Jurre Keijzers Student Biomedische Wetenschappen Communicatiestage Samenvatting



Dovnload 215.01 Kb.
Pagina7/7
Datum20.08.2016
Grootte215.01 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

Persbericht

Nijmegen, 27 april 2011



Vallen Verleden Tijd voor mensen met reumatische ziekte


Het valpreventieprogramma ‘Vallen Verleden Tijd’ vermindert het aantal valpartijen van patiënten met een reumatische ziekte met veertig procent. Dit blijkt uit promotieonderzoek van fysiotherapeut en bewegingswetenschapper Ellen Smulders, uitgevoerd bij de Sint Maartenskliniek. Zij promoveert op 2 mei aan het UMC St Radboud.

Per jaar belanden 50.000 mensen met een botbreuk op de spoedeisende hulp omdat ze gevallen zijn. Ongeveer negentig procent van alle heupfracturen is het gevolg van een val. Met name bij patiënten met een reumatische ziekte is het risico op een val groot. Het viel Smulders op dat er weinig aandacht is, zowel in de literatuur als in de praktijk, voor valpartijen bij reumatische ziekten. Zij richtte haar onderzoek op twee reumatische ziekten: osteoporose en reumatoïde artritis. Deze ziekten gaan gepaard met balansproblemen en de patiënten functioneren fysiek minder goed. Ook hebben ze een verhoogde kans op botbreuken als gevolg van zwakke botten.



Val breken
Om bij gezonde ouderen vallen te voorkomen heeft revalidatiegeneeskundige dr. Vivian Weerdesteyn voor de Sint Maartenskliniek enkele jaren geleden het valpreventieprogramma ‘Vallen Verleden Tijd’ ontwikkeld. In het programma worden mensen op allerlei manieren getraind. Deelnemers werken onder andere op een hindernisbaan en ze krijgen meerdere spelvormen aangeboden. Bovendien bevat het programma valtechnieken uit judo, die de patiënten aangeleerd krijgen om een val te breken. Alle elementen van het programma zijn gerelateerd aan activiteiten uit het dagelijks leven.

Vijf weken
Smulders heeft Vallen Verleden Tijd aangepast voor gebruik door patiënten met osteoporose. Vervolgens heeft ze het programma bij deze patiëntengroep getest. Daarnaast heeft ze met een kleine studie onderzocht of het ook toepasbaar is bij reumatoïde artritis. Uit de resultaten bleek dat het programma zorgde voor een vermindering van veertig procent in het aantal valpartijen. Daarnaast kregen de patiënten meer vertrouwen in hun eigen balanshandhaving. Smulders: ‘Uniek aan dit programma is dat het maar vijf weken duurt en dat de patiënten valtechnieken leren’. Op dit moment wordt het valpreventieprogramma alleen aangeboden door de Sint Maartenskliniek in Nijmegen en Woerden. Het is de bedoeling dat het ook op andere plaatsen in Nederland beschikbaar komt.

Voor de nieuwsrubriek op de UMC-website



Diagnostische testen nemen angst van patiënt niet weg

Een van de belangrijkste taken van een huisarts is het geruststellen van de patiënt. Psychiater in opleiding en onderzoekster Hiske van Ravesteijn heeft een studie uitgevoerd naar de geruststellende waarde van diagnostische testen. Het onderzoek, uitgevoerd op het UMC St Radboud, verschijnt binnenkort in het Journal ‘Patient Education and Counseling’.

Huisartsen gebruiken diagnostisch onderzoek vaak om de patiënt gerust te stellen en zo de angst voor een ziekte weg te nemen. Patiënten met blijvende vermoeidheid worden bijvoorbeeld doorverwezen voor bloedonderzoek of mensen met blijvende hoofdpijn krijgen een scan. Als huisartsen gevraagd wordt, waarom ze een bepaald onderzoek aanvragen, staat het geruststellen van de patiënt op de vierde plaats. Bij elf procent van de aanvragen was het zelfs de hoofdreden om de test aan te vragen.

Van Ravesteijn heeft in de literatuur gezocht naar een antwoord op de vraag of het aanvragen van een onderzoek de angst van de patiënt daadwerkelijk wegneemt. Ze analyseerde vijf studies op het effect van diagnostische testen op de angst bij de patiënt. Daaruit bleek dat mensen die een diagnostisch onderzoek hadden gekregen, niet minder angstig waren dan degenen die zo’n onderzoek niet hadden gehad. Van Ravesteijn heeft dus geen bewijs gevonden voor het geruststellende effect van een diagnostische test. In tegendeel, uit ander onderzoek blijkt dat sommige diagnostische testen patiënten juist angst kunnen aanjagen.

Van Ravesteijn adviseert huisartsen om eerst de angsten van de patiënt in kaart te brengen. Een afwachtend beleid kan diagnostische testen in sommige gevallen onnodig maken. Daarnaast is het belangrijk om voorafgaand aan de test voldoende informatie te geven over normale testresultaten. Van Ravesteijn: "In Nederland zijn we relatief terughoudend in het uitvoeren van diagnostiek, toch vormt ook hier het diagnostisch onderzoek een grote kostenpost. Soms kan een test het enige middel lijken om iemand gerust te stellen. De resultaten van deze studie bieden artsen een extra argument om eerst aandacht te besteden aan de bezorgdheid van de patiënt”.





Persbericht

Nijmegen, 14 juni 2011



Tandarts kan helpen bij stoppen met roken


Tandheelkundigen kunnen hun cliënten goed adviseren en begeleiden in het stoppen met roken. Tandarts-onderzoeker Josine Rosseel onderzocht, begeleid door de afdeling IQ-healthcare van het UMC St Radboud, hoe advies en ondersteuning bij het stoppen met roken door tandheelkundige hulpverleners in hun dagelijkse praktijk kan worden verbeterd.

De tandheelkundige beroepsgroep (tandartsen, mondhygiënistes en assistentes) kan een actieve rol spelen in preventie van tabaksverslaving. Dit bepleit de nationale richtlijn voor de behandeling van tabaksverslaving. Deze hulpverleners zien hun cliënten regelmatig, vaak twee maal per jaar, en de cliënten zijn veelal gezond. Rosseel vond in haar promotieonderzoek bij het UMC St Radboud dat mondgezondheidsklachten, bijvoorbeeld tandverkleuring en tandvleesproblemen, goede aanknopingspunten vormen voor de discussie over stoppen met roken. Dit maakt de tandheelkundige praktijk een goed startpunt voor preventie van tabaksverslaving.



Positieve cultuur
Rosseel stelt vast, dat feedback van patiënten de tandheelkundige medewerkers stimuleert om de richtlijnen voor behandeling van tabaksverslaving beter na te leven. Ook ondersteuning van collega’s beïnvloedt de advisering en ondersteuning positief, evenals de eigen overtuiging van de verschillende tandheelkundige medewerkers. Sociale steun hielp tandheelkundige medewerkers om meer advies en ondersteuning te geven. “Er moet een positieve cultuur rondom stop-roken advisering gecreëerd worden”, zegt Rosseel.

Barrières voor tandheelkundig hulpverleners om een stop-roken advies te geven zijn voornamelijk tijdgebrek en de angst om het vertrouwen van de cliënt te beschamen. Ook blijkt dat de kennis van tandheelkundige medewerkers op dit gebied nog te wensen over laat.



Richtlijnen aanpassen
Rosseel heeft een strategie ontwikkeld om tandheelkundige hulpverleners beter in staat te stellen een actieve rol te spelen in preventie van tabaksverslaving. Deze strategie bestaat uit educatie geven aan de tandheelkundige beroepsgroep, terugkoppeling van patiënten, , een positieve cultuur creëren rondom het stoppen met roken en organisatorische interventies aanbieden, zoals de mogelijkheid tot doorverwijzen naar een specialist en het hanteren van protocollen . De resultaten bevestigen dat stop-met-roken advisering en begeleiding meer dan nu een rol zou moeten spelen in de tandheelkundige praktijk.
Volgens Rosseel kunnen de huidige richtlijnen worden aangepast op basis van de resultaten van haar onderzoek.



Persbericht

Nijmegen, 9 juni 2011



Klassieke kunstheup doet het goed bij de jonge patiënt


Totale heupprothesen hebben bij jonge patiënten goede resultaten en zijn ook goed reviseerbaar. Orthopedisch chirurg in opleiding Daniël de Kam deed onderzoek naar heupprotheses bij jonge patiënten en vooral ook naar de mate waarin ze zo nodig te vervangen zijn door een nieuwe. Hij promoveert op 16 juni aan het UMC St Radboud.

In Nederland worden jaarlijks bijna 21.000 totale heupprothesen geplaatst. De totale heupprothese is één van de meest succesvolle medische interventies van de afgelopen decennia. De resultaten bij oudere patiënten zijn doorgaans goed, maar juist bij jongeren patiënten, onder de vijftig jaar, wisselend. Dit komt doordat jonge patiënten actiever zijn en hun prothese zwaarder belasten.


Daarnaast hebben jonge patiënten vaak een onderliggende ziekte die gepaard gaat met soms forse destructie van de heupkom, bijvoorbeeld congenitale heupdysplasie of reumatoïde artritis.
Het UMC St Radboud is het eerste ziekenhuis in Nederland, dat een grote studie van alle in de loop der tijd geplaatste heupprotheses heeft opgezet en internationaal gepubliceerd heeft. De Kam heeft deze resultaten geëvalueerd voor patiënten onder de vijftig jaar. Hij zegt: “Pas na tien jaar kun je zeggen of een prothese het goed doet of niet. Daarnaast willen wij graag transparant zijn naar de patiënt over de prestaties van onze protheses”.

Cement
Bij een totale heupvervanging kan worden gekozen voor het plaatsen van een prothese met cement en zonder cement. Uit voorgaand onderzoek blijkt dat bij patiënten onder de 50 jaar de gecementeerde prothesen het beter doen dan ongecementeerde prothesen. In het Radboud heeft 86 procent van de patiënten na tien jaar nog geen problemen met de protheses. Dit hoort wereldwijd tot de betere resultaten. De Kam vond dat dit ook geldt voor de vervangingen van deze prothesen. Hierbij zijn er bij 91 procent van de patiënten na vijf jaar nog geen problemen met de protheses.
Deze klassieke aanpak met behulp van cement is nog steeds in gebruik in het UMC St Radboud vanwege de goede resultaten. De Kam laat zien dat de resultaten van de gecementeerde prothesen nog steeds aantrekkelijk zijn en dat ze zeer geschikt zijn om te gebruiken bij jonge patiënten omdat ze ook nog eens goed te vervangen zijn. Dit is erg belangrijk, want een jonge patiënt zal hoe dan ook eens in zijn leven een revisie (het opnieuw plaatsen van een kunstheup) moeten ondergaan.

Botsnippers
Ook vond de Kam uit meerdere studies dat de heupkommetjes die een reconstructie met botsnippers ondergingen, het beter doen dan de kommetjes zonder deze reconstructie. Botsnippers worden gebruikt bij patiënten met een heup in een erg slechte toestand. Met deze techniek is het zelfs mogelijk om grote defecten opnieuw te reconstrueren, met uiteindelijk normaal, eigen bot.
De Kam: “Daarom hebben we besloten om bij alle jonge patiënten voortaan botsnippers te gebruiken.”



Persbericht

Nijmegen, 1 juli 2011



Eerste dag meeste risico’s tijdens Nijmeegse Vierdaagse

Wandelaars aan de Nijmeegse Vierdaagse hebben op de eerste wandeldag de grootste verstoringen in de water- en zouthuishouding, vaak met uitdroging tot gevolg. Ook de fysieke belasting is dan het hoogst. Mannen en lopers met overgewicht hebben een nog groter risico op uitdroging, zeker bij warm weer. Opmerkelijk is ook dat een deel van de wandelaars een sterk verhoogd troponine laat zien; troponine is een eiwit dat een indicatie geeft voor mogelijke schade aan de hartspier. Deze bevindingen deed Thijs Eijsvogels van de afdeling Fysiologie van het UMC St Radboud. Eijsvogels promoveert 8 juli, op vier jaar Vierdaagseonderzoek.

Thijs Eijsvogels maakte van 2007 tot 2010 deel uit van de onderzoeksgroep van inspanningsfysioloog prof. dr. Maria Hopman van het UMC St Radboud. Hij heeft bij 361 wandelaars onderzoek gedaan naar het effect van langdurige inspanning op de fysiologie van de mens. In tegenstelling tot veel andere duursporten was er nog weinig bekend over de effecten van langdurig wandelen.



Veel uitdroging op eerste dag
Eijsvogels stelde vast dat wandelaars op de eerste dag van de Vierdaagse het meeste risico lopen op uitdroging. Op deze dag vertoont 21 procent van de deelnemers uitdrogingsverschijnselen en heeft 15 procent een verstoorde zoutconcentratie in het bloed. Vooral mannen en lopers met overgewicht hebben een verhoogd risico. Daarnaast is de hartslag het hoogst op de eerste dag van het evenement. Na de eerste dag nemen de risico’s op een verstoorde water- en zoutbalans sterk af. Eijsvogels: ’Het lichaam past zich dus aan als het zich meerdere dagen achter elkaar inspant’.

Troponine
Eijsvogels onderzocht ook welk effect langdurig wandelen heeft op het vrijkomen van troponine in het bloed. Een verhoogd troponinegehalte duidt normaal gesproken op schade aan het hart. Eerder onderzoek wees al uit dat duursporters die zich zeer intensief inspannen eveneens een verhoogd troponinegehalte kunnen vertonen, zonder dat zij hartschade hebben. Eijsvogels ontdekte dat dit zich niet beperkt tot zeer intensieve duursporten. Ook tijdens de Vierdaagse vertoonden wandelaars een verhoogd troponinegehalte, zonder dat zij hartschade hebben.

Wandeltips
Vier jaar Vierdaagse-onderzoek heeft geleid tot waardevolle gezondheidsinzichten en adviezen, waar wandelaars tijdens de Vierdaagse hun voordeel mee kunnen doen. Thijs Eijsvogels: ‘Ik adviseer mensen op de eerste wandeldag extra te drinken om uitdroging te voorkomen. Dat geldt nog eens extra voor mannen en lopers met overgewicht. Gewichtsverlies is in dit soort situaties vochtverlies. Dat moet je voorkomen. Is het warm weer, neem dan vaker een pauze, maar rust weer niet te lang bij regen en wind. Dit houdt de lichaamstemperatuur stabiel. Eet voldoende tijdens en na het wandelen en last but not least: train bij mooi en slecht weer.’



1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina