Kenmerk: 2008-1704 MvdM/rk



Dovnload 0.81 Mb.
Pagina8/9
Datum22.07.2016
Grootte0.81 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

Risicodekkingsbronnen




      1. Dekking van risico’s via voorzieningen


          1. Bij de interviews hebben we doorgaans eerst getoetst of de voorzieningen op peil zijn, alvorens in te gaan op de “restrisico’s” waarvoor een reserve nodig is. Afgezien van de reeds besproken onderhoudsvoorziening staat er voor ca. EUR 200 miljoen aan overige voorzieningen. Het leeuwendeel daarvan betreft voorzieningen voor spaar -BAPO. Over de vraag of die voorziening op orde is lopen de meningen uiteen, maar de tendens is dat er op macroschaal momenteel geen problemen worden ervaren.

          2. Met het oog op de nieuwe richtlijnen voor voorzieningen zoals die in de RJ 271 zijn opgenomen speelt nog een theoretische discussie over de interpretatie daarvan. Volgens sommigen zouden alle toekomstige rechten van alle leraren als voorziening opgenomen moeten worden. In het ergste geval kan deze richtlijn een meervoudige toename (tot 5 keer de huidige omvang) veroorzaken van de voorziening voor BAPO.

          3. Zekerheidshalve is marginaal getoetst of het aannemelijk is dat de aanwezige voorzieningen ruim bemeten zijn, dan wel tekort schieten. De in de PO sector aanwezige voorzieningen betreffen in hoofdzaak een kostenegalisatie voorziening voor onderhoud (ca EUR 300 miljoen op sectorniveau) en een voorziening voor spaar -BAPO. De indruk is dat de onderhouds­voorziening bij veel scholen kennelijk voldoende op peil is voor het verkrijgen van een accountantsverklaring bij de jaarrekening, maar dat er voor deze voorziening op sectorniveau waarschijnlijk eerder sprake is van een verwacht tekort dan van een overschot.

          4. Over de toereikendheid van de BAPO -voorziening wordt momenteel gedebatteerd binnen de sector. De nieuwste accountantsrichtlijn, RJ 271 schrijft een berekeningmethode voor die op sectorniveau tot een aanmerkelijk hogere voorziening leidt, maar het is nog onduidelijk hoe de discussie die daarover gaande is zal aflopen. Op voorhand is aangenomen dat spaar -BAPO in de werkelijkheid geen groot afzonderlijk te kwantificeren restrisico vormt.

          5. Subsidies: Een ander belangrijk aspect van risico aan de opbrengstenkant is het onvoorspelbare karakter van gemeentelijk beleid ten aanzien van subsidieverlening – bijvoorbeeld “de brede school”. Uit de interviews is gebleken dat besturen aanvankelijk wel gefinancierd worden voor de opzet van zaken maar geen gegarandeerde financiën toegezegd krijgen voor de instandhouding.

            Anderzijds lijkt op macroniveau de omvang van deze inkomstenbron slechts beperkt te zijn, en zijn nauwelijks algemene uitspraken mogelijk over de stabiliteit van het gemeentelijke beleid.



          6. Slecht management: Voor diverse componenten van de bekostiging wordt gewerkt vanuit een gemiddeld kostenniveau (denk aan GGL, BAPO, etc). Gemiddelden wijken echter af van individuele (personele) bekostiging. Weliswaar wordt er in de bekostiging gedifferentieerd naar schoolgewicht en gemiddelde leeftijd personeel, maar daar kan niet alles mee opgevangen worden. Scholen die “pech” hebben zitten op alle aspecten slechter dan gemiddeld en voelen dat in hun exploitatie. Dat is overigens wel een factor die op termijn deels met goed management (het zorg dragen voor een betere opbouw van het personeelsbestand) en waarvoor nu overgangsbeleid geldt. Wij zijn van mening dat het management aspect zwaar moet wegen, wij adviseren om geen reserve hiervoor op te nemen.

          7. Materiële kostenrisico’s: Onderhoudskosten gebouwen als gevolg van achterstallige actie gemeente. Een laatst mogelijke component voor een risicoreserve betreft een mogelijk bedrag voor achterstallig onderhoud, dat van toepassing zou zijn voor scholen die met een gemeente te maken hebben die haar onderhoudsverplichtingen structureel niet nakomt. Er zijn grote verschillen tussen gemeenten in hun stabiliteit en omvang van financiering. Onderhoud en gebouwen zijn niet zelden ver beneden peil. In de overweging is besloten dit niet mee te nemen omdat een en ander wel rechtens afdwingbaar is.

          8. Meerdere scholen hebben aangegeven dit uit eigen middelen bij te financieren. Andere scholen gebruiken actief hun netwerk om binnen de gemeente voldoende prioriteit te krijgen. Het is in het kader van de wettelijke verplichting van gemeenten om die taak naar behoren in te vullen lastig om een rechtvaardiging te vinden voor een substantiële reserve opbouw.

          9. Hoewel dit een heel reëel probleem zou kunnen zijn, zijn wij van mening dat dit geen adequate basis is om een risicoreserve op te voeren. Uitgangspunt in dit soort analyses is immers dat partijen hun verantwoordelijkheden nakomen.
  1. Risicoselectie





          1. In deze bijlage D is de inventarisatie in beeld gebracht van de risico’s die zich voordoen in het PO -veld. Hiervoor is dankbaar gebruik gemaakt van de lijst van Vos/ Abb. Deze lijst is als basis gebruikt om de zich voordoende risico’s in te delen naar de volgende categorieën:

            1. Risico’s waarvoor een aparte buffer wordt gecreëerd door middel van de algemene reserve;

            2. Risico’s die beperkte schade opleveren en/ of zich zeldzaam manifesteren; voor deze categorie wordt geen aparte buffer gecreëerd, maar wel in samenhang met andere risico’s met een beperkte impact;

            3. Risico’s waarvan het vermoeden bestaat dat er redenen zijn om aan te nemen dat de ontstane schade niet of onvoldoende via de bekostiging te bekostigen is, maar waarvan onvoldoende onderzoeksmateriaal voorhanden is om dat te onderbouwen. Deze risico’s worden qua dekking onder de categorie restrisico’s geschaard.

            4. Risico’s waarvoor op basis van wetgeving een voorziening opgenomen moet worden.

            5. Risico’s waarvoor geen reservering of voorziening wordt opgenomen, maar die bestreden worden door middel van maatregelen van management of organisatorische aard.


tabel 19. Risico’s en wijze van dekking





Risico

Dekking via:

1.

2.

3.

4.

5.

Apart te vormen buffer d.m.v. reserve

Beperkt risico waarvoor buffer te vormen als rest categorie

Onvoldoende beeld o.b.v. onderzoek om risico te kwantificeren

Te voorzien risico waarvoor een voorziening wordt gecreëerd

Nemen van management maatregelen en/ of opnemen in P&C

A.

Leerlingen







Daling leerlingaantallen

x










x




Wijziging gewichtenregeling







x










Ontbreken van kinderopvang­faciliteit als instroom kanaal naar het basisonderwijs




x













Vermindering leerlingenaantal als gevolg van concurrentiepositie ten opzichte van andere scholen

X










x




PR en marketingstrategie













x




Onzekere financieringsstromen (a.g.v. eenmalige subsidies, wisselend beleid overheden) zonder overgangsregeling



x














Risico

Dekking via:

1.

2.

3.

4.

5.

Apart te vormen buffer d.m.v. reserve

Beperkt risico waarvoor buffer te vormen als rest categorie

Onvoldoende beeld o.b.v. onderzoek om risico te kwantificeren

Te voorzien risico waarvoor een voorziening wordt gecreëerd

Nemen van management-maatregelen en/of opnemen in P&C

B.

Kwaliteit onderwijs







Beoordeling inspectie













x




Kwaliteit onderwijskundig beleid













x




Onderwijskundige vernieuwingen













x




Adequate onderwijsconcepten













x

C.

Personeel







Vaststelling en indexering GPL













x




Leeftijdsopbouw personeel













x




BAPO en uitgesteld BAPO










x







Ziekteverzuim




x













Arbeidsconflict

x
















Kosten FUWA PO/functiedifferentiatie













x




Kwaliteit personeel













x




Personeelsverloop

x







x




D.

Organisatie







Kwaliteit algemene directie













x




Kwaliteit schoolleiding













x




Kwaliteit P&C processen

X (tijdelijk)










x




Beleidsplannen













x




Governance/ Managementstatuut













x




Werking van de AO/IC













x

E.

Gebouwen







Stand van zaken onderhoud










x

x




Onderhoudsintensiteit gebouw










x







Bezettingsgraad













x




Door decentralisatie













x

F.

Inventaris, apparatuur en OLP







Gemiddelde ouderdom













x




Toekomstige investeringen













x




Achterblijven bekostiging bij normen







x









Toelichting tabel 18


A

Groepsrisico’s t.a.v. leerlingen




Daling leerlingenaantallen.

Bij daling van het aantal leerlingen is sprake van een vertraagd effect, dat echter wel tot krimp in de bekostiging leidt en, zeker bij voortzetting, een fors effect kan hebben. (Voor groei geldt de groeiregeling waarmee in redelijke mate in de aanvullende bekostiging wordt voorzien.)






Wijziging gewichtenregeling.

De nieuwe gewichtenregeling kan leiden tot een verlaging van de weging van het schoolgewicht. Neerwaartse wijzigingen worden mede veroorzaakt door een relatief hoog opleidingsniveau van de ouders, dat als voornaamste criterium voor het gewicht wordt gehanteerd. Momenteel vindt bij achteruitgang een beperkte compensatie plaats door middel van een aparte tijdelijke regeling. Op termijn zal de drempel nog verder worden verlaagd en zal een extra effect van de zogenaamde ‘probleemcumulatiegebieden’ teweeg brengen. De teneur van de daling van het schoolgewicht zal zich naar verwachting voortzetten. Onderdeel van de gewichtenregeling is ook een strakkere controle van de gewichtsopgaven. Deze kan een verlaging van het schoolgewicht tot gevolg hebben.






Aanwezigheid voldoende Kinderopvang (TSO en BSO).

De kinderopvang kan een duidelijk effect hebben op de instroom van nieuwe leerlingen. Ontbreken van aan de school gelieerde kinderopvang vormt een risicofactor bij de raming van het toekomstige aantal leerlingen.






Concurrentiepositie.

De concurrentiepositie is afhankelijk van de directe omgeving. Bij aanwezigheid van slechts één school in dorp of wijk zal deze factor nauwelijks een rol spelen.

Een aspect waarmee rekening moet worden gehouden is de mate van waardering van ouders voor de onderwijsinstelling ten opzichte van andere scholen in de omgeving.





PR en marketingstrategie.

De mate waarin PR en marketing zullen slagen of falen in het streven naar het realiseren van groeiambities hangt in hoge mate af van de mate, waarin men op de hoogte is van de overwegingen van ouders bij hun keuze voor een bepaalde school; daarnaast kan die informatie leiden tot de ontwikkeling en implementatie van een succesvolle strategie voor het bereiken van die doelstelling.



B

Groepsrisico’s t.a.v. kwaliteit onderwijs




Beoordeling van de scholen door de inspectie.:

Het oordeel van de inspectie is een belangrijke graadmeter voor ouders bij de schoolkeuze voor hun kinderen.






Kwaliteit onderwijskundig beleid.

De schoolkeuze van ouders wordt mede bepaald door de kwaliteit van het onderwijskundige beleid (bijvoorbeeld het (veilig) pedagogisch klimaat).






Onderwijskundige vernieuwingen.

Het innoverend vermogen van de instelling is mede bepalend voor een duurzame aantrekkingskracht op nieuwe leerlingen.







Aanwezigheid van adequate onderwijsconcepten in het kader van diversiteit van kinderen en wensen van ouders.

Voor zowel onderwijsconcepten als zorgbeleid en gedifferentieerde werkvormen moet aansluiting worden gezocht bij de behoeften van zowel huidige als toekomstige ouders en leerlingen.



C.

Groepsrisico’s t.a.v. personeel




Vaststelling en indexering GPL:

GPL staat voor Gemiddelde Persoonslast. De GPL is gekoppeld aan de landelijk gemiddelde leeftijd. Aan het systeem van leeftijdsafhankelijke toekenning wordt vormgegeven door de twee componenten van de GPL; deze zijn:

p = een vast bedrag onafhankelijk van de leeftijd;

q = het met de gemiddelde leeftijd te vermenigvuldigen bedrag.

Een goede balans tussen het vaste bedrag en het bedrag per leeftijdsjaar zal de kleinst mogelijke herverdeeleffecten opleveren. Het ministerie van OCW kan besluiten om in de bekostiging op macroniveau de incidentele looncomponent (ILC) niet of gedeeltelijk te betrekken.

In principe wordt de indexering van de GPL zo goed mogelijk in overeenstemming gebracht met de wijzigingen als gevolg van algemene salarismaatregelen en van sociale premies. Dit, tezamen met de omstandigheid dat wijzigingen van de indexeringuitvoering tijdig aan het licht worden gebracht, zorgen voor een gering risico. Daarbij komt nog dat de complexiteit van de indexering zorg zal dragen voor een zekere balans tussen de positieve en de negatieve effecten van eventuele effecten.

De mogelijkheid van afwijkingen van het kostenniveau van individuele scholen afwijken van het landelijk gemiddelde kan financiële nadelen met zich meebrengen (bijv. jaarlijkse periodiek versus landelijk Incidenteel Looncomponent).





Leeftijdsopbouw personeelsbestand:

De opbouw van het personeelsbestand kan aanleiding geven tot specifieke financiële risico’s (jaarlijks fluctuerend ouderschapsverlof, jubileumgratificaties, e.d.).

Ook kan een klein bestuur in problemen komen wanneer sprake is van een bestand aan jonge vrouwelijke leerkrachten, die allen binnen een relatief korte periode zwangerschapsverlof opnemen.





BAPO en uitgestelde BAPO:

BAPO staat voor ’Bevordering Arbeidsparticipatie Ouderen’. In de bekostiging is voor BAPO 2,0% opgenomen. In het ene geval zal dat (meer dan) voldoende zijn, in het andere zal er stevig op moeten worden bijgelegd. Voor beide situaties geldt dat de kosten over een langere periode wijzigingen zullen ondergaan. Een periode van lage kosten zal na verloop van tijd worden gevolgd door een van hogere kosten, en omgekeerd.

Veelvuldige gebruikers van BAPO -verlof zullen na verloop van tijd vertrekken via bijvoorbeeld FPU of pensioen. Op dit terrein geldt de wenselijkheid van een goede leeftijdsopbouw van het personeelsbestand. Actuele ramingen geven aan dat de kosten van BAPO, na een in de komende jaren doorzettende stijging, vanaf 2012 een iets dalende tendens zullen ondergaan.

De stijging van de BAPO -kosten gaat gepaard met een daling van de overige ILC en veroorzaken tezamen een dalende GPL. Wanneer de raming van de BAPO -kosten – mede op basis van historische gegevens - zorgvuldig in kaart wordt gebracht en gezorgd wordt voor toereikende voorziening op dit terrein, zal het risico gering zijn.

Uitstel van flexibele BAPO kan leiden tot verhoging van lasten.





Ziekteverzuim:

a. Decentralisatie Vervangingsfonds

Deze maatregel wordt gedurende 2 jaar uitgetest aan de hand van een pilot, waardoor het effect daarvan nog geen reëel risico zal vormen. De huidige declaratie zal evenwel op termijn vervallen, waardoor grotere risico’s gaan ontstaan. Het is verstandig daar met de opbouw van enige reserve alvast rekening mee te houden.



b. Opslagen Vf en Pf:

Deze opslagen kunnen van jaar tot jaar, en zelfs tussentijds, fluctueren. Daarin ligt een risico, Bovendien kan de relatie tussen de premie en de opslag niet meer eenduidig worden vastgesteld.

Het is de bedoeling te komen tot de instelling van een vaste opslag. Wanneer deze zorgvuldig wordt onderbouwd kan men uitgaan, van een toekenning op adequaat niveau.





c. Eigen risico ziekteverzuim/vervanging:

Sinds de invoering van de lumpsumfinanciering geldt de verplichte verzekering alleen nog voor het personeelsbestand dat:

- op 5 juli 2006 in dienst was,

- sindsdien niet van werkgever veranderd is,

- ten laste van de formatie kwam.

Vanaf 5 juli 2006 aangesteld personeel valt onder het eigen risico van de werkgever, die daarvoor een vrijwillige verzekering kan afsluiten bij het Vervangingsfonds of het Risicofonds. De premie zal in beide gevallen aanmerkelijk lager uitvallen dan die voor de verplichte verzekering bij het VF, zodat op dit punt geen sprake is van een reëel risico.



d. Malus Vf:

Er is sprake van malus wanneer de declaratie vervangingskosten wegens ziekte hoger uitvalt dan aan premie werd betaald. Hoewel het risico daarop in belangrijke mate kan worden beheerst met een actief ziekteverzuimbeleid heeft het een niet -werkgerelateerde karakter en blijft daarmee een factor waarmee, zeker door kleine besturen, terdege rekening moet worden gehouden. In dit onderzoek is berekend hoe materieel de in 2006 betaalde malussen zijn voor besturen. Deze beslaan maximaal 0,25% van de rijksbijdrage en zijn dus niet afzonderlijk als risico beschreven maar meegenomen in het restrisico.






Wachtgeld/uitkeringen/sociaal statuut:

a. Decentralisatie Participatiefonds:

Deze is nog niet aan de orde. De ontwikkeling in het VO duidt op een geleidelijke en beperkte implementatie. Daardoor is het risico daarvan (nog) gering.



b. WAO/WIA/Wet Poortwachter:

Bij een deugdelijke uitvoering van de voorschriften van de Wet Poortwachter zijn de risico’s beperkt. Wel heeft de afspraak in de sector CAO omtrent de inzet van werknemers die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn tot gevolg dat dan sprake kan zijn van beperkte inzetbaarheid waardoor extra personeel ingezet moet worden. Daardoor kan sprake zijn van extra re-integratiekosten.



c. Uitkeringen voor eigen rekening (instroomtoets Pf):

Door overmacht of onzorgvuldigheid kan het voorkomen dat een werkgever de kosten van een uitkering zelf moet opbrengen. Als dat aan de orde is, betekent dat een vaste post voor mogelijk langere tijd in de begroting. Het risico hiermee te maken te krijgen is aanwezig. Analyse van deze bedragen voor de periode 2003 tot 2006 wijst echter uit dat slechts voor een zeer klein aantal besturen deze kosten meer dan 1% van hun rijksbekostiging bedragen.






Kosten FUWA PO/functiedifferentiatie:

In de CAO PO is de verplichting opgenomen, dat het functiehuis per 1-8-2008 moet zijn vastgesteld, met de mogelijkheid van waardering van functies op basis van het nieuwe FUWA-PO-systeem. Als relatief veel bestaande functies in belangrijke mate opnieuw worden gewaardeerd, zullen het behoud van bestaande en honorering van nieuwe rechten, leiden tot aanzienlijke extra kosten.






Kwaliteit personeel:

Deskundigheid/scholing/expertise/wet BIO/competenties.

Kwalitatief goed personeel is voldoende toegerust voor de gestelde taken. De kwaliteit kan worden verbeterd door gebruik te maken van een opleidingsplan.





Personeelsverloop en interim-vervulling

Onder ‘personeelsverloop’ vallen zowel het natuurlijke, binnen de afzonderlijke BRIN-nummers vallende, verloop, als dat op bestuursniveau.

In relatie met de arbeidsmarkt kan personeelsverloop leiden tot tijdelijk door interim personeel ingevulde vacatures.


D

Groep risico’s t.a.v. organisatie




Kwaliteit leiding Algemene directie

Onder ‘Algemene directie’ wordt verstaan het gehele bovenschoolse management (bestuurskantoor) waar het bestuursbeleid wordt ontwikkeld. Een niet (voldoende) voor haar taak toegeruste Algemene directie zal de over gehele organisatie zijn weerslag doen voelen.






Kwaliteit schoolleiding.

Hiervoor geldt hetzelfde als voor het voorgaande item, zij het specifiek voor de ‘eigen’ school.






Kwaliteit van de P&C–processen.

De volgende risico’s kunnen leiden tot ondoelmatige besteding van middelen.

Niet toereikend ingerichte en functionerende P&C-cyclus.

Onvoldoende kennis en toepassing van risicomanagement.

Onvoldoende kwaliteit van managementrapportages en – informatie.

Liquiditeitsbeleid en –beheer

Lage kwaliteit (intern of extern) administratiekantoor.

Kwaliteit uitputtingsoverzichten.






Beleidsplannen.

De volgende risico’s kunnen indirect leiden tot het niet behalen van strategische doelen.

Ontbreken van schriftelijk vastgelegde beleidsuitgangspunten

Onvoldoende vertaling van de beleidsuitgangspunten naar concrete doelen en resultaten (vastgelegd in jaarplan, begroting, budgetten, directiecontracten, e.d.).






Governance/ managementstatuut.

De huidige maatschappij vraagt om meer horizontale verantwoording van organisaties aan hun doelgroepen. Wanneer daarin onvoldoende wordt geïnvesteerd, kan dat gevolgen hebben voor de reputatie van de school. De risico’s liggen in het al dan niet aanwezig zijn van:

scheiding tussen toezicht en bestuur, code goed bestuur, managementstatuut, medezeggenschap.





Werking van de administratieve organisatie/interne controle (AO/IC).

Wanneer de bedrijfsvoering niet op orde is kan dat onnodige kosten met zich meebrengen. Voorbeelden daarvan zijn een niet beschreven of in de praktijk niet werkende AO/IC en bij inkopen geen gebruik maken van bestaande raamcontracten.



E

Groep risico’s t.a.v. huisvesting




Stand van zaken onderhoud.

Ten behoeve van het onderhoud dient, op basis van een actueel meerjarig onderhoudsplan (MOP), te worden zorg gedragen voor een substantieel adequate voorziening. In het verleden plaatsgevonden nalatigheden op dit gebied zullen extra druk leggen op de actuele en de toekomstige exploitatieresultaten.

Wanneer nalatigheden niet hebben geleid tot een extra positieve rentabiliteit waardoor voldoende reserve kon worden opgebouwd voor het weer op peil te brengen van de voorziening, zal dat gevolgen hebben voor de risicopositie.

Onvoldoende reservering kan bijvoorbeeld ook ontstaan, wanneer een gemeente bij verzelfstandiging van het openbaar onderwijs de nieuwe rechtspersoon geen daarbij passende voorziening heeft verstrekt. In dat geval is het zaak, die verantwoordelijkheid opnieuw bij de gemeente aan te kaarten.






Vandalisme.

Op dit terrein bestaat voor besturen weinig risico, omdat de verantwoordelijkheid voor de verzekering van goederen die met overheidsgeld zijn aangeschaft bij de gemeenten ligt.

Het schoolbestuur dient in principe wel zorg te dragen voor adequate verzekering van zaken die uit andere middelen zijn aangeschaft.





Onderhoudsintensiteit gebouwen/gemiddelde ouderdom en aard gebouw (Instandhouding dislocaties).

Hier is sprake van enig risico, voortvloeiend uit de spreiding over meerdere locaties. Voor de begroting is dat meestal een gegeven. Instandhouding van dislocaties is meestal het gevolg van gemeentelijk beleid.

Oudere gebouwen kunnen onverwachte gebreken gaan vertonen. De aard van het gebouw kan ook voor verrassingen zorgen; een monument bijvoorbeeld zal niet altijd eenvoudig kunnen worden aangepast aan de eisen van de tijd.





Lage bezettingsgraad van schoolgebouwen.

Aangezien de onderhoudsvergoeding samenhangt met een aantal vierkante meters per leerling zal deze afnemen in geval van een leerlingaantallendaling.

Grote verschillen tussen het aantal vergoede en feitelijke vierkante meters zullen problemen opleveren.





(Buiten)onderhoud gebouwen.

Over het algemeen zullen gemeenten verantwoordelijk zijn voor het buitenonderhoud van de door de scholen bezette gebouwen. Decentralisatie daarvan wordt slechts in enkele gevallen, op eigen verzoek van besturen, toegestaan. Algehele overdracht van de huisvestingsverantwoordelijkheden van gemeente naar schoolbestuur zal nog wel enige tijd op zich laten wachten. Op dit terrein liggen voorlopig dus geen echte risico’s.

Wanneer een bestuur naar aanleiding van een meningsverschil met een gemeente over de noodzakelijkheid van onderhoud besluit de financiering daarvan op zich te nemen, zal hij voor die actie zelf de verantwoordelijkheid dragen.


F

Groep risico’s t.a.v. inventaris, apparatuur en OLP




Gemiddelde ouderdom.

De staat van aanwezige outillage en inventaris kan door uitstel van vervanging of intensief gebruik in slechte toestand verkeren. De laatste omstandigheid vertegenwoordigt een risico waar geen bekostigingsmiddelen tegenover staan.






Toekomstige investeringen:

Vervanging van bestaande inventaris door modernere middelen die voldoen aan de tijdseisen kan duurder uitpakken dan voorzien.






Bij normering achterblijvende bekostiging (Londo).

Als gevolg van politieke prioriteitstelling kan het voorkomen dat de bekostiging achterblijft bij de normering, hetgeen zal leiden tot beperktere budgetruimte. De omvang van dit risico wordt vooralsnog als gering ingeschat.




1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina