Kenmerk: 2008-1704 MvdM/rk



Dovnload 0.81 Mb.
Pagina5/9
Datum22.07.2016
Grootte0.81 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

4Bufferfunctie van het eigen vermogen


1Een belangrijk onderdeel van de financieringsfunctie van het eigen vermogen is die van buffer voor de bestrijding van uit risico’s voortvloeiende kosten. Dit onderdeel zullen we dan ook in het hier volgende hoofdstuk apart bespreken.

2Schoolbesturen staan bloot aan een scala van risico’s in hun exploitatie. Om allerlei redenen kunnen opbrengsten lager uitvallen of kosten hoger uitvallen dan verwacht. Om deze schommelingen op te kunnen vangen hebben schoolbesturen een reserve nodig in hun eigen vermogen.

3In dit hoofdstuk worden in de eerste paragraaf de uitgangspunten van de functie van de risicobuffer beschreven. Vervolgens worden de relevante risicovariabelen in kaart gebracht en vertaald naar een benodigde risicoreserve. In de laatste paragraaf worden uit de bevindingen conclusies getrokken.

      1. 4a Uitgangspunten


4De bufferfunctie van het eigen vermogen is de dekking van kosten voortvloeiende uit significante fluctuaties in de exploitatie als gevolg van:

  • teruglopende inkomsten ten opzichte van ongewijzigde of hogere kosten;

  • hogere kosten zonder meegroeiende opbrengsten.

5Uitgangspunt bij lumpsumbekostiging is autonomie van schoolbesturen, inclusief de daarbij behorende verantwoordelijkheid voor het financieel beheer. Schoolbesturen in het PO zonder onroerend goed hebben weinig mogelijkheden om in krappe tijden geld te lenen bij een bank, en ook het ministerie van OCW staat niet garant voor het opvangen van tegenvallers die financiële problemen tot gevolg hebben.

6Daarom is het redelijk er van uit te gaan dat schoolbesturen de risicobuffer in het eigen vermogen volledig liquide aanhouden, en dat deze buffer aan de actiefzijde van de balans dus terugkomt als bufferliquiditeit.

7Een risicobuffer dient ter overbrugging van de periode waarin de kosten en baten weer met elkaar in evenwicht moeten worden gebracht. Het is dus niet de bedoeling dat deze wordt ingezet als middel voor langdurig uitstel van aanpassingen in de exploitatie.

8 De buffer is daarnaast bedoeld voor de dekking van voorzienbare, specifieke aanpassingskosten (bijv. ontslagregelingen als gevolg van teruglopende leerlingenaantallen).

9Buffervermogen moet ook niet worden aangewend voor het opvangen van uit beheersmaatregelen voortvloeiende beperkte en voorzienbare financiële risico’s, de zogenaamde ‘operationele bedrijfsrisico’s’.

10Voorbeelden van dergelijke beheersmaatregelen zijn het afsluiten van verzekeringen voor specifieke schades (zoals brand) en het onderhouden van een adequate P&C-cyclus ten behoeve van tijdige onderkenning van procesafwijkingen op de diverse niveaus in de organisatie.

11 In dit onderzoek is rekening gehouden met de aanname dat de PO-sector over een redelijk, zij het nu nog lang niet perfect werkend, stelsel van operationele beheersmaatregelen beschikt. Gezien het bovenstaande en de aan het primair onderwijs inherente, in vergelijking met commerciële organisaties, beperkte dynamiek zullen de risicobuffers gemiddeld betrekkelijk gering hoeven te zijn.

12Bij het vaststellen van de percentages voor risicoreserve is rekening gehouden met 95% van de gevallen waarvoor besturen zich mogelijk geplaatst kunnen zien. Voor de overgebleven 5% (extreme) cases is het aanhouden van een risicoreserve op macroniveau niet wenselijk en kunnen besturen beter grijpen naar mogelijkheden als het doen van een beroep op een vangnetregeling of het zoeken naar samenwerking met andere besturen.

13Deze aanpak komt ongeveer overeen met de in veel kwantitatieve onderzoeken gehanteerde begrenzing van 2 standaarddeviaties boven en onder het gemiddelde (wat bij een normaalverdeling aan beide uitersten 2,5% van de populatie oplevert).

      1. 4b Voor dekking in aanmerking komende risicogroepen

14Het is niet eenvoudig om uit de beschikbare informatie een duidelijk beeld te verkrijgen van de voor dekking in aanmerking komende risico’s. Aan de hand van interviews en in het veld gehanteerde risicomodellen is een inventarisatie gemaakt van risico’s, waarvan de omvang van de te verwachten schade en het moment dat deze zich zal voordoen lastig zijn in te schatten.

15Het is binnen de doelstelling van dit onderzoek niet erg zinvol om veel tijd te besteden aan het ontwikkelen van een al te fijnmazig financieel risicomodel waarin elk denkbaar risico-element wordt vertaald in een veronderstelde kans en effect, om vervolgens al deze waarden bij elkaar op te tellen. Daarom is volstaan met een aanpak waarin alleen de, volgens geïnterviewden, zwaarste risico’s expliciet zijn berekend.

16Wanneer deze risico’s, uitgezonderd een zeer klein aantal uitschieters, ook na kwantificering niet substantieel op de exploitatie bleken te drukken (d.w.z. meer dan 1% van de rijksbijdrage bedragen), zijn deze risico’s beschreven in bijlage C. Deze risico’s (bonus/malus van het vervangingsfonds, wachtgeld bij negatieve toets van het participatiefonds) en een aantal overige, niet kwantificeerbare risico’s - zoals kosten voor interim personeel, e.d. - behorende tot de bovengenoemde 5% extreme gevallen met dekkingskosten hoger dan 1% van de rijksbijdrage, zijn ondergebracht in een groep ‘restrisico’.11

17Analyse van deze inventarisatie leverde, naast het restrisico een tweetal substantiële, binnen de scope van het onderzoek kwantificeerbare risicogroepen op, namelijk onverwacht sterke teruggang van leerlingenaantallen en arbeidsconflicten. Wij zullen deze, en twee andere risicocategorieën in onderstaande beschrijven:


  1. onverwacht sterke terugloop van het leerlingenaantal;

  2. arbeidsconflicten;

  3. restrisico;

  4. risico’s op overige baten;

  5. risico op frictiekosten als gevolg van beleidswijzigingen.
      1. 4c Onverwacht sterke terugloop van het leerlingenaantal


18Uit interviews kwam duidelijk naar voren dat voor schoolbesturen het grootste risico wordt gevormd door een onverwacht grote daling van het leerlingaantal. Aangezien het leerlingenaantal de meest bepalende bekostigingsfactor is zal terugloop daarvan resulteren in een verlaging van het bekostigingsbedrag. De aanpassingstermijn van een jaar blijkt niet altijd voldoende te zijn voor tijdige reductie van de kosten, en daarmee terugdringen van de kosten van de personeelsformatie.

1. De wettelijke regeling


19De bekostiging is binnen de PO -sector georganiseerd op basis van een zogenaamde ‘T 1 systematiek. Deze houdt in dat schoolbesturen jaarlijks een rijksbijdrage ontvangen die gebaseerd is op het leerlingaantal van het jaar daarvoor. In de praktijk betekent dit bij een daling van het leerlingenaantal sprake zal zijn van uitstel met een jaar van de aanpassing van de bekostiging.

20Voorbeeld: Wanneer een school na de zomervakantie geconfronteerd wordt, met een dalend leerlingaantal, zal bijstelling van de bekostiging plaatsvinden per 1 augustus van het daarop volgende schooljaar. Grosso modo betekent dit dat over het jaar 2006 per ‘gemiste’ leerling gemiddeld EUR 425 minder voor Materiële Instandhouding wordt ontvangen (de overgang zal groter uitvallen wanneer normatief sprake is van ‘inlevering’ van een groep); voor personele bekostiging komen de bedragen neer op EUR 1700 voor kleine scholen en EUR 2400 voor grote(re) scholen (bedragen gebaseerd op 2006).Voor kleine scholen betekent dit een daling van EUR 2125 per leerling, voor scholen met meer dan 145 leerlingen daalt de bekostiging met EUR 2825 per leerling.

21De kostenverlaging treedt pas vanaf 1 augustus van het volgende schooljaar in werking. Aanpassing van de formatie aan het lagere leerlingaantal kan namelijk niet per direct gebeuren. Wanneer een leerkracht door daling van leerlingenaantallen overtollig wordt, moet de procedure ‘rddf’ (risicodragend deel van de formatie) worden doorlopen.

22Schoolbesturen dienen jaarlijks vóór 1 mei aan het personeel en het Participatiefonds kenbaar te maken, wie als gevolg van dalende bekostiging voor ontslag in aanmerking komen. Een jaar later kan ontslag worden aangezegd. Aangezien het ontslag in die gevallen als niet verwijtbaar wordt aangemerkt neemt het Participatiefonds de uitkeringskosten voor haar rekening. Volgens de CAO kan dit ontslag alleen per schooljaar plaatsvinden, en zal het daadwerkelijke ontslag dus 1 augustus in werking treden.

23In veel gevallen zullen besturen de instroom per 1 augustus al vóór 1mei in kaart hebben gebracht. Toch kan er op 1 augustus nog sprake zijn van tegenvallende instroom. Zoals inzichtelijk gemaakt in figuur c vinden bekostiging en personeelslasten gedurende een periode van 12 maanden in dat geval geen aansluiting.

figuur c: bekostiging en personeelslasten in de tijd gezien


Daling leerlingenaantal







Aanmelding RDDF

Daling bekostiging










Ontslag

 

 

 

 

 

 

 

 

 

augustus

november

februari

mei

augustus

november

februari

mei

augustus

24Groei wordt overigens nauwelijks als een risico ervaren, mede samenhangende met de tevredenheid over de groeiregeling: bij groei wordt de bekostiging eerder bijgesteld


2. Kans op onverwacht grote terugloop van leerlingen


25Als gevolg van demografische ontwikkelingen zullen leerlingaantallen, zowel op macro- als op microniveau, in de tijd fluctueren. Het uit analyse verkregen beeld dat terugloop op microniveau vrij fors kan zijn werd tijdens de interviews bevestigd. Deze fluctuaties zullen, op basis van gemeentelijke prognoses grotendeels te voorzien zijn voor schoolbesturen.

26Keuzes van ouders zijn moeilijker te voorspellen. Door de toename van concurrentie en afnemende ’merkentrouw’ zullen de risico’s in de toekomst eerder toe- dan afnemen. Overigens zullen in omvang grote(re) besturen daarvan wegens een voldoende gediversifieerde ‘portfolio’ nauwelijks hinder ondervinden (krimp opvangen door groei elders). Dit gegeven pleit voor (percentuele) differentiatie naar schaalgrootte van de benodigde reserves.

27Voor zover een dergelijke daling niet al op voorhand was te voorzien met behulp van gemeentelijke leerlingenprognoses resteert er in de meeste gevallen nog een ruime reactietijd omdat de bekostiging na-ijlt.

28In de huidige marktomstandigheden, waarin leerkrachten relatief schaars zijn en de meeste schoolbesturen een natuurlijk verloop van ca 10% of meer hebben, kunnen schoolbesturen bovendien zonder veel problemen tijdig hun formatie inkrimpen, ondanks de relatief lange doorlooptijden van ontslagprocedures zoals hierboven beschreven.

29Voor verreweg de meeste schoolbesturen is dit daarom in de huidige marktomstandigheden nauwelijks een risico, zeker voor schoolbesturen die te maken hebben met een wachtlijst. Niettemin laten meerjarige analyses op bestuursniveau zien dat een betrekkelijk klein percentage besturen met significante en soms meerjarige terugloop wordt geconfronteerd.

30Bovendien is het, alle arbeidsmarktprognoses ten spijt, niet zeker dat de huidige personeelskrapte op langere termijn in stand blijft. Ten slotte leidt de personeelskrapte in sommige opzichten juist tot meerkosten waarvoor schoolbesturen vanuit hun bekostiging niet worden gecompenseerd. Daarom is het verstandig om een reserve aan te houden voor dit risico.

31Idealiter zou de omvang van dit risico moeten worden berekend door over een reeks van jaren de verwachte leerlingenaantallen per bestuur te vergelijken met de gerealiseerde aantallen. Immers, in veel gevallen zijn de in en uitstroom van leerlingen goed te prognosticeren. Die informatie is echter niet beschikbaar. Wel beschikbaar zijn de jaar-op-jaar-fluctuaties in leerlingenaantallen per bestuur over de afgelopen 9 jaar.

32Gezien de aannemelijkheid dat grotere besturen minder risico lopen bij een daling van het leerlingaantal dan kleinere besturen, is in de analyse van de risicogegevens wederom een doorsnede gemaakt van aan de rijksbekostiging gerelateerde bestuursomvang. Voor ieder van deze groepen is per jaar de het 95e percentiel vastgesteld. Dat wil zeggen dat per groep rekening is gehouden met het sterkst dalende bestuur, uitgezonderd de 5% sterkste dalers.

33Zo volgt dus voor ieder jaar het percentage leerlingendaling dat hoort bij het 95e percentiel. Uitschieters als gevolg van bijvoorbeeld fusies zijn door deze 95% benadering buiten beschouwing gebleven. Wanneer deze percentielscores per jaar gemiddeld worden, levert dit de volgende uitkomsten op (tabel 11). Percentielscores voor de individuele jaren staan in bijlage F.

tabel 11 Percentielscores per jaar - gemiddeld


3. Hoogte van de kosten

34Volgens de bekostigingssystematiek betekent daling in leerlingaantal dat de lasten gedurende 12 maanden hoger kunnen uitvallen dan aan bekostiging wordt ontvangen, zoals beschreven in figuur c.

35Voor kleine scholen betekent dit zoals beschreven een daling van EUR 2125, - per leerling voor schoolbesturen met meer dan 145 leerlingen daalt de bekostiging met EUR 2825, - per leerling

36De terugval komt gedurende een periode van 12 maanden voor rekening van het bestuur. Uiteindelijk komt deze daling neer op 68% van de totale gemiddelde vergoeding per leerling per jaar. De kosten voor de kleine besturen zijn lager, te weten 45% van de bekostiging per leerling.

37Na overname van de uitkering door het Participatiefonds resteert geen nadelig saldo.

4. Conclusie


38De in punt 2 beschreven kanspercentages, vermenigvuldigd met de in punt 3 beschreven kosten van 68% (in het geval van zeer kleine besturen 45%), levert op macroniveau het volgende beeld op (tabel 12).

tabel 12 Risico percentage leerlingen fluctuaties


39Uit interviews met SBO- en (V)SO -schoolbesturen bleek, dat hun leerlingenaantal sterker fluctueert en moeilijker voorspelbaar is dan bij reguliere basisscholen. Deze scholen hebben geen wijkfunctie, maar zijn voor hun instroom afhankelijk van indicaties en verwijzingen. Landelijk beleid kan grote gevolgen hebben voor hun leerling-populatie.

40Er zijn echter ook argumenten die een hoger risicopercentage voor deze schooltypen tegenspreken. Zo is er in deze sector, nog meer dan in het reguliere onderwijs, een tekort aan specifiek gekwalificeerd personeel. Tevens kunnen de besturen wanneer leerlingen met een indicatie voor S(B)O onderwijs naar het regulier onderwijs gaan, hun eigen personeel als ambulante begeleiding detacheren (tegen minimaal kostendekkend tarief) bij deze reguliere schoolbesturen.

41Daarom is a priori aangenomen dat S(B)O onderwijs geen hogere risicobuffer voor dit risico hoeft aan te houden. In de gevoeligheidsanalyse in hoofdstuk 5 zal berekend worden wat een verhoging van dit risicopercentage voor gevolgen zou hebben.

42Dit levert de risicopercentages op zoals vermeld in tabel 13:

tabel 13 Risicopercentage leerlingendaling SBO en SO

      1. 4d Arbeidsconflicten


43Iedere school kan worden geconfronteerd met een niet naar verwachting functionerende werknemer. Een daaruit voortvloeiend arbeidsconflict kan in sommige gevallen aanzienlijke kosten met zich meebrengen, zoals daar zijn kosten verband houdende met productiviteitsverlies, bemiddeling, rechtsbijstand en ontslaguitkeringen; alsmede aan het feitelijke conflict voorafgaande kosten in verband met ziekmelding.

1. De wettelijke regeling


44Ontslag van een werknemer kan kosten met zich mee brengen. Eventuele uitkeringskosten komen in principe voor rekening van de werkgever indien deze het ontslag in redelijkheid had kunnen voorkomen. Indien dat niet het geval is, zal het Participatiefonds de kosten vergoeden. Het bestuur moet de niet vermijdbaarheid kunnen aantonen op basis een goed onderbouwd personeelsdossier.

2. Aantal gevallen en kans


45Bij de schatting van het aantal arbeidsconflicten dat zich jaarlijks voordoet is gebruik gemaakt van cijfers van de Algemene Onderwijsbond (AOb). In het jaar 2006 zijn 237 zaken door een aan de AOb verbonden jurist behandeld. In 167 van deze gevallen werd de zaak als ‘arbeidsconflict’ aangemerkt.

46Uitgaande van een zekere mate van relativiteit van dit begrip wordt aangenomen, dat het reële aantal arbeidsconflicten zal uitkomen op ca. 200 gevallen. Het AOb -ledenbestand van circa 28.000 geëxtrapoleerd naar de totale PO -sector (ca. 95.000) geeft een uitkomst van totaal 679 arbeidsconflicten in het jaar 2006.

47Echter, het is aannemelijk dat het ledenbestand van de AOb een vertekend beeld geeft. Werknemers die een arbeidsconflict met de werkgever hebben, kunnen op dat moment besluiten rechtsbijstand te zoeken en zich hiervoor aan te sluiten bij de AOb.

48Cijfers van het Participatiefonds (die slechts de bij hen aangemelde gevallen bevatten) liggen veel lager. Daarom is een correctie toegepast op dit aantal en is het aantal gevallen naar een aantal van 550 teruggebracht. Dit betekent dat de hierna vernoemde risicopercentages als een grove maat beschouwd moeten worden. Het voorhanden zijnde cijfermateriaal biedt te weinig zekerheid.

49Grotere besturen zullen, gezien de hun ten dienste staande mogelijkheden van overplaatsing van een werknemer naar een andere vestiging, relatief minder vaak worden geconfronteerd met een arbeidsconflict dan kleinere. Een en ander werd in de diverse interviews bevestigd.

3. Hoogte van de kosten


50De kosten van een arbeidsconflict zijn zeer situatiespecifiek. In sommige gevallen zal eerst bemiddeling worden ingeschakeld, in andere zal gekozen worden voor vervanging gedurende de conflictperiode. De rechter bepaalt op basis van het personeelsdossier of een ontslag gegrond, dan wel verwijtbaar is. Deze factoren samen bepalen de uiteindelijke kosten van het conflict.

51Voor dit onderzoek is daarom uitgegaan van een, in het risicomodel van VBS gehanteerde, totale kostenpost van EUR 40.000 per geval. Een bedrag dat niet in alle gevallen volledig nodig of volledig dekkend zal zijn, maar dat een grove maat biedt voor bovenstaande kosten.


4. Conclusie


52Het aantal arbeidsconflicten per bestuur is vermenigvuldigd met EUR 40.000. Een deling van dit bedrag op de rijksbijdrage levert een beeld op van de impact van dit bedrag op de exploitatie van een bestuur. De impact van een arbeidsconflict op de normale exploitatierekening zal voor kleinere besturen aanzienlijk groter zijn dan voor grotere.

53Hun kosten per conflict zullen even hoog zijn, maar zij lopen een grotere kans in een conflictsituatie verzeild te raken gezien hun beperkte mogelijkheden met personeel te schuiven. Zij zullen om diezelfde reden echter ook af kunnen zien van het aangaan van dit conflict. In de resultaten van de interviews is geen aanleiding gevonden voor het hanteren van verschillende risicopercentages bij arbeidsconflicten voor SBO- en (V)SO- schoolbesturen.

54Ook voor arbeidsconflicten is het risicopercentage vastgesteld op basis van het percentage van de rijksbijdrage dat overeenkomt met het 95e percentiel van de gevallen. Afgezet tegen de bestuursomvang levert dit de volgende percentages op (tabel 14).

tabel 14 Risicopercentage arbeidsconflicten


4e Restrisico

55Risico’s van beperkt planbare kostenstijgingen kunnen onder meer gevonden worden in Arbokosten, een bovengemiddeld aantal zwangerschappen, overmatig ziekteverzuim (boete vervangingsfonds) en duurder interim personeel.

56Hoewel deze kosten niet hoog genoeg (of onvoldoende kwantificeerbaar) zijn voor het berekenen van een individueel risicopercentage, maken zij cumulatief een risicopost uit die een buffer rechtvaardigen12. Het percentage restrisico is schaalafhankelijk en “handgewogen” vastgesteld. Hierbij is in verhouding met de risicopercentages voor leerlingenfluctuatie een onderscheid naar bestuursomvang gemaakt.

tabel 15 Restrisico per bestuursomvang


4f Risico’s op overige baten

57Naast de rijksbijdrage ontvangen schoolbesturen over het algemeen nog gemeentelijke bijdragen en ouderbijdragen. Tevens kunnen nog baten worden verkregen uit opbrengsten uit verhuur, buitenschoolse opvang en sponsoring.

58Over de risicograad van de overige overheidsbijdragen valt in algemene zin nauwelijks een onderbouwde uitspraak te doen, omdat het een veelheid van voornamelijk gemeentelijke regelingen betreft en meerjarig inzicht per bestuur ontbreekt.

59Enerzijds lijkt het risico groter dan het risico van de rijksbijdrage, omdat regelingen doorgaans tijdelijk zijn en omdat er geen zekerheid is dat ze na verloop van tijd worden gecontinueerd. Het uitgavengedrag van gemeenten lijkt iets grilliger dan dat van de rijksoverheid

60Anderzijds is de praktijk dat veel regelingen, hoewel in andere vorm, toch telkens weer worden opgevolgd door nieuwe faciliteiten. Het hiervoor aanbevolen risicopercentage is, arbitrair, gesteld op tweemaal het risicopercentage op de rijksbijdrage voor leerlingenfluctuatie.

61De overige baten, voornamelijk afkomstig van ouderbijdragen, zijn als minder risicovol beoordeeld dan de rijksbijdrage. De reden is dat het schoolbestuur de hoogte van de ouderbijdrage zelf grotendeels in de hand heeft niet tegenstaande dat die ouderbijdragen voor een deel zonder vertraging leerlingenafhankelijk zijn. Het risico van ouderbijdragen en overige baten is gesteld op de helft van dat van de rijksbijdrage.


      1. 4g Risico van frictiekosten als gevolg van beleidswijzigingen


62Via de bekostigingsregeling wordt door het kabinet voortdurend een politieke stempel gedrukt op het onderwijsbeleid. Regelmatige confrontatie met zowel kleine als grotere wijzigingen zorgen voor een niet helemaal voorzienbare bekostigingsstroom.

63Daarnaast is de mogelijkheid van opheffing van geoormerkte, aanvullende, tijdelijke bekostigingscomponenten een risicofactor waarmee rekening moet worden gehouden. Anticipatie daarop door bijvoorbeeld personeel op tijdelijke basis aan te nemen behoort niet tot de mogelijkheden of zal te kostbaar zijn.

64Hetzelfde geldt voor het aannemen van gespecialiseerd personeel voor kleinere contracten, terwijl de specifieke subsidies daar over het algemeen juist voor bedoeld zijn. Bij gebrek aan adequate overgangsregelingen valt reservevorming dan ook sterk aan te bevelen. In de praktijk blijken beleidswijzigingen echter gepaard te gaan met een adequate overgangsregeling. De meest recente, grote beleidswijziging, invoering van lumpsum, kende een overgangstermijn van 5 jaar.

65Het gemiddelde bekostigingseffect van de invoering van de lumpsum was nul, de besturen ondervonden gemiddeld een totale achteruitgang in de bekostiging van 1,5%. Voor een tiental schoolbesturen strekte deze zich uit over een range van 5 tot 11%. Voor compensatie van deze achteruitgang met 11% is een overgangsregeling vastgesteld van vier jaar. Het eerste jaar werd 11% gecompenseerd, het tweede jaar 10%, het derde jaar 9% en het 4e jaar 8%. Gedurende die vier jaren heeft het bestuur de tijd gekregen om de exploitatievoering, hoe pijnlijk ook, op de nieuwe regeling aan te passen. Tijdens deze overgangperiode moest dus jaarlijks 1% bezuinigd worden ten opzichte van het voorgaande jaar.

66 Gebaseerd op deze overgangsregeling is toelating van politiek-bestuurlijke buffers in de sector, niet aan te bevelen, aangezien de regeling voldoende overbruggingstijd en compensatie biedt om de uitgaven aan de bekostiging aan te passen. Zogenaamde ‘politieke risico’s’ moeten alleen uit het buffervermogen worden gedekt wanneer van overheidswege opbrengstmutaties of kostenverplichtingen zonder tijdige berichtgeving en zonder overgangsregelingen worden doorgevoerd.

67 De naderende wijziging van de gewichtenregeling lijkt vooralsnog met meer onzekerheid en korte overgangstermijnen gepaard te gaan, zeker is dat echter nog niet. Wanneer deze, of andere toekomstige overgangsregelingen, inderdaad worden versoberd zal in dat geval buffervorming wel aanbevolen worden. De dan benodigde extra (macro-) buffer zou dan kunnen oplopen tot enkele honderden miljoenen euro’s. In dit rapport is daar niet vanuit gegaan.



4h Eindconclusie

68Wanneer alle risicopercentages worden vermenigvuldigd met het daarbij behorende (in onze analyse voor de totale sector geëxtrapoleerde) bekostigingsbedrag, levert dit sectorbreed een aanbevolen risicobuffer op van EUR 569 miljoen op de rijksbijdrage en EUR 20 miljoen op de overige baten en overheidsbijdragen. Dit brengt de totale risicobuffer op EUR 589 miljoen, dat overeenkomt met 7% van de totale rijksbekostiging. Voor een verdeling van dat bedrag over de verschillende subgroepen van besturen wordt verwezen naar tabel 16 van dit hoofdstuk 4.




tabel 16 Totaaloverzicht risico’s per bestuursomvang en voor BO, SBO, SO




 

Aantal besturen

Rijksbekostiging geëxtrapoleerd

(in EUR)

overige overheidsbijdra­gen geëxtrapo­leerd (in EUR)

overige baten geëxtrapoleerd

(in EUR)

Risico % leerling-fluctuatie

Risico % arbeids-conflict

Rest-risico

risico overige overheids-bijdragen

risico overige baten

Totale risico rijks-bijdrage

Risicobuffer Rijksbijdrage

(in EUR)

risicobuffer andere baten

totale risicobuffer

BO

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zeer kleine besturen

151

79.280.160

1.709.615

5.695.206

5,10%

4,10%

6%

10,20%

2,60%

15,20%

12.050.584

322.456

12.373.040

Kleine besturen

382

485.363.322

14.835.949

35.066.916

4,90%

5,10%

6%

9,80%

2,50%

16,00%

77.658.132

2.330.596

79.988.727

Middelgrote besturen

126

422.098.281

12.807.528

21.463.098

3,20%

1,50%

4%

6,40%

1,60%

8,70%

36.722.550

1.163.091

37.885.642

Grote besturen

219

1.783.418.666

60.772.069

66.357.690

2,40%

0,90%

3%

4,80%

1,20%

6,30%

112.355.376

3.713.352

116.068.728

Zeer grote besturen

173

4.007.566.453

195.492.886

173.839.651

2,00%

0,60%

2,50%

4,00%

1,00%

5,10%

204.385.889

9.558.112

213.944.001

subtotaal

1051

6.777.726.882

285.618.047

302.422.561

 

 

 

 

 

 

443.172.531

17.087.607

460.260.138

SBO

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kleine besturen

24

35.104.467

850.874

1.002.590

4,90%

5,10%

6%

9,80%

2,50%

16,00%

5.616.715

108.450

5.725.165

Middelgrote besturen

27

155.036.025

7.654.258

9.019.055

3,20%

1,50%

4%

6,40%

1,60%

8,70%

13.488.134

634.177

14.122.312

subtotaal

51

190.140.492

8.505.132

10.021.645

 

 

 

 

 

 

19.104.849

742.628

19.847.477

SO

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Middelgrote besturen

41

192.152.754

6.481.122

40.473.500

4,90%

5,10%

6%

9,80%

2,50%

16,00%

30.744.441

1.646.987

32.391.428

Grote besturen

44

862.858.164

22.778.576

10.423.989

3,20%

1,50%

4%

6,40%

1,60%

8,70%

75.068.660

1.624.613

76.693.273

subtotaal

85

1.055.010.918

29.259.698

50.897.489

 

 

 

 

 

 

105.813.101

3.271.600

109.084.701

totaal

1.187

8.022.878.292

323.382.877

363.341.695

 

 

 

 

 

 

568.090.481

21.101.835

589.192.316


1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina