Katholieke Gebruiken: De Heilige Eucharistie Romeinse Liturgie (Latijn)



Dovnload 31.79 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte31.79 Kb.
Katholieke Gebruiken:
De Heilige Eucharistie

Romeinse Liturgie (Latijn)

Deel III-E

Volgorde van de Heilige Mis
De Canon van de Heilige Mis: (Vervolg)
Unde et memores (Daarom o Heer…):
Na de Consecratie van het Kostbaar Bloed staat de aansporing van Jezus: ”Zo dikwijls gij dit doet zult gij het doen tot gedachtenis aan Mij.” Juist deze gedachtenis wordt nu opgenomen, want uit het gedenken aan wat God voor ons heeft gedaan, groeit de dank en deze vraagt om een uitdrukkingswijze in het offer: ”Daarom o Heer gedenken (Memores) wij Uw dienaren en met ons Uw Heilig volk, het Zalig Lijden van Christus Uw Zoon, onze Heer alsmede Zijn Verrijzenis uit de doden en Zijn glorievolle Hemelvaart en dragen (Offerimus) Uw verheven Majesteit van Uw eigen giften en gaven het Zuiver + Offer, het Heilig + Offer het Vlekkeloze + Offer het Heilig + Brood van eeuwig leven en de Kelk + van de onvergankelijke Zaligheid.”
Jezus zelf is de ”Hostia pura” de reine, Heilige en smetteloze Offergave. Hij is het Heilig Brood van het eeuwig leven (Vgl Joh 6,51)
De Vijf Kruistekens over de Offergaven herinneren ons aan de Vijf Wonden van Jezus en aan zijn lijden en dood. ”Als de Eucharistische Offergaven worden genoemd dan is het Kruisteken het passend Symbool bij deze woorden, om ook voor het oog aanschouwelijk te maken dat op het Altaar namelijk het Lichaam en Bloed aanwezig is dat eens op het Kruis geofferd werd.” (Gihr. pag. 616.)
Naast de gewijde Priesters (Nos servi tui) worden ook de gelovigen als meeofferende genoemd (Sed et plebs tua sancta). Daar worden de gelovigen aangesproken op hun boven natuurlijke adel van het algemeen Priesterschap, waarover de Apostel Petrus spreekt: ”Maar u bent een uitverkoren geslacht een Koninklijk Priesterschap, een Heilige natie een volk dat Zijn bijzonder eigendom werd om de roemruchte daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht. Vroeger geen volk nu Gods volk; vroeger van genade verstoken nu begenadigd.” (1 Petr 2, 9 ev.)
Supra quae (Gewaardig U):
Hier bidt de Kerk de Hemelse Vader om haar, verenigd met het Offer van Jezus, in welgevallen aan te nemen. Daarbij herinnert de Kerk aan de Heilgeschiedkundige samenhang van het eerste Offer van Abel, het Offer van Abraham en het Offer van Melchisedech met het Kruisoffer van Jezus.

Zo staat het ook in de Secreta van de 7de Zondag na Pinksteren: ”O God die de verschillende Offers van de Oude Wet door het ene volmaakte Offer tot hun vervulling hebt gebracht, aanvaard dit Offer van Uw toegewijde dienaren en wil het met gelijke Zegen als weleer dat van abel Heiligen, opdat hetgeen ieder Uw Majesteit ter ere heeft opgedragen, allen tot zaligheid strekke…”
Het karakter van voorbeeld van deze Drie Offers wordt op bijzondere wijze duidelijk:
1. Abel, de gerechte offert een lam

2. Abraham, de vader offert zijn zoon Isaak

3. Melchisedech offert brood en wijn.
Over de gerechte Dienaar Abel staat geschreven: ”De Heer zag neer op Abel en zijn Offergave.” (Gen 4, 4.) Jezus zelf noemt de ”Gerechte abel” (Mat. 23, 25) die zijn offer door zijn onschuldig bloed heeft voltooid en daarom een voorbeeld werd voor Hem ”Wiens vergoten Bloed nog krachtiger roept dan het bloed van Abel” (Hebr 12, 24) en van wie Pilatus zegt: ”Ik ben onschuldig aan dit bloed.” (Mat. 27, 24).
Een hele bijzondere betekenisvolle betrekking bestaat er tussen het Kruisoffer van Jezus en het Offer van Abraham, want net als Jezus is ook Isaäk de eniggeliefde Zoon die zelf het hout voor het Offer op de Berg Moria naar boven heeft gedragen. In hem vinden de woorden van Abraham hun uiteindelijke vervulling: ”God zelf zal voor een Offerlam zorgen” (Gen. 22, 8).
Ook de Priesterkoning Melchisedech is een voorafbeelding van de Messias, over wie geprofeteerd is dat Hij priester zal zijn voor eeuwig op de wijze van Melchisedech (Heb. 5, 10 en Ps. 110, 4.) Plaatsvervangend voor zijn hele geslacht geeft Abraham tienden, als Melechisedeh ter ere van de Allerhoogste het Offer bracht van brood en wijn. (Vgl. Gen. 14, 18.)
Supplices te rogamus (Ootmoedig vragen wij U):
Zoals de Serafijnen in het Visioen van Jesaja voor de hoge Goddelijke Troon hun aangezicht bedekten (Vgl. Jes. 6,2) slaat de Priester zijn blik naar de grond en buigt diep en bidt: ”Ootmoedig smeken wij U almachtige God laat dit Offer door de handen van Uw Heilige Engel overdragen op uw Hoogverheven Altaar voor het Aanschijn van Uw Goddelijke Majesteit.” De ”Engel” en het ”Hoogverheven Altaar” herinneren aan de Hemelse Liturgie beschreven in de Openbaring van Johannes:
En als Hij het zevende Zegel opende werd het stil in de Hemel, wel een half uur lang en ik zag de Zeven Engelen die voor God staan en hun werden zeven bazuinen gegeven. Een andere Engel kwam en trad voor het Altaar, dragend een Gouden Wierookschaal en veel Reukwerk werd hem gegeven, dat hij opdroeg met de gebeden van de Heiligen op het Gouden Altaar voor de Troon van God. En de rook van de Wierook steeg omhoog onder de gebeden van de Heiligen uit de hand van de Engel naar God toe.” (Op. 8, 1-4).
De Heilige Thomas van Aquino (Sth III 83, 4 ad 9) duidt de Offerengel als Christus zelf, die als Middelaar van het Nieuwe Verbond het Offer van de Kerk naar het Hemelse Altaar draagt.
Terwijl het eerste gedeelte geheel naar God gericht is, gebeurt bij de woorden: ”Ut quotquot” (Opdat wij allen) een duidelijk wending. De Priester kust het Altaar en smeekt de Goddelijke Zegen af: ”Opdat wij allen die door deelneming aan dit Altaar, het Allerheiligste Lichaam + en Bloed + van Uw Zoon gaan nuttigen, met Hemelse Zegening en genade vervuld worden.”
Memento (gedenk…):
Nadat hij de Zegen voor de levenden heeft afgesmeekt, gedenkt hij nu de lijdende Kerk, de Zielen in het Vagevuur, die in hun toestand niet meer zelf kunnen Offeren, maar passief gelouterd worden: ”Gedenk ook o Heer uw dienaren en dienaressen N. N. die ons zijn voor gegaan met het merkteken van het geloof en in de slaap van de vrede rusten.” In de woorden ”Die ons zijn voorgegaan” ligt een vermaning voor de Strijdende Kerk op aarde, want ook zij zal eenmaal deze weg moeten gaan. Het is Heilzaam aan de dood te denken en om in het licht van de dag van het oordeel, steeds bereid te zijn want: ”De Mensenzoon komt op een uur dat gij Hem niet verwacht.” (Mat. 24, 44.)
Het ”Signum fidei” (Teken van het geloof) is een onuitwisbaar Merkteken dat bij de Doop in de Ziel is ingeprent als teken van onvoorwaardelijke Toewijding en onverbreekbare trouw tot Christus en zijn Kerk.
De toestand van de Zielen in het Vagevuur wordt zeer positief beschreven als de ”Slaap van de vrede” want ofschoon zij de voltooiing van hun verlossing nog niet ontvangen hebben, is de vrede hen al verzekerd. Zij hebben nog niet hun doel bereikt, maar zijn op weg, en wel zo dat zij het doel niet meer uit het oog kunnen verliezen. ”Zalig zijn van nu af de doden die in de Heer sterven, Waarlijk spreekt de Geest, zij mogen uitrusten van hun moeiten, want hun werken begeleiden hen.” (Op. 14, 13)
De Hemelse Zaligheid wordt op drievoudige wijze omschreven als een oord van verkwikking (Locus refrigerii) van het licht (Lucis) en de vrede (Pacis)
De verkwikking duidt op de louterende straffen van het Vagevuur die beëindigd worden: ”Transivimus per ignem et aquam; et eduxisti nos in refrigerium”, door vuur en water zijn wij geleid en U hebt ons geleid naar het oord van de verkwikking (Ps. 66, 12.)
Ook denken wij aan de bede van de rijke vrek in de Parabel van de arme Lazarus: ”In de onderwereld ten prooi aan vele pijnen sloeg hij zijn ogen op en zag Abraham met in diens schoot Lazarus. Hij riep: ”Vader Abraham erbarm U over mij en zendt Lazarus, opdat hij zijn vingers nat make om mijn tong te verfrissen, want ik wordt hier door grote pijnen gekweld.” (Luc. 16, 23 ev.)
Als oord van het licht schildert Johannes het Hemelse Jeruzalem: ”De stad heeft noch de zon, noch de maan nodig, want de heerlijkheid Gods verlicht haar en haar lamp is het Lam” (Op. 21, 23) en in Psalm 36 staat het heerlijke vers: ”Aan de rijkdom van mijn huis laven zij zich met de stroom van Uw goedheid lessen zij hun dorst. Ja bij U is de bron van het leven, in Uw Licht schouwen wij het licht.” (Ps. 36, 9 ev.)
Bij de afsluitende bede ”Per eundem Christum Dominum nostrum” buigt de Priester het hoofd.
Dit is ongewoon, omdat de naam van Jezus hier niet genoemd wordt. Allegorisch verklaart, duidt deze buiging op de dood van Jezus, die eveneens met gebogen hoofd is gestorven. (Vgl. Joh 19, 30). Aan het kruis: ”Stervend heeft Jezus aan het Kruis zijn hoofd gebogen en is dan in de diepte van het Dodenrijk afgedaald om de Vromen die voor Hem gestorven zijn, te troosten en hen uit hun gevangschap te bevrijden. Daarom wil de Priester die hier voor allen die in Christus gestorven zijn bidt, dit in herinnering brengen” (Gihr. pag. 635.)
Nobis quoque (Wil ook aan ons…):
Omdat de gehele Canon in stilte gebeden wordt, valt het hier op dat de Priester zijn stem een beetje verheft en drie woorden duidelijk uitspreekt, waarbij hij zich met de rechterhand op de borst slaat: ”Nobis quoque peccatoribus, wil ook aan ons, zondaars, Uw dienaren die op Uw oneindige barmhartigheid vertrouwen enig deel en gemeenschap verlenen met Uw Heilige Apostelen en Martelaren…”
Hier is de reden aangegeven waarom hij met duidelijke stem bidt, want hij bidt voor zichzelf en voor de aanwezige Clerus. Door met duidelijke stem te bidden wordt de opmerkzaamheid van de overige Geestelijken gewekt, opdat zij zich ook op de borst slaan en zich verenigen met het gebed van de Celebrant. Het slaan op de borst is niet alleen een uitdrukking van berouw en deemoed, maar kan op directe wijze verbonden worden met de Allegorese van de vorige strofe. Want toen Jezus zijn hoofd boog en stierf, sloegen allen zich op de borst: ”Toen de Honderdman zag, wat gebeurd was, prees hij God en zei ”Werkelijk deze mens was een gerechte.” En alle omstanders die erbij waren en zagen wat gebeurd was, sloegen zich op de borst en gingen heen.” (Luc. 23, 47 ev.)
Met de woorden: ”Die op Uw oneindige barmhartigheid vertrouwen” is een sterke gelijkenis duidelijk met de Psalm waarin Koning David, na zijn zware zonde bidt: ”Overeenkomstig Uw overvloedige barmhartigheid, delg mijn zonde” (Ps. 51, 3.) In de bede om aandeel en gemeenschap met de Heiligen ontmoeten wij de wending ”Partem aliquam” (Enig deel en gemeenschap…) want zo zegt het Psalmist: ”Waarlijk één dag in Uw voorhof is beter dan elders duizend dagen, liever op de drempel van Gods huis, als in de tent van zondaars te verkeren” (Ps. 84, 11.)
Onder aanvoering van Johannes de Doper worden 14 Martelaren opgenoemd; Zeven mannen en Zeven vrouwen.
1. Stephanus

2. Matthias

3. Barnabas

4. Ignatius

5. Alexander

6. Marcellinus

7. Petrus
Johannes de Doper
1. Felicitas

2. Perpetua

3. Agatha

4. Lucia

5. Agnes

6. Cecilia

7. Anastasia
Uit deze rij van Martelaren springt er één uit: de Heilige Ignatius, Bisschop van Antiochië, die rond het jaar 107 in Rome de Marteldood stierf. Van zijn laatste reis hebben wij zeven brieven, van wie de brief aan de gemeenschap van Rome op bijzondere wijze een uitdrukking is van Offerbereidheid. Bezorgd dat de Romeinse Christenen zouden proberen om zijn Martelaarschap te verhinderen, schrijft Ignatius:
U kunt mij niet beter uw tedere liefde bewijzen, als dat U mij laat begaan, om mij aan het Offer te wijden, juist nu het Altaar al is opgericht: Stel u zelf tevreden met in een Heilig Koor van liefde God dank toe te zingen in Christus Jezus. Alle goeds voor mij, als ik onderga naar wereldse maatstaven, om voor God op te stijgen. Laat mij spijs worden voor de dieren, opdat ik door hen tot God mag geraken. Ik ben het graan van God dat door de tanden van de dieren gemalen wordt, om rein brood van Christus te worden. Vuur en Kruis, een schare wilde dieren zal mijn lichaam verscheuren, mijn lichaamsdelen misvormen, mijn gebeente vermalen, kort, wat ook de Duivel aan kwalen kan verzinnen, alles moge over mij komen als ik maar Christus win. Alle geneugten der aarde veracht ik, ik veracht de Koninkrijken der aarde; beter is het voor mij te sterven voor Jezus Christus, als te heersen over de landen der aarde. Laat mij navolgen het Lijden van mijn God. Mijn liefde is al gekruisigd. Geen vuur gloeit in mij, dat naar het aardse taalt, maar een bron van levend water borrelt in mijn hart op en roept tot mij: ”Kom naar de Vader!” Alleen het brood van God verlang ik, het Hemelse brood van het leven, wat het vlees van Jezus Christus is, de Zoon Gods: alleen de drank verlang ik, Zijn Bloed, welke de onvergankelijke liefde is en het eeuwig leven” (Ign. van Antiochië Brief aan de Romeinen.)
De afsluitende bede om opname onder de Levensgemeenschap van de Heiligen (Consortium Sanctorum) herinnert aan de woorden van Paulus: ”Mocht gij in alles de Vader dank zeggen die ons in staat stelde aandeel te verkrijgen in de Erfenis van de Heiligen in het Licht” (Kol. 1, 12.)
Per quem haec omnia (Door Hem, Heer…):
In de volgende Strofe van de Canon betekenen de woorden ”Haec omnia” (Dit alles) allereerst de Eucharistische elementen. Daadwerkelijk heeft God de gaven van brood en wijn door de Consecratie op de hoogst mogelijk en onovertroffen manier Geheiligd, levend gemaakt en gezegend. Uit deze levenloze materiële gaven werd ”Levend Brood.” Ik ben het Levende Brood dat uit de Hemel is gekomen. Wie van dit Brood eet zal leven in eeuwigheid en het Brood dat Ik zal geven is Mijn Vlees ten bate van het leven der wereld (Joh. 6, 51.)
Tegelijkertijd vertegenwoordigen de gaven brood en wijn ook de gehele zichtbare schepping. In hen wordt plaatsvervangend de overige wereld gezegend. Daarom worden de woorden: ”Haec omnia” ook betrokken op de gaven van de natuur. Daadwerkelijk werd in bepaalde tijden van de geschiedenis op Speciale Feesten voor de woorden: ”Per quem heaec omnia…” een Zegening van natuurlijke dingen ingelast.
In een door Paus Gelasius (492- 496) samengestelde Rituele verzameling staat de aanwijzing om kort voor het einde van de Canon de veldvruchten te zegenen. Daar volgt een Zegenformule die afsluit met de woorden: ”… In nomine D.N.I.Chr, Per quem haec omnia…” (Vgl. Gihr. pag. 651, voetnoot 3.)
Daaruit wordt geheel duidelijk dat het huidige ”Per quem haec omnia” oorspronkelijk een vaststaande Formule was voor verschillende Zegenbeden. Een overblijfsel van Zegeningen van gaven vinden wij nog in het Pontificale Romanum, want de Zegening van de Ziekenzalving Olie in de Chrisma Mis op Witte Donderdag vindt precies op deze plek in de Canon plaats.
Per Ipsum (Door Hem…):
Het ”Per ipsum” is de afsluitende Lofprijzing die de inhoud van de gehele Canon nog een keer samenvat en uitdrukt.

De Priester neemt de Palla af van de Kelk, doet een kniebuiging en pakt met eerbied de geconsacreerde Hostie tussen de rechter duim en wijsvinger en maakt langzaam Drie Kruistekens van de ene rand van de Cuppa van de Kelk naar de andere rand. Zoals de tweedeling van de Consecratie verwees naar de gewelddadige Offerdood van Jezus, zo kan dit gebeuren als een Symbolische samenvatting worden gezien van de Opstanding.
De Kruisen duiden de Vier Hemelrichtingen aan, vanwaar de Kerk zich verzameld heeft om in de vereniging met het oneindig waardevolle Offer van Christus ”Door Hem en met Hem en in Hem God de almachtige Vader in de Eenheid met de Heilige Gees, Omnis honor et gloria, de Hem toekomende hoogste Eer en Verheerlijking te bewijzen.”
Bij de woorden ”Omnis honor et gloria” heft de Priester de Kelk en geconsacreerde Hostie een klein beetje omhoog voor de kleine Elevatie, om ook uiterlijk zichtbaar alles aan de Hemelse Vader op te Offeren. Dit gebeuren wordt begeleid door het Bellen van de Misdienaar.
Na de hardop gesproken woorden ”Per omnia saecula saeculorum” antwoordt het volk ”Amen” wat zoveel betekent als: ”Zo is het.” Dit schijnbaar onaanzienlijke woordje heeft op deze plaats een ongelofelijke betekenis, want op deze wijze stemmen de gelovigen in met de gehele Offerhandeling op een Feestelijke manier.
Pater Noster (Onze Vader):
Sinds Paus Gregoius de Grote (590- 604) volgt nu het ”Pater noster”. In een brief aan de Bisschop van Syracuse (Ep. 7, 63) zegt hij ”Als al door mensen gemaakte gebeden over de Offergaven gesproken worden, dan is het passend dat dit des te meer gedaan wordt met het door de Heer zelf gegeven gebed.” Hij zelf begreep het gebruik van het ”Pater noster” als een belangrijke aanvulling op het voltooien van de Canon. Omdat het uitdrukkelijk binnen de invloedsfeer van de Canon staat, moet het alleen door de Priester gebeden worden.
De Vierde Bede om het dagelijks brood heeft niet alleen de voeding voor het lichaam op het oog maar omvat de behoeften voor de hele mens, zowel zijn lichamelijk als Geestelijke welzijn. Want niet alleen van brood leeft de mens (Vgl. Mat. 4,4 en Deutr. 8, 3.) Heel duidelijk zien wij hier ook al de overgang en voorbereiding op het ontvangen van de Heilige Communie.
Embolisme
De laatste bede van het ”Onze Vader” wordt aangeduid als ”Embolisme” waar de Canon definitief wordt afgesloten.
Verlos ons, zo bidden wij o Heer van alle kwalen, verledene, tegenwoordige, en toekomstige en wil ons op de voorspraak van de Heilige en Glorierijke Maria, Moeder van God en altijd Maagd en van Uw Heilige Apostelen Petrus en Pauus en Andreas en van alle Heiligen + vrede schenken in onze dagen, opdat wij door de hulp van Uw barmhartigheid voor altijd van zonde vrij en tegen alle onrust beveiligd wezen”. Bij de woorden ”Vrede schenken” maakt de Priester met de Pateen een Kruis over zich, want hij bidt om de echte vrede die Christus door zijn Kruis heeft gebracht. Dan kust hij de Pateen en schuift haar onder de geconsacreerde Hostie.
Deze opname van de Heilige Hostie duidt de Zalige Harbanus Maurus (776 - 856) als de Symbolische Graflegging en de Kus als een Teken van Liefde en Eerbiedwaardigheid. (Gihr. pag. 662.)
De fractio (Breking):
Al bij de Consecratie werd gezegd dat Jezus bij het Laatste Avondmaal het brood gebroken heeft: ”Hij nam het brood, sprak het Dankgebed, brak het en gaf het hun met de woorden: Dit is Mijn Lichaam dat voor u gegeven wordt” (Luc. 22,19).
De Breking wordt nu voltrokken. De Priester pakt de Palla van de Kelk, maakt een kniebuiging, pakt de geconsacreerde Hostie en breekt (Fractio) haar met eerbied doormidden. Breekt een kleinstukje van de linker helft af en maakt als teken van de vrede (Pax) drie Kruisjes over de Cuppa van de Kelk (Consignatio) en laat dan dit kleine partikel in de Cuppa van de Kelk in het Kostbaar Bloed van Christus vallen (Mixtio).
De vroege Christenen hebben het Breken van het brood als een zeer sterk Symbool beschouwd en de term (Zoals ook gebeurd is met de term ”Eucharistie” = Dankzegging) gebruikt om de hele handeling van het Eucharistische Offer daarmee aan te duiden: ”Zij volharden in de Leer van de Apostelen, in de gemeenschap en het ”Breken van het brood.” ( Hand. 2, 42.)
De breking van de Geconsacreerde Hostie wordt direct boven de Kelk met het Kostbaar Bloed voltrokken. Zij is weer een herinnering aan de gewelddadige Offerdood van Jezus en in het bijzonder aan het Openen van Zijn Zijde waaruit zijn Kostbaar Bloed vloeide tot Heil voor de hele wereld. ”Een soldaat doorstak Zijn Zijde met een lans en terstond kwam er Bloed en Water uit” (Joh. 19, 34.)
Consignatio en pax:
Met het kleine Partikel gebroken van de linker helft van de geconsacreerde Hostie maakt de Priester driemaal een Kruis over de Kelk (Consignatio) en spreekt: ”De Vrede + des Heren zij + altijd met + u.”
Wij denken aan de woorden van de Heilige apostel Paulus ”Het was Gods raadsbesluit om allen met zich te Verzoenen door Hem en Vrede te stichten door het Bloed aan het Kruis vergoten” (Kol. 1, 19).
Mixtio:
Tenslotte wordt dit kleine Partikel van de geconsacreerde Hostie met het Kostbaar Bloed vermengd terwijl de Priester bidt: ”Deze Sacramentele vermenging van het Lichaam en Bloed van onze Heer Jezus Christus strekke ons, die het gaan ontvangen tot eeuwig leven.” Door het samenbrengen van de gedeelde gedaanten van Lichaam en Bloed van Christus wordt weer, net als bij het ”Per ipsum”, op Symbolische wijze de Verrijzenis tegenwoordig gesteld.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina