Jesús, aunque en secreto por miedo a los judíos. Pilato le dio permiso, y José fue y se llevó el cuerpo. 39 También Nicodemo, el que una noche fue a hablar con Jesús,y llegó con unos treinta kilosz de perfume de mirra y áloe.a 40 José y Nicodemo, pues, tomaron el cuerpo de Jesús y lo envolvieron con vendas empapadas en aquel perfume, según acostumbraban hacer los judíos para enterrar a sus muertos. 41 En el lugar donde crucificaron a Jesús había un huerto, y en el huerto un sepulcro nuevo,b donde todavía no se había depositado a nadie. 42 Allí pusieron el cuerpo de Jesús, porque el sepulcro estaba cerca y porque ya iba a empezar el sábado de los judíos.c



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina