Kenmerk: 2008-1704 MvdM/rk



Dovnload 0.81 Mb.
Pagina6/9
Datum22.07.2016
Grootte0.81 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

5Aanwezig versus benodigd vermogen


1Nu bepaald is hoeveel eigen vermogen er voor de financiering- en bufferfunctie nodig is binnen het PO, kunnen we dit afzetten tegen het vermogen dat (zoals in hoofdstuk 2 geschetst) in 2006 aanwezig was in de sector. Hiermee komen we bij stap 4 van het doorlopen vermogensmodel.

2In dit hoofdstuk zullen we eerst op macroniveau bekijken hoe het benodigde vermogen en het actuele vermogen zich tot elkaar verhouden. Vervolgens beschrijven we hoe dit beeld op individueel bestuursniveau uitwerkt. Ten slotte zullen we beschouwen hoe de uitkomst van deze stap wel en niet geïnterpreteerd kan worden en hoe gevoelig het resultaat is voor wijzigingen in de vooraf gestelde aannames.


      1. 5a Vermogenspositie op macroniveau


3In hoofdstuk 3 is geconstateerd dat voor de financiering van alle activa (dus inclusief de liquide middelen die nodig zijn om risico’s op te vangen) EUR 2.828 miljoen nodig is. Aangezien we veronderstellen dat schulden en voorzieningen financieringsruimte bieden, is uiteindelijk EUR 2.299 miljoen aan eigen vermogen nodig. Ultimo 2006 bedroeg het aanwezige eigen vermogen EUR 2.413 miljoen (zie Hoofdstuk 2). In eerste instantie lijkt er dus een marginaal overschot van circa EUR 100 miljoen aanwezig te zijn in de sector.

4De “benodigde” balans en de actuele balans zien er schematisch als volgt uit:


tabel 17 Benodigd en aanwezig eigen vermogen


Benodigd en aanwezig eigen vermogen op basis van de rijksbekostiging in miljoen EUR




Balansposten

Benodigd

Aanwezig




A. Privé vermogen

241

241




B. Boekwaarde materiële vaste activa

783

783




C. Spaarliquiditeit

1.147

1.850




D. Bufferliquiditeit

589




F. Financiële VA exclusief beleggingen

68

68




Totaal

2.828

2942




Af: vreemd vermogen

 

 




H. Voorzieningen

496

496




Egalisatierekening

20

20




H. Schulden op lange termijn

13

13




Totaal

2.299

2.413




Saldo

 

ca. 100 



figuur d. Schematische weergave te verwachten (ofwel benodigd) en actuele (ofwel werkelijke) activa en passiva

      1. 5b Vermogenspositie op microniveau


5Het gehanteerde vermogensmodel kunnen we ook op micro – bestuursniveau toepassen. Voor ieder bestuur kan, afhankelijk van de omvang, berekend worden hoeveel vermogen er voor de materiële vaste activa nodig is, welke risicobuffer er nodig is (stap 1 uit het model) en hoeveel hiervan door eigen vermogen gefinancierd moet worden (stap 2).

6Om tot het voor de vervanging van materiële vaste activa benodigd eigen vermogen te komen, is op bestuursniveau de vervangingswaarde herleid. Dit gebeurt in eerste instantie door, zoals in Bijlage B beschreven, op basis van leerlingenaantallen de afschrijvingskostenvergoeding in het MI -budget met de bijbehorende afschrijvingstermijnen te vermenigvuldigen. Hierop is echter om 3 redenen een correctie toegepast.

7Ten eerste lijken de opgegeven leerlingenaantallen minder betrouwbaar dan de bekostigingscijfers. Ten tweede heeft het (V) SO niet exact dezelfde MI -bekostiging als het BO. Ten derde hebben meerdere BO -besturen ook een aantal SBO) of (V)SO leerlingen. Omdat de schoolbesturen die zowel VSO en BO hebben de materiële vaste activa uiteraard niet gescheiden administreren, treedt informatie vervuiling op.

8Hierdoor geven de totale leerlingenaantallen niet het juiste beeld over de ontvangen afschrijvingscomponent. Om die reden is op macroniveau afgeleid hoe de verhouding Vervangingswaarde – MI -bekostiging is; deze verhouden zich als 1 staat tot 2,64. Hiermee kan voor ieder bestuur op basis van hun MI -bekostiging de vervangingswaarde benaderd worden. In combinatie met de in Hoofdstuk 3 (tabel 7) gestelde percentages kan het voor de materiële vaste activa benodigde vermogen afgeleid worden.

9Vervolgens kan op basis van schooltype en bestuursomvang herleidt worden hoeveel risicobuffer nodig is. Zo heeft een klein bestuur voor regulier BO 16,0% van de rijksbijdrage, 9,8% van de overige overheidsbijdragen en 2,5% van de overige baten als risicobuffer nodig (zie tabel 16 in hoofdstuk 4). Van een groot bestuur voor SO verwachten wij een risicobuffer ter grootte van 6,3% van de Rijksbijdrage, 4,8% van de overige overheidsbijdragen en 1,2% van de overige baten.

10Ten slotte passen we ook op bestuursniveau stap 2 en 3 toe, door de voorzieningen en schulden op de vermogensbehoefte in mindering te brengen. Hierbij moet opgemerkt worden dat een aantal besturen dermate hoge voorzieningen heeft, dat de vermogensbehoefte hiermee zeer klein lijkt te worden. Wanneer zij het model zouden doorvoeren levert dit een lage solvabiliteit op. Zij hebben dan immers weinig eigen vermogen in verhouding tot het vreemd vermogen (waar de voorzieningen onderdeel van uitmaken). De wenselijkheid daarvan valt te betwisten. Op voorhand kan aldus gesteld worden dat (zeker op bestuursniveau) redenen aanwezig kunnen zijn om van voorgesteld model af te wijken.

11In stap 4 kan vervolgens voor ieder bestuur het benodigde vermogen afgezet worden tegen het daadwerkelijk aanwezige vermogen. De private bestemmingsreserve is in dit onderzoek buiten beschouwing van vermogensbehoefte gehouden. We hebben daartoe voor ieder bestuur deze bestemmingsreserve in mindering gebracht op hun aanwezige vermogen.

12De uiteindelijke deling van het eigen vermogen door het benodigde vermogen geeft een indicatie van de vermogenspositie van een bestuur. Een bestuur waarbij dit een coëfficiënt van 1,5 oplevert, heeft dan 50% meer eigen vermogen dan op basis van het vermogensmodel verwacht zou worden.


      1. 5c Wanneer is er sprake van een te ruime of te krappe vermogenspositie?


13Zoals eerder opgemerkt, is zowel een ruime als een krappe vermogenspositie niet wenselijk. Een te ruime vermogenspositie zou erop kunnen duiden dat het primaire onderwijsproces onthouden wordt van investeringen met publieke gelden. Een te krappe vermogenspositie kan de continuïteit en daarmee ook de kwaliteit van het schoolbestuur in gevaar brengen. Hiervoor dienen op microniveau op modelmatige wijze een boven- en een ondergrens worden bepaald.

14Wij hebben hiervoor de financieringsfunctie van het eigen vermogen als uitgangspunt genomen. Zoals in hoofdstuk 3 beschreven, is er voor de materiële vaste activa in ieder geval 50% van de vervangingswaarde als eigen vermogen nodig. De bovengrens is gesteld op 100% van de vervangingswaarde.

15 Deze percentages kunnen we dus als begrenzingen voor het nu nodig te achten eigen vermogen hanteren. Door bij deze grenzen wederom de risicobuffer op te tellen en de meefinancierende voorzieningen en schulden hier op in mindering te brengen, hebben we, modelmatig (weliswaar een ruime) boven- en ondergrens gesteld.

16De onzekerheid waarmee de jaarrekeningcijfers en gekozen percentages voor de financiering- en bufferfunctie zijn omgeven, maken dat smallere begrenzingen nog niet verantwoord zijn.



17Wanneer we de grenzen van 50% en 100% toepassen op de onderzochte besturen levert dit het volgende beeld op:

tabel 18 Verdeling besturen per omvang naar positionering ten opzichte van onder- en bovengrens


BO (excl SBO)

Aantal besturen

Aantal boven 100%

Percen-tueel

Aantal onder 50%

Percen-tueel

Aantal binnen bandbreedte

Percen-tueel

zeer kleine besturen

151

25

17%

47

31%

79

52%

kleine besturen

382

53

14%

136

36%

193

51%

middelgrote besturen

126

26

21%

38

30%

62

49%

grote besturen

219

25

11%

39

18%

155

71%

zeer grote besturen

173

18

10%

31

18%

124

72%

subtotaal

1051

147

14%

291

28%

613

58%

SBO

 

 

 

 

 

 

 

kleine besturen

24

7

29%

6

25%

11

46%

grote besturen

27

18

70%

1

4%

8

30%

subtotaal

51

25

57%

7

14%

19

37%

(V)SO

 

 

 

 

 

 

 

kleine besturen

41

13

32%

13

32%

15

37%

grote besturen

44

10

23%

9

20%

25

57%

subtotaal

85

23

27%

22

26%

40

47%

totaal

1187

195

16%

320

27%

672

57%




BO (excl SBO)

Aantal besturen

Aantal boven 100%

Percen-tueel

Aantal onder 50%

Percen- tueel

Aantal binnen bandbreedte

Percen-tueel

Alleen BO

 

 

 

 

 

 

 

Openbaar

150

12

8%

48

32%

90

60%

RK

166

24

14%

27

16%

115

69%

PC/Overig

507

94

19%

119

23%

294

58%

Algemeen bijzonder

228

17

7%

97

43%

114

50%

Vervolg tabel 18


18Het eigen vermogen van schoolbesturen kwalificeren wij als “laag”, wanneer zij (naast de risicobuffer) een eigen vermogen hebben van minder dan 50% van de vervangingswaarde van materiële vaste activa. Als het eigen vermogen van schoolbesturen meer dan 100% van de vervangingswaarde is, kwalificeren wij dat als “hoog”.

19Uitgaande bovengenoemde uitgangspunten, blijkt per einde 2006 27% van de schoolbesturen over een “laag” eigen vermogen te beschikken en 16% van de besturen hoog. De resterende 57% van de scholen heeft een eigen vermogen dat binnen deze grenzen valt. Opmerkelijk is het dat kleine besturen relatief veel voorkomen in zowel de “laag” als in de “hoog” categorie. Een eenduidige verklaring is niet voorhanden

20Het valt op dat schoolbesturen voor SBO en (V)SO) vaker boven de bovengrens komen dan het reguliere BO. Wellicht geldt daar echter een specifiek risicoprofiel of gelden andere bijzondere omstandigheden. Daarom is voor deze onderwijstypen nader onderzoek nodig is, om tot gefundeerde begrenzingen te komen.

21Binnen het reguliere BO komen openbare besturen en besturen voor algemeen bijzonder onderwijs vaker onder de ondergrens dan besturen op religieuze grondslag. Binnen deze laatste groep komen Protestants Christelijke besturen vaker onder de ondergrens voor. Dit valt te verklaren doordat een groter deel van hun vermogen als privaat bestempeld is.

22De vastgestelde grenzen zijn nadrukkelijk niet meer dan voor het model bepaalde begrenzingen. Of een eigen vermogen dat onder de ondergrens voor een schoolbestuur ligt betekent dat er te weinig eigen vermogen is om de continuïteit te kunnen waarborgen, ligt vooral aan de specifieke omstandigheden waarin het bestuur verkeert.

23 Er zijn dan verschillende vragen die moeten worden beantwoord. Wat is de oorzaak van het relatief lage eigen vermogen? Hoe zit het met het risicoprofiel van dit bestuur? Hoe gaat het bestuur om met de spreiding van investeringen? Wat is het perspectief op herstel? Het schoolbestuur moet in het jaarverslag over de specifieke situatie verantwoording afleggen. Dit kan niet op basis van macroanalyses worden beoordeeld.

24Ook aan de bovenzijde van de modelmatig bepaalde grenzen geldt dit. Het overschrijden van de bovengrens hoeft niet altijd te beteken dat een bestuur meer geld zou kunnen besteden aan het onderwijs en de zorg aan leerlingen.

25Zijn er risico’s aanwijsbaar die een relatief hoog vermogen verklaren? Wat is de oorzaak van het hoge eigenvermogen? Wat zijn de plannen en wat is het perspectief? Ook hier moet het bestuur in het jaarverslag uitleg geven, omdat een macroanalyse niet toereikend is.


      1. 5d Gevoeligheidsanalyse vermogenspositie


26Aangezien veel van de gemaakte keuzes in het vermogensmodel een bepaalde aanname ten grondslag ligt, is het belangrijk te bekijken welke gevolgen het zou hebben wanneer andere keuzes zouden zijn gemaakt. Deze gevoeligheidsanalyse levert een beeld op van hoe de vermogenspositie beoordeeld zou worden wanneer andere aannames zouden zijn gemaakt. Op de volgende punten zou dit een wijziging van het gegeven beeld opleveren:

  • Wanneer het aanbevolen percentage van de vervangingswaarde van de materiële vaste activa met gemiddeld 5% (procentpunt) wijzigt, levert dit een benodigd vermogen op dat EUR 129 miljoen hoger of lager is dan het nu gestelde benodigde vermogen. Het geconstateerde overschot zou in die situatie dus met EUR 129 miljoen stijgen of dalen.

  • Wanneer we het zekerheidspercentage van de risicobuffer verdubbelen en dus naar het 97,5e percentiel kijken, neemt de benodigde risicobuffer toe met ca. EUR 65 miljoen. Het vermogensoverschot daalt dan met dit bedrag.

  • Wanneer het SBO en (V)SO meer risico lopen op daling van het leerlingenaantal en dus een twee maal zo grote buffer voor leerlingaantallenfluctuaties nodig hebben, neemt de buffer toe met ca. EUR 44 miljoen. Het vermogensoverschot zal dan met dit bedrag dalen.

  • Wanneer de programma’s van eisen voor de MI -bekostiging worden aangepast (uitgaande van 10% meer m2, 10% meer onderhoudskosten, 15% duurdere leermiddelen), stijgt het benodigde vermogen met EUR 342 miljoen. Het vermogensoverschot zal dan met dit bedrag dalen.

  • Wanneer achterstallige activering van materiële vaste activa en onderhoudsactiva plaatsvindt en de boekwaardes hiervan op het benodigde 50% niveau komen, levert dit een stijging van het aanwezige vermogen op van ca. EUR 500 miljoen. Het vermogensoverschot zal dan met dit bedrag stijgen.

  • De alom verwachte toekomstige stijging van de BAPO -voorzieningen door de invoering van de richtlijnen van de Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ 660) zal in principe geen effect hebben op het in dit onderzoek geconstateerde vermogenssaldo. De stijging in de gerapporteerde BAPO -voorziening zou in het vermogensmodel volledig doorwerken in de verwachte omvang van de voorziening. Dit zorgt in het aanwezige vermogen voor een daling, maar in het benodigde vermogen voor een even grote daling, omdat daarin de voorzieningen van de totale te financieren activa in mindering worden gebracht. Dit zal dus in principe geen effect hebben op het vermogensoverschot13 (behalve wellicht bij scholen met een heel klein eigen vermogen).
      1. 5e Conclusies en consequenties


27Hoewel de in de gevoeligheidsanalyse gemaakte aannames niet allemaal in gelijke mate van toepassing zullen zijn, benadrukt dit wel hoe onzeker het geconstateerde overschot is.

28Wanneer de in de gevoeligheidsanalyses genoemde aannames allen overgenomen zouden worden, levert dit een daling van het verschil met EUR 450 miljoen op en een stijging van € 630 miljoen, per saldo dus een stijging van EUR 180 miljoen. Naast deze onzekerheden zijn er nog een aantal redenen om het geconstateerde, marginale overschot met grote voorzichtigheid te interpreteren.

29Ten eerste vraagt de invoering van de lumpsumbekostiging en bijbehorende verantwoordelijkheid voor het financieel beheer een grote mate van professionaliteit. Wij veronderstellen dat veel schoolbesturen nog aan het begin van deze omslag staan. Een gezonde vermogenspositie vraagt om een goed ingeregelde planning en controlcyclus en meerjarige investeringsplannen.

30In de berekening van de aan te houden risicobuffer is verondersteld dat de het financieel management op een voldoende niveau is, maar in de overgangsperiode zijn tijdelijke hogere buffers zeer verklaarbaar: voor extra zekerheid en als overblijfsel van de situatie vóór 2006, toen het nog gebruikelijk was om tot 100% van de vervangingswaarde van de materiële vaste activa opzij te leggen.

31In de tweede plaats was 2006 het eerste jaar dat alle scholen in het PO een jaarrekening moesten opstellen op basis van het baten/lastenstelsel. Hoewel deze jaarrekeningen gecontroleerd zijn door accountants, staat het wel vast dat de verslaggevingrichtlijnen voor het PO ruimte gaf voor verschillende interpretaties door schoolbesturen.

32Dit is een normaal verschijnsel wanneer een sector voor het eerst op grond van een ander verslaggevingstelsel moet rapporteren. Omdat er in het PO circa 1.400 besturen actief zijn, is het praktisch onmogelijk om de onzuiverheden die hieruit voortkomen in een vermogensonderzoek als het onderhavige voldoende betrouwbaar te corrigeren.



33Alles overziend, kan worden vastgesteld dat de uitkomst van dit onderzoek met meer dan gebruikelijke- onzekerheden is omgeven. Gegeven die onzekerheden is het raadzaam om het onderzoek te herhalen wanneer er meer en betrouwbaarder gegevens voorhanden zijn.
      1. 5f Aanbevelingen voor vervolgonderzoek


34In het rapport zijn op meerdere plaatsen suggesties gedaan voor vervolgonderzoek. In de beschreven gevoeligheidsanalyses is ook aangetoond welke gevolgen wijziging in de aannames voor de conclusies van dit onderzoek op zouden leveren. Hoewel niet limitatief, is nader onderzoek naar deze aannames zeer wenselijk. Het gaat hierbij om:

  • Onderzoek naar meerjaren investeringspatronen van besturen, om tot een meer gefundeerd aanbevolen financieringspercentage van de vervangingswaarde te komen;

  • Nader onderzoek naar de vermogenspositie van openbare besturen. Ontbrekende cijfers en recente ontwikkelingen als gevolg van verzelfstandiging maken dat er nog onvoldoende duidelijkheid is over de vermogenspositie van het openbaar onderwijs;

  • Onderzoek naar de kosten van onvoorziene teruglopende leerlingaantallen op basis van het daadwerkelijk aantal personeelsleden dat na een RDDF -procedure ontslagen wordt. Hiermee kan het aanbevolen risicopercentage voor leerling-fluctuatie sterker onderbouwd worden;

  • Onderzoek naar specifieke risicoprofielen voor het SBO en (V)SO;

  • Onderzoek naar de gevolgen van invoering van de gewichtenregeling. Deze wijziging en bijkomende overgangsregeling zullen wellicht om aanvullende buffers vragen.

  • Onderzoek naar de eventuele wenselijkheid van het beperken van keuzemogelijkheden in RJ 660, omdat door de resterende keuzemogelijkheden in de verslaggeving ook in komende jaren mogelijk geen volledig beeld van de vermogenspositie in de sector zal kunnen ontstaan. Een voorbeeld hiervan is de keuzemogelijkheid om de materiële vaste activa te rapporteren op basis van aanschaf of vervangingswaarde.


1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina