Kenmerk: 2008-1704 MvdM/rk



Dovnload 0.81 Mb.
Pagina4/9
Datum22.07.2016
Grootte0.81 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

3Financieringsfunctie van het eigen vermogen

      1. 3a Inleiding


1In dit hoofdstuk wordt de benodigde hoeveelheid eigen vermogen voor de financiering van activa van schoolbesturen in het PO bepaald. Zoals opgemerkt in hoofdstuk 1 worden daarvoor 3 stappen doorlopen, die hier volledigheidshalve worden herhaald:

  1. Bepaling van het benodigde niveau van alle actiefposten van de balans (naast materiële vaste activa en liquiditeiten zijn dat voor schoolbesturen ook immateriële vaste activa, financiële vaste activa, voorraden en vorderingen). Deze stap wordt behandeld in de volgende paragraaf 3b.

  2. Bepaling van de ter beschikking staande passiefposten die naast het eigen vermogen ingezet kunnen worden voor de financiering van materiële vaste activa van schoolbesturen (naast eigen vermogen zijn dat tevens permanente voorzieningen, de egalisatierekening en de schulden op lange termijn). Deze stap wordt behandeld in de paragraaf 3c van dit hoofdstuk.

  3. Het verschil tussen de uitkomst van stap 1) en stap 2) is het benodigde eigen vermogen van schoolbesturen per ultimo 2006 (laatste paragraaf 3d van dit hoofdstuk en verder in hoofdstuk 5)

2Met het doorlopen van deze 3 stappen wordt de basis gelegd voor stap 4 van het vermogensmodel, de vergelijking tussen het benodigde eigen vermogen van schoolbesturen en het aanwezige eigen vermogen van schoolbesturen in 2006. Daarmee kan een uitspraak over het verschil worden gedaan.
      1. 3b Benodigde activa (stap 1 vermogensmodel)


3Voor de bepaling van het voor financiering van activa benodigde eigen vermogen is het van belang om eerst de activazijde van de balans te onderzoeken. Zijn er redenen om aan te nemen dat de werkelijk benodigde activabehoefte van schoolbesturen afwijkt van wat er nu op de balans staat?

4In hoofdstuk 2 werd al opgemerkt dat naar verwachting in het PO niet alle werkelijk aanwezige materiële vaste activa op de balans als zodanig zijn opgevoerd (oude activa en ‘onderhoudsactiva, zie 2.15 en 2.16) Maar de vraag die hier gesteld wordt gaat verder: welke omvang van de diverse actiefposten zou men verwachten, gegeven het functioneren van de sector?

5Hierbij is de vraagstelling geconcentreerd op de actiefposten materiële vaste activa en liquide middelen, omdat deze posten in de context van vermogensonderzoek de meest relevante zijn binnen het onderwijs. Materiële vaste activa moeten vervangen worden en daarvoor moeten organisaties zoals schoolbesturen die geen toereikende lening kunnen treffen dus zelf eerst geld bij elkaar sparen. Dit sparen vergt discipline.

6Wanneer het enige tijd niet of te weinig gebeurt, door ontoereikende bekostiging en/of door te hoge uitgaven aan andere zaken, dan valt dat niet direct op. Ook ontoereikend sparen in verband met inflatie is een potentieel gevaar dat niet zomaar uit de balans blijkt.

7In andere sectoren, waar het bijvoorbeeld in tegenstelling tot het PO gebruik is dat organisaties hun eigen gebouwen bezitten, dient de post gebouwen en terreinen op soortgelijke wijze te worden onderzocht.

8 In commerciële organisaties kan ook de omvang van posten als voorraden en vorderingen afwijken van wat gezond is, zij het dat daar vaak juist een te grote omvang van deze posten een probleem kan zijn (bij voorbeeld een te hoge debiteurenstand als indicatie van een ontoereikend cash management).

9Dergelijke problemen spelen in het PO niet. Daarom heeft het onderzoeksteam op basis van een steekproef op schoolbesturenniveau besloten om in het vermogensonderzoek in de sector de omvang van de posten


  • immateriële vaste activa,

  • financiële vaste activa,

  • voorraden en

  • vorderingen,
als gegeven te beschouwen, op één belangrijke uitzondering na. Deze belangrijke uitzondering betreft de post Effecten, zowel de langlopende als de kortlopende. Voor effecten is een uitzondering gemaakt, niet alleen vanwege hun relatief grote omvang (per ultimo 2006 bijna EUR 500 miljoen) maar ook vanwege hun specifieke karakter, namelijk liquide middelen in een andere verschijningsvorm. Ten aanzien van de financiële resterende vaste activa (exclusief de langlopende effecten) dient nog opgemerkt te worden dat deze post voor het grootste deel (EUR 50 miljoen) uit zogenaamde “overige financiële vaste activa” bestaan. Vanuit de voorhanden zijnde bestanden van CFI is hier geen nadere duiding aan te geven.

10In de rest van deze paragraaf wordt daarom alleen aandacht besteed aan de materiële vaste activa de effecten en de liquide middelen. Dat neemt overigens niet weg dat individuele besturen bij de beoordeling van hun eigen vermogenspositie zich zouden moeten afvragen of de situatie in hun schoolbesturen mogelijk zodanig van het gemiddelde afwijkt dat zij, anders dan in dit onderzoek, ook naar andere posten dan materiële vaste activa en liquide middelen zouden moeten kijken.

      1. 3b1 Materiële vaste activa

Vervangingscyclus materiële vaste activa


11Schoolbesturen schaffen hun materiële vaste activa zelf aan. Ze schrijven deze gedurende de gebruiksduur af in hun boekhouding en ze zijn zelf verantwoordelijk voor tijdige vervanging. Het afschrijven van de activa genereert, zolang schoolbesturen tenminste een rijksbijdrage ontvangen die ze (nog) niet herinvesteren, liquide middelen (spaarliquiditeit).

12Afschrijvingen zijn namelijk wel kosten (in de exploitatierekening), maar geen (kas)uitgaven. Met het verzamelen van deze liquide middelen kunnen ze te zijner tijd vervangingsinvesteringen betalen. De boekwaarde van de materiële vaste activa van een school wordt bepaald door hun gemiddelde ouderdom: naarmate de materiële vaste activa ouder zijn, zijn ze voor een groter deel afgeschreven en is de boekwaarde lager.

13In onderstaande figuur b wordt geïllustreerd hoe het verloop van de boekwaarde van een individueel, lineair afgeschreven actief zich in de loop van de tijd (T) verhoudt tot de gespaarde liquide middelen. Afschrijvingen en besparingen vertonen een constant totaal en zijn samen in beginsel gelijk aan de aanschafwaarde.

Figuur b Verloop boekwaarde versus gespaarde liquide middelen van een individueel activum


14Figuur b suggereert dat de totale hoeveelheid middelen die schoolbesturen ten behoeve van het in stand houden van de vervangingscyclus van hun materiële vaste activa moeten aanhouden gelijk is aan de aanschafwaarde van de materiële vaste activa.

15Dat betekent dat schoolbesturen naast de boekwaarde van de materiële vaste activa ook liquide middelen moeten aanhouden, en wel zo veel dat de som van boekwaarde van de materiële vaste activa en de uit afschrijvingen gespaarde liquide middelen gelijk is aan de aanschafwaarde van de materiële vaste activa. Omdat in de praktijk sprake is van inflatie, moet de huidige (actuele) aanschafwaarde worden genomen.

16Bedrijfseconomen noemen dat de vervangingswaarde6. Dit biedt een eerste aanknopingspunt voor de bepaling van wat een gezonde hoeveelheid materiële vaste activa zou kunnen zijn. Op deze gedachtegang is de bekostiging van schoolbesturen ook gebaseerd: een nieuw gevestigde school krijgt in zijn bekostiging vanaf de eerste dag een vergoeding voor afschrijvingskosten, zodat te zijner tijd de materiële vaste activa kunnen worden vervangen.

17Dit is overigens ook de wijze waarop schoolbesturen traditioneel met vervangingsinvesteringen om zijn gegaan. Schoolbesturen waren tot het lumpsum tijdperk gewend als regel aan te houden dat zij voor elk actief eerst het volledige aanschafbedrag in de vorm van liquide middelen bij elkaar moesten sparen alvorens tot vervanging over te gaan.

18In de praktijk is het echter niet aannemelijk dat schoolbesturen – net zo min als andere organisaties - in een situatie terecht komen waarin ze alle materiële vaste activa tegelijkertijd moeten vervangen.

19Voor een school met één vestiging, een constant leerlingenaantal en een vervangingsbeleid dat exact conform het programma van eisen is vormgegeven, is een situatie van complete vervanging theoretisch nog wel voor te stellen. Als ICT een levensduur van 5 jaar zou hebben, leermiddelen een levensduur van 10 jaar en inventaris een levensduur van 20 jaar, dan zou een dergelijke theoretische school na 20 jaar alles tegelijkertijd moeten vervangen.

20Maar in de praktijk doorlopen veel schoolbesturen een levenscyclus, waarin ze na een klein begin geleidelijk verder groeien, een hoogtepunt bereiken, en daarna weer krimpen tot een kleinere omvang.

21Dit impliceert dat schoolbesturen die met een dergelijke dynamiek te maken krijgen hun materiële vaste activa geleidelijk opbouwen, waardoor het onwaarschijnlijk is dat er een moment komt waarop alles tegelijkertijd moet worden vervangen.

22Voor besturen met meerdere scholen onder hun gezag geldt dat nog sterker. Hun ‘portfolio’ van scholen zal doorgaans bestaan uit een mix van oude en nieuwe scholen, en hun mix van materiële vaste activa uit een zeer groot aantal individuele activa componenten, met een redelijkerwijs te verwachten grote spreiding in ouderdom.

23Het is bij een bestuur met een flink aantal scholen onder zich zo bezien praktisch uitgesloten dat alle materiële vaste activa tegelijkertijd op grond van hun levensduur vervangen zouden moeten.

24Een verstandig bestuur zal overigens alleen al om organisatorische redenen in de praktijk erg zijn best doen om vervangingsinvesteringen te spreiden. Alles tegelijkertijd vervangen doet een te groot beroep op management capaciteit en is daarom riskant. Dat geldt zeker voor grote besturen, maar ook de meeste kleinere besturen zullen dit zo ervaren.

25De mate waarin gespreide vervanging plaatsvindt wordt overigens mede bepaald door de aard van de materiële vaste activa en door individuele bestuursvoorkeuren. Vervanging van leermiddelen bijvoorbeeld kan over het algemeen beter worden gespreid dan vervanging van ICT, maar elk bestuur maakt hierin op basis van eigen voorkeuren zijn eigen afwegingen.

26De vraag is nu wat dit zou moeten betekenen voor de benodigde omvang van materiële vaste activa in de PO sector. Aan de ene kant is er het aanknopingspunt van de vervangingswaarde van de materiële vaste activa. Dit gegeven biedt een eerste aanknopingspunt voor de bepaling van een bovengrens van de benodigde materiële vaste activa: de benodigde omvang van de materiële vaste activa (in de vorm van boekwaarde materiële vaste activa en liquide middelen) is in ieder geval niet meer dan de vervangingswaarde van de materiële vaste activa.

27Aan de andere kant is er de aannemelijkheid dat schoolbesturen – uitgezonderd wellicht een waarschijnlijk zeer klein aantal “stationair” draaiende éénpitters - in de praktijk nooit zichzelf “in één klap” (vrijwel) geheel zullen vernieuwen.

28Bij een perfecte spreiding van vervangingsinvesteringen, in een zogenaamd “ideaalcomplex” van activa, kan op lange termijn worden volstaan met materiële vaste activa ter waarde van slechts de helft van de vervangingswaarde van de materiële vaste activa.

29In een dergelijke situatie is er sprake van een divers pakket van oude en nieuwere activa, die gemiddeld halverwege hun levensduur zijn en dus een gemiddelde boekwaarde hebben ter grootte van 50% van de vervangingswaarde. Jaarlijks wordt dan evenveel geïnvesteerd als aan afschrijvingen vrijkomt in de vorm van liquide middelen.



30In tabel 6 wordt daarvan een fictief voorbeeld gegeven, waarin – met het oog op de overzichtelijkheid - overigens geen rekening is gehouden met inflatie.

tabel 6 Fictief voorbeeld van een ideaalcomplex


Jaar (begin)

1

2

3

4

5

6

7

8

Investering

10










10
















10










10
















10










10
















10










10

Afschrijving (machine van:)

























jaar 1

2,5

2,5

2,5

2,5













jaar 2




2,5

2,5

2,5

2,5










jaar 3







2,5

2,5

2,5

2,5







jaar 4










2,5

2,5

2,5

2,5




jaar 5













2,5

2,5

2,5

2,5

jaar 6
















2,5

2,5

2,5

jaar 7



















2,5

2,5

jaar 8






















2,5

Boekwaarde complex (einde jaar)

7,5

12,5

15

15

15

15

Etc.




Extra investering begin volgend jaar

10,00

10,00

10,00

10,00

10,00

10,00







Gemiddelde boekwaarde

12,50

17,50

20,00

20,00

20,00

20,00







Vervangingswaarde complex

10,00

20,00

30,00

40,00

40,00

40,00

40,00




31Uit tabel 6 valt af te lezen dat na een periode waarin het activacomplex geleidelijk wordt opgebouwd, er na het vierde jaar een stabiele situatie ontstaat. De boekwaarde is dan gemiddeld de helft van de vervangingswaarde7, en investeringen zijn gelijk aan de afschrijvingen (beide 10).

Uitwerking 50% tot 100% vervangingswaarde materiële vaste activa


1De hiervoor benoemde bovengrens (100% vervangingswaarde) en ondergrens (50%) vormen samen een aanzienlijke bandbreedte. Beide uitersten zijn extremen; de werkelijk gewenste hoeveelheid materiële vaste activa voor het PO ligt ‘ergens’ in het midden. Het is erg moeilijk om te bepalen waar dit percentage in het PO exact zou moeten liggen.

2Een voor de hand liggende indicator voor de werkelijk bestaande spreiding van vervangings­investeringen zou de verhouding tussen afschrijvingen en investeringen zijn, bezien over langere perioden. Bij een perfect ‘ideaalcomplex’ van materiële vaste activa zouden ze, als gezegd, van jaar op jaar ongeveer aan elkaar gelijk moeten zijn. Hoe die verhouding in het PO ligt weten we niet, want er zijn sectorbreed pas vanaf 2006 gegevens beschikbaar.

3Volgens de cijfers van 2006 bedroegen de investeringen over dat jaar sectorbreed het dubbele van de afschrijvingen. Daaruit valt op zichzelf alleen de conclusie te trekken dat er in het PO geen perfect ideaalcomplex is, wat echter ook niet te verwachten valt. Een correct percentage boven 50% maar onder 100% kan uit dit enkele feit over 2006 niet worden afgeleid.

4En dat kan te meer niet, omdat de investeringscijfers van 2006 van veel schoolbesturen onzuiverheden bevatten, namelijk ‘investeringen’ die in werkelijkheid activeringen van investeringen uit eerdere jaren zijn. Veel schoolbesturen waren in 2006 immers nog bezig om hun activa op de balans te krijgen, en uit de voorgeschreven materiële vaste activastaatjes valt geen onderscheid te maken tussen oude en nieuwe toevoegingen aan de materiële vaste activa voorraad.

5Het is erg lastig om te bepalen in welke mate er op deze manier cijfervervuiling is opgetreden: dat zou een omvangrijke “cijferuitvraag” bij de besturen vergen. En zelfs als het wel zou kunnen, dan nog zou daar betrekkelijk weinig uit kunnen worden afgeleid voor de bepaling van het correcte te hanteren percentage. Meerjarig inzicht ontbreekt namelijk, en het is helemaal niet zeker dat 2006 een representatief jaar is.

6Ten einde toch te kunnen bepalen of er uit het beschikbare cijfermateriaal over 2006 ondersteuning kan worden gevonden voor de hierboven uitgesproken verwachting dat schoolbesturen met minder dan 100% (maar meer dan 50%) van de vervangingswaarde van de materiële vaste activa kunnen volstaan, is een zgn. ‘cross section analyse’ uitgevoerd.

7Aan de hand van deze analyse is een vergelijking gemaakt tussen het investeringsgedrag van diverse groepen besturen in 2006; waarbij dan aangenomen wordt dat in de handelwijze van een grote groep besturen in één jaar een indicatie kan worden gevonden voor een meerjarig gedragspatroon van een individueel bestuur.

8Voornamelijk is onderzocht of, conform de eerder uitgesproken verwachting, grote besturen met veel scholen (en leerlingen) een gelijkmatiger investeringspatroon vertonen dan kleine(re) besturen. Hoewel de investeringscijfers over 2006, zoals opgemerkt, vertekend zijn door activeringen van investeringen uit eerdere jaren, is er geen reden om aan te nemen dat de ‘vervuilingsgraad’ voor grotere besturen significant afwijkt van die van kleinere besturen. Om die reden kan ook een vertekende cijferset enig inzicht bieden in de in de investeringspatronen van grote versus kleine besturen.

9Uit deze analyse is gebleken dat de investeringscijfers van grote besturen inderdaad duidelijk minder uitschieters vertoonden dan die van kleine besturen, en dus dat grotere besturen inderdaad duidelijk gelijkmatiger investeren. Deze uitkomst bevestigt de verwachting dat schoolbesturen net als andere organisaties kunnen volstaan met minder dan 100% van de vervangingswaarde van hun materiële vaste activa, maar hoeveel minder kan er niet mee worden aangegeven.

10Overwogen is nog om per materiële vaste activatype een veronderstelling te doen over het verwachte vervangingspatroon, en daaruit een gemiddeld percentage te destilleren. Bijvoorbeeld: leermiddelen worden overwegend gespreid vervangen, dus daarvoor kan 50% vervangingswaarde worden aangehouden, ICT wordt overwegend schoksgewijs vervangen, dus daarvoor 100% vervangingswaarde aanhouden, etc.

11Maar tijdens de interviews is gebleken dat de inzichten hierover binnen de sector nogal uiteenlopen. Bovendien geeft een dergelijke aanpak ook geen oplossing voor de vraag in hoeverre grotere besturen een ander percentage zouden moeten hanteren dan kleinere. Daarom is deze mogelijkheid om een percentage af te leiden op voorhand nog niet toegepast.

12In plaats daarvan is een voorzichtige benadering gekozen. In een situatie waarin de bandbreedte van een uitkomst bekend is (tussen 50% en 100%), maar de uitkomst zelf niet, is de beste oplossing om voorlopig voor de middelste groep (middelgrote besturen) uit te gaan van het midden tussen beide, dus 75%. Op die manier wordt kanstechnisch de potentiële schattingsfout geminimaliseerd. Het aandeel van de grootste besturen in de totale bekostiging en materiële vaste activa is veel groter is dan het aandeel van de kleinste besturen. Om die reden bedraagt het gewogen gemiddelde percentage voor alle schoolbesturen 62%.

13Wij bevelen aan om voor de omvang van de schoolbesturen per categorie van grootte, te variëren tussen 55% en 95% volgens de verdeling in onderstaande tabel. Het onderscheid naar bestuursgrootte is “handgewogen” bepaald. De middelste categorie is op 75% gesteld.

tabel 7 Bepaling vervangingswaarde


Bestuur met rijksbekostiging:

Benodigde materiële vaste activa + spaarliquiditeit, als % vervangingswaarde materiële vaste activa

Zeer kleine besturen

95%

Kleine besturen

85%

Middelgrote besturen

75%

Grote besturen

65%

Zeer grote besturen

55%

14De vervangingswaarde van de materiële vaste activa is bepaald vanuit de aan schoolbesturen betaalde afschrijvingskosten­vergoeding voor materiële vaste activa uit het Materiële Instandhoudingbudget (MI -budget).

15Deze vergoeding is voor elke activasoort gebaseerd op programma’s van eisen waaraan het activabestand van schoolbesturen moet voldoen, met een inschatting van de daarbij behorende prijzen en een gestandaardiseerde systematiek van prijsindexatie.

16Vermenigvuldiging van deze afschrijvingskostenvergoeding met de in het programma van eisen vastgestelde afschrijvings­termijn levert een indicatie op van de vervangingswaarde van benodigde materiële vaste activa.

17De werkelijke vervangingswaarde van materiële vaste activa is zowel om praktische als om principiële redenen niet opgevraagd bij de schoolbesturen. Immers op bestuursniveau hangt deze af van toevalsfactoren en arbitraire beslissingen uit het verleden, terwijl dit onderzoek beoogt om een geobjectiveerde verwachting over de financieringsfunctie te formuleren.

18In de berekeningen is verondersteld dat de afschrijvingskostenvergoedingen uit de programma’s van eisen in het jaar 2006 up to date waren. Een uitwerking van deze berekening is opgenomen in bijlage B.

19Bij toepassing van de verwachtingspercentages met betrekking tot de bestuursomvang ontstaat het beeld zoals weergegeven in de hiernavolgende tabel 8. De benodigde omvang van materiële vaste activa bedraagt EUR 1,93 mld.


tabel 8 Benodigde omvang materiële vaste activa (aan te houden als combinatie van boekwaarde en spaarliquiditeit)


 

Aantal besturen

Rijksbekostiging geëxtrapoleerd (in EUR)

Vervangingswaarde materiële vaste activa geëxtrapoleerd (in EUR)

Percentage van vervangingswaarde als Eigen Vermogen

Benodigd EV tbv materiële vaste activa geëxtrapo­leerd (in EUR)

BO

 

 

 

 

 

Zeer kleine besturen

151

79.280.160

30.489.579

95%

28.965.100

Kleine besturen

382

485.363.322

186.661.120

85%

158.661.952

Middelgrote besturen

126

422.098.281

162.330.638

75%

121.747.979

Grote besturen

219

1.783.418.666

685.867.495

65%

445.813.872

Zeer grote besturen

173

4.007.566.453

1.541.230.680

55%

847.676.874

subtotaal

1051

6.777.726.882

2.606.579.512

61,49%

1.602.865.777

 

 

 

 

 

 

SBO

 

 

 

 

 

Kleine besturen

24

35.104.467

13.500.483

85%

11.475.410

Middelgrote besturen

27

155.036.025

59.623.784

75%

44.717.838

subtotaal

51

190.140.492

73.124.267

76,85%

56.193.249

SO

 

 

 

 

 

Middelgrote besturen

41

192.152.754

73.898.143

75%

55.423.607

Grote besturen

44

862.858.164

331.838.159

65%

215.694.803

subtotaal

85

1.055.010.918

405.736.302

66,82%

271.118.411

totaal

1.187

8.022.878.292

3.085.440.082

62,56%

1.930.177.436

Inflatie


20De voor de materiële vaste activa ontwikkelde verwachting is gebaseerd op de vervangingswaarde. Deze vervangingswaarde verschaft inzicht in de huidige kosten van toekomstige vervanging van de goederen en houdt aldus rekening met inflatie. Maar inflatie heeft ook een effect op de bandbreedte van het benodigde percentage.

21Uit bedrijfseconomisch onderzoek is bekend dat in een situatie van inflatie de genoemde ondergrens van 50% bij een perfect ideaalcomplex wat lager wordt, terwijl omgekeerd de bovengrens voor activa die schoksgewijs worden vervangen zelfs boven de 100% kan komen te liggen. Maar zolang de inflatie gematigd blijft zijn deze effecten beperkt. Daarom is aan deze complicatie verder geen aandacht besteed in het onderzoek.

22Een ander effect van inflatie dat wel relevant is, is het gegeven dat organisaties erop moeten toezien dat hun relevante activa – in deze subparagraaf dus vooral materiële vaste activa en bijbehorende spaarliquiditeit – qua omvang met de inflatie meegroeien. In de praktijk betekent dit dat, in een situatie waarin sprake is van een acceptabele vermogenspositie, schoolbesturen er verstandig aan doen om te streven naar jaarlijkse exploitatieoverschotten. Deze zouden ongeveer gelijk moeten zijn aan de benodigde omvang van de materiële vaste activa vermenigvuldigd met het verwachte inflatiepercentage.

Praktijk


23In het voorgaande is ruim aandacht besteed aan de afleiding van een benodigde omvang van de materiële vaste activa. In de praktijk zullen schoolbesturen deze problematiek helemaal anders oplossen. Niet door het berekenen van een theoretisch percentage van de vervangingswaarde, maar door het opstellen van een meerjarige investeringsbegroting.

24De momenten van gewenste vervangingen kunnen door middel van een meerjarige investeringsbegroting gepland worden. Deze meerjarige investeringsbegroting geven momenten van investeren als het benodigde gespaarde bedrag weer. Voor de bepaling van de benodigde omvang van de materiële vaste activa voor de sector als geheel kon deze aanpak echter niet gevolgd worden.


      1. 3b2 Financiële vaste activa en effecten


25Alvorens over te gaan op de benodigde omvang van de liquide middelen dient kort te worden stilgestaan bij de post Financiële vaste activa. Onderdeel van de financiële vaste activa zijn de effecten. Schoolbesturen bezitten effecten, zowel kort- als langlopend. De totale waarde besloeg ultimo 2006 iets minder dan EUR 500 miljoen. Het overige deel van EUR 68 miljoen bestaat voor het grootste deel uit zogenaamde “overige financiële vaste activa”. Onder deze post worden veelal langlopende beleggingen geboekt.

26De effecten zijn niet direct nodig voor het primaire proces. Weliswaar zijn er veel besturen die met de opbrengsten van effecten hun exploitatie steunen. Maar dat betekent nog niet dat men zonder effecten geen school zou kunnen laten draaien. Daarom is in de bepaling van de benodigde hoeveelheid activa deze post op nihil gezet.

27In hoofdstuk 5 zal blijken dat effecten in feite als liquide middelen in een andere verschijningsvorm moeten worden beschouwd.

      1. 3b3 Liquide middelen


28In de beschouwing over materiële vaste activa is al ruim aandacht besteed aan de post liquide middelen. Gesteld werd immers dat schoolbesturen voor in standhouding van hun materiële vaste activa tussen de 50% en 100% van de vervangingswaarde van hun materiële vaste activa aan moeten houden, deels in de vorm van boekwaarde van de materiële vaste activa, en deels in de vorm van liquide middelen (spaarliquiditeit). Maar afgezien van de functie van spaarmiddel voor toekomstige vervangingen vervullen liquide middelen nog drie andere functies, en ook die functies moeten worden gekwantificeerd bij het bepalen van de benodigde hoeveelheid activa op de balans van schoolbesturen.

29Ten eerste zijn voor effectief besteedbare private bestemmingsreserves eveneens liquide middelen noodzakelijk. Uiteraard is het niet zo dat schoolbesturen niet toe kunnen zonder zulke private bestemmingsreserves. Maar als er bestemmingsreserves zijn dan hebben die feitelijk alleen betekenis als ze in een aanwendbare vorm aanwezig zijn, dus in liquide vorm.

30Daarnaast moeten schoolbesturen ook geld achter de hand houden voor het opvangen van eventuele onvoorziene tegenvallers in hun exploitatie (bufferliquiditeit). De omvang van deze bufferliquiditeit hangt af van het risicoprofiel van een organisatie. Hier wordt in hoofdstuk 4 nader op ingegaan.8

31Schoolbesturen hebben tenslotte ook liquiditeit nodig om normale schommelingen in hun ontvangst- en betaalritme op te vangen, zogeheten transactieliquiditeit. Deze schommelingen zijn in het PO weliswaar beperkt, onder andere door de manier waarop de verstrekking van de rijksbekostiging is afgestemd op de betaaltijdstippen van de salarissen.

32 Niettemin is hiervoor enige marge in de vorm van liquiditeit wenselijk. De omvang van de gewenste transactieliquiditeit kan normaliter gelijk worden gesteld aan het verschil tussen de vorderingen en voorraden enerzijds en de vlottende passiva anderzijds.

33Door de transactieliquiditeit zo te bepalen bevinden vlottende passiva en vlottende activa (exclusief liquide middelen voor vervanging van materiële vaste activa, private bestemmings­reserves en de risicobuffer) zich met elkaar in evenwicht In de PO sector komt dit neer op een totale transactieliquiditeit van bijna EUR 220 miljoen.


      1. 3b4 Samenvatting benodigde activa


34De benodigde activapositie van schoolbesturen kan nu als volgt worden gerecapituleerd:

tabel 9


Balanspost

Benodigde omvang activa van schoolbesturen

Immateriële vaste activa

Conform actuele balans

Materiële vaste activa

Gebouwen en terreinen conform actuele balans; overige materiële vaste activa tussen de 50 en 100% van de vervangingswaarde (in de vorm van boekwaarde materiële vaste activa conform balans en liquide middelen)

Financiële vaste activa

Conform actuele balans minus langlopende effecten+

Voorraden en vorderingen

Conform actuele balans)

Kortlopende effecten

nihil

Liquide middelen

transactieliquiditeit + risicobuffer + private bestemmingsreserves (spaarliquiditeit reeds weergegeven bij de materiële vaste activa)

Totaal activa

Som bovengenoemde componenten
      1. 3c Financieringsbronnen (stap 2 vermogensmodel)


1In de vorige paragraaf is de omvang van de benodigde activa in het PO bepaald. Op basis van de omvang van de benodigde activa kan worden bezien welk aandeel het eigen vermogen en andere vermogensbestanddelen in de financiering ervan zouden moeten leveren. In de hiernavolgende beschouwing zal eerst worden besproken welke financieringsbronnen naast eigen vermogen in het PO ter beschikking staan. Het resulterende nog te financieren bedrag moet dan geschieden met eigen vermogen.
      1. 3c1 Rentedragende (langlopende) schulden


2Aangezien schoolbesturen doorgaans geen eigenaar zijn van de gebouwen waarin zij zijn gehuisvest, kunnen die gebouwen door schoolbesturen niet worden ingezet als onderpand voor leningen bij banken. Ook ontvangen schoolbesturen in hun bekostiging geen component voor rentekosten.

3Vreemd vermogen in de hoedanigheid van langlopende, rentedragende schulden, komt in de PO -sector daarom slechts in zeer beperkte mate voor. Voor dat deel komt dat vreemd vermogen in aanmerking als financieringsbron voor activa9.


      1. 3c2 Vlottende passiva


4De kortlopende schulden (zoals crediteuren) mogen echter wel als financieringsbron voor de activa van schoolbesturen worden meegenomen. Immers, deze leningen worden door de betrokken leveranciers gewoon aan schoolbesturen verstrekt (schoolbesturen hoeven niet alles contant te betalen). Bovendien zijn ze gratis, zodat het niet-ontvangen van een rentecomponent in de bekostiging hier niet als tegenargument geldt.

5De omvang van de vlottende passiva voldoet globaal aan de verwachtingen op dat gebied. Er is geen reden om aan te nemen dat de hoeveelheid vlottende passiva in de actuele balans van ultimo 2006 ongezond groot of ondoelmatig klein was.

6Daarom wordt bij de invulling van deze post gewoon de actuele balanswaarde van 2006 aangehouden. Voor individuele besturen kan er aanleiding zijn om de eigen positie nog eens kritisch te toetsen. Daarbij dienen zij in het bijzonder te letten op het voldoen aan normale balansratio zoals de current ratio en de solvabiliteit.

7Per saldo hebben wij voor de aanvullende financieringsfunctie van de vlottende passiva geen aanvullende financieringsfunctie toegedicht dan waarvoor het bedoeld is. Dit betekent dat de benodigde en werkelijke vlottende passiva gelijk zijn.


      1. 3c3 Voorzieningen


8Naast de schulden zijn ook de voorzieningen nog een potentiële financieringsbron van activa. Dit is een gegeven dat voor velen moeilijk te begrijpen is. Immers, voorzieningen zijn bedoeld voor toekomstige verplichtingen. Hoe kunnen ze dan ook dienen als financieringsbron voor activa?

9Om dit enigermate te kunnen begrijpen dient een onderscheid te worden gemaakt tussen twee soorten voorzieningen.

10Aan de ene kant zijn er tijdelijke voorzieningen. Deze zijn bedoeld voor verplichtingen in de nabije toekomst, die nog onvoldoende concreet zijn om ze al als een echte schuld in de balans op te nemen. Maar veel scheelt het niet. Ze mogen normaliter pas in de balans worden opgenomen als de kans groot verondersteld te zijn, wordt dat er echt tot betaling moet worden overgegaan. Een goed voorbeeld van een reden om een dergelijke voorziening te treffen is een school die geconfronteerd zou worden met een kansrijke schadeclaim wegens nalatigheid. Deze tijdelijke voorzieningen zijn naar hun karakter in principe eenmalig, en als ze door het doen van een betaling zijn afgewikkeld verdwijnen ze in principe permanent van de balans.

11Dit soort voorzieningen komt in het PO vrijwel niet voor. In het onderzoek is verondersteld dat er ook geen reden is om aan te nemen dat dit in de nabije toekomst anders wordt. In de benodigde balans zijn ze dus op nihil gesteld.

12Aan de andere kant zijn er de zogenaamde permanente voorzieningen. Deze worden getroffen om natuurlijke schommelingen op te vangen in uitgavencategorieën zoals onderhoud en bepaalde personeelsfaciliteiten die het ene jaar wel en het andere jaar niet (of veel minder) hoeven te worden betaald. Door het treffen van een dergelijke voorziening kan de jaarlijkse last in de exploitatie van schommelende uitgaven worden gestabiliseerd. Boekhoudkundig gezien worden deze schommelingen in feite verplaatst van de exploitatierekening naar de balans, door het opnemen van een soort schommelfonds (Voorzieningen) in de balans.

13De bestaande voorzieningen in het PO hebben dit karakter. Het zijn schommelfondsen, dus de omvang varieert. Maar in de praktijk vallen die bewegingen behoorlijk mee en is het – overigens afhankelijk van de manier waarop de voorziening berekend wordt - absoluut niet aannemelijk dat schoolbesturen van het ene op het andere jaar hun voorziening kwijtraken of opeens verdubbelen10, tenzij de voorschriften voor de berekening van voorzieningen/reserves plotseling ingrijpend worden gewijzigd.

14De meeste bedrijfseconomen vinden dat permanente voorzieningen voor lastenegalisatie in feite als een soort tussencategorie beschouwd moeten worden; iets tussen eigen vermogen en vreemd vermogen (schulden) in. En omdat deze tussencategorie niet rentedragend is en qua omvang relatief stabiel is kunnen deze voorzieningen probleemloos meedoen in de lange termijn financiering van schoolbesturen. In dit onderzoek is verondersteld dat de voorzieningen in het PO volledig het karakter hebben van permanente voorzieningen en dat zij “mee mogen doen” in de financiering van de vaste activa, op een manier die vergelijkbaar is met eigen vermogen.

      1. 3c4 Samenvatting beschikbare financieringsbronnen


De mogelijkheden voor activafinanciering van schoolbesturen kunnen nu als volgt worden samengevat:

tabel 10A: Mogelijkheden voor activafinanciering


Balanspost

Beschikbare omvang financieringsbron

Rentedragende (langlopende) schulden

Conform actuele balans, dat wil zeggen: vrijwel niet

Vlottende passiva

Conform actuele balans

Voorzieningen

Conform actuele balans

Eigen vermogen

Het totaal van alle activa -/ - bovengenoemde componenten
      1. 3d. Financieringsfunctie van het benodigde eigen vermogen (stap 3)


15De benodigde omvang van het eigen vermogen is dus in feite het saldo van de optelsom van alle benodigde activa enerzijds en alle beschikbare alternatieve financieringsbronnen anderzijds.

16Deze formulering kan, gebruik makend van het gegeven dat de transactieliquiditeit gelijk gesteld is aan het verschil tussen de vlottende passiva enerzijds en de voorraden en vorderingen anderzijds (en dus vallen de benodigde transactieliquiditeit en overige activa weg tegen de meefinancierende kortlopende schulden) als volgt verkort worden weergegeven. Tabel 10B bevat een opstelling met alle activa en passiva posten zoals hiervoor beschreven.



tabel 10B. Benodigd eigen vermogen

Benodigd eigen vermogen op basis van de rijksbekostiging in miljoen EUR

Balansposten

Benodigd

A. Privaat vermogen

241

B. Boekwaarde materiële vaste activa

783

C. Spaarliquiditeit

1147

D. Bufferliquiditeit

589

F. Financiële VA exclusief beleggingen

68

Totaal

2.828

Af: vreemd vermogen

 

H. Voorzieningen

496

I. Egalisatierekening

20

J. Schulden op lange termijn

13

Totaal (A+B+C+D+F) – (H+I+J)

2.299

Hiermee is de verwachting voor het voor financiering benodigde eigen vermogen van schoolbesturen ingevuld.


1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina