Kaag polder kaai – aanlegplaats, gier, ka(de), losplaats, rede, ree, perron, waterkant kaaiman



Dovnload 1.11 Mb.
Pagina3/19
Datum22.07.2016
Grootte1.11 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   19

kantinepersoneel - messbedienden

kantlijn - marge, ribbe

kantje - randje, vaatje

kantjeboord - nippertje

kantje haring - vaatje

kantjil - dwerghert

kant langs water - oever

kantlid - buitenstaander

kantlijn - marge, ribbe, rooi

kantlijn betreffend - marginaal

kantlijntekening - apostille, conimentaar, glosse

kantmaakster   speldenwerkster

kanton - provincie, rechtsgebied

kanton in Zwitserland   Aargau, Appelzell, Bern, Fribourg, Glarus, Graub�nden, Luzern, Schwyz, Tessin, Thurgau, Ticino,Uri, Url, Valais, Vaud,Waadt, Wallis, Zug Zürich, Zie Zwitsers kanton

kantonnier   wegwerker

kantoor – agentschap, bureel, bureau , comtoir, factorij, nederzetting, schrijfkamer, werkkamer, werkplaats, werkvertrek

kantoor van vertegenwoordigers van een handelmaatschappij in vreemde landen   factorij

kantoor voor ambachtswerkzaamheden   bureau

kantooragenda - almanak

kantoorbediende   boekhouder, commies, correspondent, employé, functionaris, kantoorklerk, klerk, loper, pennenlikker, schrijver, typist,

kantoorbehoeften   ballpoint, cahier, inkt, kasboek, ordner, paperclip, papier, pen, vulpen, potlood

kantoorboek - grootboek, journaalboek, kasboek

kantoorjas   stofjas

kantoormachine   boekhoudmachine, computer, duplicator, nietmachine, perforator, ponsmachine, printer, puntensluiper, rekenmachine, schrijfmachine, telex, telmachine, typemachine

kantoormeubel - bureau, kantoorstoel

kantoorschrijver - klerk

kantoor van een agent - agentuur

kantoorwerk - boekhouden, handelsrekenen, kopiëren, stencilen, steno, stenograferen, tikken, typen

kantruimte - marge

kantschrift - commentaar, glos

kantstrook   souche

kantstijl van een ladder - schalier

kanttekenaar - commentator

kanttekening - aantekening, annotatie, apostille, commentaar, glosse, noot, opmerking, renvooi, voetnoot

kanttekening op akte - apostille

kanttekeningen - marginalia, marginaliën

kanttekeningen maken - emargeren

kant van de weg - berm, talud, wegberm

kant van de zaak - aspect

kantverbetering   renvooi

kantvrucht - handklaver, venusspiegel

kantwerk - frivolité, klossen, naaldwerk, teneriffe

kantwerk maken - kanten

kantwerkster - kantklosster

kantwit van aantekening - marge

kan voor waswater - lampet

kantzuil   prisma

kanunnik   domheer, kapittelheer, koorheer

kaolien - aluminiumsilicaat, hoge berg (Chinees), porseleinaarde

kaoliniet - kandiet

kap - autodak, bedekking, capuce, capuchon, dak, droogkap, hoofddeksel, hooibergdak, huif, huisdak, korst(je), lampekap, molenkap, motorkap, muts, overdekking, rijtuigdak, uiteinde, wagenkap, zotskap

kap afgerichte valk - huif

kap (bomen) - houw, slag

kap, deel van een - aanloper, blokkeel, daktengel, makelaar, muurplaat, nokgording, panlat, sloop, spant(been), trekplaat

kapdoos - toiletdoos

kap, gewatteerd - theemuts

kap over een lamp - lampekap

kap van een mantel - capuchon, huik, kovel

kap van een monnik - keuvel, kovel

kap van een preekstoel - klankbord

kap van een vogel - kuif

kap van een wieg - hemel

kap op schoorsteen - gek, monnikskap

kap van kloosterlingen - keuvel, kovel

kapbeitel - koubeitel,steekbeitel, warmbeitel

kapdoos - toiletdoos

kapel   bedehuisje, cupel, dagvlinder, kerk(je), muziekkorps, tempel, vlinder

kapelaan - kapelpriester, onderpastoor

kapelaanswoning   kapelanie, kapelanij

kapelmeester - dirigent, orkestleider

kapelruimte onder een kerk   crypt, krocht

kapen - buitmaken, gappen, jatten, naasten, pakken, pikken, roven, snaaien, stelen, struinen, wegnemen, wegpakken

kaper   boekanier, hoofddeksel, muts, perkan, piraat, (zee)rover, zeeschuimer

kaperbrief - commissiebrief

kaperschip   raider

kaper van vroeger - noorman

kaperwerkwijze - enteren

kaperij - piraterij, zeeroverij

kapgebint   dakgebint, kapspant, spant

kaphamer   bilhamer

kapitaal   aanzienlijk, balans, belangrijk, bezit, eigendom, fonds, fortuin, geld, goud, groot, hoofdletter, hoofdsom, rijkdom, som, vermogen , voornaam, voortreffelijk

kapitaal beleggen - investeen

kapitaalbelasting - vermogensheffing

kapitaalbezitter - kapitalist

kapitaalkrachtig   rijk, opulent, vermogend, welgesteld

kapitaalopbrengst   dividend, interest, rente, winst

kapitale beginletter   unciaal

kapitalist   nabob, plutocraat, rijkaard

kapitalistische partij in Nederland - V.V.D.

kapiteelvorm   acanthuskapiteel, bladkapiteel, blokkapiteel, Dorisch, Gotisch, lonisch, kelkkapiteel, knopkapiteel, kussenkapiteel, Romaans, teerlingkapiteel, volutenkapiteel

kapitein   aanvoerder, bevelhebber, compagniescommandant, gezagvoerder, hoofdman, hopman, kapt., kapitein, officier, ouwe, schipper

kapitein de cavalerie - ritmeester

kapitein ter zee - waterkop

kapitein van de Nautilus - Nemo

kapitein van een zeilschip - vetleer

kapitorie - boekomslag, kaft

kapittel   afdeling, chapiter, caput, hoofdstuk, onderwerp, standje

kapittelen   berispen, bestraffen, onderhouden

kapittelheer - domheer, kanunnik

kapje - broodkorst, circoflexe, kalotje, kipa

kapje brood - kontje, timp

kapjesmorielje - zakzwam

kapkamer - kleedkamer

kapkar - huifkar, tentwagen

kaplaken - primage

kapmantel   caban, cape, burnoe, huik, peignoir

kapmeeuw   kokmeeuw, lachmeeuw

kapmes - bijl, bijlmes, golok, hakmes, heep, hiep, houmes, machette

kapmes (groot gebogen) in Z. Am. - machete

kapmes (Ind.) - parang

kapoen   deugniet, guit, mesthaan, schavuit

kapoeres (Hebr.) - dood, kapot, verloren, weg

kapoets - monnikskap

kapok - boomwol, zaadpluis

kap op hoofd - muts

kap op paardenkar - huif

kapot   afgemat, beschadigd, caduc, defect, dood, doodgaan, doodop, gebroken, gescheurd, geschonden, kaduk, kapores, kapoeres, onbruikbaar, ondeugdelijk, onklaar, ontdaan, rappig, stuk, vaneen, verloren, verslagen, weg,

kapot (barg.) - kapoeres, prak (in de), stuk

kapotgaan - bezwijken, breken, stukgaan

kapotje - condoom, kapothoedje, voorbehoedsmiddel

kapot maken - breken, moeren, mollen, nekken, ruïneren, stukmaken, vernielen, vernietigen

kappelen - schiften

kappen   afhakken, borstelen, coifferen, hakken, houwen, kammen, kerven, omhakken, omzagen, stoppen, vellen

kapper   barbier, coiffeur, figaro, friseur, haarknipper, haarsnijder, haarstyler, scheerbaas

kapperkool - kabuiskool

kappersgerei   borstel, droogkap, fohn, kam, kwast, roller, schaar, scheermes, scheerzeep, spiegel, tondeuse, wetriem

kapperswinkel - coiffurie, capriool,

kapperszaak - kapsalon

kapriool - bokkesprong, luchtsprong

kaproen - bijenkap, kap, kaphout, muts, visagière

kaproen, deel van een - guleron, lamfer

kapsalon - kapperszaak

kapseizen   kantelen, omslaan, omvallen

kapsel   coiffure, frisuur, hoofdtooisel, permanent, pruik, toilet, watergolf

kapselband   beursband

kapsellancet - cystioom

kapsel, soort - allongepruik, chignon, hoofdtooisel, korumbos, krulpruik, lampadion, paardestaart, pony, pijpekrul, rouleau, statiepruik, toupet, vlecht, wrong

kapsies maken - tegenstribbelen

kapsnede - valkerf

kapsones - drukte, ophef, praatjes, spatsies

kapsonesmaker - druktemaker, opschepper, praatjesmaker

kapspant - dakgebint, dakstoel, kapgebint

kapstander   mutsenbol

kapster   coiffeuse, friseuse

kapstok - jassenboom, kleerhanger, klerenhanger, klerenstandaard, sta(a)nder

kaptafel - toillettafel

kapucijn - O. M. C.

Kapucijnen, behorende tot de - OFM

kapucijner monnik - bedelmonnik

kapucijner non - kapucines

kapucijner orde - O.M.C. (Ordinis Minorum Capucinorum)

kapucijners - raasdonders

kap van een mantel - kovel

kap van een scoorsteen - gek

kap van kloosterlingen - keuvel, kovel

kapvenster   dakvenster

kapwerk van een dak   dakstoel, gebint, spant

kapwerktuig - bijl

kapzaag   toffelzaag

kar   auto(mobiel), brik, fiets, rijtuig, voertuig, wagen

karaat   (afk.) kt, essaai, kar., goudgehalte

karabies   koffertje, mand, tas

karabijn - geweer, musketon

karabijnfoedraal - holster

karabijnriem - bandelier

karakal - woestijnlynx

Karakalpakië, bewoners van - Karakalpaken, Kazachen, Oezbeken

Karakalpakië, hoofdstad van - Noekoes

karaf   fles, flacon, karos, sierfles, tafelfles, waterkan

karakal - woestijnlynx

karakiet - acrocephalus

karakol - wijngaardslak

karakter - aanleg, aard, cachet, eren, figuur, geaardheid, geest, gemoed, gemoedsaard, genius, gestel, grondtrek, inborst, kenmerk, letter, letterteken, naturel, natuur, psyche, ras, temperament, trek, type, uiterlijk, vorm, zielskracht

karakterbepaling naar oude handschriften - paleografologie

karakterbepaling uit handschrift - grafologie

karakterbeschrijving - karakterologie

karaktereigenschap - egoïsme, egotisme, eerlijkheid, gemakzucht, hoedanigheid, kenmerk, koppigheid, laagheid, luiheid, omschrijven, trek, typeren, valsheid

karakteriseren   kenmerken, kenschetsen, schetsen

karakteristiek - beschrijving, eigenaardig, eigenschap, kenmerk, kenmerkend, tekenend, schets, schetsend, typerend, typisch

karakterkunde - karakterologie, psychologie

karakterloos - alledaags, banaal, conventioneel, eerloos, laag, min, slap, week

karakterloos mens - dégéneré

karakterologie - karakterkunde

karakterschets - kenmerk

karaktersterk - koppig, pricipieel

karaktertrek - aanleg, aard, eigenschap, inslag, kenmerk, beschrijving, schets

karakterkunde   karakterologie

karateren - alliëren , legeren

karamel - toffee, ulevel

karateterm - karateka, kihon

karavaan   gevolg, handelstrein, sleep, stoet, troep

karavaan van Mekkagangers - mahmal

karbeel - balksleutel, korbeel, kraagsteen, steunpunt

karbies - handkoffer, handtas, klepmand, mand, reismandje, tas , valies,

karbolzuur   fenol, phenol

karbonade - cotelet, ribstuk, runderrib, varkensrib

karbonkel - kanteloep, meloen, negenoog, puist, robijn

karbonkelneus - drand, kneus, jeneverneus

karbouw - bizon, buffel

kardinaal - camerlengo (kamerheer van de paus), kerkheer, kerkvoog, kerkvorst, prelaat

kardinaal-infant - Ferdinant

kardinaalsbloem - purperbloem

kardinaalschap - kardinalaat

kardinaalsmuts - euonymus, luizenboom, papenmuts, spilboom,

kardinaalstitel   eminentie, em., z.e

kardoes   gors, grove, huls, krulhond, kwelder, nes, papiersoort, poedelhond, schor

kareel - soort pijl, tichelsteen

kareki elastiek, et - rietvink

karet - kret, rubber(boom), schildpad, zeeschildpad

karhengst – lomperik

kariatide   pilaster, schraagbeeld, zuilbeeld

kariatiden - boötiden

kariboe armoedig, - rendier (N.Am.)

karig   armzalig, bekrompen, eenvoudig, frugaal, gering, gierig, krap, krenterig, luttel, mager(tjes), matig, minetjes, nauw, ongaarne, pover, schaars, schamel, schraal, schriel, sober, weinig, zuinig

karigheid - armoedigheid, parcimonie, schaarste, schrielheid, zuinigheid

karikatuur - kartoon, spotbeeld, spotprent

karikatuurtekenaar - karikaturist

Karinthië - Kärnten

Karinthië hoofdstad van - Klagenfurt-

Karinthië, rivier in - Drau

karkant   collier, halssnoer, ketting, snoer

karkas   frame, gebeente, geraamte, gestel, lichaam, overschot, ribbekast, rif, skelet

karkiet - rietlijster, rietvink, rietzanger

Karl-Marx-Stadt - Chemnitz

karmeliet   o.c.

Karmil - huttentut

karmozijn   karmijn, purper, purperverf, scharlaken, wijnrood

karmozijnrood - purper

karnvat - boterkuip, boterton, botervat,

karnemelkgerecht - hangop

karnen - boteren

karner - botermaker

karonje   feeks, helleveeg, kreng, prij, serpent

karoot - kroot, peen

karos   kales, karaf, koets, reiswagen, vigilante

Karpaten, top in de - Djumbiz, Fageras, Gerlachovka, Gierlach, Goverla, Halicz, Lrivan, Rysy, Tatra

karper  

4 barm, blei, meun, ruis, tink

5 alver, bliek, danio, gront, gruis, labeo, sneep, vetje,

voorn, winde, zeelt

6 barbus, brasem, dorade, elrits, giebel, harder, karper, mesvis,

witvis


7 barbeel, grondel, kolblei, puntius, rasbora, weeraal

9 donderaal, goudbaars, hesseling, rietvoorn, ruisvoorn, windvoorn,

10 blankvoorn, karperzalm

11 bittervoorn, kroeskarper, steenkarper



13 modderzalm, riviergrondel

karperachtige zeevis - wimber

karperkoning - spiegelkarper

karperzalm - caribo, piranha, rio, spatzalm, tetra

karpet – tapijt, vloerkleed

karreboom – dissel

karrelen – ineenlopen, korrelen, schiften

karreman - venter, voerman, vuilnisman

karren – rijden, fietsen

kartel   cannelure, inkeping, insnijding, keep, kerf, overeenkomst, snee, snede, trust

kartelblad – pedicularis

karreboom – dissel

karrenvracht – wagenvol

kart – skelter

kartelen - greineren, inkepen, kerven

kartelig - gekarteld, geschift

kartelrand (postzegel) – dentelure

kartels aanbrengen - kerven

kartets - granaat

kartodroom - scelterbaan

karton   board, bordpapier

karton-steendruk - papyrografie

kartuizers, stichter der – Bruno

karviel - hijsblok

karwats   gesel, knoet, rijzweep, zweep

karwei   arbeid, corvee, job, klus, opdracht, slachtafval, taak, toer, werk

karweitje   akkefietje, klusje, toetast

karwij - hofkomijn, komijn, kummel, wedzaad

karwijlikeur   kummel

karwij-olie - kummel

karwijsoort - aardkastanje

karwijzaadolie - carvon

kas   bergplaats, betaalplaats, broeibak, broeikas, contanten, cash, doos, éénruiter, geld, geldbergplaats, geldvoorraad, kassa, broeikas, kweekkas, kweekplaats, omhulsel (van een horloge), oogholte, serre, telmachine, warenhuis

kasba   citadel, vesting

kasbestelling - peculaat

kasboek - boekhouding

kasgeld - cash, contanten, kontanten

kashouder - kassier

kashoudster - caissiere

Kasische taal - Elamitisch, Hettitisch, Lydisch, Lykisch, Mittannisch, Soemerisch

Kasjgar - Sjoefoe

Kasjmir, volk in - Balti

Kasjmir en Jammu, hoofdstad van - Jammu, Srinagar

Kasjoebisch - Lechisch

kaskenade - beweging, drukte, gasconnade, ophef

kasmiddelen - contanten, geld, kontanten

Kaspische zee, eiland in de - Artem

kassa - betaalplaats, telmachine

kassei - straatsteen

kasseien - plaveien

kasseilegger - straatmaker

kassian - medelijden, ocharm

kassier - incasseerder, kashouder, ontvanger, rekeningdoende, rekeninghouder, rendant

kassiersafdeling bij de gemeente e.d. - comptabiliteit

kassiersbriefje - cheque

kassiersloon   incasso

kassierswerk - incasseren, uitbetalen

kast - berging, bergmeubel, buffet, gevangenis, hangkast, kolommenkast, kussenkast, latafel, linnenkast, schapraai, schrijn, troonkast, vitrine, wandmeubel

kast met deuren - kabinet

kast met gaten voor de aalvangst - aalgeerkaar

kast voor het bewaren van relikwieën - relikwieënkast

kast voor verboden boeken - hel

kast waarin krukas - carter

kastanje - castanea

kastanjeachtie - hippo-castanaceeën

kastanjebruin - roodbruin

kastanjekleurig - donkerbruin

kastanje, omhulsel van de - cupula

kaste   groep, jati, klasse, stand

kaste, lid van een - brahmaan, ksatriya, sjoedrah, vaisya

kasteel   burcht, burg, citadel, slot, sterkte, toren, vesting

kasteel  

4 Berg, Bom, burg, Dael, Goor, Haar, Heer, slot

5 Aerdt, Arcen, Asten, Bosch, Breda, Dever, Donck, Doorn, Horst, Horte, Rhoon, toren, Voorn, Weert, Wisch, Zeist

6 Ampsen, Baarlo, Beesde, burcht, Dussen, Egmond, Gemert, Hatert, Hoenlo, Kelder, Keppel, Kessel, Limmel, Malsum, Medler, Ruurlo, Vorden, Wychen, Zoelen, Zuilen

7 citadel, Echteld, Spieker, Twickel, Ulenpas, Vleuten, vesting, Warmelo, Warmond

8 Nijenrode, Soestdijk

9 Amerongen, Assumburg, Brederode, Doorwerth, Duurstede, Endegeest, Molencate, Rozendaal, Zijpendaal, Zorgvliet

10 Amstenrade, Diepenheim, Drakestein, Middachten, Muiderslot, Randebroek, Windesheim

11 Hartelstein, IJsselstein, Loenersloot, Loevenstein, Riemersbeek, Schaffelaar, Slangenburg, Sparrendaal

kasteel behorende aan een geslacht - stamslot

kasteelheer   baron, burchtheer, heer, kastelein, slotheer

kasteel in Drenthe - Oldengaerde

kasteel in Friesland - Stins

kasteel in Gelderland - Doorwerth, Loevestein, Terhorst

kasteel in Limburg - Horn, Hoensbroek, Valkenburg, Wittem

kasteel in Noord-Brabant - Bouvigne

kasteel in Noord-Holland - Brederode, Muiderslot

kasteel in Utrecht - Drakestein, Nijenrode, Soestdijk

kasteel in Zuid-Holland - Duivenvoorde, Poelgeest

kasteel van oudsher - stamslot

kasteelbeheerder - slotvoogd

kasteelheer - slotheer, slotvoogd, (namens een persoon of

overheid) burchtheer



kastegoed   saldo

kastekort - deficit, nadelig saldo

kastelein   burchtheer, gelaghouder, herbergier, kasteelheer, kroegbaas, slotheer, slotvoogd, waard

kasteleines - herbergierster, kasteleinse, waardin

kasteleinsvrouw - herbergierster, kroegbazin, waardin

kasteloze - paria

kastelijntje - gedachtenstreepje

kastenmaker - abenist, schrijnwerker

kasterolie - castorolie, wonderolie

kastje - etagère

kastje met relikwieën - reliekschrijn, schrijn

kastlijntje - gedachtenstreepje

kast met deuren - kabinet

kastmeubel - buffet, credens, credenzone, dressoir

kastoor   beverhaar, bevervilt

kastplant - schap

kastraat - euneuch, gelubde, ontmande

kastratie - ontmanning

kastreren - lubben, ontmannen

kastreren van huisdieren - lubben

kastrol - braadpan, kasserol

kastvakje - loket

kast van het oog - oogholte

kastijden   afrossen, geselen, martelen, mortificeren, pijnigen, ranselen, slaan, straffen, tuchtigen

kastijding   afranseling, bestraffing, castigatie, geseling, mortificatie, slaag, straf, tuchtiging

kastype - eenruiter, serre, warenhuis

kasuaris   emoe

kasueel - casueel, toevallig

kat –

3 gib, kat, los, torn

4 lynx, manx, pers, poes

5 cyper, felis, kater, katje, kazan, leeuw, matou, poema, pussy, smoke, tabby, tijger

6 angora, boskat, fokkat, gambia, gepard, gibcat, kattin, kitten, manoul, nubi�r, ocelot, panter, poesje, raskat, serval, tomcat,

7 abessijn, bergkat, burmaan, burmees, caracal, catling, cheetah,

civette, cyperse, dakhaas, huiskat, jagoear, karakal, manxkat, minneke, minette, muiskat, pelskat, poolkat, siamees, sierkat, stalkat, tijgerin, tuinkat




1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   19


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina