Kaartvaardigheden Algemeen



Dovnload 27.83 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte27.83 Kb.
Kaartvaardigheden

Algemeen
Elk vakgebied heeft zijn eigen visitekaartje en vaak ook een typerend en/of onmisbaar hulpmiddel. Voor taal is het woordenboek het belangrijkste hulpmiddel, bij rekenen de rekenmachine en de tijdlijn bij geschiedenis. Het visitekaartje voor aardrijkskunde zijn de kaart en de atlas. Deze zijn onmisbare hulpmiddelen bij het verkennen en onderzoeken van geografische ruimte. Bij het vak aardrijkskunde gaat het erom zicht te krijgen in ruimtelijke spreiding en samenhang van allerlei verschijnselen op aarde. Dat ook nog eens op micro, meso en macro niveau. Hierbij is de kaart en/of atlas het belangrijkste hulpmiddel. Volgens Blokhuis en Peeters (2009) is de essentie van kaartvaardigheden eigenlijk in één zin samen te vatten: “Kinderen moeten leren hoe ze een kaart lezen, voordat ze het kaartlezen gebruiken om te leren”. Kinderen moeten leren kaart lezen en een kaartbeeld ontwikkelen. Hierbij is het belangrijk om een pendeling te maken tussen de werkelijkheid, beelden van die werkelijkheid en de abstractie daarvan op kaarten in de vorm van kaartsymbolen. Een kaart is een symbolische, verkleinde en vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid. Hiermee is in één oogopslag vaak al zien hoe de spreiding van ruimtelijke verschijnselen als wonen, werken of recreëren in een bepaald gebied is gerangschikt. Kaartvaardigheden en kaartbeeld zijn noodzakelijk om het lezen van kaarten en het werken met kaarten (vaak gebundeld in een atlas) optimaal te leren benutten (Blokhuis & Peeters, 2009).

Door de komst van het digitale tijdperk nemen de toepassingsmogelijkheden van kaarten snel toe. Hierbij kun je denken aan TomTom, diverse routeplanners op internet en Google Earth. Ook zijn er allerlei andere online services waarbij kaarten veelvuldig voorkomen. De site buienradar.nl is een van de meest gebruikte websites van Nederland. De kaart is een uniek hulpmiddel om geografische begrippen en processen te lokaliseren, te inventariseren en te interpreteren. Uiteindelijk gaat het erom om de geografische vierslag (waarnemen/beschrijven, verklaren, herkennen/toepassen en waarderen) toe te passen. Waarderen is de moeilijkste, maar ook de meest boeiende stap uit de geografische vierslag. Het aardrijkskundig denken krijgt hierdoor een belangrijke maatschappelijke meerwaarde. Met kaarten kun je beter waarden: betrokkenheid, betekenisverlening en besluitvorming stimuleren, in je eigen buurt, wijk, dorp, stad, streek of land, maar ook als Europeaan en/of wereldburger.

Wat is een kaart?


Bij het verkennen en onderzoeken van geografische ruimte en de daarin voorkomende ruimtelijke elementen en processen heb je een kaart en/of atlas nodig. Het onmisbare aardrijkskundige hulpmiddel. Het gebruik van kaarten of plattegronden is echter niet vanzelfsprekend. Een flink deel van de bevolking is niet in staat een kaart te lezen en als een ruimtelijk hulpmiddel te gebruiken. Hierbij kun je denken aan autoritten naar onbekende landen en plaatsen, tijdens vakanties. Kijk bijvoorbeeld ook eens kritisch rond in je eigen familie-, kennissen- en vriendenring. Wie hebben de meeste moeite met kaartlezen: mannen of vrouwen? Hoe zou dat komen? Dit kaartenanalfabetisme wordt veroorzaakt door een gebrekkig kaartbegrip of plattegrondbesef, mede ontstaan door de eenzijdige aandacht voor het aanleren van parate topografische kennis en door de te weinig aandacht voor ruimtelijke oriëntatie, het werkelijk leren kaartlezen en het trainen van kaartvaardigheden op de basisschool en in de basisvorming van het voorgezet onderwijs.
Door een steeds complexere inrichting van met name stedelijke gebieden en de toenemende mobiliteit, wordt het steeds belangrijker dat mensen en dus ook kinderen zich ruimtelijk kunnen oriënteren, zowel in de werkelijkheid als op de kaart. Kaartlezen wordt steeds vaker gezien als een vorm van sociale redzaamheid. Zonder de hulp van technische hulpmiddelen of derden je toch kunnen oriënteren en redden in een onbekende omgeving (Blokhuis & Peeters, 2009).

Soorten kaarten
Er zijn volgens Blokhuis en Peeters (2009) verschillende soorten kaarten. Deze verschillende soorten worden onderscheiden op basis van schaal en kaartinhoud. Er grootschalige en kleinschalige kaarten. Daarnaast zijn er overzichtskaarten, deze zijn meestal natuur of staatkundig. En er zijn thematische kaarten, over heel veel verschillende onderwerpen. Deze onderwerpen worden vaak ook nog samengevoegd om onderlinge verbanden duidelijk te maken. Wanneer er meer dan één plaats is afgebeeld op een kaart, spreken we niet meer van een plattegrond maar van een kaart. In dit geval is dat dus een kleinschalige kaart. In De Grote Bosatlas staan kleinschalige kaarten van Nederland, bijvoorbeeld de deelkaart Midden-Nederland.
Als je kijkt naar de meeste atlassen dan bestaan ze bijna altijd uit drie hoofddelen. Nederland, Europa en de wereld. Ieder deel heeft een aantal overzichtskaarten (natuur en staatkundig) die een beeld geven van het gebied. Op de natuurkundige kaarten staan zeeën, rivieren en reliëf met topografische namen. Hier zijn ook de landsgrenzen en een aantal plaatsen op te zien om de oriëntatie van het gebied te vergroten. Op staatkundige kaarten worden de afzonderlijke landen (soms ook provincies en staten) getoond. Vaak met verschillende kleuren. In vergelijking met natuurkundige kaarten is hier het aantal plaatsen vrij groot, om een zo groot mogelijke topografische oriëntatie mogelijk te maken.
In de atlas zijn thematische kaarten echter het meest voorkomend. Elke thematische kaart geeft informatie over één specifiek thema. Bijvoorbeeld bevolkingsdichtheid of grondsoorten. Deze onderdelen zijn enkelvoudig. Er zijn ook meervoudige onderwerpen op thematische kaarten. Bijvoorbeeld knooppunten, mainports en verkeersstromen. Deze onderwerpen zijn samenhangend en worden daarom op één kaart weergegeven. Hieronder een aantal voorbeelden van veelvoorkomende thematische kaarten in de Grote Bosatlas.

  • Stippenkaart
    Elke stip geeft de ligging en soms ook de grootte van een verschijnsel aan, bijvoorbeeld om de spreiding van de bevolking aan te geven.

  • Chropleet
    Met kleuren, die van licht naar donker oplopen, worden de verschillen in grootte van een verschijnsel weergegeven, bijvoorbeeld de gemiddelde neerslag in millimeters, de verdeling van de temperatuur of de bevolkingsdichtheid van een gebied.

  • Mozaïkkaart
    Met gekleurde vakken worden de belangrijkste verschijnselen in een gebied aangeduid, bijvoorbeeld op een grondgebruik kaart waar akkerland, grasland of bos is.

  • Bewegingskaart of stroomdiagram
    Met pijlen wordt de richting van een stroom aangegeven, bijvoorbeeld verkeersstromen of zeestromen. De dikte van de pijlen geeft de omvang aan, bijvoorbeeld toeristenstromen of de stromen van aardolie en andere brandstoffen (Blokhuis & Peeters, 2009).

Kaart lezen
Het leren lezen van een kaart (technisch kaartlezen) is in principe te vergelijken met het technisch lezen in het leesonderwijs. Legendagebruik, schaalbegrip en vereenvoudigingen zijn onderdelen die vallen binnen het technisch kaartlezen. Hierna komen kaartoriëntatie met richtingen en plaatsbepaling en het inhoudelijk kaartlezen met inventariseren en interpreteren aan de oren. Deze kaartvaardigheden zijn essentieel bij het leren lezen van een kaart. Kinderen moeten leren zelfstandig informatie uit kaarten te lezen, te analyseren en te interpreteren. Om kaarten technisch te kunnen lezen zijn er vier basiskaartvaardigheden nodig. Deze vaardigheden (kaartbegrip, legendagebruik, schaalbegrip en vereenvoudiging) worden hieronder uitgelegd (Blokhuis & Peeters, 2009).

Kaartbegrip
Volgens Blokhuis en Peeters (2009) moet een kind op de basisschool zich kunnen voorstellen dat een kaart (of plattegrond) een tweedimensionale, verkleinde, vereenvoudigde en symbolische weergave van de werkelijkheid is. De kaart is een abstracte weergave van een bepaald gebied, of deel van de wereld. Bij het kijken naar een kaart moet je daarbij vier denkstappen maken:
1. Van de driedimensionale werkelijkheid naar een tweedimensionale weergave of van ruimtelijk naar een plat vlak.
2. Van de werkelijke grootte van ruimtelijke elementen naar een sterke verkleining daarvan, dus van ware grootte naar een afbeelding op schaal.
3. Van een gedetailleerde werkelijkheid naar een sterke vereenvoudiging. Op een kaart ontbreken bijvoorbeeld alle mobiele elementen en de meeste details.
4. Van een realistische weergave van elementen uit de werkelijkheid naar een symbolische weergave. Bijvoorbeeld bedrijventerreinen worden op kaarten vaak weergegeven met een paarse kleur. In werkelijkheid staat er niet één paars gebouw. Naast kleuren gebruiken ze ook tekens. Dit om bijvoorbeeld locaties weer te geven. Toch worden er op sommige kaarten zoveel enigszins realistische kleuren gebruikt. Op een bodemkaart worden bosgebieden donkergroen en weilanden lichtgroen weergegeven. Een kleur kan op kaarten dus verschillende betekenissen hebben. De legenda geeft hiervoor altijd uitsluitsel op de betreffende kaart.

Legendagebruik
In een legenda worden de gebruikte kaartsymbolen en kleuren verklaard. Een kaart en een legenda horen bij elkaar. Zonder een legenda is een kaart incompleet en in veel gevallen ook onleesbaar. De betekenis van symbolen, die op een kaart worden gebruikt moet je met behulp van een legenda kunnen lezen en begrijpen. Een kaart bestaat uit een groot aantal verschillende kleuren en symbolen die je in vier categorieën kunt indelen.

  • Puntsymbolen
    Met deze symbolen wordt met verschillende soorten en maten rondjes en vierkantjes de ligging van plaatsen weergegeven. Op wegenkaarten en grootschalige overzichtskaarten worden grote plaatsen vaak met hun contouren aangegeven om een betere indruk van de ligging en de grootte van een plaats te geven.

  • Lijnsymbolen
    Met deze symbolen worden hoofdstructuren en netwerken aangegeven zoals straten (van autosnelwegen tot woonstraten), spoorlijnen en waterwegen. Aan de breedte van de lijnen kan men vaak de belangrijkheid van een verbinding aflezen.

  • Vlaksymbolen
    Landschappen, terreinvormen, grondsoorten en bodemgebruik worden weergegeven met gekleurde vlaken. Alle gebieden met hetzelfde kenmerk, bijvoorbeeld weidegebied, krijgen dezelfde kleur op de kaart, die in de legenda wordt verklaard.

  • Speciale tekens
    Naast cijfers en letters worden er veelvuldig ook pictogrammen op kaarten en plattegronden gebruikt. Ze worden vooral gebruikt om losse ruimtelijke elementen weer te geven. Getallen worden vooral gebruikt om de hoogteligging en afstanden weer te geven.

Van alle symbolen op een kaart moet je je een concrete voorstelling kunnen maken. Als je begrippen leest die in de legenda worden gebruikt, krijg je daar een beeld bij. Bijvoorbeeld niet elke toren is hetzelfde. Een vuurtoren, een watertoren en een kerktoren zijn verschillende torens wat betreft functie, uiterlijk en locatie. Een ander voorbeeld: Als de paarse kleur op de kaart een aardolieraffinaderij betekent, dan moet je wel weten wat dat betekend. Je moet er een beeld van kunnen vormen. Op een andere kaart kan paars een heideveld zijn. Je hebt dan kennis nodig van dit begrip. Het is belangrijk een legenda goed te lezen anders kom je voor een heidewandeling in Europoort terecht. Symbolen lezen is dus alleen zinvol als je voldoende aardrijkskundige begrippen weet. Wat is bijvoorbeeld het nut als je op een kaart van Japan leest dat in het paarse gebied veel moerbeibomen staan, als je niet eens weet wat moerbeibomen zijn. En dat deze moerbeibomen gebruikt worden om zijde van te maken, een belangrijk exportproduct van Japan. Dit noemen we ook wel een aardrijkskundig begrippenkader (Blokhuis & Peeters, 2009).

Schaalbegrip
De mate van verkleining van de werkelijkheid aflezen om een voorstelling van de grootte van een gebied te krijgen, noemen we schaalbegrip. Een kaart of plattegrond is in principe zo exact mogelijk op schaal getekend. Staat er bij een kaart een schaalgetal van 1 : 1.000.000, dan betekent dat dat op een kaart alles één miljoen keer kleiner is getekend dan in werkelijkheid. Dus 1 centimeter op de kaart is 1 miljoen centimeter (of 10 kilometer) in werkelijkheid. Verwarrende begrippen zijn grootschalige en kleinschalige kaarten. Op grootschalige kaarten is een relatief klein gebied afgebeeld. Deze worden dan ook vaak plattegronden genoemd. Denk hierbij aan een kaart van een stad of dorp. Kleinschalige kaarten geven een veel groter gebied weer. In de atlas staan bijvoorbeeld bijna alleen maar kleinschalige kaarten waarbij een sterk verkleind gebied is afgebeeld. Denk aan landen en werelddelen. Omdat kaarten op schaal getekend zijn, kun je afstanden meten. Dit is de absolute afstand, hemelsbreed of over de weg gemeten. De afstand tussen Den Helder en Alkmaar is absoluut ongeveer 35 kilometer. Dit is ongeveer even ver als de stand tussen Hoorn en Den Oever bij de afsluitdijk.

De reistijd per auto over het traject Alkmaar-Den Helder bedraagt minstens een half uur, tot misschien wel anderhalf uur in de spits. Dit noemen we de relatieve afstand, uitgedrukt in reistijd (Blokhuis & Peeters, 2009).



Vereenvoudigingen
Bij het “uitzoomen” vanaf een plattegrond (grootschalig) naar een overzichtskaart (kleinschalig), doet zich een belangrijk verschijnsel voor, vereenvoudigen en het weglaten van kaartinformatie. Cartografen spreken van generalisatie als ze door de kaartschaal dingen weg moeten laten. Hieronder een voorbeeld met als vertrekpunt een basisschool in Willemstad.

  • Op een plattegrond van de hal van het stadhuis (Mauritshuis) van Willemstad staan alleen de infobalies voor burgers afgebeeld.

  • Op de plattegrond van de wijk zijn alleen de contouren van het stadhuis nog zichtbaar.

  • Op de topografische kaart van de regio is het stadhuis niet meer te vinden, alleen de globale bebouwing van het stadje en enkele hoofdwegen zijn aangegeven.

  • Op een deelkaart van Zuid-Nederland is de stad nog slechts een zwart rondje waarbij alleen enkele hoofdwegen en wateren in de omgeving zijn aangegeven.

  • Op een overzichtskaart van Nederland is Willemstad niet meer te ontdekken. Alleen de stad Dordrecht is met een rood rondje weergegeven.

Door vereenvoudigingen (vooral door het weglaten van details) worden kaarten steeds abstracter. Een plattegrond van de eigen wijk lezen is voor kinderen uit groep 5 een stuk gemakkelijker dan de kaart van Nederland met allemaal blokjes, rondjes, lijnen en kleuren. Het begrijpen van vereenvoudigingen is essentieel voor het kunnen kaartlezen. Als je de natuurkundige kaart van Nederland bekijkt met dezelfde ogen als een stadsplattegrond, dan herken je helemaal niets. Je zoekt dan tevergeefs naar de plek van je school en je wijk. Naast vereenvoudiging van informatie wordt er ook informatie geselecteerd en juist grote weergegeven. Op een topografische kaart zijn de hoofdwegen veel breder getekend dan ze in werkelijkheid zijn. Op een wegenkaart van Nederland bijvoorbeeld is deze bewuste overdrijving nog veel sterker bij het weergeven van autosnelwegen (Blokhuis & Peeters, 2009).

Kaartoriëntatie
Naast het technisch lezen van een kaart is het oriënteren op kaarten een minstens zo belangrijke kaartvaardigheid. Om je op kaarten te kunnen oriënteren onderscheiden we twee deelvaardigheden, richtingen en plaatsbepalingen.

Richtingen
Meestal gebruiken we in werkelijkheid en op plattegronden begrippen als linksaf, rechtsaf en rechtdoor. Op elke kaart en plattegrond staat echter ook aangegeven waar het noorden is. Meestal wordt dit gedaan met een eenvoudige pijl of een windroos. Afhankelijk van de plaatselijke situatie kan de noordpijl naar links, rechts, boven of beneden wijzigen. Bij kleinschalige kaarten is de bovenkant van de kaart altijd het noorden. Dit is een internationale afspraak die al in de 18e eeuw is gemaakt. Vroeger werd nog vaak het oosten als bovenkant van de kaart gebruikt. Oriënteren betekent dan ook letterlijk de Oriënt of het oosten bepalen. Na de uitvinding van het kompas heeft men om verwarring te voorkomen, afgesproken dat men het geografische noorden altijd als bovenkant van de kaart gebruikt. Net als bij afstanden maken we ook bij windrichtingen gebruik van absoluut en relatief. Absoluut is dat Enschede in het oosten van Nederland ligt, en Maastricht in het zuiden. Absoluut gezien ligt Groningen in het noorden, en Haarlem in het westen van Nederland. Naast deze hoofdwindrichtingen maken we ook gebruik van tussen-windrichtingen. Dit meestal om het weer aan te geven. Bijvoorbeeld de wind waait uit het noordwesten, in het zuidoosten is er kans op een bui en de opklaringen trekken vanuit het zuidwesten ons land binnen. Relatieve windrichtingen zijn veel lastiger. Dit komt omdat ze uitgaan van wisselende standplaatsen. Groningen en Assen liggen allebei in Noord-Nederland, maar Assen ligt ten zuiden van Groningen. Ander voorbeeld: Maastricht en Heerlen liggen allebei in Zuid-Nederland, maar Heerlen ligt ten oosten van Maastricht. In feite moet je in gedachten steeds een windroos of kompas op de kaart leggen bij de plaats die je als vertrekpunt neemt.

Plaatsbepaling (ligging)
Er zijn twee vormen van plaatsbepaling om snel de ligging van een plaats op te kunnen zoeken. Het vakkenstelsel en het coördinatensysteem. Het vakkenstelsel werkt volgens het schaakbordprincipe. In een straatnaamregister bij een stadsplattegrond staat achter elke naam de vak coördinaat. Bijvoorbeeld D6, F8, A3. Dit betekent dat de gezochte straat te vinden is in kolom D (verticaal) en rij 6 (horizontaal). Het atlas register werkt op precies dezelfde manier. Als er achter Doetinchem 23-24 B2 staat, dan betekent dit: Doetinchem kan je het best vinden op kaartblad pagina 23 en 24 in vak B, rij 2. Het vakkenstelsel is niet heel exact, je moet soms nog het hele vak doorzoeken om de straat of plaats te vinden. Sinds het einde van de 19e eeuw gebruiken we op wereldschaal het geografische coördinatensysteem. Dit coördinatensysteem maakt gebruik van een stelsel van graden, minuten en seconden om de exacte ligging van een plaats op aarde aan te geven. De aarde is immers een bol met in totaal 360 graden. De basislijnen van het gradennet vormen een assenstelstel met een X en Y-as.
De evenaar is de X-as en de lijn van Greenwich (bij Londen) de Y-as. De evenaar verdeelt de aarde in twee halfronden of breedten. Het noordelijk en zuidelijk halfrond (noorderbreedte N.B en zuiderbreedte Z.B). Tussen de evenaar en beide polen zijn telkens 90 hele cirkels getekend. De noordpool ligt op 90 graden noorderbreedte en de zuidpool op 90 graden zuiderbreedte. De lijn van Greenwich verdeelt de aarde in een westelijk en oostelijk halfrond (westerlengte W.L en oosterlengte O.L). Van de noordpool naar de zuidpool zijn 180 halve cirkels getekend op het westelijk halfrond en 180 op het oostelijk halfrond. De coördinaten op aarde zijn uniek. Er zijn geen plaatsen met hetzelfde coördinaat op de wereld. Even een voorbeeld. Oslo ligt op 60 graden noorderbreedte en 10 graden oosterlengte.

Een bijzondere lijn is de 180 graden meridiaan. Deze meridiaan vormt de datumgrens. Als je vanaf de lijn van Greenwich (0 graden) naar het oosten gaat, wordt het steeds later. De aardbol draait immers tegen de wijzers van de klok in om zijn eigen as, dus van west naar oost. Als het in Londen 12.00 uur is, dan is het bij de meridiaan van 180 graden 24.00 ‘s nachts. Als je de andere kant op gaat, naar het westen dan wordt het steeds vroeger. Bij deze lijn bestaat dus een tijdsverschil van 24 uur.

Aan de ene kant is het bijvoorbeeld maandag (westelijk halfrond) en aan de andere kant dinsdag (oostelijk halfrond). Als je op zondagavond uit Nieuw-Zeeland vertrekt en in oostelijke richting vliegt, bijvoorbeeld naar Zuid-Amerika, dan win je één dag. Je kunt dan twee keer achter elkaar dezelfde dag meemaken. Als je echter van Alaska in westelijke richting vliegt, naar Japan bijvoorbeeld dan verlies je één dag (Blokhuis & Peeters, 2009).

Inhoudelijk kaartlezen
De hierboven besproken kaartaspecten of technische kaartvaardigheden moet je kunnen beheersen voordat je informatie op kaarten kunt lezen door te inventariseren en interpreteren. In deze inhoudelijke kaartvaardigheden, vergelijkbaar met studerend of begrijpend lezen, ligt de geografische vierslag van Verheij (2009) opgesloten. Waarnemen/beschrijven, verklaren, herkennen/toepassen en waarderen.

Kaartinventarisatie
Kaartinventarisatie bestaat uit waarnemen en beschrijven met behulp van een aantal geografische vragen.
Waarnemen en beschrijven:
- Wat zie je?
- Wat neem je waar?
- Waar zie je dat?
- Hoe ziet het eruit?
- Welke kenmerken ontdek je?

Bij kaartinventarisatie gaat het vooral om het waarnemen en beschrijven van informatie die via een kaart wordt aangereikt. Op de vraag ‘Waar in Nederland komen de belangrijkste akkerbouwgebieden voor?’, zal je met de grondgebruik kaart al snel tot de ontdekking komen dat Zeeland, Flevoland en Groningen de belangrijkste akkerbouw provincies zijn. Op de vraag ‘Wat valt je op aan de ligging van deze provincies?’ of ‘Valt daar een patroon in te ontdekken?’, kun je concluderen dat het alle drie provincies zijn die in Laag-Nederland liggen, in de buurt van de zee of water. Het patroon is dan heel kernachtig. Akkerbouw vind je vooral in de kunstgebieden (provincies).



Kaartinterpretatie
Kaartinterpretatie bestaat uit een drietal vaardigheden met een aantal geografische vragen waarbij de laatste vaardigheid (waarderen), in feite vraagt om het toetsen en eventueel bijstellen van de eigen beeldvorming en mening over een geografisch verschijnsel ten opzichte van de realiteit en de mening van anderen.
Verklaren:
- Waarom is het daar?
- Waarom ziet het er daar zo uit?
- Waar heeft dat mee te maken?
Herkennen en toepassen:
- Zie ik dat wel waker?
- Zie ik dat ergens anders ook zo?

Waarderen:


- Wat vind ik daarvan?
- Wat vinden anderen ervan?
- Denk ik er nu nog zo over?

Bij verklaren worden voornamelijk waarom vragen gesteld. ‘Waarom liggen akkerbouwgebieden in de kustprovincies?’. Het antwoord zou je kunnen vinden op de grondsoortenkaart in de atlas. Als je hierdoor geen volledig antwoord kunt krijgen dan heb je vaak aanvullende informatie nodig. Bijvoorbeeld eerdere opgedane kennis, teksten, foto’s of grafieken en tabellen. Bij herkennen en toepassen stel je vragen als: ‘Is het elders ook zo dat akkerbouwgebieden op zeekleigronden liggen?’. Hierbij kom je tot een constatering die kan leiden tot een algemene regel of wetmatigheid. Je zoekt verbanden bij andere gebieden waardoor je een algemener antwoord krijgt. Bijvoorbeeld: We kunnen in zijn algemeenheid stellen dat akkerbouw op zeeklei een vaak voorkomende combinatie is. Bij waarderen gaat het om meningsvragen. ‘Wat vind ik van dit verschijnsel?’ en ‘Wat vinden anderen ervan?’. Het gaat om bewustwording en het kunnen beargumenteren van de eigen mening. Welke betekenis heeft het voor jou, of voor anderen. Over elk onderwerp kan de mening heel verschillend zijn. Neem bijvoorbeeld weer de akkerbouw. Een boer zal daar een andere mening over hebben dan bijvoorbeeld een projectontwikkelaar (Blokhuis & Peeters, 2009).



Kaartbeeld
Zonder kaartbeeld kun je niet zinvol kaartlezen. Als er ergens een ongeluk of brand is geweest, wil je meteen weten waar dat was. Als je hoort dat het in Groningen was, dan denk je misschien, “Oooh dat is best ver weg”. Bijna iedereen heeft een kaartbeeld van Nederland met de ligging van Groningen in zijn hoofd. Dit noemen we ook wel de ‘mental map’. Als je dit niet hebt kun je het bijvoorbeeld opzoeken in de atlas en ontdek je dat het in het noordoosten van Nederland ligt. Je kunt de plaats lokaliseren en het een plek geven. Om een goed kaartbeeld te ontwikkelen, heb je een bepaalde hoeveelheid kennis nodig van topografische namen, en moet je deze kunnen plaatsen op de kaart van Nederland, Europa en de wereld. Hoeveel is nu eigenlijk een bepaalde hoeveelheid. Zijn dat 100, 200, 500, 1000 of 2000 plaatsen?

Aardrijkskunde en topografie werden lange tijd als hetzelfde gezien. Zeker in de beleving van de wat oudere mensen. Ook nu wordt er op veel basisscholen nog teveel tijd besteed aan het leren van topografie tijdens de aardrijkskunde lessen. In de huidige visie op aardrijkskunde is de topografische kennis slechts een beperkt onderdeel van het vakgebied, dat uitsluitend nodig is om het kaartbeeld te vormen. Dat kaartbeeld is nodig om het kaartlezen en het werken met kaartinhouden mogelijk te maken. Een kaart is echter maar een hulpmiddel om geografische begrippen en processen te lokaliseren (Blokhuis & Peeters, 2009).



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina