Kaag polder kaai – aanlegplaats, gier, ka(de), losplaats, rede, ree, perron, waterkant kaaiman



Dovnload 1.11 Mb.
Pagina11/19
Datum22.07.2016
Grootte1.11 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   19

kluwen   bal, bol, bos, bosje, kloen, knoedel, knot, wrong

kluwen wol - knot

kluwenen - kloenen

kluwentje - knot

klijnsnijden - stuksnijden

klysma - lavement

k.m.a. - kilacadmon

kmeson - kaon

knaagbuideldier - wombat

knaagdier  

3 rat


4 egel, fret, haas, mara, muis, paca, paka, trui,

5 bever, bisam, cavia, konijn, moere,

6 agoeti, dakrat, kamrat, knager, marmot, molrat, pekari, zakrat, ziesel

7 bosmuis, goffer, hamster, heihaas, kerkrat, lamprei, langoor, lemming, neusrat, pinegel, relmuis, renmuis, rilmuis, trekrat, veldrat, wipmuis, woelrat, zakmuis

8 aardmuis, beverrat, bremhaas, civetkat, duinhaas, eekhoorn, hokkonijn, huismuis, kleihaas, lampreel, landmuis, leporida, moerhaas, pacarama, veldmuis, voedster, voskonijn, waterrat, whistler, woelmuis, zandhaas, zwijnegel

9 buidelrat, duinkonijn, dwergmuis, eikelmuis, hazelmuis, kelderrat, moerkonijn, muskusrat, rammelaar, slaapmuis, spitsmuis, waterzwijn, wortelrat, zeevarken

10 boomslaper, chinchilla, heiknapper, klapperrat, mormeldier, sneeuwhaas, springhaas, springmuis, tuinslaper,

wangzakrat, woestijnrat



  1. oudhamster, knagelijntje, prairiehond, rattenbever, zevenslaper, zilverkonijn

  2. aardeekhoorn, stekelvarken

14 brandneuskonijn,

15 guinees biggetje,



16 boomstekelvarken

knaagdier in Zd. Amerika - agoeti

knaagdieren - buidelrat, konijn, rodentia

knaagdierenfamilies   eekhoorns, hazen, muizen, ratten knaagdierenziekte   tularaemie

knaak - rijksdaalder

knaap   beuker, boodschapper, efebe, hefboom (wagenlichter), jongen, jongeling, kerel, klampje (scheepsterm), kleerhanger, knoert, schildknaap, tafeltje (driepotig, klein), vent, wapendrager,

knaapje   jongetje, kind, klerenhanger, klerenstaander

knaapjeskruid - standelkruid

knabbelen - knagen, knibbelen

knagen - knabbelen

knaging - inbijting, invreting

knaging van het geweten - spijt, wroeging

knak   barst, breuk, nadeel, schade, scheur

knakenpoetser - duitendief, vrek

knakken   breken, knikken, kreuken, verwoesten, zwikken

knakkend geluid - krak

knakker - kerel, vent

knakworst - Frankforter, knakje,

knal   detonatie, explosie, klap, ontploffing , plof, pof, slag

knalbonbon - pedofiel, pistache, sodomieter

knaldemper - knalpot

knalgasbacterie - Hydrogenomonas

knalgoed - dondergoud, donderpoeder, goudpoeder, goudzand,

knalgoud - dondergoud

knalkwik - kwikfulminaat

knallen   dichtslaan, exploderen, paffen, ploffen, schieten, slaan

knallend geluid voortbrengen   exploderen, knetteren, ontploffen, ploffen

knalpoeder - buskruit

knalpot - demper, uitlaat

knalsignaal bij de spoorwegen - pétard

knal van een vuurwapen - paf

knalzilver - donderpoeder, donderzilver

knap   aardig, abel, bedreven, begaafd, behoorlijk, bekoorlijk, bekwaam, bevallig, engsluitend, ervaren, fatsoenlijk, flink, fraai, geleerd, geluid, geniaal, goed, intelligent, kranig, kundig, lief, mooi, nauw, netjes, nogal, onderlegd, onderwezen, ontwikkeld, schoon, schrander, slag, snedig, verstandig, vlug, welgemaakt, welgesteld, welgevormd, wijs

knap stukje werk - prestatie

knapenliefde - pederastie

knapenschender - pederast

knap gevonden oplossing - trouvaille

knaphandig - bekwaam, waardig

knapheid - geleerdheid, netheid, vaardigheid

knap iemand - bolleboos

knapjes   flink, krap, netjes, proper, vlug, zeer

knap meisje - schone, spetter

knap mens - bol, bolleboos, genie, kei, knapperd, kraan, uitblinker

knappe jongen - adonis, spetter

knappe kerel - bollebof

knappe kerel (jongeling) - adonis, mooierd

knappe kop - geleerde, genie, kei

knappe rekenaar - rekenmeester

knappen   breken, barsten, knetteren, splijten, springen

knappen met heldere klank - knitteren

knappend - croquant, krokant

knappend breken - afknappen

knappend geluid voortbrengen - knetteren

knapperen - knetteren, petilleren

knapperend - knetterend, petillant

knapperig - bros, brokkelend, crepitatie, croquant, geroosterd knappend

knap redenaar - Cicero, Demosthenes

knapste - primus

knapzak - eetzak, ransel, stikzak, voedseltas

knar   boomtronk, gierigaard, gortenteller, hoofd, kluif, kop, kraakbeen, krent, schonk, (s)tronk, vrek

knarpen - knarsen, knerpen, knoerpen, kraken

knarren - knerpen

knars - knarsebeen, knor, kraakbeen

knarsbeen - kraakbeen

knarsen - knarpen, knerpen, knierpen, knoerpen, knirpen, knisperen, zaniken, zeuren

knarsend - knarsetanden, krakend, krassend, krakend, krijzeltanden, schurend

knautia - honingbloem, scabieuse

knauw   beet, beschadiging, bete, druk, grauw, hap, knak, knoei, nadeel, snauw

knauwen - beschadigen, bijten, happen, knagen, knakken, nekken, toetakelen

knecht   bediende, bode, butler, dienaar, gezel, handlanger, handwerksgezel, helper, hulp, krijgsknecht, lakei, oppasser, slaaf,

knechtelijk - onderworpen, slaafs

knechten   bedwingen, knevelen, onderdrukken, onderwerpen, vastbinden, verslaven

knechts - slaafs

knechtschap - dienstbaarheid, slavernij

kneden   boetseren, drukken, knijpen, malaxeren, masseren, petrissage, wringen

kneden bij masseren   petrissage

kneedbaar - buigzaam, handelbaar, lenig, smedig, smeuig, smijdig, soepel

kneedbaar materiaal   deeg, klei, pasta

kneedbaarheid   buigzaamheid, handelbaarheid, plasticiteit

kneedbak - deegkom, trog

kneedbare massa - magma

kneedtrog - moel

kneep   duw, foef, gleuf, greep, handigheid, indruk, kunst, kunstgreep, list, moeilijkheid, neep, plooi, slag, trick, truc, tuk, vouw, zet

kneipkuur - koudwaterkuur

knekel   been, bot, doodsbeen, kneutel, knook, os

knekelhuis   beenderhuis, ossuarium

knekelman   (de) dood, geraamte, skelet

knekerig - armzalig, bekrompen, gering, vrekkig

knel   beknelling, klem, klemming, moeilijkheid, prang , val, verlegenheid

knellen   benauwen, drukken, klemmen, knijpen, kwellen, nijpen, presseren, prijken, spannen

knellend   benauwd drukkend, klemmend, nauw, nijpend

knelling - benauwing

knelpunt   bottleneck

knetter - gek, métier

knetteren - decrepiteren, knapperen, knisteren, mopperen, petilleren, ritselen, vloeken

kneukei - knokkel, vinger

kneukelijzer - boksbeugel

kneuteren - brommen, kniezen, knorren

knettergek   dwaas, onzinnig, stapelgek

kneuterig - behaaglijk, gezellig, knus

kneuzen   benadelen, beschadigen, bezeren, blutsen, froisseren, indeuken, krenken, kwetsen, kwetteren

kneuzing   bluts, buil, confusie, contussie, deuk, kneus, kwetsing, kwetsuur, letsel, verstuiking

knevel - handboei, mondprang, moustache, snor, snorbaard, snorrebaard, spanstok, woekeraar

knevelaar   geldafperser, knijper, uitzuiger, woekeraar

knevelarij - afpersing, extorsie, concussie, vexatie

knevelen - afpersen,binden, boeien, garrotteren, knechten, knijpen, onderdrukken, onderwerpen, vastbinden, verslaven

knevelen van een paard - pramen

knibbelaar   ruziemaker, vrek

knibbelachtig - ruzieachtig, ruziemakerig, vitterig

knibbelen – afdingen, haarkloven, knabbelen, krakelen, twisten

knibbelziek - twistziek, vitterig

knie - genu

knie van een pomp - gek, mik

kniebeschermer - knielap

knieblessure - meniscus

knieboog van een paard   haam, ham, schenkel, schink, voorschoft

kniebroek   culotte, knickerbocker, plusfour

kniegewrichtontsteking - gonarthritis

knieholte - wade

kniekuil - ham

kniejicht   gonagra

kniekraakbeen - meniscus

knielap   kniebeschermer

knielbank   bidbank, bidstoel

knielbankje - schabel

knielen - buigen, bukken, neerbuigen

knieling - kniebuiging, prosternatie, voetval

kniepantalon - plusfour

knieontsteking - gonitis

kniepijn - gonalgie

knier - deurhengsel, har, her, scharnier

kniertje   cunera

knieschijf   meniscus, patella, waai, wade

kniesoor   chagrijn, hypochonder, iezegrim, izegrim, neetoor, pessimist, piekeraar, temer, zeur

kniesorig   gemelijk

knietje - voetbalknie

knieval - buiging

knievedel   gamba, cello

knievers - extempore

knieviool - cello, gamba, violoncel

kniezen - brommen, mokken, piekeren

kniezer - grimbek, grompot, grijn, hartevreter, huilebalk, hypogronder, iezegrim, kniesoor, knorrepot, neetoor, pessimist, pruttelaar, treiteraar (Z.N.), zuurmuil

kniezerig   gemelijk, kniezend, zeurderig

kniezerig mens   grijn, kniesoor, neetoor, pessimist

knijp   angst, engte, kroeg, verlegenheid,

knijpbril - lorgnet, monocle, pince-nez

knijpdokter - masseur

knijpen – klemmen, kneep, knellen, nijp, pinceren, pinsen, samendrukken

knijpend bewerken - kneden

knijper   clip, klem, klip, kneep, knevelaar, knipvrek, spie, wasspeld

knijperig   gierig, inhalig, kleinzielig, vrekkig

knijpkat   handdynamo

knik   bocht, breuk, buiging, knak, nijging, nik

knik in de weg - bocht

knikkebollen - soezelen, soezen, suffen

knikken   beamen, bevestigen, breken, (door)buigen, goedkeuren, groeten, knakken, nikken, toestemmen

knikker - alikas, bal, hoofd, jabroer, stuiter

knikkeren - kegelen

knikkerputje - loch

knip   beursgrendel, beugel, deurgrendel, duivenslag, geldbuidel, gesp, klem, portemonnee, schuif(bout), slot, sluitbeugel, val, zakbeurs

knipbeugel - klem, praam

knipbeugel op deur - schuif

knipgereedschap - schaar

knipkaart - abonnementskaart

knipkooi - vinkenslag

knipluis - akkermunt, kleermaker, veldmunt

knipmachine - tondeuse

knipmes   knijf, lierenaar (Z.N.), stiletto, zakmes

knipmessen   buigen

knipmuts - neepjesmuts

knipmutsje - goudpapaver

knip of schuif - grendel

knipoog   lonk, wenkje

knippatroon - model

knippen   couperen, doorsnijden, haarsnijden, snoeien, snijden, trimmen

knippen van hond   trimmen

knipperbol   voetgangersbaken

knipperlicht   clignoteur

kniptor - elasterida, elater, ritnaald, springkever, springtor

kniptor, larve van de - ritnaald

kniptorren - elateridae

kniptorrensoort - elater

knirpen - knarpen, knarsen, knierpen, woede, zaniken, zeuren

knisperen - kraken

knob - brilduiker

knobbel - aanleg (natuurlijke), bobbel, buil, bult, gezwel, knoest, knor, uitwas, verdikking, knornoest, knort, kwast, protuberantie, tophus, tuberkel, tumor, uitsteeksel, uitwas, verhevenheid

knobbel aan de enkel - enkelknobbel

knobbelen   dobbelen, gokken

knobbelgras - watervlotgras

knobbelig - knoestig, nodeus, noestig

knobbeligheid - tuberositeit

knobbeljicht - arthritis, deformans, reumatiek

knobbelmelaatsheid - elefantiasis

knobbels - bulten

knobbeluitwas - gezwel, knol, zwelling

knobbelziekte - rachitis, T.B., tuberculose

knobbelzwaan - roodbekzwaan

knobbelzwijn - wratzwijn

knobelen - dobbelen, gokken

knock out - neergeslagen, uitgeteld

knodde - knoest

knoedel   deegbal, dot, kluwen, knoet, knot, meelbal, wrong

knoedel haar - knot

knoedel wol - kluwen

knoei   angst, benauwdheid, bezorgdheid, verlegenheid

knoeiboel   bedrog, geknoei, knoeiwerk, rommel, troep, zwendel

knoeien - aanmodderen, bedriegen, beunhazen, broddelen, flodderen, gacheren, haspelen, kladden, kledderen, kliederen, klodderen, klungelen, lee, lorsen, matsen, modderen, morrelen, morsen, muilen, oplichten, pripoteren, pronselen, prossen, prutsen, rommelen, sabberen, schutteren, sjoemelen, slonzen, smeren, stuntelen, totteren, triefelen, zwendelen

knoeien met iets nattigs - kliederen

knoeiend ruilen - kwakzalven, kwanselen

knoeier - bedrieger, beunhaas, bink, brekebeen, broddelaar, charlatan, dilettant, falsaris, fraudeur, haspelaar, intrigant, jobber, kladder, kladderaar, klungel, kluns, koekebakker, konkelaar, knoeipot, kruk, kuiper, kwakzalver, lapper, lomperd, modderaar, moocher(Z.N.), morser, morskont onderkruiper, oplichter, prutser, roffelaar, sufferd, vervalser, zwendelaar

knoeierig - slecht, slordig, stumperig

knoeierige ruilhandel - gekwansel, gesjacher, kwanselen, sjacheren

knoeierige ruiling - kwansel

knoeierij   bedriegerij, bedrog, gebroddel, gekladder, gehaspel,

geklungel, geknoei, gekonkel, gemodder, gepeuter, haspelwerk, knoeiwerk, kuiperij, list, malversatie, slordigheid, verduistering, vervalsing



knoeierijen - malversatie

knoeipot - knoeier

knoeister - lapster, morsebel, sloofster (gewest.)

knoeiwerk - gebroddel, haspelwerk, ketellapperswerk, kladwerk, lapwerk, leurwerk, roffelwerk, tapperij

knoerpen - knarpen, knarsen

knoerst - uitwas

knoert - knaap, kanjer

knoest   homp, knodde, kwast, war

knoest in hout   knobbel, knodde, kwar, kwarrel, kwast, noest, war

knoestig - knobbelig, kwastig, nodeus, noesterig, noestig, vlijtig, ijverig

knoet   bosje, bundel, gesel, haarknoedel, karwats, lomperd, stok, vlegel, zweep

knoet in het haar - haarwrong

knoetje - toet

knoetstraf - geseling

knoflook - ook, teentje

knoflook (Fr.) - ail

knoflookworst - salami

knok - been, bot, knook

knokkel - gewrichtsknobbel, kneukei

knokkig - benig, mager, sterk, vingergewricht

knokkelkoorts - dengue

knokken   bakkeleien, matten, slaan, vechten

knokker - vechter, vechtersbaas

knolamaniet, giftige stof in de - falline

knokploeg   K.P.

knol   aardappel, aardpeer, biet, bink, gat (in kous), guil (oud paard), kroo, peen, raap, ramenas, wortel

knolgewas   aardappel, aardbrood, biet, duivelstoejager, horloge, knolraap, knolselderie, koolraap, kroot, lobak, opstoker, paard, peen, prik (plantkunde), raap, radijs, rammenas, rossinant, selderij, venkel

knollen - stengelknol, wortelknol

knollenwitje - boterkapel, dagvlinder

knolletje - radijs

knolraap - raapkool

knolradijs   rammenas

knolvoet - vingerziekte

knolvormig spruitje - teentje

knook   been, bot, gebeente, graat, knekel, knok, knuist, rib, wervel

knoop   band, kruisknoop, kink, kinkel, klis, klit, knobbel, knorf, knooppunt, kruisknoop, lis, lus, moeilijkheid, nop, rustpunt, sluiting, snelheidsmaat, steek, stengelverdikking, strik, verbinding, vissersknoop, vloek

knoop in een stengel - knorf

knoopdrop   katjes(drop)

knoopgras - varkensgras

knoopje - bouton, strikje

knoopjes verwijderen - noppen

knoopkruid   santorie

knooplaars - bottine

knooplook - knoflook, knoplook

knooppunt   centrum, kruising, kruispunt, verenigingspunt

knoopschrift - quipus

knoopsteek - festonneersteek

knoopwerk   filigraanwerk, macramé, net

knoopwerktechniek - frivolité

knoot - knotwilg

knop   bladknop, bloemknop, greep, handgreep, handvatsel, kruk, klink, knoop (Z.N.), oculus, oog (even zichtbaar),

knop aan een deur - kruk

knop aan een vaarboom - kloet

knop aan horloge   remontoir

knop aan een polstok - kloet

knop van schakelaar - bouton

knop als sieraad - eikel

knop van een gordijnkoord - eikels

knopen - breien, lassen, mastworp, nokken, strikken, timmersteek, vastbinden, verbinden, verkortingssteek, weversknoop

knopen leggen - knopen

knopendraaier - bedrieger, flikflooier

knopherik - hederik, herik

knopje op een priktol   non

knopkruid - galinsoga

knoplook - knoflook

knoppen - botten, uitbotten

knoppen krijgen - botten

knoppenbijter - wijngaardkever

knop van een deur - kruk

knop voor het oor - oorbel

knopvormig uitsteeksel - tepel

knopvreter - bloedvink, dikbek

knor - balksteen, homp, klomp, knobbel, kraakbeen, kwast, nihillist, uitwas

knorbuffel - jak

knort - bonk, knobbel, verharding

knorhaan - poon, roodbaard, schorpioenvis, zeehaan, zeedonderpad

knoros - yak

knorren   brommen, foeteren, grommen, klagen, kneuteren, mopperen, morren, murmureren, peuteren, pruttelen, razen, snurken, sputteren, toeteren, uitvaren, vloeken,

knorrepot   brombeer, brompot, grol, grompot, hurk, nijdas, nurk, nurks, Izegrim, mopperaar, nurks, pruttelaar, rommelpot, zeur

knorrig   boos, brommerig, gemelijk, grijnig, humeurig, kregel, kwaad, misnoegd, mopperig, morrig, mijterig, narrig, neetorig, nurks, nors, onaangenaam, ontstemd, preutelig, pruttelig, riemig, wrevelig

knorrig mens   brombeer, brompot, chagrijn, iezegrim, knorrepot, nork, nurks

knorrig mompelen - morren

knorrige oude vrouw - kween

knot - bol, bosje, (haar)bos, dot, haarwrong, kanoevogel, kluwen, kloen, knoedel, streng,

knoteren - mopperen, pruttelen

knots   berg, bobbel, boetoe, dwaas, gek, huig, kodde, mats, idioot, knobbel, knuppel, reuze, slaghout, stapelgek, (wapen)stok

knots met ijzeren punten - goedendag, morgenster

knotsboom - duivelsboom

knotsdrager   Hercules

knotten - afsnijden, breken, fnuiken, inkorten, kortwieken, verkleinen, verminderen, verzwakken

knotwilg - knoot, kopwilg

knot wol - kluwen, streng

knudde - droevig, geklungel, geknoei, niets, pet, prutswerk, sof, triest, waardeloos

knuist - hand, knook, vuist

knuistje - kinderhand

knuffeldier - troeteldier, teddybeertje

knuffelen - frunniken, liefkozen, troetelen, vrijen

knuit - groenling

knul - bink, gozer, kerel, loeres, lomperd, lummel, man, snuiter, sufferd, sukkel, sul, vent, vrijer

knullig - amateuristisch, lummelig, onnozel, suf

knullig gedoe - gestuntel

knuppel - gummistok, knoet, knop, knots, kodde, kolf, mats, pummel, roer, slaghout, stok, stuurstang, talhout, uilskuiken

knuppelen - slaan

knurft - stommeling

knus   aangenaam, aardig, amusant, behaaglijk, comfortabel, enig, fideel, gemoedelijk, genoeglijk, geschikt, gezellig, huiselijk, intiem, kneuterig, knussig, knutterig, leuk, lief, prettig, vrolijk

knus en aardig - lief

kuntselaar - prutser

knutselen - dokteren, fabriceren, maken, neuzelen, prutsen, sleutelen

knijp - ang

knijpend bewerken - kneden

knijper - clip, kevelaar, nijptang, pen paperclips, penwortel, pin, prang, ravebek, spie, tang, vrek, wasknijper

koala   buidelbeertje

kobalt   Co

kobaltbloem - erytriet

kobaltchroom/wolfram legering - stelliet

kobalterts - saffloek

kobaltglas   smalt

kobaltkalk   saffloer

kobaltkies   kobaltmangaanerts

kobbe   spinnenkop, zilvermeeuw

kobold   aardmannetje, berggeest, dwerg, kabouter, huisgeest, kwelgeest, trol

kodak   handcamera

kodde   knots, knuppel, stok

koddebeier   boswachter, jachtopziener, veldwachter

koddig - aardig, boertig, burlesk, burlesque, dwaas, grappig, grimas, guitig humoristisch, komiek, komisch, kluchtig, kunst, kuur, leutig, luimig, olijk, oubollig, schalks, snaaks

koddige nabootsing   parodie


1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   19


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina