Jurre Keijzers Student Biomedische Wetenschappen Communicatiestage Samenvatting



Dovnload 215.01 Kb.
Pagina4/7
Datum20.08.2016
Grootte215.01 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

5 Advies



Op basis van de voorgaande discussie en ervaringen vanuit de interviews zullen we nu een aantal punten benoemen die mogelijk de media-exposure voor een afdeling kunnen bevorderen. We zullen een advies geven voor zowel de minder scorende afdelingen en de goed scorende afdelingen, als voor de afdeling persvoorlichting zelf.

Het lijkt wellicht overbodig om goed scorende afdelingen advies te geven om zodoende nog meer in de media te komen. Echter kunnen ze ervoor zorgen dat eventuele barrières bij collega’s door gêne of schaamte weggenomen worden door te bespreken hoe het nu precies in zijn werking gaat bij de afdeling persvoorlichting. Het is namelijk gebleken dat het contact opnemen met afdeling persvoorlichting nog wel eens een drempel kan zijn. Blijkbaar denken mensen dat afdeling persvoorlichting altijd contact met hen opneemt.

Om te zorgen dat de minder scorende afdelingen meer in de media gaan komen is het van belang om te proberen hun visie omtrent het populariseren van hun wetenschappelijk onderzoek te veranderen. De afdelingen moet worden uitgelegd dat media-exposure wel degelijk belangrijk is en ook belang heeft voor hun afdeling. Onderzoek wijst uit dat het geloof van de onderzoeker in de invloed van de media zijn motivatie en inzet verhoogt om ook daadwerkelijk in de media te komen.9 Een ander onderzoek dat als basis de ‘theory of planned behaviour’ heeft gebruikt, concludeert dat de intentie van onderzoekers om in de media te komen wordt bepaald door gedrag in het verleden (in hoeverre hebben ze al geparticipeerd in de media in het verleden), attitude (of wetenschappers het participeren in de media als positief beschouwen), ervaarde controle over gedrag (in hoeverre wetenschappers het gevoel hebben dat ze kunnen participeren in de media), en subjectieve normen (hoeveel wetenschappers denken dat hun collegae participeren in de media). Daarentegen, subjectieve normen, morele normen, ervaren geschiktheid van het onderzoek, carrière erkenning, en tijd- en geldbeperkingen voorspelden niet significant de intentie om te participeren in de media.10


Daarnaast zijn er enkele zaken die de onderzoekers, op basis van dit onderzoek, zouden kunnen motiveren. Ten eerste is het belangrijk om in de media te komen om onjuiste beeldvorming over medische onderwerpen in de samenleving te voorkomen. Als onderzoeker let je op de actualiteiten in het land en speelt daar zonodig op in. Daarnaast moet het publiek op de hoogte zijn van je activiteit. Dit voorkomt dat mensen je gaan beschuldigen dat je je in een ivoren toren bevindt. En uit onderzoek blijkt dat lezers regelmatige korte berichtjes prefereren in plaats van af en toe een diepgaand en langer bericht.3 Dit pleit voor frequentere berichtjes wat leidt tot meer media-exposure.

Natuurlijk moet er met nieuws wat naar buiten gaat vooral gefocused worden op de patiënt. Echter het UMC positief in de media brengen heeft ook voordelen. Positieve publiciteit voor het UMC is indirect dus ook positieve publiciteit voor elke afdeling.

Tot slot moet de maatschappelijk verantwoording nogmaals benadrukt worden voor de afdelingen. Het is belangrijk dat ze zich bewust zijn van het feit dat een groot deel van het geld waarmee ze onderzoek doen, het geld is van de burger. Het is dus belangrijk om te laten zien wat met hun geld gedaan wordt.

Gedurende het onderzoek bleek dat de inzet er wel is bij de afdelingen, ondanks dat ze vinden dat het geen belang heeft om in de media te komen. Aandacht hieraan besteden is dus erg nuttig. De afdelingen moeten begrijpen dat het opkomende populariseren van de wetenschap onontkoombaar is, je kunt dus het beste zo snel mogelijk erin mee gaan. Wat afdelingen kunnen doen om iets populairder hun wetenschappelijke publicaties te presenteren, is het bedenken van een goede titel. Dit kan ervoor zorgen dat het onderzoek in een andere context wordt geplaatst waardoor het makkelijker wordt opgepikt. Daarnaast is het streven naar een probleem-oplossing patroon in je onderzoek ook gunstig. Een journalist zal altijd streven naar zo een patroon.4 Een probleem-oplossing patroon beschrijft de opzet van een onderzoek waarbij expliciet het probleem wordt genoemd en in het onderzoek getracht wordt de oplossing te geven.

Tot slot is het belangrijk dat de afdeling weet dat zij het laatste woord heeft als het gaat om de inhoud van een persbericht. In overleg wordt er een zo goed mogelijk persbericht opgesteld waarin zowel de onderzoekers als de persvoorlichters hun boodschap kwijt kunnen. Uiteindelijk heeft de onderzoeker altijd het recht nog wijzingen door te voeren.

Belangrijk is wel de onderzoeker en zijn afdeling in ogenschouw neemt wat de doelgroep wilt horen of weten. Openingen van nieuwe gebouwen en verhuizingen naar andere afdelingen zijn bij voorbaat minder geschikt voor bijvoorbeeld een persbericht.


Ook voor de afdeling persvoorlichting zijn er mogelijke aandachts- en/of verbeterpunten. Uit de interviews zijn een aantal zaken naar voren gekomen die als goede aangrijpingspunten kunnen functioneren voor een betere samenwerking tussen de afdeling persvoorlichting en de overige afdelingen.

Zo zijn de mediatrainingen een aantal keren beoordeeld als erg nuttig door de onderzoekers. Dus het standaard invoeren van mediatrainingen bij bijvoorbeeld alle hoogleren is aan te raden. Dit wordt ook ondersteund door onderzoek naar wetenschapscommunicatie.11 In dit onderzoek werd communicatietraining geëvalueerd met behulp van deskundigen in de wetenschapscommunicatie. Zoals eerder genoemd wordt de goed scorende afdelingen geadviseerd de collega’s in te lichten zodat barrières of gêne verdwijnen. Natuurlijk kan ook de afdeling persvoorlichting hier voorlichting over geven. Ze kunnen uitleggen dat wanneer een afdeling niets hoort van de afdeling persvoorlichting, dit niet meteen betekent dat het onderzoek niet interessant is voor de media. Daarnaast kunnen ze het algemene belang aangeven van contact zoeken met de media.

Wellicht moet de afdeling persvoorlichting toch meer actief contact opnemen met afdelingen. Dan kunnen ze samen zoeken naar mogelijkheden om vaker in de media te komen. Daarbij kunnen ze meer openstaan voor nuances, want dat is het grote probleem tussen persvoorlichters en onderzoekers. Als de afdeling persvoorlichting actiever op zoek gaat binnen de afdelingen kan wellicht de 10 procent verloren nieuws aangesproken worden. Daarentegen als de afdelingen zelf betere titels gebruiken en het probleem-oplossing patroon invoeren, is het voor de afdeling persvoorlichting makkelijker om de nieuwswaarde erin te ontdekken.

Daarnaast kwam in een interview naar voren dat niet elke afdeling die in een samenwerkingsverband onderzoek doet, altijd expliciet in het nieuws terugkomt. De afdeling persvoorlichting moet trachten altijd alle afdelingen te noemen die aan het betreffende hebben meegewerkt, zodat ook die afdelingen hun media-exposure krijgen.

Naast deze zaken kan de afdeling persvoorlichting hun adviestaak meer benadrukken. De kans is groot dat afdelingen dan vaker toenadering zoeken voor advies en mogelijk leidt dit ook tot meer samenwerking wat betreft persberichten.
Tot slot is het raadzaam, de afdeling persvoorlichting in het standaard traject van onderzoek/publiceren op te nemen. Als het een standaard procedure wordt om de afdeling persvoorlichting in te lichten, wennen mensen aan het idee dat populariseren er tegenwoordig bij hoort. Daarnaast wordt het routine en zal het niet meer vergeten worden. Uiteindelijk is het doel dat het vanzelfsprekend wordt dat je je publicatie, naast de reguliere wetenschappelijke tijdschriften, ook publiceert in de media.



1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina