Journal of Sports Sciences, 1997, 15, 621-640 Inleiding: de computer metafoor



Dovnload 14.3 Kb.
Datum17.10.2016
Grootte14.3 Kb.
Skill acquisition in sport: some applications from an evolving practice ecology

Handford, Davids, Bennett, & Button

Journal of Sports Sciences, 1997, 15, 621-640



Inleiding: de computer metafoor

In de dagdagelijkse sportpraktijk, zowel op niveau training, recreatie als educatie wordt bewust of onbewust een bepaald conceptueel model gevolgd. Op vandaag is dit nog steeds overwegend een informatietheoretisch model, dat tijdens het leerproces het ontwikkelen van interne representaties (schema’s, sporen, voorschriften, commando’s…) veronderstelt. In dergelijk hiërarchisch model gebeurt controle van bewegingsuitvoering centraal, en is de analogie met de computer niet veraf. Deze benadering van motorische controle en leren ondervindt steeds meer tegenwind in de literatuur, en de contra-argumenten kunnen in drie groepen worden verdeeld.



  1. Filosofische argumenten. Het (menselijk)brein heeft zich doorheen de evolutie voortdurend aangepast aan veranderende omstandigheden. De hedendaagse mens is perfect in staat zich efficiënt aan veranderende omstandigheden aan te passen. Een computer daarentegen kan enkel uitvoeren waarvoor ze is geprogrammeerd, met een veel beperkter aanpassingsvermogen. Centrale controle van alle dFs die in een beweging betrokken zijn is vrijwel niet te realiseren.

  2. Methodologische argumenten. De IT-benadering steunt vooral op labo-taken die vaak extreme simplificaties (slechts 1 of een beperkt aantal dFs zijn betrokken) zijn van ‘real-life’ situaties. Bij deze taken worden perceptie en actie vaak geïsoleerd bestudeerd, daar waar deze in sport- of bewegingssituaties onveranderlijk aan elkaar gekoppeld zijn. In experimenteel onderzoek naar motorisch leren wordt vaak gewerkt met trainingsschema’s die helemaal geen weerspiegeling zijn van de reëele leerperiode: experimenten worden in enkele dagen, weken of in het beste geval maanden uitgevoerd, terwijl de weg van beginner naar expert vaak 10 jaar kan innnemen.

  3. Theoretische argumenten. De hypothese van temporele invariantie is methodologisch vaak verkeerd behandeld (gemiddelden van proefpersonen mogen in dit kader niet gebruikt worden, aangezien een GMP voor elke persoon verschillend kan zijn), en waar ze correct is getoetst, werd meestal geen temporele invariantie gevonden. De hypothese dat variabel oefenen gunstig is (cfr. schematheorie van Schmidt) werd ook nog niet eenduidig aangetoond. Het zelfs zo dat oefenschema’s die de opbouw van een GMP tegenwerken (gerandomiseerd oefenen) een groter leereffect kunnen hebben dan schema’s die de GMP-ontwikkeling zouden bevorderen (variabel oefenen: sneller, trager, krachtiger….). De specificiteitsthese van leren stelt dat de lerende afhankelijk wordt van de specifieke bron van informatie die ter beschikking is tijdens het leerproces. Vanuit deze optiek moet de trainings- of oefenconditie zo goed mogelijk overeenkomen met de criteriumconditie (= de situatie waarin je de vaardigheid wil beheersen, vb. wedstrijdsituatie). Deze these staat deels in contradictie met die van variabel oefenen, die nochtans uit dezelfde IT-benadering voortspruit.

De globale kritiek is dat er vanuit IT-hoek nog maar weinig meer is voortgekomen dan beschrijvingen van gedrag in plaats van verklaringen. Gedrag of gedragsveranderingen ‘verklaren’ door aan te nemen dat er ‘schema’s’ dat gedrag sturen kan niet echt een verklaring genoemd worden. Er is nood aan meer onderzoek naar complexere bewegingen, waarbij meer onderzocht wordt dan produktscores of reactietijden.
De ecologische benadering
Het vertrekpunt van de ecologische benadering is de wederkerige relatie tussen organisme (in ons geval de mens) en de omgeving. IT-benaderingen verwaarlozen de rol (= de invloed) van omgevingsveranderingen op de bewegingsuitvoering en het leren ervan. De steeds veranderende omgevingsinformatie ‘stuurt’ voor een stuk de handeling, het is een zgn. constraint (beperking), in positieve zin:
ACTIE FLOW PERCEPTIE KRACHT






Directe perceptie.

Affordances zijn de gedragsmogelijkheden die rechtstreeks voortvloeien uit het opnemen van informatie. In tegenstelling met de IT-benadering dient informatie niet ‘vertaald’ te worden tot bruikbare gegevens, maar heeft ze onmiddellijk betekenis. Deze informatie is (onder andere) beschikbaar in de optische flow (er bestaat ook een dergelijke auditieve of proprioceptieve flow). Informatie-variabelen worden niet uitgedrukt in fysische grootheden, maar in lichaamseigen en direct bruikbare maten, zoals tau voor de bepaling van tijd-tot-contact. Directe bruikbaarheid van deze informatie maakt complexe berekeningen en beroep doen op het motorisch geheugen (vergelijken met vroegere uitvoeringen) overbodig.

Een experiment naar het leren van een nauwkeurige slagbeweging bij tafeltennis illustreerde het verschil tussen beide benaderingen. Twee groepen beginners probeerden de bal zo snel en nauwkeurig mogelijk terug te slaan naar een doel. Groep A sloeg de bal die door een luchtstroom werd omhooggehouden, groep B kreeg de bal aangespeeld. Het design van A is in theorie geschikt om een consistent bewegingsprogramma te ontwikkelend, terwijl B vanuit een veel variabeler positie moest vertrekken. De locatie van contact tussen bat en bal (het eindpunt van de slag) was nochtans veel consistenter bij de B-groep, wat het belang van de koppeling tussen perceptie (aankomende bal vs. stilliggende bal) aantoont.
Dynamical systems approach

Het menselijk bewegingsapparaat is complex en dynamisch, het bevat talrijke vrijheidsgraden op verschillende niveaus (spier, gewricht, neuron). Net zoals andere dynamische systemen uit de natuur is dit organisme in staat zichzelf voor een deel te organiseren. Bernstein: coördinatie is het proces van het beheersen van de vrijheidsgraden van het systeem. (Figuur p. 628): Dit is een schematische voorstelling van het perceptie-actie ‘landschap’ waarin je als lerende naar een optimaal bewegingspatroon zoekt. Dit doe je door verschillende combinaties uit te proberen, door de ordeparameter (die je bewegingspatroon beschrijft) te wijzigen. Dit gebeurt door veranderingen in de controleparameter (= wijziging in omgevingsinformatie bv. , die uitnodigt tot het uitproberen van een andere combinatie en dus wijziging in ordeparameter teweegbrengt). Door dit zoekproces wordt je aangetrokken naar een stabiele regio, een ‘dal’ op de figuur (attrator), wat betekent dat dit coördinatiepatroon voor jou efficiënt is.


Implicaties van de ecologische benadering
Variabiliteit wordt in de IT-benadering vaak gezien als ruis, storing op een motorisch programma dat in ontwikkeling is. Daling in deze ‘ruis’ wordt als positief beschouwd, hoge ruis als teken dat er iets (nog) niet goed loopt in het leerproces. In de ecologische benadering wordt variabiliteit positief benaderd, enerzijds omdat het als een expressie van het zoeken naar een optimaal bewegingsverloop wordt beschouwd, en anderzijds omdat ook op expert-niveau variabiliteit aanwezig blijft: het begin van een beweging van een expert kan zeer variabel zijn, maar zal zeer consistent eindigen op het moment dat het er echt op aan komt: bij contact tussen racket en bal, op het moment van de afstoot….

Als trainer/lesgever dien je die variabiliteit uit te spelen, en je niet te beperken tot zeer directieve instructies (arm zus, hand zo… houden). Variëer liever de omgevings- of taakfactoren (nethoogte, racket met kortere of langere steel) en laat de leerlingen binnen deze veranderingen zelf ‘zoeken’ naar het optimale bewegingspatroon.

Tenslotte dien je er rekening mee te houden dat drie bronnen van ‘constraints’ (beperkingen) de bewegingsuitvoering mee sturen: de taak zelf (racket met lange steel/een bepaald doel om naar te spelen), de omgeving (nethoogte bv.), en het individu (sterk verschillend qua anatomie, spierkracht, vaardigheid).

De termen en begrippen uit enerzijds de IT-benadering en de ecologische benadering zullen in andere (delen van) opleidingsonderdelen nog terugkeren (o.a. Motorische Ontwikkeling). De IT-benadering valt onder de algemene noemer van Cognitivisme, waar centrale sturing en het vrij directief geven van instructie kenmerken van zijn. Hier worden vaardigheden dus top-down (van CZS naar periferie) en is er weinig ruimte voor exploratie en variabiliteit. De ecologische benadering valt onder de vlag van het Constructivisme, waar veel meer ruimte is om zelf (zij het individueel bij het leren van een vaardigheid) of in groep (bij het zoeken naar de oplossing voor een tactisch spelprobleem) naar de optimale oplossing te zoeken. Daarbij is de rol van het CZS of van de begeleider minder directief sturend, maar wordt ruimte gelaten voor exploratie.

Met dank aan:

Vanessa, Debbie, Kim T, Karlien, Fleur, Joke, Willem, Johannes, Wendy, Jan D, Gert, Jan B, Hymne, Lore, Lies, Evelyne, Mieke, Elise, David, Stijn W, Kirsten, John, Benjamin, Stijn D, Line, Julie en Kris.


ML 08/11/02



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina