Jezus was niet zomaar iemand



Dovnload 0.8 Mb.
Pagina4/12
Datum02.10.2016
Grootte0.8 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12

Volgen tot het einde toe

Lucas 18,31-43

Jezus wilde met zijn twaalf apostelen alleen zijn om hen te zeggen: `Luister, we trekken nu op naar Jeruzalem. Daar zal aan mij, de Mensenzoon, alles voltrokken worden wat je bij de profeten kunt lezen. De Men­senzoon zal aan de Romeinen uitgeleverd worden. Hij zal bespot worden, beledigd en bespuwd. Na hem gege­seld te hebben, zullen ze hem doden. Maar de derde dag daarna zal hij verrijzen.'

De apostelen begrepen niets van wat Jezus had ge­zegd; de betekenis van die woorden ontging hen, ze konden niet volgen wat hij zei.



Toen ze Jericho naderden, zat er een blinde langs de weg te bedelen. Hij hoorde veel volk voorbijgaan en vroeg wat er aan de hand was.

`Jezus de Nazareeër trekt hierlangs,' werd hem ge­zegd.

`Jezus !'riep hij luid. `Koningszoon van David! Ont­ferm u over mij!'

'Sst ! Hou je mond !'snauwden de mensen hem toe. Maar hij riep nog veel harder: `Zoon van David! Ontferm u over mij!'

Jezus bleef staan. `Breng die man hier bij me!' beval hij.


89




Toen de blinde voor hem stond, vroeg Jezus: `Wat wil je dat ik voor je doe ?'

`Heer, dat ik kan zien!'

`Zie dan weer!' zei Jezus. `Je geloof heeft je gered, man.'

Op dat ogenblik kon hij weer zien. Hij volgde Jezus, terwijl hij God prees om te danken.

Ook het volk dat alles had gezien, loofde God.



want hij inde belastingen voor de Romeinen en kon mèèr laten betalen dan nodig was. Hij wilde zien wie Jezus was, maar slaagde er niet in: te veel volk liep te hoop rond Jezus en hijzelf was maar klein van gestalte. Om hem toch te zien liep hij hard vooruit en klom in een vijgeboom, waar Jezus langs zou komen.

Toen Jezus daar passeerde, keek hij omhoog. `Zacheüs,' zei hij, `kom vlug naar beneden: vandaag moet ik bij jou te gast zijn.'

Zacheüs klom snel naar beneden en ontving hem met vreugde.

Klein genoeg om ja te zeggen

Lucas 19,1-10



Jezus ging Jericho binnen en trok door het stadje. Nu

was daar een zekere Zacheüs,

hoofdambtenaar bij de toldienst, een rijk man. Hij was niet geliefd bij het volk,









Maar degenen die het gezien hadden, morden: `Hij is bij een zondaar zijn intrek gaan nemen!'

Zacheüs stond op. `Kijk, Heer!' zei hij tegen Jezus. `De helft van mijn bezit zal ik aan de armen geven. En als ik iemand iets afgeperst heb, geef ik het hem vierdubbel terug.'

`Vandaag is deze familie gered,' verklaarde Jezus. `Ook deze man is nu een ware afstammeling van Abra­ham. Als de Mensenzoon ben ik gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.'


91




4. TE JERUZALEM

koninklijke heerschappij over ons. De hoge woorden, de grote titels `Christus', `Mensenzoon' en `Zoon van God' kun je niet meer verkeerd verstaan, wanneer Jezus terechtstaat of wan­neer hij stervend aan een schandpaal hangt.

De navolging, het volledige geloof in de verheven Heer Jezus Christus, voert je langs zijn weg van zelfverloo­chening.

Hoe Jezus uiteindelijk gered heeft wat verloren was, is een ontstellend ver­haal. We zullen het hier lezen zoals Marcus het opgetekend heeft in zijn evangelie. Dat boekje over het goede nieuws was een twintigtal jaren voor het evangelie van Lucas geschreven.

Marcus vertelt het gebeuren zoals het werd verkondigd aan christenen die te lijden hadden voor hun geloof.

Het verhaal wil hen sterk maken in de geleden moeilijk­heden, moed geven in de radicale navolging van Jezus tot het uiterste toe.

Omdat Marcus zijn boekje als een soort handleiding voor predikers en catecheten opstelt, geeft hij minder uitleg dan Lucas. Hij vertelt eenvoudig; de gebeurtenissen volgen elkaar

snel op. Soms gebruikt hij andere woorden dan Lucas: hij zegt bijvoorbeeld `schriftgeleerden' in de plaats van `wetgeleerden'.

Tot op het ogenblik dat Jezus helemaal alleen staat tegenover zijn rechters en beulen, verzwijgt Marcus dat Jezus de koninklijk Gezalfde is van Godswege, de Zoon van God. Het geheim van de eigen manier waarop Jezus mens was, kan pas onthuld worden als je vernomen hebt dat hij zijn taak heeft vervuld door lijden en dood heen. Jezus is hier vooral de lijdende dienaar van Gods





A. VERWELKOMING... MET STRIKKEN

In de hoofdstad wordt heel duidelijk wie voor en wie tegen Jezus is. De enen willen hem koning maken, de anderen vrezen zijn invloed op het volk en willen hem doen vallen. Wie strikken legt voor de Zoon, zal zijn plaats in Gods rijk verliezen, zegt Jezus. Maar de leiders van het volk houden niet op te zoeken hoe ze hem volgens de godsdienstige of politieke wetten kunnen beschuldigen.

Leve de koning! Marcus 11,1-11

Jezus ging verder op weg naar Jeruzalem. Toen hij de dorpen Betanië en Betfage bij de Olijfberg naderde, stuurde hij twee van zijn leerlingen vooruit.

`Ga naar het dorp daar voor ons. Bij het binnengaan zullen jullie een jonge ezel zien staan, die vastgebonden is. Er heeft nog nooit iemand op gezeten. Maak hem los en breng hem hier. Als iemand je wat vraagt, zeg dan: De Heer heeft hem nodig, hij laat hem straks wel te­rugbrengen.'

Ze liepen vooruit, vonden langs de straat het ezels­veulen, vastgebonden aan een deur, en maakten het los. `Hee, wat doen jullie daar?' vroegen enkele mensen die in de buurt stonden. `Zomaar dat veulen losmaken!' Zij antwoordden zoals Jezus hen gezegd had, en de mensen lieten hen begaan.


93






Ze brachten het veulen bij Jezus, legden er hun mantel overheen, en hij ging erop zitten. Veel van de mensen die bij hem waren, spreidden hun mantels uit op de weg. Anderen strooiden er groene takken, die ze in het veld hadden afgesneden. Ze vormden een stoet rond Jezus en riepen:

`Hosanna - red ons, God ! Heil aan wie komt van Godswege! Leve het komende koninkrijk van onze voorvader David! Hosanna - red ons, God, vanuit de hemel!'

De hoofdstad: een boom zonder vijgen

Marcus 11,12-21



Toen zij de volgende dag Betanië hadden verlaten, kreeg Jezus honger. In de verte zag hij een vijgeboom in blad en ging kijken of er vruchten te vinden waren. Maar hij vond niets dan blaren. Het was nog niet de tijd voor vijgen.

`Nooit in eeuwigheid zal iemand een vijg van je eten !'zei Jezus tegen de boom. Zijn leerlingen hadden het gehoord.



Zo reed Jezus Jeruzalem binnen. Hij ging door tot op het tempelplein zoals alle pelgrims doen. Daar keek hij rond en nam alles in zich op. Maar omdat het al avond werd, ging hij met zijn twaalf apostelen de stad uit, naar Betanië.

Ze gingen Jeruzalem binnen.

Toen Jezus weer op het tempelplein gekomen was, begon hij daar de kopers en verkopers te verjagen. De tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers gooide hij omver. En hij verbood dat iemand nog vrachten over het tempelplein zou dragen. Hij gaf hen een geduchte les: `Weten jullie dan niet, dat bij de profeten geschreven staat: `Mijn huis zal een



95





gebedshuis worden voor alle volken'? Jullie hebben er een rovershol van gemaakt!'

De hogepriesters en de schriftgeleerden vernamen wat er gebeurd was. Ze zochten hoe ze Jezus ter dood konden brengen. Ze waren immers bang geworden voor hem, want het hele volk was weg van zijn leer.

Tegen de avond verlieten Jezus en zijn leerlingen de stad weer.

's Anderendaags in de morgen kwamen zij langs de vijgenboom en zagen dat hij tot in de wortels verdord was. Dat deed Petrus denken aan wat de dag tevoren gebeurd was.

`Rabbi,' zei. hij op z'n Aramees. `Meester, kijk! De vijgenboom die gij vervloekt hebt, is verdord! Zal het Jeruzalem ook zo vergaan ? Misschien vindt gij er geen vruchten...'



Een onverwacht antwoord Marcus 11,27-12,12

Zij kwamen in de stad en gingen weer naar het plein rond de tempel. Enkelen van de hogepriesters, schrift­geleerden en hoge ambtenaren kwamen op hen af. Ze vroegen aan Jezus: `Welke bevoegdheid hebt gij om hier op te treden zoals gij gisteren gedaan hebt ? En wie heeft u het recht gegeven om dat te doen ?'

`Ik zal jullie maar één vraag stellen,' zei hij. `Als jullie daarop antwoorden, zal ik zeggen van wie ik bevoegd­heid heb gekregen en met welk recht ik optreed. Luister: de bevoegdheid van Johannes om te dopen, kwam die van God of van mensen ? Ik wacht...'

Ze begonnen onder elkaar te overleggen: `Als we zeggen `van God', zal hij antwoorden: `Waarom hebben jullie dan geen geloof geschonken aan Johannes !' En we kunnen niet zeggen dat het maar mensenwerk was...' Ze waren namelijk bang voor het volk, want iedereen hield dat Johannes de Doper werkelijk een profeet van God was geweest.

Tenslotte moesten ze iets antwoorden... Ze zeiden: `We weten het niet.'

`Dan zeg ik ook niet met welke bevoegdheid ik op­treed,' zei Jezus. En hij voegde er een gelijkenis aan toe:



96

97

`Er was eens een man die een wijngaard aanlegde. Rond het stuk land trok hij een stenen muurtje op, in de rots hakte hij een wijnpers uit, en hij bouwde ook een toren om de vruchten te bewaken. Daarna verpachtte hij alles aan wijnbouwers en vertrok naar een ver land.

Toen de tijd van de oogst was gekomen, zond hij een van zijn dienaars om van de wijnbouwers zijn deel van de opbrengst in ontvangst te nemen. Maar de wijnbou­wers grepen de dienaar vast, mishandelden hem en stuurden hem met lege handen terug. De eigenaar zond daarop een tweede dienaar naar hen toe. Maar ze sloegen hem op zijn hoofd en beschimpten hem. Toen werd een derde dienaar gestuurd. Die doodden ze. En nog andere dienaars... De enen werden mishandeld, de anderen werden om het leven gebracht.

Nu had de eigenaar niemand meer dan zijn enige, geliefde zoon. Die zond hij het laatste naar hen toe. Hij dacht: `Ze zullen mijn zoon toch wel ontzien.'

De wijnbouwers zeiden tegen elkaar: `Dat is de erf­genaam. Kom, laten we hem vermoorden, dan wordt de wijngaard van ons !'Ze grepen hem vast, vermoordden hem en gooiden hem buiten de wijngaard.

Wat moet de eigenaar van die wijngaard nu doen... ? Hij zal zelf komen! De pachters zal hij laten ombren­gen, en zijn wijngaard aan anderen geven. Denk maar aan wat in een van de psalmen staat:

`De steen, die de metsers hebben weggegooid, is juist hoeksteen geworden. Zo was het plan van God, de Heer. Bij het zien ervan staan wij verwonderd.'

De hogepriesters, ambtenaren en schriftgeleerden begrepen dat Jezus met de wijnbouwers van de gelijke­nis henzelf had bedoeld. Ze wilden hem gevangen ne­men, maar waren bang voor het volk. Daarom lieten ze hem met rust en dropen af.

Nog meer vragen Marcus 12,13-27

Kort daarop stuurden zij enkele Farizeeën en mannen van de partij van Herodes Antipas om Jezus in zijn woorden te strikken. Die kwamen op hem af en vroegen: `Meester, wij weten dat gij rechtzinnig zijt en u aan niemand stoort. Gij ziet niemand naar de ogen, maar houdt oprecht de wil van God voor. Wat dunkt u... mogen wij aan de Romeinse keizer belasting betalen of niet ?'

Jezus zag dat zij huichelden. Daarom vroeg hij: `Waarom willen jullie mij in de val laten lopen? Toon eens een geldstuk.'





Ze lieten er een zien.

`Van wie is die afbeelding ? en dit randschrift hier ?' `Van de keizer...'

`Als jullie de voordelen van het keizerrijk genieten, geef dan de keizer wat de keizer toekomt. Maar geef steeds aan God wat God toekomt.'

Ze stonden verstomd van zijn antwoord.



Maar toen kwamen er Sadduceeën. Die geloven niet in de opstanding van de doden. Zij legden Jezus een

98

99


rabbijns ingewikkelde vraag voor, waarmee ze de ver­rijzenis belachelijk maakten.

`Zitten jullie niet op een verkeerd spoor,' vroeg Jezus, `precies omdat jullie de heilige Schrift niet kennen en ook nog Gods macht onderschatten ? In het verhaal van Mozes bij de brandende doornstruik zegt God: `Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.' Alhoewel die voorvaders dood zijn, wordt Hij nog hun God genoemd. Zij leven dus voor Hem. Hij is een God van levenden. Jullie zijn op een dwaalspoor!'



Er zijn ook oprechten Marcus 12,28-44

Een schriftgeleerde had naar die discussie geluisterd. Hij vond dat Jezus raak had geantwoord, op z'n rab­bijns. Daarom trad hij naar voren en legde hem het probleem voor waarmee hij zat: `Wat is het allereerste, het belangrijkste gebod ?'

`Dit is het eerste,' antwoordde Jezus, en hij haalde de heilige Schrift aan: `Luister, Israël! De Heer onze God is je enige Heer. Daarom moet je de Heer, je God, beminnen met heel je hart, met heel je gemoed en met al je krachten. En dit is het tweede belangrijkste gebod: Je moet je naasten beminnen als jezelf. Belangrijker geboden dan deze twee zijn er niet.'

`Akkoord, Meester!' zei de schriftgeleerde. `Ik vind het goed wat gij zegt: God is onze enige Heer, er bestaat geen ander buiten Hem. En liefde voor Hem en voor onze naasten is van veel meer belang dan alle soorten offers.'

Omdat Jezus vond dat de schriftgeleerde met een oprecht inzicht had gesproken, zei hij tegen hem: `Jij staat niet ver van Gods rijk: over jou kan God heer zijn.' Niemand durfde nu nog vragen stellen aan Jezus. De



meesten van het volk luisterden graag naar hem. Hij waarschuwde immers tegen de schijnheiligheid van sommige schriftgeleerden en voegde er aan toe: `Pas op! Ze eigenen zich zelfs de huizen van weerloze we­duwen toe, terwijl ze voor de mooie schijn vroom doen en lange gebeden opzeggen. Voor hen zal God strenger zijn dan voor anderen!'



Daarop ging hij zitten tegenover de kist waarin de mensen hun bijdrage voor de offers kunnen storten. Hij bemerkte hoe menige rijke er met groot gebaar veel geld in wierp. Er kwam ook een arme weduwe, die er twee centjes in offerde.

Hij riep zijn leerlingen bij zich: `Ik verzeker jullie: van al degenen die iets in de offerkist werpen, geeft die arme weduwe het meeste. De anderen staan maar wat af van hun overvloed, maar zij heeft van haar armoe geofferd: van wat zij nodig heeft om te leven.'




B. AFSCHEID



Jezus voorziet dat hij de profetendood zal sterven. ze zullen hem doen zwijgen. Bewust neemt hij afscheid met woord en daad. I n zijn laatste onderricht waarschuwt hij zijn leer­lingen voor gevaren van later; hij bemoedigt hen. Wanneer een vrouw hem de eer van een zalving bewijst, ziet hij er een balseming in. Aan de spijzen op de paaltafel geeft hij de betekenis van zijn komende dood. Hij wil dat-ie bij het brood aan zijn gebroken lichaam denkt, en bij de wijn aan zijn vergoten bloed. Hij gaat voor in het bidden en waken om niet door het kwaad van de ontrouw overmand te worden. Maar wie volgt hem daarin na ? Hij wordt eenzaam achtergelaten, oog in oog met zijn ondergang. Verraden, niet door één man, maar door allen.

Laatste bemoediging



Marcus 13,1-13.26-27.31-33

Met zijn leerlingen verliet Jezus het tempelplein. Een van hen zei: `Meester, kijk eens hoe mooi, dat stenen bouwwerk. Wat een tempel!'

`Al die grote gebouwen daar?' vroeg Jezus. `Geen steen ervan zal op de andere blijven staan: alles wordt verwoest.'

Ze gingen de Olijfberg op en hij ging zitten, recht tegenover de tempel. Alleen Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas zaten bij hem. Zij dachten aan het einde van de wereld en vroegen: `Zeg ons, Meester, wannèèr dat zal gebeuren en aan welke tekens we kunnen zien dat het op komst is.'

`Let op dat niemand jullie misleidt,' zo begon Jezus. `Er zullen immers mensen zogezegd in mijn naam ko­men en beweren: `Ik ben de messias. Volg mij maar,' en ze zullen velen misleiden. Jullie zullen ook horen van oorlogen en van oorlogsgevaar, van aardbevingen en

hongersnood... Raak dan niet in paniek, vrees niet, blijf rustig. Dat zal allemaal gebeuren, maar het betekent nog niet het einde van de wereld.

Let op wat jullie te wachten staat. Men zal jullie voor rechtbanken slepen en in synagogen geselen. Jullie zullen terechtstaan voor gouverneurs en koningen om­wille van mij: om getuigenis af te leggen. Maar wees niet bezorgd wat jullie moeten zeggen. God zal de juiste woorden ingeven: met zijn geestkracht zullen jullie spreken. Als iedereen, zelfs je eigen familie, je haat omwille van mij, wees dan sterk, want wie volhardt tot het einde toe zal gered worden.

En de allerlaatste dag, na al die ellende, zal men mij als de Mensenzoon zien komen op de wolken, met grote macht en heerlijkheid. De Mensenzoon zal boden uitzenden om zijn uitverkorenen bijeen te brengen van de vier windstreken, van het ene einde van de aarde tot het andere. Hemel en aarde gaan voorbij, maar mijn woorden verliezen nooit hun kracht.

Van de dag en het uur waarop dat zal gebeuren weet niemand iets, zelfs de Zoon niet... alleen de Vader. Wees waakzaam! Blijf waken!'


Laatste eerbewijs



Marcus 14,1-11


Het was twee dagen vóór het paasfeest, vóór de tijd dat men ongezuurd brood moet eten. De hogepriesters en schriftgeleerden zochten hoe ze Jezus konden mislei­den om hem gevangen te nemen en... te doden. Ze zeiden: `We mogen niet wachten tot op het feest, dan is er te veel volk uit Galilea in de stad: die massa zou in opstand komen.'

Jezus bevond zich te Betanië bij Simon de Melaatse. Terwijl hij daar aan tafel aanlag, kwam een vrouw bin­nen met een albasten kruikje heel dure balsem van



102

103

zuiver nardus. Ze brak de hals van het kruikje en goot het leeg over zijn hoofd.



Laatste maaltijd

Marcus 14,12-31



`Waar is die verkwisting goed voor?' mompelden sommigen van de gasten onder elkaar. `Die balsem had zeker driehonderd zilverstukken opgebracht, die we aan de armen hadden kunnen geven.'

Toen ze de vrouw verwijten begonnen te doen, kwam Jezus tussenbeide: `Laat haar met rust! Waarom vallen jullie haar lastig? Het is goed wat zij gedaan heeft. Onder het volk zullen er altijd armen zijn, en als je wil, kun je ze altijd goed doen. Maar mij heb je niet altijd in je midden. Zij heeft gedaan wat nu nog kan: zij heeft mijn lichaam gebalsemd met het vooruitzicht op mijn begrafenis. jazeker!... En waar ook het goede nieuws zal worden verkondigd, zal ter ere van haar verteld worden wat zij voor mij heeft gedaan.'

Hierop verliet judas Iskariot, een van de twaalf apostelen, het gezelschap. Hij ging naar de hogepries­ters en gaf hen te kennen dat hij Jezus aan hen wilde uitleveren. Toen ze hem hadden aanhoord, waren ze blij en beloofden hem ervoor te betalen. En van nu af aan zocht hij naar een goede gelegenheid om hen Jezus in handen te spelen.

Op de eerste dag dat men ongezuurd brood moet eten en waarop de paaslammeren worden geslacht, vroegen de leerlingen aan Jezus: `Waar wilt gij dat we alles gereedmaken ? Dan kunt gij daar het paasmaal houden.'

Hij stuurde twee van zijn leerlingen uit met de op­dracht: `Ga naar de stad. Jullie zullen er een man tegen­komen die een kruik water draagt. Volg hem. In het huis waar hij binnengaat, moeten jullie aan de eigenaar zeggen: `De Meester vraagt de zaal te wijzen waar hij met zijn leerlingen het paasmaal kan gebruiken.' Hij zal een ruime bovenkamer tonen, met banken om aan te liggen en al wat verder nodig is. Maak daar alles voor ons gereed.'

De leerlingen vertrokken, gingen de stad binnen en vonden alles zoals Jezus had gezegd. Ze maakten het paasmaal gereed.

Toen het avond was geworden, kwam Jezus met de twaalf apostelen, en ze gingen aan tafel.

Onder het eten zei Jezus: `Ik weet zeker dat iemand van jullie mij zal uitleveren: iemand die nu met mij eet.' Allen waren er bedroefd om. De een na de ander vroeg: `Ik toch niet ?' - `Ik ook niet!'

`Eén van jullie twaalf, één van degenen die met mij hun brood in de schaal dopen. De Mensenzoon gaat 'inderdaad heen, zoals is voorzien in de heilige Schrift. Maar wee de man door wie de Mensenzoon wordt verraden. Het ware beter dat hij niet geboren was, die mens!'

Later onder de maaltijd nam Jezus brood, loofde God om ervoor te danken, brak het en gaf het hen terwijl hij zei: 'Neem! dit is mijn lichaam.' Toen nam hij een beker, loofde God om te danken en gaf de beker door. Allen dronken ervan. Jezus zei: `Dit is mijn bloed, om


105




het verbond van God met de mensen te sluiten; het wordt voor allen vergoten. Ja, ik verzeker jullie dat ik geen wijn meer zal aanraken tot ik de nieuwe wijn in Gods rijk zal drinken.'

`Al moet ik met u sterven, in geen geval laat ik u in de steek!'

En al de apostelen zeiden hetzelfde als Petrus.





Na de maaltijd zongen zij de lofpsalmen van het paasfeest. Toen verlieten ze het huis en begaven zich naar de Olijfberg.

`Allen zullen jullie vallen,' zei Jezus, `mij in de steek laten. Het staat immers in de heilige Schrift: `Wordt de herder getroffen, dan worden de schapen verstrooid'.'

Petrus viel vinnig in: `Al struikelen ze allemaal, ik verlaat u nooit!'

`Ik verzeker je,' zei Jezus, `vandaag nog, vannacht, vóór de haan tweemaal heeft gekraaid, zul je mij driemaal verloochenen.'





Overgave Marcus 14,32-42

Zij kwamen aan een landgoed met olijfbomen, dat Get­semani heet. Daar zei Jezus tegen zijn leerlingen: 'Blij­ven jullie hier. Ik loop wat verder om te bidden.'

Alleen Petrus, Dakobus en Johannes nam hij met zich mee. Maar hij begon zulk een ontsteltenis en walg te voelen, dat hij zei: `Ik ben angstig, doodbenauwd. Blijf hier, en waak.'

Hij ging wat verder en liet zich ter aarde neervallen. Hij bad, dat God hem het dreigende doodslot zou besparen... als het mogelijk was. `Abba, Vader! Voor U is alles mogelijk. Laat die bittere beker mij voorbijgaan. Maar, niet wat ik wil... wat Gij wilt moet gebeuren.'

Hij liep terug naar zijn apostelen, maar vond ze in slaap. `Petrus... Simon! slaap je ? Heb je zelfs niet één



107




uur kunnen wakker blijven ? Waak! en bid dat jullie niet op de bekoring ingaan. Jullie willen wel, maar zijn zo zwak.'

Jezus ging opnieuw van hen weg en bad met dezelfde woorden: `Vader, wat Gij wilt...'





Overgeleverd Marcus 14,43-52

Jezus was nog niet uitgesproken of judas, één van de twaalf, kwam er aan. Hij was vergezeld van een bende mannen met zwaarden en knuppels, gestuurd door de hogepriesters, schriftgeleerden en hoge ambtenaren. De verrader had dit teken afgesproken: `Die ik een kus zal geven, die is het. Grijp hem en bewaak hem goed wanneer jullie hem wegvoeren.' Hij kwam recht op Jezus af, groette hem met `Rabbi - Meester', en gaf hem een kus zoals leerlingen doen.

Ze grepen Jezus vast en namen hem gevangen. Maar één van degenen die bij hem stonden, trok zijn zwaard, trof de knecht van de hogepriester en houwde hem een oor af.

`Als voor een rover zijn jullie uitgetrokken,' zei Jezus. `Met zwaarden en knuppels komen jullie mij nu gevangen nemen. De laatste dagen was ik onder het volk, stond altijd in de tempel onderricht te geven, en jullie hebben me niet durven grijpen. Maar ja, wat in de heilige Schrift voorzien is, gebeurt nu: ik word onder de boosdoeners gerekend.'

Allen die bij Jezus hoorden, lieten hem in de steek. Ze vluchtten weg. Alleen een jonge man volgde hem. Hij had slechts een laken om zijn blote lichaam geslagen en toen ze hem wilden grijpen, liet hij het laken in hun handen achter en ook hij vluchtte weg, naakt.



Toen hij nog eens terugkwam, vond hij hen weer in slaap. Hun ogen vielen toe. Ze wisten niet hoe ze het voor hem konden verklaren. Nog een derde keer kwam hij bij hen: `Slapen jullie ? Rusten jullie nog altijd uit ? Het loopt ten einde! Het ogenblik is gekomen: nu wordt de Mensenzoon uitgeleverd aan misdadigers. Sta maar op, we gaan. Mijn verrader is daar al.'


109


C. MIJN GOD, WAAROM?



Nu verloopt alles snel. De godsdienstige leiders willen de reactie van het volk voorkomen. Nog in dezelfde nacht wordt Jezus verhoord door de Hoge Raad (het Sanhedrin). De hogepriester, die voorzit, kan de manier waarop Jezus ge­sproken en gehandeld heeft niet in overeenstemming brengen met de joodse verwachtingen omtrent de koninklijk Gezalfde van God. Jezus kan dus de Messias niet zijn. De titel Messias heeft echter voor de Romeinen een louter politieke betekenis: koning van de joden of leider van opstandelingen. Daarom wordt Jezus uitgeleverd aan het Romeinse gerecht. Hij ondergaat alle straffen die door de joodse en de Romeinse wetten voorzien zijn, tot de wreedste toe die de Romeinen ooit hebben toegepast: de smadelijke slavendood aan het kruis.

Nu is geen misverstand meer mogelijk: met zijn messiaans leven en sterven heeft Jezus een opdracht van God vervuld voor alle mensen. Een Romeins officier belijdt: `Hij was Zoon van God.' Nog anderen laten zich niet afschrikken: zij erkennen Jezus, al is het door hem de allerlaatste zorgen te geven.

Zijt gij de Messias ? Marcus 14,53-65

Ze voerden Jezus naar het huis van de hogepriester. Alle andere hogepriesters, en de ambtenaren en schriftgeleerden die lid waren van de Hoge Raad, kwa­men daar bijeen. Petrus volgde Jezus op grote afstand tot op de binnenplaats van dat huis. Hij ging bij het dienstvolk zitten en warmde zich wat aan het vuur.

De hogepriesters en de leden van de Raad zochten een aanklacht tegen Jezus om hem ter dood te veroor­delen. Ze konden er echter geen vinden. Velen brach­ten wel beschuldigingen tegen hem in, maar ze ge­tuigden vals: ze stemden niet met elkaar overeen. Toen





stonden er enkelen op die dit getuigenis aflegden: `Wij hebben hem horen zeggen: Ik zal het tempelgebouw dat door mensen is gemaakt, afbreken en in drie dagen zal ik een nieuw opbouwen, niet door mensen gemaakt.' Maar ook dat getuigenis was niet eensluidend, en dus onwettig.

Toen stond de hogepriester op. Hij ging in het mid­den staan en vroeg aan Jezus: `Hebt gij niets te ant­woorden ? Wat betekent de beschuldiging van die ge­tuigen ?' Maar Jezus gaf geen antwoord, hij bleef zwij­gen.

Opnieuw ondervroeg de hogepriester hem: 'Zijt gij de Messias, de koninklijk Gezalfde, de Zoon van God ?' `Dat ben ik,' verklaarde Jezus. `Jullie zullen mij als Mensenzoon zien zitten aan de rechterzijde van de Machtige en mij zien komen van Godswege om te oordelen.'

`Waarvoor hebben wij nog getuigen nodig?' riep de






hogepriester, en in verontwaardiging scheurde hij zijn gewaad. `Hebben jullie gehoord hoe hij God lastert! Wat vinden jullie daarvan ?'



Eenparig spraken zij het vonnis uit: `Hij verdient de dood!'

Sommigen begonnen hem zelfs te bespuwen. Ze trokken een doek over zijn hoofd, stompten hem en vroegen dan: `Wees nu eens profeet en zeg wie het gedaan heeft!'

De bewakers namen hem over, en ook zij dienden hem slagen toe.

Ik ken die mens niet! Marcus 14,66-72

Petrus was beneden op de binnenplaats gebleven. Nu kwam daar een van de dienst­meisjes van de hogepriester langs. Zij zag Petrus die

zich zat te warmen en bekeek hem goed. 'Maar jij was ook bij die Nazarener Jezus!'





`Ik weet niet wat je bedoelt... Ik begrijp je niet,' zei Petrus om te ontkennen. En hij ging daarvandaan, naar het voorplein. Op dat ogenblik kraaide een haan.

Het dienstmeisje zag hem weer en begon opnieuw, nu tegen de omstanders: `Hij is één van hen.' Maar hij



ontkende het nog eens.

Kort daarop waren het de om­standers die opmerkten: `Zeker, jij hoort bij die groep. Je bent trouwens een Galileeër !'

Nu begon Petrus te vloeken en te zweren: `Die mens waarvan jullie spreken, ken ik niet!'

Onmiddellijk daarop kraaide de haan voor de tweede keer. Nu dacht Pe­trus aan wat Jezus hem had gezegd: `Voor de haan tweemaal kraait, zul je mij driemaal

verloochend hebben.' Hij barstte in tranen uit.





Zijt gij de koning van de joden ? Marcus 15,1-15

In de vroege morgen kwam de hele Raad van hoge­priesters, ambtenaren en schriftgeleerden tot een be­sluit. Zij lieten Jezus geboeid wegleiden om hem aan de Romeinse gouverneur Pilatus uit te leveren.

Pilatus vroeg hem: `Dus zijt gij de koning van de joden ?'

`Zoals gij zegt,' antwoordde Jezus.

De hogepriesters begonnen nog allerlei andere be­schuldigingen tegen hem in te brengen.

`Antwoordt gij daar niets op ?' vroeg Pilatus. `Hoor maar eens waarvan ze u allemaal beschuldigen.' Jezus gaf helemaal geen antwoord. Pilatus stond er verbaasd over.

De gouverneur had de gewoonte elk jaar ter gele-­



genheid van het Paasfeest iemand vrij te



laten: degene om wie het volk vroeg. Nu zat een zekere Barabbas ge­

vangen met een bende opstan­delingen, die een moord had­

den gepleegd. Het volk drong aan: `Doe zoals elk jaar.' `Willen jullie dat ik de ko­ning van de joden vrijlaat ?' Pi­latus wist wel dat Jezus uit af­gunst was uitgeleverd. Maar de



hogepriesters stookten het volk op: `Vraag Barabbas.' Toen Pilatus vroeg: `Wat moet ik dan doen met die koning van de joden ?' riepen ze terug: `Kruisig hem!' `Maar wat voor kwaad heeft hij gedaan ?'

`Kruisig hem!' schreeuwden ze nog harder.

Omdat Pilatus het volk zijn zin wilde geven, liet hij Barabbas vrij. Jezus gaf hij aan zijn soldaten over om hem te laten geselen en kruisigen.









Gegroet, purperen koning!

Marcus 15,16-20

De soldaten brachten Jezus binnen in het paleis van de gouverneur, dat hun hoofdkwartier was, en ze riepen de hele afdeling bij elkaar. Ze kleedden hem met een purperen mantel, vlochten een kroon van doorntakken en zetten hem die op. Ze brachten de groet: `Heil, koning van de joden !'Ze sloegen hem met rietstokken op het hoofd, bespuwden hem en brachten hem plech­tig hulde met een kniebuiging. Na dat ruwe spel namen ze hem de purperen mantel af, trokken hem weer zijn kleren aan en leidden hem buiten de stad om hem te kruisigen.

Deze mens was Gods Zoon

Marcus 15,21-39

Onderweg dwongen de soldaten een voorbijganger het kruis te dragen. Het was Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus; hij kwam toevallig van zijn akker naar de stad terug.



Ze brachten Jezus tot op de plaats die Golgota heet: Schedelplaats. Ze gaven hem gekruide wijn, maar hij wilde er niet van drinken. Ze sloegen hem daar aan het kruis. Daarna verdeelden ze zijn kleren en trokken het lot om te zien wat ieder zou krijgen.

Het was om negen uur in de morgen dat ze hem gekruisigd hadden. Volgens het opschrift dat de reden van de veroordeling meldde, was hij: `DE KONING VAN DE JODEN'. Samen met hem hadden ze twee rovers gekruisigd; de een hing links van hem, de ander rechts.

Voorbijgangers slingerden hem beledigingen naar het hoofd. Ze haalden hun schouders op en spotten: 'Ha! Jij die de tempel zou afbreken en in drie dagen heropbouwen, red nu jezelf en kom van het kruis af!' Zo lachten ook de hogepriesters spottend onder elkaar, en de schriftgeleerden: `Anderen heeft hij gered, zich­zelf kan hij niet redden. Hee, Christus, Gezalfde Ko­ning, kom van dat kruis af! Als je dat kunt laten zien, geloven we in je...' Zelfs de twee die met Jezus ge­kruisigd waren, beschimpten hem.

's Middags vanaf twaalf uur viel er duisternis over het hele land. Dat duurde tot drie uur. Om drie uur schreeuwde Jezus luid: `Eloï, Eloï, lama sabaktani !'Dat zijn de eerste woorden van een psalmgebed: `Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?'

Sommigen verstonden het verkeerd: `Luister,' zeiden ze, `hij roept al om de profeet Elia, de redder in alle nood.' Een van hen liep om een spons te halen, doopte die in zure wijn en stak hem op een rietstok om Jezus te drinken te geven. `Laat mij maar doen, dan kunnen we zien of Elia hem er komt afhalen.'

Maar Jezus slaakte een luide kreet en stierf.



Op dat ogenblik scheurde het grote gordijn in de tempel van boven tot onder in tweeën... alsof al het

oude nu overbodig was geworden.

De officier die tegenover het kruis de wacht hield en die gezien had hoe Jezus gestorven was, beleed: `Deze mens was vast en zeker Gods Zoon.'





Die hem altijd gevolgd waren

Marcus 15,40-47

Op een afstand stonden ook vrouwen toe te kijken. Onder hen was Maria Magdalena, Maria de moeder van Dakobus de Mindere en van Joses, en Salome. Toen hij nog in Galilea rondtrok, waren zij Jezus altijd gevolgd om voor hem te zorgen. Er stonden nog veel andere vrouwen die met hem naar Jeruzalem waren opgetrok­ken.

Nu was het al avond geworden, en wel de vooravond






van een sabbat, een rustdag. Daarom vatte Jozef van Arimatea moed en ging naar Pilatus. Jozef was een vooraanstaand lid van de Hoge Raad en leefde in de verwachting van het komende rijk van God. Hij vroeg Pilatus om het lichaam van Jezus.

`Is hij dan al gestorven ?'vroeg Pilatus verbaasd. 'Of­ficier! Is Jezus al dood ?'

`Jazeker.'

`Het lijk kan worden afgestaan aan deze man hier.' Jozef kocht een stuk lijnwaad, nam Jezus van het kruis en wikkelde hem in het doek. Hij legde hem in een graf dat uitgehouwen was in de rots. Tenslotte rolde hij een grote steen voor de ingang van het graf.

Maria Magdalena en Maria de moeder van Joses za­gen waar Jezus begraven werd.



5. IN ONS MIDDEN

Velen hebben ervaren dat Jezus leeft. Daarover doen uiteenlopende verhalen de ronde. Elke evangelist vertelt op zijn manier hoe daar de oorsprong ligt van het nieuwe bestaan van Jezus' apos­telen en leerlingen, en van allen die later op hun getuigenis zullen geloven.

Bij de evangelist Johannes vinden we de opvatting van die dagen, dat verrijzenis te maken heeft met het li­chaam:


herhaaldelijk wordt vastgesteld dat

het graf leeg is. Pas wanneer Jezus verheerlijkt bij de Vader is opgenomen, kan hij als aan nieuwe mensen de geest van God inblazen en kracht verlenen om te vergeven. Daarvan zullen de kerkgemeenschappen leven. Er zijn twee manieren van geloven. Na degenen die geloven omdat zij Jezus' tekenen hebben gezien, komen de velen die niet gezien hebben maar geloven op het horen van de evangeliewoorden.

Bij een leeg graf Johannes 20,1-10

Vroeg in de morgen op de eerste dag van de week, de zondag, ging Maria Magdalena naar het graf. Het was nog donker, maar zij zag dat de steen voor de ingang van




het graf weggerold was. Zij liep dus haastig naar Simon Petrus en de andere leerling van wie Jezus bijzonder had gehouden: `Ze hebben onze Heer uit het graf weg­genomen! Wie weet waar ze hem hebben neerge­legd ? !'

Daarop liepen Petrus en die andere leerling het huis uit, naar het graf toe. Ze liepen wel samen, maar de andere leerling was vlugger dan Petrus en kwam het eerst bij het graf. Hij boog zich voorover en zag de doeken liggen. Maar hij ging niet naar binnen.

Toen kwam Petrus achter hem aan en ging wel het graf binnen. Hij keek naar de windsels en naar de zweetdoek die om Jezus' hoofd had gelegen. Die lag niet bij de windsels maar afzonderlijk, opgerold. Dan ging ook de andere leerling, die eerst bij het graf geko­men was, naar binnen. Hij zag die tekens, en geloofde. Maar eigenlijk hadden zij nog niet begrepen wat in de heilige Schrift staat: dat Jezus namelijk uit de dood zou opstaan. Petrus en de andere leerling gingen dan maar terug naar huis.

Ik stijg op naar mijn Vader Johannes 20,11-18

Ondertussen stond Maria Magdalena bij het graf te huilen. Schreiend boog ook zij zich voorover om in het graf te kijken: `Ach, ze hebben mijn Heer weggenomen en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd!'

Zij draaide zich om en zag daar iemand staan. Zij wist niet wie het was.

`Vrouw, waarom huil je,' vroeg de man. `Wie zoek j e ?'

Zij dacht dat het de tuinman was en zei: `Als jij hem hebt weggenomen, vertel dan waar je hem hebt gelegd ! Ik haal hem terug!'

`Maria !'zei de man.

`Rabboeni ! -Meester !'Met een ruk had zij het graf de rug toegekeerd en Jezus herkend.

`Raak me niet aan, hou me niet vast! Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga aan mijn broeders ver­tellen dat ik opstijg naar mijn en uw Vader, naar mijn en uw God.'

Maria Magdalena ging de leerlingen het goede nieuws vertellen: `Ik heb de Heer gezien !'Zij deelde alles mee wat hij tegen haar had gezegd.

Ontvang de geest van God Johannes 20,19-23

Diezelfde zondag, tegen de avond. De leerlingen zaten samen. Ze hadden de deuren op slot gedaan, want ze waren bang voor de joden. En daar komt Jezus binnen en gaat hij in hun midden staan!

`Vrede wens ik jullie.'

Na die groet toonde hij zijn gewonde handen en de lanssteek in zijn zijde. De leerlingen waren vol vreugde!



120


`Vrede wens ik jullie,' herhaalde Jezus. `De Vader heeft mij gezonden... zo zend ik jullie.'

Toen blies hij hen de geestkracht van God in en verklaarde: `Ontvang de heilige geest! Als jullie men­sen hun zonden vergeven, worden ze door God verge­ven. Als jullie ze niet vergeven, zijn ze ook niet door God vergeven.'



WAAROM WIJ VERTELLEN

Niet zien en toch geloven Johannes 20,24-29

Johannes 20,30-31

Toen Jezus die eerste zondag temidden van zijn leerlin­gen was gekomen te Jeruzalem, was Tomas er niet bij. Tomas was een van de twaalf apostelen. Wanneer de anderen hem nadien vertelden: `Wij hebben de Heer gezien!' antwoordde hij: `Als ik niet in zijn handen de littekens zie van de nagelen en ze niet met mijn vinge­ren voel, en zolang ik mijn hand niet kan leggen in zijn zijde, zal ik niet geloven.'

De volgende zondag waren de leerlingen weer in dat huis bijeen. Tomas was er nu bij. De deuren waren gesloten, maar Jezus kwam bij hen. Hij ging in hun midden staan: `Vrede wens ik jullie.' Daarop richtte hij



zich tot Tomas: `Voel hier maar met je

vinger en bekijk goed mijn handen. Steek je hand uit en leg hem in mijn



zijde. Wees niet ongelovig, maar gelovig!'

`Mijn Heer !'zei Tomas. `Mijn God!'

`Ben je tot geloof gekomen omdat je gezien hebt ?' vroeg Jezus. `Gelukkig wie niet zien en toch geloven!'





Nog veel andere tekenen heeft Jezus in het bijzijn van zijn leerlingen gedaan. Ze staan niet alle in dit boek beschreven. Maar wat hier verteld wordt, is opgetekend opdat je zou geloven dat Jezus de koninklijk Gezalfde, de Christus is, de Zoon van God.

Dat je door te geloven het leven mag krijgen in hem!



123




TWEEDE DEEL

DE CHRISTUS LEEFT IN ZIJN VOLGELINGEN






Van een handvol leerlingen tot ontel­bare Jezus-gelovigen over heelde wereld verspreid... hoe is dat verlopen ? hoe is dat begonnen ?

Naast zijn evangelie heeft Lucas ook daarover een boek geschreven. Het heet `Handelingen van de Apostelen'. Hier vernemen we dat wij nu Gods volk onderweg zijn, omdat sommigen van Jezus' eerste volgelingen op weg

zijn gegaan. Onder hen waren apostelen, zoals Petrus. Diakens, zoals Filippus. Verkondigers, zoals Barnabas en Paulus. Reisgezellen en medewerkers onderweg, zoals Silas en Timoteus. En vergeten we niet de velen die `leerlingen' wor­den genoemd. Hun namen kennen we niet meer. Zij hadden het leven van Jezus beluisterd en zijn leer aanvaard. Omdat zij de Christus dag aan dag beleefden, als zusters en broeders onder Gods heerschappij, hebben zij velen aangetrokken.

Zoals in het evangelie zulle in de `Handelingen' een en al beweging vinden. Kijk de titels er eens op na, en vergeet niet voortdurend te volgen op de landkaart en op het schema achteraan in dit boek, op blz. 268 en 269. Lucas beklemtoont dat dezelfde geest of kracht van God die Jezus heeft gedreven, nu ook de zendelingen voortstuwt... tot ver buiten de grenzen van het joodse land. Naar heel Judea tot de kuststreken toe, naar Samarië, naar andere landen rond de Middellandse Zee, naar Rome. Daar, in het middelpunt van de wereld, zullen weer anderen de boodschap vernemen en dan uitdragen naar de uithoeken van het Romeinse rijk.

127


Nog een tweede tocht vind je in het boek `Handelingen': de weg van het evangelie naar verschillende soorten mensen. Zie het schema: blz. 270. De een na de ander zullen ze aan de beurt komen. Eerst de Joden van Jeruzalem en Judea, die alle wetten van de heilige Schrift en de gebruiken van de voorvaders nauwkeurig onderhouden. Dan de Joden die in andere lan­den onder heidenen wonen en die zelfs de `wet van Mozes' niet helemaal kunnen onderhouden; velen van hen zijn op z'n Grieks opgevoed. Vervolgens de heidenen die zich tot de joodse godsdienst bekeerd hebben of aan­getrokken voelen. Sommigen van hen beleven de wet helemaal en worden `proselieten' of `bekeerlingen' genoemd, anderen nemen slechts gedeeltelijk de joodse leefwijze over en worden `vereerders van God' genoemd. Tenslotte bereikt het goede nieuws de versten: de niet-joden, die `heidenen' of soms

`Romeinen' en `Grieken' worden genoemd.

In zijn boek `Handelingen' toont Lucas hoe deze zeer verschillende mensen in talrijke landen één kerk kunnen zijn en in gemeenschap kunnen samenleven. Wrijvingen en problemen komen wel voor. Maar allen weten zich door God aanvaard, omdat zij in de éne Christus geloven en door hem bevrijd zijn van het kwaad.

Handelingen 1,1-3

Waarde lezer,

Mijn eerste boek, het evangelie, gaat over Jezus. Het vertelt wat hij heeft gedaan en geleerd vanaf het begin tot de dag dat hij werd opgenomen. Vooraf had hij nog aan de apostelen, die hij in Gods geest had gekozen, zijn opdracht doorgegeven.

Hij heeft zich veertig dagen aan hen laten zien en de zaak van Gods heerschappij met hen besproken. Zo heeft hij hen na zijn lijden en dood met veel tekens bewezen dat hij leeft!

AAN DE LEZER


komen en jullie zullen kracht krijgen. Jullie moeten immers van mij getuigen. Begin in Jeruzalem, trek dan verder naar heel Judea en Samarië... ja, tot het uiterste einde van de wereld.'

1. TE JERUZALEM

Was de beweging vanuit God begonnen, Jezus doet haar nu voortgaan. Een van de leerlingen had deze woorden van hem onthouden: `De Vader heeft mij gezonden... zo zend ik jullie.' Nu doet Lucas hem voor de apostelen de reisweg van het goede nieuws uitstippelen. `Jullie moeten gaan ge­tuigen. Begin in Jeruzalem. Trek dan naar Judea, ver­volgens naar Samarië... tot het uiteinde van de wereld.'

A. JULLIE MOETEN GETUIGEN

Begin in Jeruzalem! Handelingen 1,4-14



Toen hij na zijn verrijzenis eens met zijn apostelen aan het eten was, beval Jezus: `Jeruzalem mogen jullie nu niet verlaten. Wacht hier op de vervulling van wat de Vader heeft beloofd. Vroeger heb ik daarvan gespro­ken. Door Johannes werden jullie met water gedoopt, maar over enkele dagen zal de geest van God jullie overspoelen.'

Een andere keer dat zij samen waren, vroegen de apostelen: `Heer, gaat gij nu weldra van ons volk Israël een koninkrijk maken ?'

`Probeer maar niet dag en uur van Gods rijk te ken­nen,' antwoordde Jezus. `De Vader heeft dat op eigen gezag vastgesteld. Maar de heilige geest zal over jullie

Dat waren zijn laatste woorden.

Terwijl ze nog naar hem keken, werd hij opgenomen. Een wolk onttrok hem aan hun ogen.

Eerst staarden ze nog lang gespannen omhoog, naar waar hij was weggegaan. Maar ze kregen toen het in­zicht: `Wat staan wij hier naar de hemel te gapen ?Jezus is van ons weggenomen, opgenomen bij de Vader. Eens zal hij terugkomen zoals wij hem naar de hemel hebben zien gaan.'

Dat is op de Olijfberg gebeurd. Die ligt zo ver van Jeruzalem als een jood op sabbat, op de rustdag, mag lopen.



De apostelen keerden naar de stad terug. Ze gingen

130



naar de bovenzaal, waar ze nu gewoon waren te verblij­ven. Het waren deze elf: Petrus en Johannes, Dakobus en Andreas, Filippus en Tomas, Bartolomeus en Matteüs, Dakobus de zoon van Alfeus, Simon de IJveraar en judas de zoon van Dakobus. Ze waren eensgezind en bleven volharden in het gebed. In hun gezelschap waren enkele vrouwen, onder wie Maria, de moeder van Jezus, en ook zijn broers... Wel honderdtwintig mensen kwamen daar geregeld bijeen.

len. Judas heeft immers zijn post verlaten om te gaan waar hij thuishoort.'

Daarna lieten ze de twee mannen loten... Het lot viel op Mattias. Hij werd nu de twaalfde apostel.



Weer met twaalf

Handelingen 1,15-26

Een van die dagen nam Petrus het initiatief en deed een voorstel.

`Zusters en broeders! Wat in de psalmen van de heilige Schrift staat, moest helaas worden vervuld. Ju­das heeft de weg gewezen aan degenen die Jezus heb­ben gevangen genomen. Hij was één van ons twaalven, hij had dezelfde zending en dienst gekregen als wij. Met het loon dat hij voor zijn verraad heeft gekregen, heeft hij een stuk grond gekocht. Hij is daar voorovergeval­len, werd opengereten en verloor zijn ingewanden. Alle inwoners van Jeruzalem weten het. In hun taal noemen ze die grond nu al `Akeldama' of `Bloedakker'.

Maar wat nu ? Ik stel voor dat één van de mannen van dit gezelschap hier met ons getuige wordt van Jezus' verrijzenis. Iemand die erbij is geweest heel de tijd dat de Heer onder ons leefde: van toen hij door Johannes werd gedoopt tot op de dag dat hij bij ons werd weg­genomen.'

Iedereen stemde in. Twee kandidaten werden voor­gedragen: Jozef, die `de Gerechtige' werd genoemd, en Mattias. Ze baden allen samen: `Heer, Gij kent het hart van elke mens. Wijs één van deze twee aan: degene die Gij verkiest om deze dienst en deze zending te vervul­



132

133

B. KRACHT OM TE GETUIGEN

Dronken van Gods geest Handelingen 2,1-17.19.21.33

Zij waren nog allen bijeen op diezelfde plaats, toen de dag van Pinksteren aanbrak. Plots kwam vanuit de he­mel een immens lawaai alsof een hevige orkaan los­barstte. Het huis waar ze zaten, was er vol van. En toen leek het alsof ze iets zagen dat verdeeld was in tongen van vuur, die zich op elk van hen neerzetten. Zij werden allemaal vervuld van de heilige geest en begonnen in vreemde klanken te spreken, zoals de geest hen ingaf.

Nu verbleven in Jeruzalem veel joden, godsdienstig gezinde mensen die afkomstig waren van alle landen ter wereld. Op het horen van het gedruis kwamen ze in drommen toegelopen. Ze stonden verbaasd, want ieder verstond de apostelen in zijn eigen taal. Versteld en verwonderd zeiden ze door elkaar: `Die daar spreken zijn toch allemaal uit Galilea ?'-'ja, hoe komt het dan dat ieder van ons hen verstaat ?' - `Hier is volk van overal ter wereld! Er zijn Parten bij, Meden, Elamieten en Mesopotamiërs; mensen van Judea en Klein-Azië... van Egypte en ook van Libië.'-'Kijk: zelfs Romeinen die hier in de stad gelegerd zijn !' - `En dààr judeeërs met enkele bekeerlingen uit heidenvolken.' -'Ginds mensen van Kreta en Arabieren... Allemààl horen we die mannen uit Galilea in onze eigen taal spreken.' - 'Ze hebben het over de grote daden van God!' -'Ik ben er beduusd van. Wat moeten we daarvan denken ?' -`Wat kàn dat betekenen ?'-`Ze hebben misschien te veel feestwijn gedronken!' begonnen enkelen te spot­ten.

Toen kwam Petrus met de elf anderen naar voren. `Mensen allemaal!' riep hij. `Volksgenoten die van ver komen en inwoners van Jeruzalem ! Sst ! Luister !...

Deze mannen zijn niet dronken, zoals sommigen van jullie denken. Het is pas negen uur in de morgen! Hier gebeurt wat voorzien is door de profeet Joël. Die heeft in de naam van God gezegd: `Mijn geest zal Ik uitstorten over àlle mensen! Wondere dingen zal Ik laten zien. Iedereen die Mij aanroept zal worden gered.' Welnu, Jezus van Nazaret die aan Gods rechterhand is verhe­ven, heeft de beloofde geest van zijn Vader ontvangen en hem over ons uitgestort. Dàt hebben jullie gezien en gehoord. Wij zijn dronken van Gods geest...'

Petrus sprak nog lang en uitvoerig over Jezus.'zus. Hij toonde aan hoe God hem had aangesteld tot Christus, tot koninklijk Gezalfde, en tot Leidsman naar een nieuw leven. Zijn ge­tuigenis kun je lezen vooraan in dit boek, op blz. 12. Hij riep allen op, dat zij van gezindheid zouden veranderen en zich zouden laten dopen om met de vergeving van hun zonde ook de geestkracht te krijgen.

Eensgezind in bidden en delen

Handelingen 2,41-42.46-47; 4,32-36; 5,1-4.11

Ongeveer drieduizend mensen hebben die dag de op­roep van Petrus beantwoord. Ze lieten zich dopen en sloten zich aan bij het gezelschap rond de apostelen.

Volhardend luisterden zij naar de leer van de apos­telen en bleven trouw aan het gebed. Standvastig gingen ze iedere dag in de tempel bidden. Bij elkaar aan huis braken ze samen het brood. Ze leefden gemeenschap­pelijk. Vreugdevol en in eenvoud van hart genoten ze samen hun voedsel en zongen lofliederen voor God. Bij het hele volk genoten ze sympathie.

Door toedoen van de Heer werden dag na dag steeds meer mensen gered. Die kwamen er dan ook bij.

De hele groep gelovigen was eensgezind van hart en

135



ziel. Niemand zei: `Dit of dat is van mij,' maar zij beza­ten alles gemeenschappelijk. Zij genoten en beleefden Gods grote liefde. Ze lieten dan ook niemand gebrek lijden. Wie landerijen of huizen bezat, verkocht ze en bracht de opbrengst bij de apostelen. Aan ieder werd daarvan uitgedeeld zoveel hij nodig had.

Zo was er een zekere Jozef, een voormalig joods leviet van Cyprus; de apostelen hadden hem `de Moedgever' genoemd. Die Jozef bezat een akker, maar hij deed hem van de hand en overhandigde het geld aan de apostelen.

Wie echter bedrog pleegde, werd zwaar gestraft. Zo werd nog lang het schrikwekkend voorbeeld van Ana­nias en zijn vrouw Saffira verteld. Ook zij hadden een stuk grond verkocht en de opbrengst aan de ge­meenschap gegeven, maar een deel van het geld ach­tergehouden. Petrus was er woedend bij geworden: `Jullie bedriegen niet alleen de mensen, maar ook God! Dat is tegen de geest die ons bezielt !' Ananias en Saffira stierven kort daarop. Niet alleen de hele kerk maar ook allen die ervan hoorden, werden bevangen door ontzag voor God en voor de apostelen.

C. LIJDEN OMWILLE VAN HET GETUIGENIS

Voor de apostelen breekt nu het ogenblik aan van de volledige navolging van Jezus. Zij waren destijds bemoedigd. `Wees niet bezorgd, als je voor oversten en koningen terecht­staat om getuigenis van mij af te leggen' (zie blz. 103).

Veeljoden veranderden van gezindheid en keerden zich naar de Christus als de Koning van hun leven. Daarom werden de leiders van het volk afgunstig. Wie in de Verrezene geloofde beschouwden zij als een afvallige... en de ge­meenschap van de gelovigen was al aangegroeid tot vijfdui­zend man !




1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina