Kaag polder kaai – aanlegplaats, gier, ka(de), losplaats, rede, ree, perron, waterkant kaaiman



Dovnload 1.11 Mb.
Pagina16/19
Datum22.07.2016
Grootte1.11 Mb.
1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   19

krachtbron   aanhangmotor, benzinemotor, dieselmotor, elektromotor, explosiemotor, gasmotor, gasturbine, locomobiel, locomotief, machine, motor, oliemotor, turbine, turbinemotor, windmolen

krachtdadig - energiek, fors, krachtig

krachtdadigheid - flinkheid, geweld

krachteenheid   dyne, dn., energie, erg., paardekracht, pk.

krachteenheid van geschut - meterton, mt

krachteloos   adynamisch, afgemat, afgetakeld, asthenisch, flauw, futloos, kras, lam, lamlendig, lens, maf, mat, meeps, onmachtig, slap, sloom, uitgemergeld, uitgeput, versleten, week, zwak

krachteloos maken - paralyseren, verzwakken

krachteloosheid - afgemat, astenie, asthenie, debiel, debiliteit, futloosheid, impotent, inanitie, infirmiteit, invalide, slapheid, slapte, uitputting, versleten, verzwakking, week(heid), zwakte, zwakheid

krachteloze - lamme

krachten afstand - bereik

krachten in een vaste stol - spanningen

krachtenleer   dynamica

krachtens   ingevolge, luidens, pro, vanwege, volgens

krachtensbeginsel - principieel

krachtens bevel - a.m. (ad mandatum)

krachtens gelofte   e.v. (ex voto)

krachtgas - generatorgas

krachtgeven - bemoedigen, opjutten, sterken, stijven

krachtgordel van Thor - meningjard

krachthebbend - geldend, gezaghebbend, vigerend, wettig

krachtgevend - versterkend

krachtig   afdoend, bondig, boos, degelijk, deugdelijk, doortastend, drastisch, duchtig, energiek, fiks, flink, fors, geducht, geestig, genoegzaam, gespierd, (ge)streng, gewelddadig, geweldig, gezond, handelend, hard, hartig, heftig, hevig, intens, intensief, kernachtig, kloek, kordaat, kras, lastig, levendig, machtig, mergachtig, moedig, nadrukkelijk, ongemakkelijk, onstuimig, opperbest, pezig, pittig, potent, potig, rapponisch, robuust, snedig, sterk, stevig, stoer, strabant, straf, stringent, struis, substantieel, taai, terdege, valide, vast, vehement, vigoureus, vitaal, vurig, zinrijk

krachtig (muz.) - energico, fortissimo, forto, vigoroso, vuri-

krachtig aaien - poetsen, wrijven

krachtig aftreksel   essence

krachtig buigzaam - taai

krachtig doorzetten - aanbinden, volhouden

krachtig en flink - fors

krachtig en hoorbaar uitademen - zuchten

krachtig en kort gezegde - aforisme, kernspreuk, sententie

krachtig en snelwerkend - drastisch

krachtig en sterk - robuust

krachtig gebouwd - gespierd

krachtig gewas - fenegriek

krachtig handelend   doortastend, energiek, ingrijpend, krachtdadig

krachtig ingrijpend   drastisch

krachtig in te grijpen - doortastend

krachtig streven   ijveren

krachtig van groei   welig

krachtig schijnen - laaien

krachtig streven - ijveren

krachtig tegen iets stoten - aanbotsen, botsen

krachtig tussenbeide komen - ingrijpen, interveniëren

krachtig uittreksel van aromatische stoffen - essence

krachtig van groei - welig

krachtig van toon - drastisch, hard, luide

krachtig van voedsel - stevig, substantieel, voedzaam

krachtig voedsel - leeuwemerg

krachtig volhoudend   taai, volhardend

krachtig voor iets werken - nijveren

krachtig werkend middel - paardemiddel

krachtig uitademen - blazen

krachtige aanmoediging - aandrang, aandrift, prikkelss poorslag, stimulans

krachtige bevestiging - ozo

krachtige electrische stroom - sterkstroom

krachtige hulp - medewerking, rug(ge)steun

krachtige luchtstroom - wind

krachtige ontwikkeling   bloei

krachtige spijs   bonen, erwten, krachtvoer, leeuwemerg, spek

krachtige stoot   por, schop, trap

krachtiger - sterker

krachtiger maken   stalen, sterken

krachtigheid - succulentie

krachtmachine   motor, turbine

krachtmens - atleet, bodybuilder, oermens

krachtmeter   argosstaat, dynamometer

krachtpatser   bodybuilder, oermens

krachtseenheid   dn., pk.

kractsinspanning - moeite, nooddwang, toer, torn

krachtspieren - biceps

krachtsport   atletiek, boksen, gewichtsheffen, judo, karate, kogelstoten, simo, touwtrekken, worstelen

krachtsportwerktuig   halter

krachtstation   centrale

krachtterm   sacristie, sapperloot, sapristie, uitroep, vloek

krachtvermindering van spieren - hemiparese

krachtwerktuig - bulldozer, dieselmotor, motor, (hef)kraan, elevator, machine, turbine

kragenmaker - kemphaan

krag   drijftil, rietzodde

krak - barst, breuk, knak, krakeend, scheur

krakeel - gekibbel, gekijf, geschreeuw, herrie, kijf, onenigheid, onmin, ruzie, twist

krakeend - krust

krakelen   bakkeleien, bekvechten, hakketakken, harrewarren, kibbelen, kiften, kijven, plukharen, querelleren, ruziën, twisten

krakeling - koekje, nachtvlinder

kraken   bezetten, breken, fijnmaken, inbreken, knarsen, openbreken, piepen, verdrukken

krakend   knarsend

krakend geluid   (ge)krak, gekraak

krakende stem - kraakstem

kraken van huizen - inbreken

kraken van papier - knisperen

krakepit - sukkelaar

kraker - inbreker, succesnummer

krakkemikkig - oud, versleten, oud

krakken - barsten, breken, knakken, scheuren

kralen (gitten) snoer - bajadère

kralen insnoeren - rijgen

kram   agraaf, agrafe, dook, kaak, garde, gesphaak, hecht, krap, nest, niet, spang

kram om water te putten   puthaak

kram waarop een hengsel draait - gonde

kramer - handelaar, koopman, venter, verkoper

kramerslatijn - potjeslatijn

kramerij - mercerie

krammen   hechten, nieten, vastmaken

krammetje   neet, niet

kramp   clonus, darmpijn, hik, koliek, krimping, spasme, spierpijn, stuip, tetanus

kramp van de slokdarm - oesofagisme

kramp van het middenrif   hik

krampachtig - convulsief, fanatiek, spasme, spasmisch, spasmodisch, spastisch, stuipachtig, stijf, vergeten, verkrampt

krampachtig huilen - snikken

krampachtige pijn - koliek

krampachtige samentrekking   spasma, spasme

krampachtige spiersamentrekking   hik, kramp, stuip

krampachtigheid bij dieren - hanetred

krampbetreffend - spastisch

kramp in de buik - koliek

kramprog - sidderrog

krampstillend - antispasmodisch

krampstillend middel - antispasmodisch, latuwsap,

latuwsiroop, valeriaan



kramptrekking - spasmus

krampvuur - bontvuur

kramsvogel   kamlijster, schallijster, tjaklijster, veldlijster

kranebek - naaldekervel

kranig   branie, dapper, ferm, flink, kloek, knap, koen, moedig, schrander

kranig en kloek - kordaat

kranigheid - branie, dapperheid, flinkheid, moedigheid, onversaagdheid

kranig persoon - branieschopper

krank   lijdend, ongesteld, ziek, zwak

kranke   zieke, lijder(es)

krankheid - kwaal, ongesteldheid, ziekte, zwakheid

krankzinnig   absurd, bespottelijk, bezeten, dol, driest, dwaas, frenetiek, geestesziek, gek, gestoord, idioot, krankiorum, krankjorum, mal, mesjoche, mesjoege, onwijs, waanzinnig, warhoofdig, zot

krankzinnigheid   alienatie, bezetenheid, demence, dementie, dwaasheid, folie, frenesie, gekheid, gestoordheid, dilheid, idioterie, lycantropie, onzinnigheid, paranoia, razernij, verdwaasdheid, waanzin, zotheid, zinsverbijstering

krans   aureool, bloemenring, corona, gordel, kring, kroon, ring

kransader - kroonader

kransbloem - akkerboterbloem, margriet, vleugeltjesbloem

kransen - lauweren

kransje   côterie, kliek

kranskruid - marjolein

krans ter ere - erekrans

kransnaad - voorhoofdsnaad

kransuil - kerkuil

krans van bladeren - rozet

kranswieren - charas

krant   blad, bode, courant, dagblad, flik, gazet, journaal, nieuwsblad, orgaan, periodiek, persorgaan, stem, tijdschrift

krant (z.n.) - gazet

krantenartikel - asterisk, bericht, commentaar,

krantenbedrijf - pers

krantenhuisje - kiosk

krantenkiosk - aubet

krantenkop   headline

krantenleiding   redactie, red.

krantenman   journalist

krantenhuisje   kiosk

krantenjongen - camelot

krantenleiding - hoofdredactie, red., redactie

krantenkiosk - aubet

krantenopschrift - kop

krantenrubriek - rubriek

krantenverkoper   ako

krantenwereld - pers

krantenwezen - dagbladpers

krantenzuil - kolom

krap   amper, bekrompen, benard, beteugeld, boekslot, eng, groef, inkeping, insnijding, karig, keep, kerf, kram, nauw, nauwelijks, nauwsluitend, schaars, schraal, slot, sluithaak, strak, ternauwernood

krap en eng - nauw

krapgeel - xanthine

krapjes   armoedig, benauwd, eng

krapte   gebrek, engte, nauwte, schaarste

kraprood - alizarini

kras   aantrekkelijk, aardig, buitengewoon, dartel, energiek, fel, flink, gezond, haal, kittig, kloek, krachtig, krap, kras, kwiek, lief, onderbaas, ongehoord, pittig, ploegbaas, rap, rits, schram, schrap, sterk, stevig, streep, streng, taai, vinnig, vitaal, vurig, wulps

kras en kwiek - vief

krasgat - split
kreeftachtig voorwereldlijk dier - trilokiet

kreeftachtigen - crustacea

kreeftcocktail - lobster

kreeftegang - cancricato

kreeftegang maken - achteruitgaan, achteruitvoeren, terugkrabbelen

kreefteschaar - knijper

kreeftkruid - heliotroop

kreeftsbloem - heliotroop

kreeftskeerkring - noorderkeerkring

kreek - beek, drecht, inham, kil, rivier, spreng, zwamp

kreen - nauwlettend, precies

kreet - cri, devies, gil, schreeuw, (uit)roep, yell

kreet van medeleven - ach, gut

kreet van pijn - ai, au

kreet van smart - smartkreet

kreet van vreugde - ha, hoera, hoi, io

kregel - boos, flink, gemelijk, geprikkeld, gramstorig, klein, knorrig, korzelig, kriel, kwaad, lichtgeraakt, nijdig, ontstemd, pittig, prikkelbaar, weerbarstig, wrevelig

krash - debacle (van een bank)

krasheid   felheid, flinkheid, gestrengheid, kracht, scherpte, sterkte

krasje in de huid (geneesk.) - kruis

kras of haal - krab

kras stukje - stunt

krasselaar - krabbelaar, sukkelaar

krassen - graveren, griffen, zagen

krassen op een viool - ziegezagen

krat   bak, kist, kret, lattenkist, skeleton

krat voor varkensvervoer - ren

krater   bocca, mengvat, vulkaan, opening

krater met water - kratermeer

krater van grote afmeting   calde(i)ra

kratermeer - maas

krateropening met trechtervorm   calde(i) ra

kraterpijp van een vulkaan - diatribe

kratertje   bocca, kawah

kratokbonen - maanbonen

krats   bagatel, habbekrats, kleinigheid

kratswol   wolafval, vlokwol, slagwol

krauw - krab, schram

krauwen   krabben, krabbelen, kriebelen, kriewelen, ruisen, schoonmaken, schrammen, schuren, schurken, wrijven

krauw of kras - krab

kraval - das

krawaken - nachtbraken

kreatie - creatie, schepping

krediet - lening, schuld, tegoed, pof, vertrouwen

kredietbank - kredietinstelling

kredietbrief - acrreditief

kredietinstelling - bank

krediet verschaffen - accrediteren

kredietwaardig - solide, solvabel

kree - krap, nauwelijks, oprolbaar zonnescherm

kreefdicht - retrogade

kreeft - cancer, heremietkreeft, hommer, klapperdief, langoest(ine)

kreeft zonder scharen - langoest

kreeftachtig diertje - eendenmossel, garnaal, pissebed, strandvlo, trilobiet, watervlo, zeepok

kreeftcocktail - lobster

kreeftdicht - retrogade

kreeftengang - cancricato

kreeftengang maken - achteruitboeren, achteruitgaan, terugkrabbelen

kreeftenkleur - rood

kreeftenschaar - knijper

kreeftensoort - anomura, cambanus

kreeftskeerkring - noorderkeerkring

kreeft zonder scharen - langoest

kreek - beek, rivier, spreng

kreen - schrikkerig, schuw

kreet - cri, gil, yell, riedel, schreeuw, slagzin, (uit)roep

kreet van pijn - au, ai

kreet van smart - smartkreet

kreet van vreugde - ha, hoera, hoi

kregel - boos, driftig, gemelijk, geprikkeld, gramstorig, kittelorig, knorrig, korzelig, kribbig kriegel, kwaad, lichtgeraakt, misnoegd, nijdig, ontstemd, pittig, prikkelbaar, weerbarstig, wrevelig



kregelheid - knorrigheid, prikkelbaarheid

kregelig - driftig, korzelig

kreits - kring

krek   even, evenals, juist, net, precies

krekel   boor, eimke, grylloïdae, gryllus, heempje, ieme, kriek(ske), veenmol, wiel, wielboor

krekelen - knarsen, knorren, piepen

krekels - grylidae

krem - valkvogels

krempen - afnemen, krimpen, sukkelen

kremper - koukleum, lafaard, onderblijfsel, sukkel

kremser wit   loodwit

kreng   aas, carogne, etre, feeks, gemenerd, helleveeg, kadaver, karonje, kwaadaardige vrouw, lichaam, lijk, prij, ravenaas, serpent, tang

krengtor - aastor, doodgraver

krenken - aanranden, affronteren, beledigen, benadelen, beschadigen, beledigen, benadelen, benaderen, blesseren, froisseren, grieven, kwetsen, mortificeren, pijnigen, pikeren, plagen, steken, vernederen, verwonden,

krenkend - beledigend, grievend, bitter, bijtend, hatelijk, schenden, scherp, kwetsend, hatelijk

krenkend behandelen - affronteren

krenking   afbreuk, affront, grief, benadeling, belediging, inbreuk, kwetsing, laster, mortificatie, toornis, smaad, vernedering

krent   achterste, erwtenteller, gierigaard, gortenteller, knar, krententeller, pietlut, rozijn (gedroogde), vrek, zitvlak

krentenbaard - baardvin

krentenbol - stoet

krentenboompje   alpenbes, junibes

krentenbrood   deuvekater, duivekater, kramik, krentenmik, mik

krentenbroodje - deuvekater

krentenkakker - gierigaard, vrek

krententeller - gierigaard

krentenweger - erwtenteller, gierigaard, kruidenier, vrek

krenterig - afgemeten, bekrompen, gierig, karig, kleingeestig, kleinzielig, mesquin, schriel, zuinig

krenterigheid - gierigheid

krenterig persoon - gortenteller

krepel   invalide, kreupel, mank

kret   karet, zeeschildpad

Kreta, bergtop op - Ida, Theodoro, Theodorus

Kreta, hoofdstad van - Chania, Kanez

Kreta, stad op - Irakilon

Kretensisch boogschutter - Alkoon

krets   huidziekte, krab, schram, schurft

kreuk   beschadiging, ezelsoor, frommel, frons, fronsel, knak, knauw, kreukel, neep, plooi, rimpel, vouw

kreukel   alikruik, frommel, frons, knauw, knak, knuffel, krukel, prooi, rimpel

kreukelaar - beunhaas, prutser, scharrelaar

kreukelen - beschadigen, frommelen, knakken, rimpelen

kreukelig - knuffelig, verfrommeld,verkreukt, verkronkeld

kreukels - wrakken

kreukels maken - frommelen

kreuken - beschadigen, frommelen, knakken, kniezen, knorren, kreukelen, rimpelen, chiffonneren

kreuk in de huid - rimpel

kreukvrij - effen, egaal, glad

kreunen   gekerm, grijnen, kermen, klagen, krochen, stenen, steunen, tobben, urmen, zaniken

kreunend klagen - kermen

kreupel   ellendig, gebrekkig, invalide, krepel, mank

kreupel (It.) - zoppo

kreupel gedichten maken - rijmelen

kreupel maken - estropiëren

kreupelbos - schaarbos

kreupele - jacobsganger, krates, manke

kreupelhout - akkermaalshout, gagel, heg, hegge, strubben

krevel - gekriewel

krib   bed, kribbe, ledikant, leger, legerstede, leidam, nest, rits, rivierdam, sponde, voederbak, wieg

kribbe - bed, rijsdam

kribbel - bits, kribbig, nestig

kribben   harrewarren, krakelen, ruziën, tegenstribbelen, twisten

kribbenbijter - klopper, neetoor, nijdas, vrek

kribbig   driftig, grillig, humeurig, korzelig, kregel, kregelig, kriegel, lastig, lichtgeraakt, narrignestig, nuffig, prikkelbaar, twistziek, wrevelig

kribbig meisje   katje

kribbige vrouw   kat

kriebel - jeuk, prikkeling

kriebelen   jeuken, kietelen, krabbelen, priegelen, prikkelen

kriebelig   geprikkeld, jeukerig, kriebel, krieuwelig, peuterig, tureluurs

kriebelmug - simulia

kriebelziekte   ergotisme

kriegel - geprikkeld, gramstorig, korzelig, kregel, kribbig, misnoegd, wrevelig

kriek   kers,krekel

kriekelaar - kersenboom

krieken - aanbreken, dageraad, gloren, morgenstond

kriel - dartel, grut, kind, kip, kleingoed, uitschot, uk, ukkie

krielen - krioelen, wemelen

krielhaan - dwerghaan

krielkip - krik

krieuwelen - dooreenkrioelen , jeuken, kriebelen

krik   brandewijn, dommekracht, jenever, wintertaling

krikkemik - bok

krikkemikkig - kaduuk, onsolide, onvast

Krim, badplaats op de - Jalta

Krim, hoofdstad van de - Simferopol

kriminaliteit - misdadigheid

krimineel - misdadig, snood

krimp - afname, armoede, gebrek, gemis, nood, tekort, vers,

krimpen   achteruitkrabbelen, afnemen, krommen, samentrekken, schrompelen, slinken, teruglopen (van de wind), toegeven, verminderen

krimpen van de wind - inkrimpen

krimpvrij maken van stoffen   sanforiseren

kring   cirkel, corona, coterie, cyclus, district, gebied, gezelschap, gordel, groep, krans, kooromgang, kreits, milieu, orbis, rand, rayon, reeks, ring, ronde, rondheid, rondte, sfeer, stand, tinne, toer, trans, vereniging, weergang, zone

kring om de zon en maan - corona, halo

kring van paddestoelen   heksenkring

kringetje   cirkelgang, cyclus, ootje, rondje,

kringetjes spugen - baliekluiven, lanterfanten

kringloop   circuit, circulatie, cirkelgang, cyclus, omloop, periode, proces, rondgang, recycling, tijdkring

kringlijster - beflijster, kraagmerel

kringmeting - cyclometrie

kringvormig   circulair, orbiculair, ovaal, rond

kringvormig voorwerp - rad, ring, wiel

kringziekte - aardappelziekte

krinkel - bocht, kronkel

krinkelen   kronkelen, krullen

krioelen - fourmilleren, grimmelen, krielen, leven, ritselen,wemelen

krip - rouwfloers

Krisjna, geliefde van - Radha

Kristal - kwarts

kristalglas - flint, (loodhoudend) glas, stras, vlint

kristalkunde   kristallografie

kristalkijker - scryer

kristallografisch veelvlak - hamieder

kristallijn - syeniet

kristallijn gesteente   bazalt, glimmer, gneis, graniet, kwarts, porfier, schisten, syeniet, veldspaat

kristallose - saccharine

kristalmeting - kristallometrie

kristalsoda - huishoudsoda, soda

kristalstof (witte) - meta

kristalversterker   transistor

kristalvorm - hexagonaal, kubisch, monoclien, monoklien,

orthorombisch, triklien



kristalvormig   kristallijn

kristalvormige delfstof - salpeter

kristalwieren - diatomeeën, kiezelalgen

kristalziener - scryer

krit   schar

kritiek   aanmerking, afkeuring, bedenkelijk, benard, beoordeling, epineus, ernstig, gevaarlijk, hachelijk, netelig, oordeel, opmerking, precair, recensie, zorgelijk, zorgwekkend

kritiekloos - domweg

kritische beschouwing - commentaar

kritische uiteenzetting - commentaar

kritiseren - bedillen, beoordelen, recenseren


1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   19


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina