Jurre Keijzers Student Biomedische Wetenschappen Communicatiestage Samenvatting



Dovnload 215.01 Kb.
Pagina2/7
Datum20.08.2016
Grootte215.01 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

2 Methode



Om te onderzoeken wat oorzaken kunnen zijn voor het feit dat sommige afdelingen minder scoren in de media, zijn er eerst enkele hypotheses opgesteld die getoetst kunnen worden. Vervolgens zal in dit onderzoek een groep minder scorende afdelingen worden vergeleken met een groep goed scorende afdelingen in eenzelfde periode. Daarbij worden de afdelingen zowel kwantitatief als kwalitatief geanalyseerd.

2.1 Kwantitatief



Hoeveel media-exposure en hoeveel wetenschappelijke publicaties (+Impact Factor) hebben de afdelingen gehad in de periode 2009 tot en met 2010?

De media-exposure is een maat voor het aantal keer dat een afdeling in de media is geweest. Het geeft het aantal onderwerpen weer met daarbij het aantal bronnen waarin ze verschenen.

De wetenschappelijke publicaties zijn enkel de publicaties die in de Journal Citation Reports terecht zijn gekomen. Dat zijn tijdschriften die een Impact Factor hebben. De Impact Factor is een maat om het relatieve aanzien (het belang) van een wetenschappelijk tijdschrift aan te geven.7

Voor de media-exposure en de wetenschappelijke publicaties zijn databases beschikbaar waardoor deze cijfers te raadplegen zijn. Op basis van de media-exposure worden afdelingen geïncludeerd in de groep goed- of minder scorende afdelingen. In totaal zullen er drie minder scorende afdelingen en drie goed scorende afdelingen worden geselecteerd.



2.2 Kwalitatief

Er zullen op basis van de hypotheses vragenlijsten worden opgesteld voor de goed scorende en de minder scorende afdelingen. De afdelingen worden benaderd en een contactpersoon, doorgaans het afdelingshoofd, wordt gevraagd voor een interview. Grofweg wordt er gevraagd waarom deze personen denken dat ze weinig c.q. veel media aandacht hebben. Tijdens dit interview wordt de vragenlijst doorlopen. De interviewvragen zijn te vinden in bijlage 2.

Ook worden de titels van de gepubliceerde artikelen van de slechtst scorende afdeling geanalyseerd, om te zien of mogelijk nieuws is gemist. Het kan zijn dat een artikel zich goed leende om een persbericht over te schrijven maar dat dit door omstandigheden toch niet gebeurd is. De titels van de publicaties zijn te vinden in bijlage 3.
2.3 Benodigdheden

Om het onderwerp zowel kwantitatief en kwalitatief te benaderen zijn een aantal middelen nodig. Hieronder is aangegeven over welke middelen het gaat en wat daarvan precies nodig is.



  • De databases met media-exposure van alle afdelingen van het UMC St Radboud

  • De database met alle titels van de wetenschappelijke publicaties van alle afdelingen van het UMC St Radboud

  • De database met de Impact Factors van de wetenschappelijk publicaties van alle afdelingen van het UMC St Radboud

  • Een vragenlijst om te gebruiken bij de interviews

Uit deze benodigdheden worden de volgende zaken geselecteerd:



  • De totale media-exposure in de jaren 2009 en 2010 voor de gekozen afdelingen

  • Het totaal aantal publicaties in de jaren 2009 en 2010 voor de gekozen afdelingen

  • De gemiddelde impactfactor in de jaren 2009 en 2010 voor de gekozen afdelingen

  • De titels van de wetenschappelijke publicaties in de jaren 2009 en 2010 van de slechtst scorende afdeling

  • Contactpersonen van de geselecteerde afdelingen

Uiteindelijk zal op basis van de vergaarde informatie een adviesrapport worden geschreven waarin gelezen kan worden aan welke factoren het kan liggen dat een afdeling een bepaalde media-exposure heeft. Daarnaast willen we adviseren hoe een afdeling onder andere een beter mediacontact kan bewerkstelligen.


2.4 Tijdsplan

Hieronder wordt een indicatie gegeven van de planning van het onderzoek.





  • Week 1-4: Inlezen, meelopen op de afdeling Persvoorlichting, onderzoeksplan opzetten, vraagstelling opstellen

  • Week 5-7: Data verzamelen voor het kwantitatieve deel

  • Week 5-13: Interviews houden met contactpersonen van de afdelingen en titels van wetenschapspublicaties beoordelen

  • Week 11-13: Alle data verwerken en analyseren

  • Week 14-16: Werken aan het eindproduct: adviesrapport


3 Resultaten

3.1 Kwantiteitsanalyse



Op basis van de media-exposure werden de afdelingen geïncludeerd in de groep goed- of minder scorende afdelingen. Er is gekozen voor deze drie minder scorende afdelingen:

  • Nucleaire geneeskunde

  • Endocriene ziekten

  • Biochemie

En er is gekozen voor deze drie goed scorende afdelingen:

  • Neurologie

  • Verloskunde/Gynaecologie

  • Psychiatrie

Achtergrondinformatie over deze afdelingen is te vinden in bijlage 1.

Bij de kwantiteitsanalyse kijken we cijfermatig naar de prestaties van de afdelingen. Eerst wordt de media-exposure beschreven en daarna de publicaties met de bijbehorende impacts.



3.1.1 Media-exposure


De media-exposure is een maat voor het aantal keer dat een afdeling in de media is geweest. Het geeft het aantal onderwerpen weer met daarbij het aantal bronnen waarin ze verschenen.

De cijfers van de media-exposure zijn van de periode 2009 t/m het eerste kwartaal 2011.



Tabel 1: Media-exposure van minder scorende afdelingen

Nucleaire geneeskunde

0 onderwerpen en 0 bronnen

Endocriene ziekten

1 onderwerp en 1 bron

Biochemie

1 onderwerp met 2 bronnen

Totaal

2 onderwerpen met 3 bronnen


Tabel 2: Media-exposure van goed scorende afdelingen

Neurologie

51 onderwerpen en 150 bronnen

Verloskunde/Gynaecologie

99 onderwerpen en 285 bronnen

Psychiatrie

69 onderwerpen en 188 bronnen

Totaal

219 onderwerpen en 623 bronnen

Te zien is dat de minder scorende afdelingen veel minder onderwerpen en dus veel minder bronnen hebben in de media. Bij de goed scorende afdelingen lijken er gemiddeld ongeveer drie bronnen per onderwerp te zijn. Afdeling Nucleaire geneeskunde heeft geen media-media-exposure gehad in de periode 2009 t/m het eerste kwartaal 2011 en de afdeling Verloskunde/Gynaecologie heeft de hoogste media-exposure bereikt met 99 onderwerpen en 285 bronnen.



3.1.2 Publicaties en impacts


De cijfers van de wetenschappelijke publicaties zijn van de periode 2009 t/m 2010. Dit zijn alleen de cijfers van de wetenschappelijke publicaties in Journal Citation Reports. Dat zijn tijdschriften die een Impact Factor hebben. De Impact Factor is een maat om het relatieve aanzien (het belang) van een wetenschappelijk tijdschrift aan te geven. Hoe vaker de artikelen uit een bepaald wetenschappelijk tijdschrift in andere tijdschriften worden geciteerd, des te hoger de impactfactor.

Tabel 3: Aantal publicaties en bijbehorende impacts van minder scorende afdelingen

Nucleaire geneeskunde

105 publicaties met gemiddelde impact van 4.652

Endocriene ziekten

59 publicaties met gemiddelde impact van 8.248

Biochemie

76 publicaties met gemiddelde impact van 5.113

Totaal

240 publicaties met gemiddelde impact van 6.004

Tabel 4: Aantal publicaties en bijbehorende impacts van goed scorende afdelingen

Neurologie

394 publicaties met gemiddelde impact van 5.414

Verloskunde/Gynaecologie

147 publicaties met gemiddelde impact van 4.339

Psychiatrie

139 publicaties met gemiddelde impact van 5.057

Totaal

680 publicaties met gemiddelde impact van 4.937

Tabel 3 en 4 geven weer dat minder scorende afdelingen ook kleinere aantal publicaties hebben dan goed scorende afdelingen in dezelfde periode. Echter gaat dit niet gepaard met een lagere Impact Factor. Sterker nog, gemiddeld hebben ze een hogere Impact Factor dan de goed scorende afdelingen. Afdeling Endocriene ziekten heeft de minste publicaties gehad (59) en afdeling Neurologie de meeste (394). Afdeling Endocriene ziekten heeft daarentegen wel de hoogste Impact Factor behaald (8.248) en afdeling Verloskunde/Gynaecologie de laagste (4.339).

3.2 Kwaliteitsanalyse

Bij de kwaliteitsbeoordeling willen we vaststellen wat nu de oorzaken zijn voor de bovenbeschreven cijfers. Allereerst worden de interviews met de afdelingshoofden besproken en daarna de analyse van de wetenschappelijke titels en abstracts van de slechtst scorende afdeling.

3.2.1 Interviews


Hieronder staan de antwoorden op de vragen van de interviews, uitgesplitst naar de goed en minder scorende afdelingen. De antwoorden zijn samengevat en samengevoegd uit de antwoorden van de individuele personen. De contactgegevens van de geïnterviewden zijn te vinden in bijlage 4. Aan het einde wordt een overzicht gegeven van de grootste verschillen tussen de twee groepen. Zie Tabel 5
Goed scorende afdelingen

Bent u op de hoogte van de media-exposure van uw afdeling?

-Beetje een inschatting. Wel op de hoogte wat de collega’s doen.

-Niet precies, maar weet wel dat ze best hoog scoren. Per kwartaal wordt even snel gekeken hoe ze het doen.

-Van mijn afdeling van het UMC niet.


Vindt u het belangrijk dat u in de media aandacht krijgt? Waarom?

-Ja. Steeds meer een deel van het vak. Communiceren wat voor werk wij hier doen voor mensen die erbij betrokken zijn: patiënten, de belastingbetaler. Vooral ook maatschappelijk relevante dingen. Niet primair het doel om het UMC goed te laten doen op de lijstjes.

-Ik hoef zelf als persoon niet zo graag op buis of in de krant. Maar ik vind het wel belangrijk dat wij ons bemoeien met een aantal dingen. Dat we zeggen wat we over een aantal zaken denken.

-Heel erg. Onder het algemene publiek bestaat veel misverstand. Fatsoenlijke publieke voorlichting te geven en te reageren op vragen in de samenleving.


Hoe denkt u en uw afdeling over popularisatie van wetenschappelijk onderzoek?

-Ons werk kunnen we alleen goed doen als we de patiënten bereiken, het publiek bereiken. Die mensen moeten ‘enthousiast’ blijven. Wat doen wij nu überhaupt?

-Ik vind dat het goed is dat we ons onderzoek overbrengen naar het volk in begrijpbare taal. Ik vind het bijvoorbeeld belangrijk om mensen goed te informeren over gezondheidszaken en dat je dat dan ook duidelijk met onderzoek kunt laten zien. Ik denk dat dat ook makkelijker is in mijn functie omdat ik met veelal jonge volwassenen te maken heb met een kinderwens. Het is daarnaast ook onze maatschappelijke verantwoordelijkheid. Ook als wij een probleem signaleren in de spreekkamer waar een maatschappelijke oorzaak voor is, vind ik dat we dat moeten belichten. Bijvoorbeeld het steeds ouder worden van vrouwen met hun eerste zwangerschap. Dat moeten mensen natuurlijk zelf weten, maar mensen moeten wel goed voorgelicht worden.

-Baanbrekend onderzoek proberen wij in het nieuws te krijgen.

Vindt u dat een onderzoeker zich ook moet ‘verkopen’ aan de media?

-Unique selling point zo goed mogelijk voor het voetlicht krijgen. Het moet wel interessant zijn en belang hebben. Oppassen dat het niet in de verkeerde context wordt geplaatst, bijvoorbeeld de vertaalslag van onderzoek naar behandeling. Nuances zijn daarbij belangrijk. Het publiek moet op de hoogte zijn van je activiteit, dus alleen in tijdschriften publiceren is niet voldoende.

-Als er een maatschappelijk belang is wel. Als ik iets belangrijks heb ontdekt wil ik dat mensen dat weten en begrijpen. Ik denk primair vanuit het belang voor de patiënt en niet voor het UMC per se.

-Nee. Zijn onderzoek moet verkocht worden als dat maatschappelijk relevant is.



Denkt u dat een mediagevoelige wetenschapper of een speciaal opgeleid persoon nodig is om de afdeling in de media te krijgen?

-Ja dat kan zeker helpen. Omgang met media, presenteren, persbericht schrijven.

-Het is belangrijk dat je goed kunt uitleggen in gewone mensentaal wat je doet. Mediatraining kan daarbij helpen, maar dat moet je ook gewoon een beetje in je hebben.

-Zeker. Mediatraining zoals ik die gehad heb is een belangrijke voorwaarde om op een goede manier boodschappen over te brengen naar de pers.



Vindt u dat de afdeling persvoorlichting actiever contact met uw afdeling moet zoeken?
-Het is beetje eenrichtingsverkeer naar de afdeling persvoorlichting toe. Wij benaderen ze vaak.
-Nee. Ik heb heel veel contact met persvoorlichting. Wij zijn best bekend dus we worden regelmatig benaderd door de media. Fijn om dan even te kunnen overleggen/sparren. Om te vragen moet ik het wel doen of niet? Een advies dus.
-Ik ben buitengewoon tevreden met het contact met de afdeling persvoorlichting. Zowel in actieve zin als in passieve zin. Meedenken, meekijken en behulpzaam zijn. Adviserend zin ook heel erg. Ik heb er al veel aan gehad in het verleden.

Vindt u het veel werk om de persvoorlichting te benaderen om mogelijk in het nieuws te komen?
-Nee. Wij weten ze wel te vinden. Er is geen drempel voor ons.
-Nee. Ik kan ze altijd bereiken.
-Nee, dat gaat heel makkelijk. Standaard bereik ik Joke. Meestal via de e-mail en anders telefonisch.

Denkt u er niet altijd aan om de persvoorlichting te benaderen om mogelijk in het nieuws te komen?
-Nee niet echt. Andere mensen hebben wel eens het idee dat er iemand is die alles bekijkt en het wel laat weten als het interessant genoeg is voor een persbericht. Ze vinden het misschien zelfs een beetje gênant om hun onderzoek te verkopen of er reclame voor te maken. Ze hebben op zo’n moment niets gehoord van de afdeling persvoorlichting dus dan zal het wel niet belangrijk genoeg zijn. Ze zijn bescheiden en hebben dus een drempel. Maar er zijn ook veel die geen drempel ervaren.
-Ik denk dat ik er vrijwel altijd aan denk om contact met ze op te nemen.
Gecentraliseerd beleid: dus zaken voor de pers en promovendi via de afdeling persvoorlichting.
-Ik heb 3 persvoorlichters. 9 van de 10 keer heb ik ze alle drie benaderd. Als ik het vergeten ben, doe ik het alsnog.

Denkt u dat de persvoorlichters capabel genoeg zijn om moeilijke stof om te zetten in bijvoorbeeld een persbericht?
-Ja er is altijd wel consensus te vinden tussen onze afdeling en de afdeling persvoorlichting. -Ja, zeker. En doordat ze het weer met ons bespreken krijg je een goed bericht.
-Mijn ervaring daarin is buitengewoon positief. Bij gevoelige onderwerpen en lastige situaties heb ik erg veel baat gehad bij de kunde en de ervaring van de afdeling persvoorlichting.

Waarom denkt u dat uw afdeling veel in de media is?
-Aanwezigheid van mediagenieke personen en we hebben de wind mee door het vak wat we beoefenen. Hersenen en daaraan gerelateerde ziekte vinden mensen over het algemeen interessant. Aansprekende ziekten: Alzheimer en Parkinson. Trekt dus snel de aandacht.
Dus: mediagenieke personen en ziekte/orgaan wat we bestuderen.
-Omdat alles wat met baby’s te maken heeft ontzettend mediagevoelig is. Babysterfte en IVF zijn mediagevoelig. Dat heeft misschien ook te maken met het feit dat mijn collega en ik al veel op tv zijn geweest voor dat soort zaken en beetje bekend zijn. Uitstrijkjes, HPV, baarmoederhalskanker doen het ook goed. Neem nou bijvoorbeeld die 63 jaar oude zwangere vrouw. Dat kwam drie maar in het nieuws, terwijl overal op de wereld rampen gebeuren en oorlogen zijn.
-Wisselwerking. Een aantal onderwerpen (autisme, ADHD en verslaving) mediagevoelige onderwerpen. Actualiteiten die hiermee te maken hebben. Andere kant zijn we laagdrempelig bereikbaar. Zodat de pers weet dat als ze zich tot ons wenden dat wij ze altijd uitgebreid te woord staan. Dat geldt niet voor alle collegae.

Denkt u vanuit de doelgroep als u de persvoorlichting benadert voor publiciteit?
-Ja dat proberen we wel goed voor het voetlicht te krijgen. Wij hebben wel die kennis om dat goed te kunnen. Wij spreken elke dag met mensen en patiënten, die moeten het ook snappen. Dus zijn elke dag bezig met het populariseren van de wetenschap, dat is mogelijk ook een voordeel.
-Ja. Ik heb inmiddels ook al contact met mensen van de krant zelf. Meestal wel via de afdeling persvoorlichting overigens. En dan zoek ik uit voor wie het bedoeld is.
-Ik denk tweeledig. Wat is belangrijk voor onze patiënt? En wat is belangrijk voor het Radboud. Positieve publiciteit van het Radboud heeft ook weer een wervend vermogen voor onze afdeling.
Aanvullende op- of aanmerkingen, tips, advies voor verbetering?
-Misschien iets actievere rol van de persvoorlichting vanwege schroom en gêne bij collega’s. Daar zou het misschien nog verbeterd kunnen worden. Daarnaast is het belangrijk dat we wel iets te vertellen moeten hebben en niet teveel op de lijstjes moeten letten.
-Ik ben best heel tevreden. Ik ken ze goed en zij mij ook. Nou, die media-exposure lijst, ik kijk erna maar dat hoeft voor mij niet per se. Mediatrainingen geven is erg goed. Als er wat is dan zeg ik dat gewoon tegen de afdeling persvoorlichting en dan kan ik dat met hen bespreken.
-Ik heb mediatraining gehad op mijn opleiding. Ik vind dat alle hoogleraren die aantreden die cursus verplicht moeten volgen. Het geven van werkgroepen, het geven van interactieve les. Buitengewoon nuttig. Bij de introductie van hoogleraren moet er een afspraak worden gemaakt bij de afdeling persvoorlichting: geschreven, gesproken en Tv-pers.
-Een paar simpele regels:
Zorg dat je wat te zeggen hebt. Bij voorkeur moet je publicatie hebben in een top tijdschrift. Zonder dat wordt het niks. Ten tweede, zeg het in leken taal, verplaats je in de algemene lezer. Tot slot, breng de boodschap niet genuanceerd zoals veel wetenschappers doen. Dus niet zeggen dat het waarschijnlijk zo is dat … of dat nog nader onderzocht moet worden of … maar gewoon: “We hebben de aan-uit knop voor tremor gevonden!”

Wilt u de afdeling Persvoorlichting een cijfer geven? (0-10)
-
Een 7. Het is al goed maar het kan zeker nog beter. Veel UMC’s aparte bijlages voor onderzoek, hebben wij niet echt. De PR naar buiten zou wellicht nog verbeterd kunnen worden.
-7.5. Ik heb goede ervaringen, maar ooit heb ik wel eens het idee dat sommige berichten over het UMC iets beter gekund hadden.
-8+ Verder geen opmerkingen.
Gemiddeld: 7,6

Minder scorende afdelingen

Bent u op de hoogte van de media-exposure van uw afdeling?
-Ja, ik krijg ieder kwartaal een overzicht van jullie.
-Ja, want ik krijg van jullie de overzichten. En daar kijk ik uitvoerig naar.
-Ja, ik krijg van jullie de overzichten. Ik kijk er niet uitvoerig naar maar heb wel een indruk van de media-exposure.

Vindt u het belangrijk dat u in de media aandacht krijgt? Waarom?
-Nee, wij zijn een wetenschapsafdeling. We moeten voldoen aan PI-criteria en daarom moeten we wel zorgen voor aandacht in de media. Vind ik het een slim criterium? Dat weet ik niet.
-Het is voor ons moeilijk, onderzoek gaat altijd in kleine stappen. We moeten voorzichtig communiceren. Onderzoek is niet op enkele trefwoorden toe te spitsen. Dingen zijn altijd moeilijk over te brengen, waarbij de nuance altijd een groot probleem is. Wij zijn niet degene die iets uitgevonden hebben maar hebben bijgedragen aan een klein stukje van de puzzel.
-Zo veel mogelijk natuurlijk. Als er iets is wat interessant is voor de media, zullen we daar zeker gebruik van maken. Opening bijniercentrum bijvoorbeeld. Het probleem met de reguliere wetenschapspublicaties is dat we allereerst een kleine afdeling zijn, dus minder kunnen publiceren. Daarnaast zijn we een specialistische afdeling voor zeldzame ziekten, dus kleine kans dat wij in de media komen. Dus: omvang en specialisatie.
Nee niet zo heel erg. Wij zijn een ondersteunende afdeling en hebben redelijk weinig belang bij dingen die via de media lopen. We moeten goed zichtbaar zijn in de contacten met onze verwijzers.

Hoe denkt u en uw afdeling over popularisatie van wetenschappelijk onderzoek?
-Moeten we voorzichtig mee zijn. Kan ook tegen ons werken. We mogen niet te offensief in de pers komen anders moeilijkheden geven met subsidies.
-Dat is belangrijk. We willen dat de patiënten weten wat we doen, we doen veel aan onze site bijvoorbeeld. Het levert nieuwe patiënten op als er iets positiefs in staat, wat weer mogelijkheden geeft voor nieuwe subsidieaanvragen.
-Daar hebben we wel oog voor, maar steken we eigenlijk weinig energie in.
Vindt u dat een onderzoeker zich moet verkopen aan de media?

-Nogmaals, we moeten erg voorzichtig zijn. Erg genuanceerd of gewoon via de reguliere wetenschapstijdschriften.

-Als daar de gelegenheid voor is wel ja. Maatschappelijke verantwoording.

-Nee, niet zo zeer aan de media maar meer aan de subsidiegevers. Daar besteden wij wel veel tijd aan.



Denkt u dat een mediagevoelige wetenschapper of een speciaal opgeleid persoon nodig is om de afdeling in de media te krijgen?

-Dat zou wel lukken, maar wat hebben wij daar direct aan? Geen directe voordelen voor onze afdeling. In het vakgebied en in het onderwijs zit onze kwaliteit. Wij dragen wel enorm bij aan het beeld van de UMC in de media, we zijn veel in samenwerkingsverband betrokken. Maar de afdeling wordt niet expliciet genoemd in de media, terwijl de afdeling wel degelijk is betrokken. We moeten geen eigen leven in een ivoren toren willen!

-Het is altijd goed als iemand dat goed kan, dat hij dat doet of er opgeleid voor wordt. Maar wij zijn maar een kleine afdeling met vijf stafleden. Dus de mogelijkheden zijn dan ook minder. Voor grote afdelingen kan dat zeker nuttig zijn denk ik.

-Wij vinden het niet belangrijk om in de media te zijn, dat is in ons vak zeer beperkt.



Denkt u dat er een hoop publicaties niet in de publiciteit zijn gekomen terwijl deze het wellicht wel goed zouden kunnen doen in de media?

-Niet een hoop, misschien een aantal.

-Dat denk ik wel ja. Er zijn altijd kansen die we hebben laten liggen denk ik. We hebben ook wel eens dingen aangeboden aan persvoorlichting maar dat werd afgewezen. Waarschijnlijk zijn er dan te weinig mensen geïnteresseerd.

-Voor een aantal onderwerpen hebben we dat inderdaad geprobeerd, maar dat is toen niet opgepikt.



Denkt u dat het onderzoek dat op uw afdeling gedaan wordt, te fundamenteel is om in de publiciteit te krijgen?

-Nee hoor, we doen heel veel patiëntgebonden onderzoek. Het ligt meer aan het onderwerp denk ik.

-Nee. Dan zouden wij het niet draaiende kunnen houden. Veel betrokken met klinische afdelingen. Onze naam wordt alleen niet genoemd.

-Nou het is heel specialistisch, maar toch ook klinisch. Dus niet per definitie nee.



Denkt u dat het niveau van de leek gewoon niet hoog genoeg is om nieuws van deze afdeling correct te kunnen interpreteren?

-Nee. De leek is de belastingbetaler en daarvoor verantwoorden wij ons onderzoek. Het moet dus zodanig vertaald worden dat het begrijpelijk zou zijn voor de leek. We zijn wel heel voorzichtig met het benoemen van onze bijdrage aan een bepaald onderzoek. Wetenschap is een teamactiviteit.

-Dat denk ik niet, in principe moet je alles uit kunnen leggen. Nee dat is het probleem niet denk ik.

-Nee, waarom? Je moet alles kunnen uitleggen, daar speelt het niveau van de leek geen rol bij.



Vindt u dat de afdeling persvoorlichting actiever contact met uw afdeling moet zoeken?

-Voor O&O-afdelingen: Hoe komen wij in de pers terecht, hoe wordt het opgepikt? Een gesprek beginnen met wat meer voorlichting. Ook zodat de afdeling persvoorlichting begrijpt waarom wij zo voorzichtig zijn.

-Hoeft niet speciaal, we kennen de afdelingen goed en we weten ze te vinden dus dat gaat altijd goed. Er zijn geen drempels.

-Ja, ik denk dat ze een meer proactieve rol kunnen spelen. Ze zouden zich iets meer kunnen laten zien op belangrijke momenten, zoals de opening van een nieuw faciliteit.



Denkt u er niet altijd aan om de persvoorlichting te benaderen om mogelijk in het nieuws te komen?

-Ja. Zeker, voor ons is het gebeurd als het werk gepubliceerd is. Als we hoog publiceren komt het in de databanken terecht dus de prestaties zijn al zichtbaar. Behalve de PI-criteria zijn er voor ons geen toegevoegde waarde om in de media te zijn. Sterker nog, eerder een risico. Ik nodig ze van harte uit om contact met ons op te zoeken.

-Ja, ik denk dat er soms vergeten wordt om naar de persvoorlichting te stappen.

-Niet ons eerste gedachten, nee. Veel onderwerpen die wij doen lenen zich daar in beperkte maten voor, dus wij zoeken het niet op. Als wij benaderd worden is het geen probleem, maar actief iets opzoeken doen wij vaak niet.




Denkt u dat de persvoorlichters capabel genoeg zijn om moeilijke stof om te zetten in bijvoorbeeld een persbericht?

-Het is moeilijk dingen echt goed over te brengen. We moeten gevoelig zijn met veel nuances, dus dat is lastig.

-Ja hoor, daar hebben we goede ervaringen mee. Zeker capabel genoeg.

-Lang niet allemaal, wisselende ervaringen mee. Het is altijd lastig omdat persvoorlichters met andere belangen een persbericht schrijven, dan dat onderzoekers dat zouden doen.

Denkt u vanuit de doelgroep als u de persvoorlichting benadert voor publiciteit?

-Het is handig dat we daar de hulp bij hebben van persvoorlichting. Die kunnen beter toeschrijven tot de doelgroep. In overleg wordt de selectie voor de doelgroep gemaakt door de persvoorlichting.

-Niet zo zeer. Klinische vertaalslag wordt meer gedaan door de klinische afdelingen waarmee we samenwerken. Contact naar media gaat via de klinische afdeling waarmee we samenwerken.

-Ja we hebben een duidelijke doelgroep: de verwijzers of de subsidiegevers. En het lukt vaak ook om specifiek die mensen te benaderen.



Aanvullende op- of aanmerkingen, tips, advies voor verbetering?

-Maak een onderscheid tussen de O&O-afdelingen en de klinische afdelingen. Zelfs in O&O-afdelingen zitten nog verschillen. Bijvoorbeeld, fysiologie in NCMLS en fysiologie met Maria Hopman. Ben wel benieuwd hoe vergelijkbare afdelingen het doen. Bijvoorbeeld celbiologie.

Het is een deel van de taak om maatschappelijke relevantie aan te geven, dus dan willen we het goed doen.

-Nee denk het niet. We blijven kijken naar hoe we nog meer in de media kunnen komen. We vinden het natuurlijk jammer dat we maar weinig in het nieuws zijn.

-Persvoorlichters zouden wellicht proactiever te werk kunnen gaan. We maken elk jaar bedrijfsplannen waarin plannen en ambities staan waaruit zij mogelijk zaken kunnen halen die interessant zijn voor een persbericht. Wij zijn nu vooral de vragende partij.

Wilt u de afdeling Persvoorlichting een cijfer geven? (0-10)

-Twee personen hadden dermate weinig contact gehad met de afdeling dat zij de afdeling niet konden beoordelen met een cijfer.



-8. Goede ervaringen mee.




Goed scorende afdelingen

Minder scorende afdelingen

Op de hoogte zijn

Een inschatting, niet precies

Goed op de hoogte

Media aandacht belangrijk

Heel belangrijk

Niet zo belangrijk

Popularisatie onderzoek

Belangrijk

Niet zo belangrijk

Verkopen’ van onderzoeker

Ja

Niet per se

Mediagevoelige wetenschapper

Kan zeker helpen

Zou kunnen helpen, echter geen direct voordeel of te weinig personen

Actievere persvoorlichters

Over het algemeen tevreden

Mag wel iets actiever.

Persvoorlichters vergeten te benaderen

Bijna nooit vergeten

Wel vaak vergeten. Niet eerste gedachten na een onderzoek

Persvoorlichters capabel genoeg

Positieve ervaringen. Ja

Wisselende ervaringen. Soms moeilijk tussen persvoorlichter en wetenschapper (belangen, nuances)

Doelgroepgericht

Ja

Ja, met daarbij de hulp van persvoorlichting

Veel werk

Nee

X

Waarom veel in de media?

Mediagevoelige wetenschappers en - onderwerpen

X

Nieuws laten schieten?

X

Ja, waarschijnlijk wel een aantal

Niveau leek te laag?

X

Nee, alles moet uit te leggen zijn

Te fundamenteel

X

Nee, eerder te specialistisch

Advies aan afdeling persvoorlichting

Mediatrainingen verplicht stellen en meer voorlichting over persvoorlichting zodat gêne en schroom bij collegae weg gaan

Samen zoeken naar mogelijkheden om wellicht toch vaker in de media te komen
Tabel 5: Overzichtstabel interviews

X= Geen vragen over gesteld aan deze groep

3.2.2 Analyse titels


Ook de geanalyseerde titels en abstracts van de wetenschappelijke publicaties van de slechtst scorende afdeling zijn enkel uit Journal Citation Reports. De slechtst scorende afdeling was de afdeling endocriene ziekten.
Eerst zijn alle abstracts bij de titels gezocht. De lijst met deze titels is te vinden in bijlage 3. De titels zijn bekeken en de abstracts gelezen. Op basis van deze gegevens zijn er, in samenwerking met een persvoorlichter, vervolgens conclusies getrokken of het zeker, mogelijk of niet bruikbaar was voor een persbericht. Ook werd bij alle publicaties gekeken in wat voor een wetenschappelijk blad het gepubliceerd was. Hierboven is te lezen dat de afdeling endocriene ziekten in de periode 2009 tot en met 2010 maar één maal in de media is geweest, en wel met een persbericht. Daarnaast gaven we aan dat deze afdeling 59 wetenschappelijke artikelen heeft gepubliceerd in vrijwel dezelfde periode.
Onderstaand figuur geeft de verdeling weer na analyse naar de bruikbaarheid van de onderwerpen van de wetenschappelijke publicaties:

Figuur 1: Bruikbaarheid van de wetenschappelijke publicaties op basis van de titels en abstracts


Figuur 1 geeft weer dat 71% zeker niet in aanmerking zou komen voor een persbericht of andere exposure in de media. De redenen hiervoor zijn voornamelijk dat de publicatie nieuws bevat die belangrijk is voor arts of onderzoeker, maar niet interessant is voor de patiënt. Vaak is dit onderzoek naar methoden voor het beter uitvoeren van ander onderzoek of diagnostische testen. Daarnaast bevatte een aantal publicaties niet genoeg nieuwswaarde. Dit kunnen bijvoorbeeld reviews zijn waarin wordt samengevat wat al bekend is over een bepaald ziektebeeld. Ook hadden enkele publicaties geen harde conclusies en waren daardoor moeilijk vertaalbaar naar nieuws voor de media. Tot slot waren een aantal publicaties dermate gespecificeerd dat het waarschijnlijk niet zou lukken om er een begrijpelijk nieuwsfeit uit te halen.

In het figuur is te zien dat 19% mogelijk toch in aanmerking zou kunnen komen voor een persbericht of andere exposure in de media. Hierbij waren de onderwerpen of conclusies interessant genoeg, maar was er meer informatie nodig om het daadwerkelijk in bijvoorbeeld een persbericht te kunnen gieten. Bij sommige publicaties was er iets meer context nodig of was de aanleiding voor het onderzoek nog niet bekend.

De laatste 10% in het figuur zijn de publicaties die achteraf gezien zeker in de media hadden kunnen komen. Deze publicaties hadden duidelijke conclusies, bestreken onderwerpen die erg mediagevoelig zijn (baby’s, genetica) en waren direct interessant voor de patiënt of leek.





1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina