Jurre Keijzers Student Biomedische Wetenschappen Communicatiestage Samenvatting



Dovnload 215.01 Kb.
Pagina3/7
Datum20.08.2016
Grootte215.01 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

4 Discussie



Het contact van het UMC St Radboud met de pers verloopt via de afdeling persvoorlichting. Afdelingen in het ziekenhuis kunnen bij de persvoorlichting terecht als ze een persbericht naar buiten willen brengen. En de persvoorlichting kan bij de afdelingen terecht wanneer de pers ernaar vraagt. In dit onderzoek zijn we gaan zoeken naar de verklaringen voor het feit dat er een groot verschil is in media-exposure tussen de verschillende afdelingen. We hebben dit vraagstuk zowel kwantitatief als kwalitatief benaderd. De onderzoeksvragen daarbij waren:

  • Waarom scoren sommige afdelingen niet of nauwelijks in de media terwijl andere dat wel doen?

  • Is er een verband tussen het aantal wetenschappelijke publicaties van een bepaalde afdeling en de aanwezigheid van die afdeling in de media?

  • Wat zijn de wetenschappelijke impacts (volgens citatiescore) van die publicaties?

Uit de kwantitatieve analyse kwam naar voren dat de minder scorende afdelingen vele malen minder in de media komen dan goed scorende afdelingen. Natuurlijk zijn de afdelingen gekozen op basis van hun media-exposure, maar het verschilt soms wel bijna 100 onderwerpen en meer dan 200 bronnen. Dit kan liggen aan het feit dat deze afdelingen ook minder wetenschappelijk publiceren. Maar als we dit dan vergelijken met het aantal publicaties en de gemiddelde impact, valt het op dat dit verschil niet zo groot is. Weer scoren de mindere afdelingen slechter dan de goede afdelingen, maar hun gemiddelde impactscore is daarentegen zelfs hoger. Het verschil in media-exposure is vele malen groter dan het verschil in wetenschappelijke publicaties. Dit betekent dat er andere redenen moeten zijn voor het laag scoren in media-exposure.

Daartoe hebben we ook een kwalitatieve analyse uitgevoerd door middel van interviews en analyse van titels van wetenschappelijke publicaties. De belangrijkste zaken die daaruit naar voren kwamen zullen we nu bespreken. Het viel op dat de minder scorende afdelingen het minder belangrijk vinden om media aandacht te krijgen, hun onderzoek te populariseren of zich als onderzoeker te ‘verkopen’. Dit kwam voornamelijk omdat ze geen belang hechten aan of direct voordeel zien van het in de media komen met hun onderzoek. Ook denken ze er vaak niet aan om naar de afdeling persvoorlichting te gaan. Er werd aangegeven dat sommige klaar waren met het onderzoek wanneer het gepubliceerd is en dan vaak alweer bezig waren met een volgend onderzoek. Goed scorende afdelingen gaven juist aan media- aandacht erg belangrijk te vinden. Een mogelijke verklaring is dat goed scorende afdelingen de meer klinische afdelingen zijn en daardoor meer belang hechten aan de terugkoppeling naar patiënt en leek. De minder scorende afdelingen zijn de wat ‘hardere’ onderzoeksafdelingen en hechten veelal belang aan het verkrijgen van subsidie.


Bij de analyse naar de titels van de wetenschappelijk publicaties van de slechtst scorende afdeling viel het op dat er veel nieuws is blijven liggen. Zo blijkt dat 10 procent zeker in aanmerking zou kunnen komen voor een persbericht of ander nieuwsbericht. Bovenop die 10 procent zou 19 procent mogelijk met meer informatie ook kunnen leiden tot een bericht. Omdat we maar één afdeling hebben geanalyseerd op titels, kunnen we geen uitspraken doen over de andere afdelingen, maar deze cijfers geven wel aan dat het erop lijkt dat veel nieuws nog blijft liggen.

Een aantal hypotheses kunnen we na dit onderzoek bevestigen:



  • Zaken rondom kinderen en geboorte van kinderen doen het goed.

Dit klopt, tijdens het interview op de afdeling verloskunde kwam dit al naar voren en tijdens de analyse van de titels bleek dit eveneens. Ook het onderwerp neurologie doet het vaak goed in de media. De samenleving hecht blijkbaar veel waarde aan onderzoek rondom nieuw leven en herkenbare ziekten. Geboorte van een kind maakt iedereen wel mee in zijn omgeving, evenals een persoon met een neurologische ziekten.

  • Mediagevoelige wetenschappers zijn nodig om genoeg in de media te komen.

Tijdens de interviews was hier iedereen wel mee eens, al vroegen sommige zich af wat het directe belang was voor de afdeling.

  • Fundamenteel onderzoek is minder toegankelijk voor leken en zal daarom minder vaak voorkomen in de media dan toegepast onderzoek.

Dit blijkt uit het feit dat afdelingen die fundamenteel onderzoek doen, dit vaak doen in samenwerking met een meer klinische afdelingen. Deze klinische afdelingen krijgen dan inderdaad vaak de media-exposure in plaats van de fundamentele afdeling.

  • Minder scorende afdelingen publiceren minder wetenschappelijke publicaties.

Dit is in absolute zin wel zo, echter is er niet gecorrigeerd voor de grootte van de afdelingen, het kan dus zo zijn dat de minder scorende afdelingen ook de kleinere afdelingen zijn.

  • De mensen op de afdeling hebben geen behoefte aan media-aandacht of vinden het niet belangrijk genoeg hier moeite voor te doen.

Dit blijkt dus inderdaad zo te zijn bij de minder scorende afdelingen. Voor hen is er geen belang bij het in de media verschijnen.



  • Persvoorlichters zijn niet capabel genoeg moeilijk stof om te zetten in een persbericht.

Dit is niet direct zo. Maar er wordt weleens aangegeven dat het lastig kan lopen tussen de onderzoeker en de persvoorlichter. Duidelijkheid is het belangrijkste voordeel van de journalist bij het presenteren van wetenschappelijke informatie, terwijl de betrouwbaarheid en precisie die zijn van wetenschappers.3,8 Meerdere keren is aangegeven dat nuances heel belangrijk zijn.
De hypothese die we kunnen verwerpen is dat de onderwerpen te moeilijk zouden zijn qua stof. Hier was iedereen het niet mee eens, aangezien alles uit te leggen moet zijn: “Nee waarom? De leek is de belastingbetaler en daarvoor verantwoorden wij ons onderzoek. Het moet dus zodanig vertaald worden dat het begrijpelijk zou zijn voor de leek.”
Tot slot zijn er nog wat verbeterpunten voor vervolgonderzoek aan te geven. Zo is er niet gecorrigeerd voor de grootte van afdelingen. Hierdoor kunnen de verschillen in publicaties verkeerd zijn geïnterpreteerd.

Daarnaast is er geen onderscheid gemaakt tussen Onderzoek&Ontwikkeling- afdelingen (O&O) en klinische afdelingen. Dit kan mogelijk hebben gezorgd voor een selectiebias, wat weer invloed kan hebben om de cijfers.

Tenslotte is het een kleinschalig onderzoek (6 afdelingen) geweest en zijn de resultaten en conclusies niet direct te extrapoleren naar alle afdelingen in elk UMC.



1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina