Jezus van nazareth a man for all seasons…



Dovnload 38.76 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte38.76 Kb.

  1. JEZUS VAN NAZARETH - A MAN FOR ALL SEASONS…

Hij was een arme, zo leren ons de oudste bronnen,

hoewel vooral de rijken dat tot op vandaag niet willen weten.

Zijn vader heette Jozef, was een timmerman.

Eenzaamheid en bij Zijn Vader zijn waren Hem liever

dan alle drukte en gedoe in de tempel van Jeruzalem.

Zoals Johannes deed, die priesterzoon, dat vond Hij hèt van hèt:

de woestijn ingaan, en wegwijs worden in de jungle

die wij van deze wereld hebben gemaakt.

Messcherpe woorden leerde Hij daar bij de Doper werpen,

want die was zelf als een chirurg die uit zijn eigen lijf

de zweren al had weggesneden.

Toorn en vuur, de bijl ligt aan de wortel;

kaf van koren gescheiden en resolute ommekeer

waren de duidelijke woorden die Hij er leerde kennen en hanteren.

Liet zich tenslotte dopen in de Jordaanrivier:

afdalen en ondergedompeld worden in het volle leven,

zwartgalligheid wegwassen, Gezalfde durven zijn, geweldig leven…

En dan: niet op een troon, maar grondwerk doen –

nooit ofte nimmer welke macht dan ook aanbidden.

Vader leren zeggen, Abba, tedere Moederschoot.

En ook: de handen uit de mouwen steken,

mensen genezen van alles waar een mens maar kan aan lijden.

Goed nieuws werd Hij, tot ver over de grenzen heen,

dwars door gordijnen ongeloof, in het gezicht van vele vreemde goden.

Zalig was Hij om te horen en te zien.

Kleine mensen kwamen op verhaal bij Hem,

konden vooruit, wilden weer leven.


Hij had vrienden nodig, maar vond ze niet waar je zou denken,

bij rechtgelovigen en schriftgeleerden – die wilden niet…

Zocht dan maar wat mensenvissers bij elkaar op goed geluk,

stielmannen, die wilden vangen onbevangen.

Hij leerde ze de vissen brengen naar het water tóe -

er liggen er zo heel veel dood te gaan

op het uitgedroogde land van het dagelijks bestaan.

En zo terloops werd er een vaste groep gevormd,

ze gingen met Hem mee,

veel vrouwen ook, avonturiers en vreemdelingen,

levend van dauw en van gemeenzaamheid.

Toen nog niet zwaar gebukt

onder eeuwen instituut en loodzware structuren,

maar vrank en vrij – ja, lopend over water zelfs, desnoods.

Zij waren samen vol visioenen van hoe het kan en zijn zal ooit.
Altijd zag Hij de majesteit van onaanzienlijk leven.

Hij respecteerde het, koesterde elk schuchter nieuw begin.

Hij nam de draad op waar die lang was blijven liggen,

bij aartsvaders en profeten, zieners, dromers waar Hij verrukt van was.

Hij kwam bij iedereen aan huis,

de eersten de besten, geslaagd, mislukt, dakloos of hopeloos…

Geen fletse preekjes, geen holle frazen,

geen dogma’s, halve waarheden, loze praat.

Maar handenvol leven – daarin was Hij een Meester.

Hij kreeg de naam en faam te kunnen troosten,

en wat beslissend was: Hij deed het in de Naam

van Hem die heet ‘Ik-zal-er-zijn’.

Ongewoon vertrouwd was Hij met Jahwe-God,

Die van het brandend braambos en de zachte bries,

vanouds gekend, maar lang vergeten…
Die Jezus wist te breken met wat heilig en onwrikbaar was.

Hij leerde dat je weg moet uit wat afhoudt van Gods Rijk –

resoluut je schepen achter je durven verbranden, strompelend

achter een vuurzuil en een wolkkolom – God voor je uit…


Werd toen gevangen en gedood – het moest er eens van komen.

En toch kon Hij nog ‘Vader’ zeggen in Zijn laatste uur, in strijd en overgave.

‘Laat deze kelk voorbijgaan alstublieft – maar mij geschiede naar Uw Woord…’
Ze zeggen nu al eeuwen dat Hij leeft voorgoed.

Wij weten: Hij leeft enkel maar in wie hun leven willen delen met elkaar.

Hij die genoemd wordt de Verlosser, Knecht en Mensenzoon…


  1. DE VIER SEIZOENEN VAN ZIJN LEVEN IN ÉÉN ‘GOEDE WEEK’ BELEEFD EN SAMENGEVAT…


PALMZONDAG
Lied van de vrede
Komen ooit voeten gevleugeld mij melden de vrede,

daalt over smeulende aarde de dauw van de vrede,

wordt ooit gehoord

uit mensenmonden dat woord:

wij zullen rusten in vrede.
Dan zal ik huilen en lachen en drinken en slapen;

dromen van vluchten en doden en huivrend ontwaken.

Maar niemand vlucht,

nergens alarm in de lucht,

overal vrede geschapen.

Dan zal ik zwaaien naar vreemden, zij zullen mij groeten.

Wie was mijn vijand? Ik zal hem in vrede ontmoeten.

Dan zal ik gaan

waar nog geen wegen bestaan –

vrede de weg voor mijn voeten.

(uit H. Oosterhuis – ‘Aandachtig liedboek’)
Niet hoog te paard, met keizerlijk vertoon, maar op een ezeltje gezeten rijdt de Messias de stad der mensen binnen. Eenvoudig en zonder aanzien is Hij - de Koning der armen. Zonder troon of rode loper, zonder triomf of plechtig protocol. Messias van dienst, zonder lijfwacht om zich heen, zonder staf van diplomaten en een leger slippendragers.

Het Licht houdt zo Zijn intocht in Jeruzalem. ‘Hosanna!’ klinkt het overal en groene takken hoop staan langs de kant te wuiven. Zal nu het Jubeljaar beginnen? Neemt vijandschap voorgoed een keer? Wordt heden nog uit iedere mensenmond dat ene woord gehoord dat er toe doet: wij willen wonen in gerechtigheid?


De Schrift leert ons vandaag: alleen die nederige mens geworden Liefde is opgewassen tegen alle dood van deze wereld. Zo is de Liefde immers op haar (paas)best - wanneer ze heel bescheiden en zachtmoedig de stad der mensen binnen trekt. Ze aarzelt niet om zich daarbij soms hopeloos belachelijk te maken. Vandaag juicht men haar toe en morgen draagt ze doornen kronen. Maar nooit laat ze zich verbitteren, die Liefde! Ze balt niet haar vuist en verheugt zich niet over het onrecht. Ze kiest heel consequent steeds weer de kant der zwaksten.
Tot op vandaag schooiert de Liefde zo langs onze vlot gebaande wegen. Stad van mijn hart, wat is geworden van jouw oude dromen? De Armenkoning bidt van op zijn schamele uitkijkpost vertwijfeld met ons mee: ‘Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen of ergens al de wereld daagt waar mensen waardig leven mogen en elk zijn naam in vrede draagt…’
WITTE DONDERDAG
Voetwassing
U hebt uw handen vuil gemaakt

aan onze voeten,

wij overwegen nog

of wij wel samen

aan één tafel zullen gaan.
Breng ons te binnen

het gebroken brood,

het geheim van het graan,

het geeft zich aan de aarde,

sterft,

breekt uit in leven.


En laat ons niet ontgaan

de klare wijn

van uw woorden,

maak ons tot ranken

aan U,

wijnstok van liefde.


Wij zijn maar vluchtige mensen,

laat ons weer wonen

onder één dak,

breng ons weer thuis

bij U aan tafel.
(Jaap Zijlstra)

Dit is een wondere avond. Gods aartsdiaken maakt Zijn nederige rondgang door het Cenakel. Hij spreidt het witte kleed van dienstbaarheid, wordt buigzaam als het Licht, gaat voor ons door de knieën, maakt zowaar Zijn handen aan onze voeten vuil. Alleen wie van God is uitgegaan doet zulke vreemde dingen…

Wanneer de dood ons overrompelt en doet verstijven van de angst, moeten we naar de Liefde grijpen als medicijn, leert Jezus ons vandaag. Dus legt Hij buigend en knielend Zijn bovenkleren af en wast Zijn leerlingen de voeten. Als een voorafbeelding van wat de komende dagen gebeuren gaat, wanneer Hij definitief Zijn leven aflegt voor de Zijnen.


Zo vereenzelvigt Hij zich eens te meer met de allerminsten. Minder dan een slaaf wordt Hij - een voetveeg haast… En doet dat ‘totterdood’ – er is niets meer dat Hij voor zichzelf behoudt. Zo volmaakt is Zijn dienst, zo verregaand Zijn diaconie. Dit is de dag waarop de Liefde dient…

En dan, de handpalmen geopend naar het Licht, breekt Hij het brood en brengt het diep geheim van alle zaad te binnen: het geeft zich aan de aarde, sterft, barst vroeg of laat weer onweerstaanbaar uit in leven. Daarna deelt Hij ook de beker rond, bindt ons tot ranken aan de wijnstok van Zijn liefde. Hoe leren wij vandaag ontvangen uit Zijn gulle hand! De beker van de vriendschap is gevuld tot aan de rand…


Eucharistie en diaconie horen sinds deze avond definitief bij elkaar. Want zo diep buigen, zo eerbiedig met mensen omgaan – dat is pas échte ‘consecratie’ en ‘communio’; dat is pas helemaal je leven delen met een ander. Machteloos-machtig en eindeloos geduldig doen wat Liefde doet, en er desnoods aan willen sterven. Het enige geneesmiddel tegen het verraad van de nacht die komen gaat… Gezegend wie dit hoort en ziet en er naar handelt. Hij zal in eeuwigheid niet sterven, zegt ons het Schriftverhaal van deze dag…
GOEDE VRIJDAG
De doden

die in de aarde vergaan zijn

en die verstrooid zijn op de wind

voorgoed onvindbaar


De uit hun huis geroofden

de onvoltooiden

allen die op weg zijn gegaan

zonder groet


wat heeft met hen gedaan

hij die nooit varen laat

het werk van zijn handen?
Leg hen als een zegel

aan uw hart

als een zegel op uw arm
want sterk als de dood

is de liefde…


(Huub Oosterhuis)
Heeft Jezus het lijden gekozen? Hij heeft het visioen gekozen – Hij wist zich uitverkoren door Gods grote droom, en nam het lijden dan maar op de koop toe. Zo gaat het als je een visioen hebt, een grote liefde, dan moet je lijden. Je zal wel moeten. Dat wil je niet. Maar je laat het er ook niet om. En dus heeft Hij geleden. Misschien wel het ergst toen Hij inzag dat Hij niet de laatste zou zijn die zo lijden moet; dat het misschien wel niets zou uithalen, allemaal... Zou Hij dat voorvoeld hebben in de Hof van Olijven, dat het een vergeefs offer was? Een weggeschonken leven dat nergens blijft?

Heeft Hij in die tuin, op de avond voor zijn dood, wellicht zonder troost geweten dat Zijn sterven niet het geboorteuur van de nieuwe wereld zou zijn? Dat ook na deze zonsverduistering de donkerte voort zou regeren? Dat ook na Zijn dood de dood van kracht zou zijn, en alle leed van de wereld niet voor eens en voor altijd geleden. Dat Hij dus niet de ‘redder en verlosser der wereld’ zou zijn? Dat Hij in zoveel ontelbare slachtoffers verloochend, veroordeeld en in doodsangst zou zijn tot aan het einde der tijden? Wellicht is dat de Hof van Olijven, dat het zo voelt?


In elk geval, het lijkt nu vast te staan: het Licht is door de wereld afgewezen. De God van Liefde legt vandaag in de stervende Man van Nazareth voorzichtig-teder Zijn handen op alle wonden van de wereld. Hij neemt deze gekwetste aarde met haar slachtoffers in het lijden van Zijn Zoon mee op, en brengt de verlorenen thuis voorgoed.

Je kunt het lijdensverhaal dus nooit horen voorlezen zonder overstelpt te worden door alle walgelijke wreedheid van de hele wereld. De dood wordt in dit uur in al zijn brutaliteit aan het Licht gebracht. Alle vervolgden die ooit in de geschiedenis zijn opgepakt, gemarteld en gedood, komen de gebedsruimte binnen, en staren ons met grote ogen aan. Rond de middag valt duisternis over het hele land, en zal nog uren, jaren, eeuwen duren.


Goede Vrijdag vraagt ons telkens weer te waken en te bidden dat wij niet in de bekoring vallen de dood van zoveel mensenkinderen in de wereld als onvermijdelijk te aanvaarden en er ons bij neer te leggen. De Lijdende Dienaar aan het Kruis leert ons zowel verzet als overgave. Hij vraagt ons dàt te doen wat de kwetsuren van de wereld zoveel als mogelijk geneest en heelt, zodat elk mensenkind bij God te-recht mag komen en wij elk-ander staande houden in de dood…
STILLE ZATERDAG
Wat deed Jezus in de tijd tussen Zijn graflegging en Zijn verrijzenis? Het antwoord op die vraag vond een plaats in onze apostolische geloofsbelijdenis: in dat merkwaardige ‘tussenseizoen-van-één-dag’, in dat vreemde intermezzo van het wachten op de opstanding en het nieuwe leven, is Hij ‘nedergedaald ter helle’… Naar onze tijd vertaald betekent dit, dat Hij is afgedaald naar de onderkant van onze samenleving, tot in de ‘hel’ die voor een aantal mensen steeds weer van deze aarde wordt gemaakt. Op die bodem van ons bestaan, waar alle houvast is weggevallen, wilde Hij toen reeds aanwezig zijn om er iets van hemel en verrijzenis tegenwoordig te stellen. Midden in onze samenleving vandaag, bij mensen aan wie onrecht en dood worden aangedaan op kleine of grote schaal, wil Hij zichtbaar blijven via ons, Zijn leerlingen. Zodat daar altijd iets van opstanding en Pasen concreet en tastbaar wordt, iets van Gods reddende aanwezigheid.

De Schrift leert ons vandaag: Gods Gezalfde is ons voorgegaan tot in de diepte van de dood. Hij heeft de god- en mensverlatenheid geproefd tot op de bodem. Morgen in de vroegte zullen wij horen hoe Zijn trouw bestand bleek tegen alle duisternis – Hij vocht met de nacht en overwon. Sterk als de dood is Zijn liefde gebleken…


PAASMORGEN
In ademloze stilte stokt op dit moment de tijd. De zon verbergt zich, wachtend op een teken. Nog hebben wij een hele nacht getracht op eigen kracht een weg te zoeken door het donker heen. Zal Hij Die heel de wereld schiep voor ons de koude kerkers openbreken, de dood beroven van zijn liefste buit? Dan wordt de nacht opzij geschoven met al het vage grijze – eerst zacht, dan schoksgewijze. Er volgt een eerste teken: dagaanbreken. God blaast Zijn Geest door onze doodsvallei en roept: Jij mensenkind, sta op je voeten! Het witte ochtendlicht breekt zich in duizend kleuren, en weeft voor elk van ons een mantel met gouden draad van eeuwigheid. De Schriften zijn vervuld. De weg is vrij. Ons dwalen in de dood is nu voorgoed gestuit! De Eerste uit de doden komt de nieuwe schepping van aan de overkant begroeten, en nodigt elk van ons ten dans op witte vleugels van het Licht…
PASEN
‘Christus woskrèze, de Heer is opgestaan’. Zo groeten de orthodoxe christenen elkaar vanouds, op paasmorgen.

‘Wo-stinoe woskrèze – Ja, Hij is waarlijk opgestaan’, antwoordt men dan.

Hoe zou Hij echter waarlijk verrezen zijn, als Hij niet eerst tijdens zijn leven hier op aarde was opgestaan uit alle denkbare, dagelijkse dood?
Zo STOND HIJ OP in de synagoge van zijn geboortedorp Nazareth, om voor te lezen uit de Schrift – dat grandioze visioen over het goede nieuws dat aan de armen wordt gebracht. Uit hoeveel weerstand tegen het riskante bestaan van een profeet is Hij toen niet opgestaan?
Zo STOND HIJ OP uit de slaap, daar in die boot, om de storm op het meer te bedaren. Uit hoeveel vermoeidheid en teleurstelling om hun ongeloof is Hij toen niet overeind gekomen?
Zo STOND HIJ OP van tafel, om Zijn leerlingen de voeten te wassen. Uit hoeveel verzet tegen die moeilijke rol van knecht is Hij toen niet losgekomen?
Zo STOND HIJ OP uit zijn gebed in de Hof van Olijven. Of beter: Zijn gebed dèèd Hem opstaan. Al biddend kwam Hij zijn angst voor de dood te boven. Toen reeds, midden in die dood, brak het licht van Pasen in Hem door...
Hij STOND OP, staat er iedere keer. Met het paaswerkwoord telkens nadrukkelijk vermeld. Hij, de Levende, de Opstandige – Hij was dag na dag op Zijn paasbest. Oprecht en rechtop ging Hij ten einde toe de weg van Zijn roeping: ‘...opdat zij leven zouden hebben, en wel in overvloed...’ (Joh. 10,10)

Christus is waarlijk opgestaan, met Pasen. Maar hoe zouden wij dit kunnen geloven, als Hij niet tijdens Zijn leven reeds bij voorbaat uit iedere denkbare dood was opgestaan?


Verrijzenis is in het leven, vóór de dood. Is uitbreken uit macht die mensen klein houdt. Opstaan uit de dood die ons dagdagelijks bekruipt. Onvoorwaardelijk kiezen voor het leven.
Verrijzenis is een weg om te gaan. Een geboorteproces, een processie van Echternach. Mensen verrijzen iedere keer wanneer zij opstaan om hun lot, het lot van hun volk, van de armsten vooral ten goede te helpen keren.
’Opstanding uit de dood’ is het meest concrete dat je met je leven kunt doen, in alle verbanden waarin je samenleeft. Niet dulden dat mensen worden uitgebuit, gekleineerd, onderuit gehaald. Niet kunnen harden dus wat dagelijks op grote schaal gebeurt. Proberen daar tegenin te leven, daar iets tegenover te stellen. Partij kiezen voor de zwaksten.

Pasen is de overwinning van de liefde op de dood…


DE LIEFDE...
De liefde is belachelijk.

Ze rijdt op een ezel

over uitgespreide klederen.

Men juicht haar toe

en ze draagt doornen kronen.

Ze zoekt asiel

als een aanklacht

over heel de wereld.

Steeds nog sleept de zaak zich voort.
Ze gedraagt zich niet onhandelbaar

maar dwarsboomt de routine van die de macht hebben.

Ze laat zich niet verbitteren,

ze balt niet haar vuist

ze helpt zichzelf niet

en ze verheugt zich niet

over het onrecht,

maar trekt partij voor de uitgebuite.


Daarom is het levensgevaarlijk zich met haar in te laten.

Ze is subversief

en ze zou je bewust kunnen maken

en de gang van zaken doorkruisen.

Daarom ontlopen we haar

totdat de haan driemaal kraait

in de morgen.
De liefde houdt niet op

mij onzeker te maken.

Ze vindt spleten om binnen te dringen

waar ik er geen vermoedde.

Ze overreedt me

in de moedertaal van de mens.

Ze opent mij de ogen voor mijn blinde vlek.
Nu echter blijven geloof, hoop en liefde,

deze drie.

Maar de liefde is de zwakste schakel in de keten

en dat is haar kracht



die de duivelskring doorbreekt.
(uit ‘Uit de schaduw – bezinningsteksten over strijd tegen armoede en uitsluiting – een uitgave van Welzijnszorg – september 2000)
Geert Dedecker

SUGGESTIES BIJ DE VERWERKING
1.Wat spreekt jou het meest aan in de figuur van Jezus van Nazareth, en in alles wat door de evangelies over Hem wordt verteld?
2.Welk stuk(je) evangelietekst is jou het meest dierbaar, meest verhelderend, inspirerend, motiverend… om (verder) te doen wat je doet? Breng dat stukje eens mee naar de groepsbijeenkomst, lees het even voor en geef wat commentaar…
3.Wat betekent ‘volgeling van Jezus’, ‘christen-zijn’ voor jou? Waaraan kan men dat merken in je handel en wandel, in je doen en laten – denk je..? En als je van iemand (of van iedereen) in de gezinsgroep vindt dat hij of zij iets mee heeft van die Man van Nazareth, probeer dat dan eens te verwoorden naar die persoon toe (of naar de hele groep toe): ‘Ik vind jou écht wel een ‘christenmens’, omdat jij…’ - Ik vind écht wel dat wij een ‘evangelisch-geïnspireerde’ gezinsgroep zijn, omdat wij…’






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina