Kennis is gezondheid



Dovnload 115.43 Kb.
Pagina1/2
Datum27.09.2016
Grootte115.43 Kb.
  1   2
Kennis is gezondheid

Een literatuurstudie naar de invloed van opleiding en intelligentie op gezondheid.

Door: Olaf Verbeek

Begeleider: Hans van Kippersluis

Erasmus School of Economics

Inleiding

In het CSDH 2008 geeft de World Health Organization (WHO) aan het terugdringen van ongelijkheden in gezondheid tussen verschillende sociale klassen als een ethische verplichting te zien. Gezondheid, met name volksgezondheid, is ook een actueel onderwerp in de Nederlandse politiek. Met het oog op de vergrijzing en de daarmee gepaard gaande stijgende uitgaven voor de gezondheidszorg, zal de gezondheidszorg naar verwachting ook in de toekomst hoog op de politieke agenda blijven staan. Vergrijzing is echter niet de enige oorzaak voor de stijgende zorgkosten. De zorgconsumptie per persoon neemt in het algemeen toe.1

Het is duidelijk dat er een oplossing gezocht moet worden om de almaar stijgende zorguitgaven in te dammen. Het is mijn doel in deze scriptie om helder te krijgen waar de Nederlandse overheid haar pijlen op zou kunnen richten om dit te realiseren. In de CPB Policy Brief 2011/11 benadrukt het CPB dat zorg waardevol is omdat het bijdraagt aan een goede gezondheid en kwaliteit van leven. Nu is de vraag of de overheid zich wel op de zorg moet richten om deze doelen te realiseren. Het is logisch om aan te nemen dat zorg pas gevraagd wordt op het moment dat gezondheid en kwaliteit van leven afnemen. Zorg wordt in die optiek dan ook niet gezien als een oorzaak van een goede gezondheid en kwaliteit van leven, maar als gevolg van het afnemen van gezondheid en kwaliteit van leven. Zou de overheid gezondheid en kwaliteit van leven willen verbeteren dan moet zij zich niet richten op de zorg maar op andere factoren; op het voorkomen van de zorgvraag. Deze conclusie is niet zonder meer uit de lucht gegrepen maar gebaseerd op vele onderzoeken die ik in mijn scriptie zal behandelen. Als de zorgkosten zelf niet verlaagd worden, moet de overheid maatregelen nemen om de vraag naar zorg te beperken. Het is echter niet onomstreden waar de overheid haar aandacht en vooral ook haar geld dan wel in zou moeten investeren.
Door economen wordt al decennialang onderzoek gedaan naar wat nu bepalend is voor het welbevinden van een mens. Als een mens gezond is en zich goed voelt, zal hij geen zorg nodig hebben. Het welbevinden van de Nederlandse bevolking zal dus moeten stijgen om de zorgkosten te laten dalen. In een uitgave van het WHO Regional Office for Europe (Wilkinson et al. 2003) wordt een aantal factoren besproken die invloed hebben op gezondheid en levensverwachting. Voor ieder van deze – sociale – factoren worden de beleidsimplicaties op een rijtje gezet. Veel van deze implicaties zijn te herleiden tot opleiding. Landen zouden er goed aan doen zich te richten op (het verbeteren van) het opleidingsniveau om de volksgezondheid te verbeteren en gezondheidsongelijkheid terug te dringen. Dit blijkt duidelijk uit het werk van Auster et al. uit 1969, wat ik verderop nog uitvoeriger zal bespreken. Uit hun onderzoek komt naar voren dat de invloed van uitgaven aan opleiding op sterfte dubbel zo groot is als de invloed van uitgaven aan medische voorzieningen op sterfte. Al met al de moeite waard om deze relatie ook eens onder de loep te nemen.

Mijn scriptie zal uit verschillende delen bestaan. In het eerste deel zal ik bekijken wat nu precies de relatie is tussen opleiding en gezondheid. Daarbij zal ik de literatuur rondom dit onderwerp uitwerken en kritische kanttekeningen plaatsen. Het tweede deel zal gaan over de relatie tussen intelligentie en gezondheid. Deze relatie is, in tegenstelling tot de relatie tussen opleiding en gezondheid, nog vrij onzeker. Mocht zij echter bestaan dan zet zij de relatie tussen opleiding en gezondheid op zeer losse schroeven.





Figuur Bron: CBS 2011

Aard en bestaan van het verband tussen opleiding en gezondheid

Het behoeft weinig betoog dat er een verband bestaat tussen opleiding en gezondheid. De data in figuur 1 spreken voor zich. Veel onderzoekers hebben zich reeds bezig gehouden met de vraag wat dit verband nu precies inhoudt. Dat is ook de vraag waarop ik me zal richten in mijn scriptie. Krijgen lager opgeleiden nu meer te maken met gezondheidsproblemen dan hoger opgeleiden? Of is het andersom: leiden gezondheidsproblemen tot een lager opleidingsniveau? Als het onderzoek zich kon beperken tot het bepalen van de richting van de causale relatie dan was het nog relatief eenvoudig. Het is echter ook nog zo dat het causale verband niet onbetwist vaststaat. Variabelen als sociale klasse en intelligentie kunnen een effect hebben op zowel opleiding als gezondheid, waarmee er geen direct causaal verband bestaat tussen opleiding en gezondheid, maar een vals verband – spurious correlation. Dat het relevant is om de exacte relatie tussen opleiding en gezondheid vast te stellen lijdt geen twijfel. Ik zal de ontwikkeling van de discussie rondom de relatie tussen opleiding en gezondheid chronologisch weergeven, om ten slotte te kunnen bepalen waar we met betrekking tot deze discussie in 2011 zijn aangeland. Op basis daarvan wil ik vervolgens (voorzichtig) conclusies trekken ten aanzien van het beleid wat de Nederlandse overheid op basis daarvan zou moeten voeren om een zo groot mogelijk effect te sorteren op de volksgezondheid.



Jaren 1960

Dat er een positieve relatie – laten we het vooralsnog geen (causaal) verband noemen – bestaat tussen opleiding en gezondheid is niet nieuw. Reeds in de zestiger jaren van de vorige eeuw hebben onder andere Stockwell (1963), Fuchs (1965), Hinkle et al. (1968) Kitagawa en Hauser (1968), Auster, Leveson en Sarachek (1969) de correlatie tussen opleiding en gezondheid opgemerkt en bestudeerd. In 1972 en 1976 heeft vervolgens Grossman baanbrekend werk gedaan door deze relatie te bestuderen en een methode te ontwikkelen om de relatie tussen opleiding en gezondheid te verklaren. Ik zal het werk van Grossman, waar een groot deel van de hedendaagse literatuur rondom dit onderwerp op gebaseerd is, verderop nader toelichten. Vooraf ga ik kort in op de een van de studies uit de jaren ’60 die heeft geleid tot het werk van Grossman, namelijk het onderzoek van Auster et al. (1969).

In hun werk uit 1969 gaan Auster, Leveson en Sarachek in op de vraag wat de bijdrage is van andere dan medische factoren aan de volksgezondheid. Hun bevindingen zijn opzienbarend te noemen. De invloed van een stijging van de hoeveelheid beschikbare medische diensten op sterfte blijkt minder groot dan de invloed van opleiding, respectievelijk -0,1 % en -0,2% per procent verandering in zorguitgaven en uitgaven aan opleiding. Het effect van opleiding op sterfte blijkt dubbel zo groot als het effect van zorguitgaven op sterfte. Daarbij komt dat niet alleen een lager sterftecijfer voortvloeit uit meer zorguitgaven of meer opleiding, maar dat ook de uitgaven aan gezondheidszorg en psychische zorg daardoor zouden kunnen dalen. Het onderzoek van Auster et al. is echter te algemeen van opzet om dit te kunnen vaststellen. Welk soort opleiding een gunstig effect heeft op de volksgezondheid is de onderzoekers nog een raadsel. Gaat het hier om opleiding in het algemeen of specifiek om gezondheidsopleiding met betrekking tot bijvoorbeeld hygiëne? De precieze oorzaak is ook nog onduidelijk. Hogeropgeleiden zouden meer preventieve zorg kunnen gebruiken, zorg in een vroeger stadium van een ziekte in kunnen roepen, zich strikter aan voorgeschreven medicijngebruik houden of frequenter zorg gebruiken.

Jaren 1970

Grossman heeft twee doelen gehad met zijn studie uit 1976. Ten eerste wilde hij een methode ontwikkelen voor het bestuderen van verklaringen van de correlatie tussen opleiding en gezondheid. Het model wat hij vervolgens ontwikkeld heeft (wat zijn oorsprong heeft in zijn werk uit 1972) zal ik verderop bespreken. In de tweede plaats heeft hij door de verschillende mogelijke verklaringen empirisch te testen de meest plausibele verklaringen voor het verband tussen opleiding en gezondheid overgehouden. Wat hij overhield zijn drie mogelijke verklaringen die in de wetenschap tot op de dag van vandaag aangedragen worden als de drie mogelijke verklaringen voor de relatie tussen opleiding en gezondheid (zie onder andere (Cutler et al 2006), (Conti et al 2010)).



Model

Het belangrijkste wat we hebben overgehouden aan het werk van Grossman (Grosman 1972a, 1972b) is het model wat hij ontwikkeld heeft. Dit model wordt tot op de dag van vandaag gebruikt. Becker (Becker (1960, 1965, 1991, 1996), Becker and Lewis (1973), Becker and Murphy (1988), Becker and Mulligan (1997)) is volgens Grossman (2000) de pionier geweest als het gaat om onderzoek naar de effecten van opleiding op zogenaamde nonmarket outcomes – zoals gezondheid. Allereerst introduceerde Becker de idee dat de consument bepaalde basisbehoeften – Becker noemt dit commodities (basisbehoeften) – produceert in de non-marktsector waarbij hij gebruik maakt van producten en diensten uit de marktsector en zijn eigen tijd. Becker acht het waarschijnlijk dat opleiding een factor is die de efficiëntie van dit productieproces verhoogt. Het zou daarmee ook de absolute en relatieve marginale kosten – of schaduwprijzen – van basisbehoeften en reëel inkomen kunnen beïnvloeden. In zijn latere werk ging Becker standaard economische rationele gedragsmodellen gebruiken om gedrag met betrekking tot bijvoorbeeld tijdsvoorkeur en verslaving te benaderen. Deze theorie van Becker (1965) over de allocatie van tijd dient als uitgangspunt voor vele benaderingen die ervan uitgaan dat een stijging in het kenniskapitaal de efficiency in de non-marktsector verbetert. Ook Grossman heeft zich hevig laten inspireren door Becker.

In zijn paper uit 1976 werkt Grossman zijn model verder uit. In zijn model ziet hij ieder individu zowel als producent als consument van gezondheid. Ieder individu heeft een voorraad gezondheid die met de tijd afneemt als er geen investeringen in gedaan worden. Grossman behandeld gezondheid daarmee als een soort kapitaal. Per definitie is volgens dit model de netto-investering in de voorraad gezondheid is gelijk aan de bruto-investering in gezondheid minus de depreciatie:

,

waarin de voorraad gezondheid is op tijdstip t, de bruto-investering in gezondheid en de depreciatiefactor. De bruto-investering in gezondheid bestaat onder andere uit de tijdsbesteding van het individu, gezondheidszorg, een goed dieet en de woon- en leefomstandigheden. In het model bestaat de vraag naar gezondheid van consumenten uit twee componenten. In de eerste plaats is daar de vraag naar zorg als consumptie-eenheid die de nutsfunctie beïnvloed. Ziekte is daarmee een bron van negatief nut. Daarnaast vragen consumenten gezondheid als investeringseenheid. Gezondheid levert hen namelijk ‘gezonde tijd’ op, waardoor ze kunnen werken in de marktsector van de economie of in het huishouden, wat respectievelijk geld of nut oplevert. De opbrengst van deze investering bestaat zoals gezegd uit de monetaire waarde van de reductie in verloren (of ‘ongezonde’) tijd; reductie van tijd waarin niet gewerkt kan worden vanwege ziekte. Het maximale aantal uren gezonde tijd wat per jaar bereikt kan worden is 8760 uren – 365 dagen maal 24 uren. Dit leidt tot een productiefunctie voor ‘gezonde tijd’:



,

waarin gezonde tijd is en B en C positieve constanten zijn. Het marginaal product kan dan bepaald worden aan de hand van de volgende functie:



,

In het investeringsmodel wordt de consumptie van gezondheid buiten beschouwing gelaten. Het marginaal nut van gezonde tijd en het marginaal negatief nut van ongezonde tijd zijn dan gelijk aan nul. In dit investeringsmodel wordt de voorraad gezondheid in de evenwichtssituatie, bij constante marginale kosten van bruto-investeringen in gezondheid, bepaald door de marginale monetaire opbrengst van gezondheidskapitaal gelijk te stellen aan de alternatieve kosten van dit kapitaal. Met andere woorden: de opbrengst van investering in gezondheid wordt afgewogen tegen het alternatief – bijvoorbeeld een uur werken. Zolang investeren in gezondheid meer oplevert dan een uur werken blijf je investeren, net zo lang tot een uur werken meer oplevert dan investeren in gezondheid. In formulevorm ziet dat er als volgt uit:



,

waarin het loon per uur is en de marginale kosten voor bruto-investeringen in gezondheid. Het evenwicht is te vinden aan de hand van de volgende formule:



,

waarin het interestpercentage is en geeft de factor weer waarmee het continu berekende percentage van de marginale kosten met de leeftijd verandert. Deze vergelijking gaat ervan uit dat de bruto-investering in gezondheid altijd positief is. Hierbij zij echter opgemerkt dat de marktprijs voor gezondheidszorg in het algemeen hoger is dan de prijs die de consument betaald. De prijs die de consument betaald wordt namelijk – voor een deel – vergoed door de zorgverzekering. Hiermee dient rekening gehouden te worden bij bijvoorbeeld beleidsveranderingen op het gebied van zorg en zorgverzekeringen.

De voorgaande vergelijkingen leiden tot de vraagcurve voor gezondheid van de volgende vorm:

,

waarin staat voor de elasticiteit van vraagcurve. Vervolgens weet Grossman door aannames over de aard van de functie van de depreciatie rato en de functie van de marginale kosten van de bruto-investeringen deze functie te herleiden tot:



,

waarin de continu berekende rato weergeeft waarmee de depreciatierato stijgt met het ouder worden en de rato van depreciatie in een willekeurige beginperiode. Grossman vertaalt dan de productiefunctie van de bruto-investeringen naar een Cobb-Douglas functie en creëert daarmee een marginale kostenfunctie:



.

is hierin een marktgoed of een bundel van marktgoederen die gebruikt worden voor de productie van bruto-investeringen in gezondheid, staat voor de input van de eigen tijd van de consument en staat voor de voorraad kennis. staat voor de elasticiteit van of het aandeel van in de totale kosten van de bruto-investeringen, is dan de outputelasticiteit van en het percentage verbetering van de non-markt productiviteit wat toe te rekenen is aan menselijk kapitaal.

Hoewel het volgens Grossman tamelijk vanzelfsprekend is om medische zorg onder te scharen concluderen onder andere Auster et al. (1969), maar ook Grossman zelf (1972b), dat dit slechts een zeer marginale invloed heeft op gezondheid. Samenvoegen van de drie voorgaande vergelijkingen levert de volgende vraagcurve voor gezondheidskapitaal:



,

waarin de prijs is van . Hoewel het subscript in verwijst naar tijd, verschilt zowel per individu als gedurende de levensloop van een individu. Grossman geeft zelf ook al aan (Grossman 1976) dat de vorm van deze vergelijking niet zozeer het gemak dient, maar opgelegd is door het model. Uit de vergelijking blijkt dat de gevraagde hoeveelheid gezondheidskapitaal positief verband houdt met het uurloon en de voorraad gezondheidskapitaal en daarentegen negatief gecorreleerd is aan de prijs van , de leeftijd en de depreciatiefactor in de beginperiode.

Dit is de basis die Grossman gelegd heeft. Uit het werk van Grossman komt naar voren dat opleiding een direct effect op gezondheid zou hebben. Dit verband wordt gelegd via de productive en allocative efficiency. Dit wordt wel gezien als de belangrijkste bijdrage van Grossman. Hier zal ik verder echter niet op in gaan omdat dit voorbij gaat aan het doel van deze scriptie; namelijk een overzicht van de literatuur bieden.

Productive efficiency

Het model wat Grossman (1972a, 1972b) heeft ontwikkeld is redelijk complex. Grossman geeft in zijn handboek (2000) een vereenvoudigde versie van het model om de invloed van opleiding op gezondheid via productive effiency te verklaren. Tijd ziet Grossman daarin als een positieve functie van gezondheid omdat een stijging van de gezondheid lijdt tot een stijging van de beschikbare tijd. Er wordt immers minder tijd verloren aan ziekte en verwondingen. Gezondheid wordt, zoals we net ook al zagen, geproduceerd door middel van medische zorg en eigen tijd van de consument. Een toename van opleiding laat het marginaal product van medische zorg en eigen tijd toenemen. Onder condities (Grossman 1972a, 1972b, 2000) leidt een toename van opleiding tot een stijging van gezondheid en een daling van de vraag naar medische zorg.



Allocative efficiency

Er zijn diverse wetenschappers die de theorie van productive efficiency niet nauwkeurig genoeg vinden (Deaton 2002), (Rosenzweig en Schultz 1982) . In plaats daarvan is de theorie van allocative efficiency ontwikkeld. Deze theorie houdt in dat voor het produceren van eenzelfde commodity hoger opgeleiden andere inputs kiezen dan lager opgeleiden. De input die hoger opgeleiden kiezen leveren een hogere output op dan input die de lager opgeleiden kiezen. Opleiding kan volgens deze theorie geen invloed hebben op gezondheid als de input niet gewijzigd wordt. Met andere woorden: opleiding kan slechts invloed hebben op gezondheid via een wijziging van de input; oftewel een wijziging van de productiefactoren van gezondheid. Theoretische onderbouwing voor deze theorie is te vinden bij Rosenzweig en Schultz (1982, 1989), Kenkel (1991, 2000), Rosenzweig (1995), Meara (1999, 2001), Goldman en Lakdawalla (2002) Goldman en Smith (2002), Lleras-Muney en Lichtenberg (2002), Glied en Lleras-Muney (2003), en de Walque (2004, 2005).



21e eeuw

Vanuit begin jaren 1970 stappen we nu ineens over naar de 21e eeuw. Niet dat het onderzoek in de tussentijd stilgestaan heeft, maar omdat het te ver voert om daadwerkelijk alle onderzoeken te bespreken. Waar noodzakelijk zal ik echter verwijzen naar relevante literatuur en onderzoek uit de periode tussen Grossman en heden. Nu Grossman de basis heeft gelegd zullen we bezien wat de wetenschap daar in de loop der tijd aan heeft weten toe te voegen.

Teneinde de factor te ontdekken die de verschillen in gezondheid tussen verschillen socio-economische lagen van de bevolking veroorzaakt – en deze verschillen daarmee mogelijk te reduceren – wordt steeds meer aandacht gevraagd voor andere factoren dan bijvoorbeeld het verbeteren van de dekkingsgraad van zorgverzekeringen en toegang tot gezondheidszorg. De zogenaamde social determinants of health (sociale factoren) winnen met name aan belangstelling. Conti, Heckman en Urzua (Conti et al. 2010) hebben de vroegtijdige oorzaken onderzocht waaruit verminderde ongelijkheid in een van die sociale factoren, namelijk gezondheid, door opleiding voortkomt. Het is onderdeel van aan een groeiend aantal bijdragen dat het verband tussen factoren in de jeugd die invloed hebben op de gezondheidssituatie bij volwassenheid onderzoekt.

Verschillen in cognitieve en non-cognitieve vaardigheden tussen kinderen van verschillende socio-economische klasse ontstaan reeds op jonge leeftijd (Cunha, Heckman, Lochner, Masterov 2006), evenals verschillen in gezondheid (Case, Lubotsky, Paxson 2002). Deze verschillende spelen een rol bij het verklaren van diverse uitkomsten bij volwassenheid (Conti et al. 2010). Conti et al. gebruiken een methode waarbij ze de invloed van opleiding op gezondheid splitsen in een causaal effect van opleiding op gezondheid en het effect van eigenschappen die men reeds in de vroege jeugd bezit. Zij stellen dat, indien men geen rekening houdt met persoonlijke kenmerken, de invloed van cognitieve vaardigheden op verschillen in gezondheid wordt overschat. Dit blijkt wel uit het resultaat van de studie: meer dan de helft van de waargenomen verschillen in slechte gezondheid, depressie en overgewicht naar opleidingsniveau wordt verklaard door factoren uit de vroege jeugd. Het causale effect van opleiding heeft op haar beurt meer verklarende kracht als het gaat om ongezond gedrag als roken.

Opmerkelijk is echter dat Conti et al. verschillen vinden in de invloed van opleiding op gezondheid als het gaat om geslacht. Ook komen zij tot de ontdekking dat de invloed van opleiding op gezondheid verschilt tussen onderzoekssubjecten met dezelfde karakteristieken. Dit heeft Conti et al, ertoe gebracht om het effect van opleiding op gezondheid vanuit het individu te benaderen. Dit in afwijking van de normale gang van zaken, waarbij het gemiddelde effect van opleiding op gezondheid wordt genomen op basis waarvan een verdeling gemaakt wordt. De wijze van analyse die Conti et al. Hanteren brengt de belangrijke invloed van factoren uit de jeugdjaren op het bevorderen van gezondheid aan het licht. Dit verklaart ook waarom de invloed van opleiding op gezondheid bij onderzoekssubjecten met dezelfde kenmerken niet gelijk is.

De methode die Conti et al. gebruiken onderscheidt, zoals eerder aangegeven, het causaal verband tussen opleiding en gezondheid van factoren in de vroege jeugd die de gezondheid op latere leeftijd beïnvloeden. Conti et al. maken daarbij gebruik van data uit de British Cohort Study (BCS70). Daarin zijn enkele factoren uit de jeugd gemeten. Daarbij hebben ze enkele schattingen gemaakt voor cognitieve vaardigheden, persoonlijkheid en gezondheid in de vroege jeugd. Door te corrigeren voor zowel de gemeten als de geschatte gegevens blijft het causale verband over.

Janet Currie (Currie 2009) heeft een vergelijkbaar onderzoek gedaan en vindt een verband tussen gezondheid vroeg in de jeugd en opleiding. Zij komt dus tot de conclusie dat het causaal verband van gezondheid naar opleiding loopt. Wat Conti et al. vinden bevestigt de resultaten uit het onderzoek van Curie slechts ten dele. Zij vinden geen of ten beste een zwak verband tussen gezondheid in de jeugd en opleiding. Wel vinden ook Conti et al. dat gezondheid in de jeugd bepaalde statistisch significante directe gevolgen heeft op volwassen leeftijd. Non-cognitieve factoren spelen een belangrijke rol in het voorspellen van gezond gedrag. Rekening houden met non-cognitieve factoren verzwakt echter wel de verklarende kracht van cognitieve factoren. Cognitieve factoren blijven evenwel een belangrijke bepalende factor voor opleiding en de positie op de arbeidsmarkt van een individu.

Opleiding op haar beurt heeft een sterk causaal effect op gedrag. Een positief effect op gezond gedrag, en een negatief effect op ongezond gedrag (Conti et al. 2010). Zoals hiervoor reeds aangegeven gaan Conti et al. dieper in op de achtergrond van hun bevindingen. Waar de traditionele literatuur slechts geïnteresseerd is in de verdeling van een causaal verband, of een bepaald gemiddelde, onderzoeken Conti et al. wat er achter een gemiddeld causaal verband van nul zit. Ze vinden substantiële heterogeniteit in hun onderzoeksdata. In het geval van rokende vrouwen bijvoorbeeld, is het aandeel vrouwen wat stopt met roken veel groter dan het aantal vrouwen dat begint met roken. Het gemiddelde is daarmee negatief voor roken. In het geval van overgewicht is er een statistisch gezien insignificant causaal verband tussen opleiding en overgewicht. Dit houdt in dat het aandeel vrouwen waarbij wel een causaal verband tussen opleiding en overgewicht is gelijk is aan het aandeel vrouwen waarbij dit niet zo is.

Cutler et al. komen op basis van hun onderzoek (Cutler et al. 2006) tot de conclusie dat de omvang van het verband tussen opleiding en gezondheid in het algemeen groot is. Zo hebben zij bekeken of een onderzoekssubject binnen een tijdsbestek van vijf jaar na het onderzoek is komen te overlijden. Vier jaar extra opleiding blijkt die mogelijkheid met 1,8 procentpunt te reduceren. Het risico op hartziekten wordt door de extra opleiding 2,16 procentpunt naar beneden te brengen en het risico op diabetes met 1,3 procentpunt. De gezondheidservaring daarentegen stijgt door het genieten van vier jaar additionele opleiding. De waarschijnlijkheid dat een onderzoekssubject zijn gezondheid als redelijk tot slecht ervaart neemt met 6 procentpunt af en het aantal dagen dat een onderzoekssubject zich ziek meldt wordt teruggebracht van 5,15 tot 2,3 dagen per jaar. In tegenstelling tot het onderzoek van Conti et al. (2010) vinden Cutler et al. geen overduidelijke verschillen in de uitkomst afhankelijk van geslacht.

Er zijn meerdere oorzaken aan te wijzen die het gevonden verband tussen opleiding en gezondheid kunnen verklaren. Een van die oorzaken is volgens Cutler et al. een verschil in gedrag wat samenhangt met een verschil in opleidingsniveau. Opleiding beïnvloedt in die optiek het gedrag van een individu dat vervolgens bepalend is voor de gezondheid van een individu.

De resultaten van het onderzoek van Cutler et al. wijzen uit dat er een zeer sterk positief verband bestaat tussen opleidingsniveau en gezond gedrag. Zo doen zij die vier jaar of meer opleiding hebben genoten 7 procentpunt meer aan fitness en preventieve zorg, laten zich tien procentpunt meer inenten, laten 10 procentpunt meer een uitstrijkje maken en 2,4 procentpunt meer een colonoscopie doen.

Tevens mijden onderzoekssubjecten die vier jaar of meer opleiding gevolgd hebben ongezond gedrag in hogere mate dan de onderzoekssubjecten die geen of minder dan vier jaar opleiding hebben gevolgd. Zo is het voor eerstgenoemde groep 11 procentpunt minder waarschijnlijk dat zij roken, drinkt zij per jaar 7 dagen minder 5 of meer drankjes, is het 5 procentpunt minder waarschijnlijk dat een onderzoekssubject overgewicht heeft en is het 0,6 procentpunt minder waarschijnlijk dat zij illegale drugs gebruikt. Hoger opgeleiden blijken relatief meer te experimenteren met illegale drugs, maar geven het ook eerder op.

Bij onderzoekssubjecten die een chronische aandoening als diabetes hebben blijken de hoger opgeleiden hun toestand beter onder controle te hebben dan zij die geen hogere opleiding hebben genoten. Daarnaast is het 12 procentpunt waarschijnlijker dat een hoger opgeleide altijd een autogordel draagt dan een lager opgeleide, 10,8 procentpunt waarschijnlijker dat hij een rookmelder in zijn huis heeft en 2,6 procentpunt waarschijnlijker dat hij zijn huis getest heeft op radon. Al deze gedragseffecten zijn erg groot.

Voordat we nu tot de conclusie komen dat de Nederlandse overheid haar onderdanen moet verplichten rookmelders te installeren, een fitnessabonnement te nemen en jaarlijks een colonoscopie uit te voeren om de volksgezondheid te verbeteren wil ik enige nuance aanbrengen. Hoewel deze gedragseffecten bijzonder groot zijn, verklaren ze weliswaar een deel, maar kunnen ze niet volledig het verschil in gezondheid tussen de verschillende socio-economische groepen verklaren. In het beroemde Whitehall-onderzoek (Marmot 1994) onder Britse ambtenaren wordt duidelijk dat het verschil in gezondheid tussen hogere en lagere ambtenaren slechts voor een derde door ongezond gedrag wordt verklaard. Hoewel dit niet over de invloed van opleiding op gezondheid gaat wordt dit wel bevestigd in onderzoeken die wel gericht zijn op deze relatie, bijvoorbeeld in het National Health Interview Survey (NHIS) in de VS. in laatstgenoemd onderzoek nam het effect van opleiding op gezondheid met 30 procent af toen gecorrigeerd werd voor (on)gezond gedrag. Er moeten dus factoren zijn, andere dan gedrag, die het verschil in gezondheid tussen groepen van verschillende opleidingsniveaus kunnen verklaren.



Heterogeniteit

Een belangrijke vraag die we ons moeten stellen bij het onderzoeken van het verband tussen opleiding en gezondheid is of de opbrengsten voor ieder jaar extra opleiding gelijk zijn. Dit ongeacht het startniveau of het aantal jaren dat reeds een opleiding gevolg is. Cutler et al. (2006) voegen voor dat doel dummyvariabelen als verklarende variabelen toe aan hun model. Dit om de vorm van het verband tussen opleiding en gezondheid te kunnen achterhalen. Hoewel ze voor sommigen categorieën in hun model erg weinig variabelen hebben komen Cutler et al. tot de conclusie dat ook hogere opleiding (dus meer dan het afronden van de high school) ook zijn vruchten afwerpt.

Opmerkelijk is dat Cutler et al. niet voor iedere uitkomst een lineair verband tussen opleiding en gezondheid constateren. Als het bijvoorbeeld gaat om fysieke beperkingen, roken en overgewicht dan bestaat er een non-lineair verband tussen opleiding en genoemde factoren. Dit verband houdt in dat het effect van een jaar hogere opleiding een groter effect heeft op de gezondheid dan een jaar lagere opleiding. Cutler et al. constateren geen sheepskin effect; het behalen van een diploma heeft geen groter effect op gezondheid dan een additioneel jaar opleiding. Er wordt echter in de wetenschap wel een sheepskin effect waargenomen als het gaat om lonen (zie bijvoorbeeld Tyler et al. 2000). Onder voorbehoud van effecten die we vanwege hun geringe grootte niet accuraat kunnen meten, kunnen we volgens Cutler et al. het idee verwerpen dat de gezondheidsopbrengsten als gevolg van opleiding, veroorzaakt worden door de extra opbrengsten op de arbeidsmarkt die verkregen worden door opleiding. Onderwijsbeleid wat schoolgaan stimuleert zou daarmee dus effectief kunnen zijn in de zin dat het gezondheidsopbrengsten kan genereren.

Het verband tussen opleiding en gezondheid blijkt ook afhankelijk te zijn van de leeftijd van het onderzoekssubject. Het effect blijkt significant te verschillen voor personen van verschillende leeftijd. Voor sommige – voornamelijk gedragsgerelateerde – factoren neemt het verband continu af met de leeftijd. Voor andere factoren geldt dat het verband stijgend is tot de middelbare leeftijd om vervolgens af te nemen. In alle gevallen vinden Cutler et al. dat het verband tussen opleiding en gezondheid ergens tussen het vijftigste en zestigste levensjaar begint af te nemen. Andere studies (waaronder Elo en Preston 1996) vinden ook op latere leeftijd nog een – zij het kleiner – verband tussen opleiding en gezondheid. Weer andere onderzoeken tonen aan dat ook het verband tussen opleiding en gezondheid wat wordt toegeschreven aan inkomen na de middelbare leeftijd afneemt (Smith 2005), maar dit blijkt niet consistent te zijn (Wolfson 1993).

Een deel van de afname van de invloed van opleiding op gezondheid moet volgens Lynch (2003) zeker worden toegeschreven aan het feit dat vooral de hoger opgeleiden oud worden. Ook zijn er misschien cohort effecten: opleiding is voor jongere onderzoekscohorten belangrijker dan voor oudere onderzoekscohorten. Ook kan het zo zijn dat opleiding simpelweg minder belangrijk wordt naarmate iemand ouder wordt en van zijn pensioen gaat genieten. Het is moeilijk om deze effecten te scheiden (Cutler et al. 2006).

Ook Cutler et al. (2006) signaleren belangrijke verschillen in het verband tussen opleiding en gezondheid als zij letten op het geslacht van onderzoekssubjecten. In sommige gevallen (bijvoorbeeld als het gaat om depressie en overgewicht) heeft opleiding een sterkere invloed op gezondheid voor vrouwen, in andere gevallen (bijvoorbeeld sterfte en overmatig drankgebruik) heeft opleiding een sterkere invloed op gezondheid voor mannen. Of deze verschillen zijn toe te schrijven aan een biologische oorzaak of dat de oorzaak meer in gedragsverschillen gezocht moet worden is onbekend (Cutler et al. 2006).

De resultaten zijn moeilijker te interpreteren als het gaat om het effect van opleiding op gezondheid als het gaat om de hoogte van het gezinsinkomen. Dit komt doordat opleiding het inkomen beïnvloed en gezondheid eveneens bepalend is voor het inkomen. In de meeste gevallen, zo concluderen Cutler et al. (2006) heeft opleiding meer invloed op gezondheid voor onderzoekssubjecten met een hoger inkomen (boven $ 20.000) dan met een inkomen onder $ 20.000. Dit betekent dat inkomen en opleiding complementaire factoren zijn als het gaat om de productie van gezondheid. Opleiding stelt mensen dan in staat om kennis te nemen van bijvoorbeeld nieuwe behandelmethodes terwijl inkomen hen in staat stelt de behandeling te bekostigen. Interactie tussen opleiding en andere variabelen in het bepalen van gezondheid is dus van belang (Cutler et al. 2006).

Ontwikkeling in de tijd

Het verband tussen opleiding en gezondheid als gelet wordt op het sterftecijfer lijkt, zowel in de VS (Pappas et al. 1993) als in Europa (Mackenbach et al. 2003), (Kunst et al. 2002), toe te nemen door de jaren heen. Hoewel de levensverwachting in het algemeen toeneemt, is het verschil in levensverwachting tussen hoger opgeleiden en anderen alleen maar toegenomen. Zo onderzocht Goesling (2005) het verband tussen opleiding en zelfervaren gezondheid en komt daarbij tot de conclusie dat het verband vanaf 1982 alleen maar sterker geworden is. Het aantal gehandicapten is in dezelfde periode in de VS afgenomen, maar sterker afgenomen onder hoger opgeleiden dan onder de minder hoog opgeleiden (Schoeni et al. 2005). Ook het verschil in invloed van opleiding op bijvoorbeeld rookgedrag tussen groepen van de verschillende opleidingsniveaus is toegenomen (Surgeon General Report 1964), (Pamuk et al. 1998). Hoewel door de jaren heen onderwijsparticipatie enorm is toegenomen en daardoor wellicht een enigszins vertekend beeld is ontstaan, suggereren de onderzoeksresultaten dat de verschillen in gezondheid slechts kunnen toenemen (Cutler et al. 2006).



Spillover

Het is een feit van algemene bekendheid dat hoger opgeleide moeders gezondere kinderen krijgen, zowel in de VS als in ontwikkelingslanden (Meara 2001), (Currie en Moretti 2003); (Strauss en Thomas 1995). Hoger opgeleide moeders blijken minder kans te hebben kinderen te krijgen met een laag geboortegewicht en hun baby’s hebben minder kans te overlijden in hun eerste levensjaar. Dit effect blijft deze kinderen achtervolgen: de opleiding van de moeder blijkt de zelfervaren gezondheid op 42-jarige leeftijd te voorspellen (Case et al. 2005).

Dit effect blijkt ook andersom: hoger opgeleide kinderen hebben invloed op de gezondheid van de ouders. Uit een studie van Field (2005) blijkt dat het waarschijnlijker is dat ouders van hoger opgeleide kinderen zullen stoppen met roken dan ouders van lager opgeleide kinderen. Ook het hebben van een hoger opgeleide echtgenoot blijkt een positief effect te hebben op gezondheid. Zo komen onder andere Egeland (2002) en Bosma et al. (1995) tot de slotsom dat – zelfs als er gecontroleerd wordt voor de eigen opleiding – zij die getrouwd zijn met een hoger opgeleide echtgenoot lagere sterftecijfers hebben. Dit effect is echter niet universeel. (Suarez en Barrett-Connor 1984). Zij die een hoger opgeleide echtgenoot hebben blijken ook minder geneigd tot ongezond gedrag als roken en overmatig drankgebruik en blijken tevens in het algemeen gezonder te zijn (Monden 2003). Het is echter moeilijk te achterhalen of dit effect nu daadwerkelijk een causaal verband weergeeft of dat het voortkomt uit trouwen binnen dezelfde sociale klasse (Cutler et al. 2006).

Intelligentie of gezondheid?

Auld et al. (2005) vragen zich af welk deel van het verband tussen opleiding en gezondheid toegeschreven kan worden aan intelligentie. Evenals Cutler et al. (2006) komt ook Kenkel (1991) tot de conclusie dat het verband tussen hogere opleiding en gezondheid niet volledig toegeschreven kan worden aan gezond gedrag, waarmee het grootste deel van het verband onverklaard blijft. Lleras-Muney en Lichtenberg (2003) concluderen dat het waarschijnlijker is dat hoger opgeleiden gebruik maken van recent ontwikkelde medicijnen dan dat lager opgeleiden hiervan gebruik maken. Lakdawalla en Goldman (2001) komen tot de vergelijkbare conclusie dat ingewikkelde medische technologieën voor hoger opgeleiden waarschijnlijk disproportioneel meer voordeel leveren dan aan lager opgeleiden.

Als het verband tussen opleiding en gezondheid slechts ten dele kan worden toegeschreven aan gezond gedrag dan moet er dus een andere verklaring zijn voor het verband tussen opleiding en gezondheid. Een alternatieve verklaring die Auld et al. (2005) aandragen is dat het verband niet causaal is, maar dat een derde factor het positief verband tussen opleiding en gezondheid verklaard (zie figuur 4). Fuchs (1982) bijvoorbeeld voert in dat kader aan dat wanneer een individu een hogere verdisconteringsratio heeft, dit ertoe leidt dat hij zowel weinig investeert in opleiding als in gezondheid. Cognitieve vaardigheden zou een andere dergelijke factor kunnen zijn (Auld et al. 2005).

Het niet controleren voor cognitieve vaardigheden levert een vertekend beeld op van het verband tussen opleiding en gezondheid (Auld et al. 2005). Daarnaast is de invloed van cognitieve vaardigheden op de relatie tussen opleiding en gezondheid van direct belang omdat het de hypothese van Grossman (1972a) inhoudende dat het verband tussen opleiding en gezondheid bestaat omdat opleiding de efficiëntie waarmee gezondheid geproduceerd wordt verhoogt.



Intelligentie

In 1998 concludeerde Ian Deary op basis van data uit de Scottish Mental Survey dat mensen uit Aberdeen met een hoog IQ – gemeten in hun elfde levensjaar – een significant grotere kans hadden om de leeftijd van 76 jaar te bereiken dan inwoners van Aberdeen met een lager IQ (Deary 2008). Hij oogstte daarbij veel kritiek. Intelligentie blijkt sterfte evenals rookgedrag beter te voorspellen dan BMI–cijfers, cholesterolgehalte, bloeddruk of bloedsuikerspiegel (Batty et al. 2008). Wat de relatie echter precies is, is nog tamelijk onduidelijk. Diverse onderzoeken hebben een poging gewaagd dit vraagstuk te ontrafelen.

Er worden in de literatuur die de het verband tussen intelligentie en gezondheid bestudeerd grofweg vier mogelijkheden onderscheiden. Allereerst zou intelligentie in positieve relatie kunnen staan tot opleiding, wat leidt tot een baan in een gezonde werkomgeving, met een hogere levensverwachting tot gevolg. Een tweede mogelijkheid die wordt onderscheiden is dat intelligentie zou leiden tot gezonder gedrag en daarmee tot een hogere levensverwachting. De derde optie die in de literatuur terug te vinden is, is dat de IQ-score de weerslag is van voorgaande gebeurtenissen in het vroegste levensstadium. Niet de intelligentie op zich, maar de gebeurtenissen die ook de intelligentie bepalen zouden dan de levensverwachting beïnvloeden. Een vierde mogelijkheid die wel gesuggereerd wordt is dat een goede fysieke conditie samengaat met een goed cognitief apparaat. Met name deze laatste mogelijkheid is nog weinig uitgekristalliseerd en behoeft nader onderzoek (Deary 2008).

Intelligentie staat in een positieve relatie tot opleiding, met meer beroepsmogelijkheden tot gevolg. Hierdoor worden de keuzemogelijkheden voor een baan in een gezonde omgeving talrijker. Correctie voor opleiding en sociale klasse doet het verband tussen intelligentie en levensverwachting echter vrijwel verdwijnen (Batty et al. 2008). Leidt meer opleiding tot een hoger resultaat bij een IQ-test? Of leidt een hoger IQ tot een betere opleiding en daarmee tot een baan in een gezondere omgeving? Volgens Gottfredson (Gottfredson 2004) is intelligentie de onderliggende oorzaak voor de relatie tussen opleiding en gezondheid. De oorzaak voor gezondheidsdivergentie ligt volgens haar dus in het individu en niet in factoren buiten het individu als opleiding of sociale klasse.

Intelligentie is de beste individuele voorspeller van belangrijke socio-economische uitkomsten als bijvoorbeeld opleiding, inkomen, maar ook armoede (Gottfredson 2002). Gottfredson en Deary halen twee studies aan. In een studie van O’Toole en Stankov (1992) wordt IQ naast 56 andere variabelen gebruikt om overlijden op 40-jarige leeftijd te voorspellen onder ruim 2300 Australische veteranen. Terwijl gecontroleerd werd voor alle andere variabelen bleek ieder punt wat de IQ-score hoger was een procent daling van risico op overlijden op 40-jarige leeftijd te betekenen. IQ bleek daarmee de beste voorspeller van de belangrijkste doodsoorzaak, namelijk verkeersongelukken. In een onderzoek uit 1990 van O’Toole kwam dit ook al naar voren. Daar bleek het aantal dodelijke verkeersslachtoffers in de IQ-score range van 85 tot 100 te verdubbelen ten opzichte van de range van 100 tot 115. In de range van 80 tot 85 bleek het aantal dodelijke verkeersslachtoffers zelfs verdriedubbeld ten opzicht van de range 100 tot 115.

Het andere onderzoek wat Gottfredson en Deary aanhalen is een onderzoek op basis van het Scottish Mental Survey uit 1932 (SMS1932). In 1932 werd in Schotland alle kinderen, geboren in 1921, die op 1 juni naar school gingen een intelligentietest afgenomen. Op latere leeftijd zijn in diverse onderzoeken gegevens betreffende de gezondheid afgenomen onder de toenmalige participanten (Deary et al. 2004). Een van die onderzoeken vond in 2001 plaats door Whalley en Deary. Zij hebben de 2791 kinderen die in 1932 in Aberdeen woonden geïdentificeerd. Vervolgens hebben zij het ‘Register of Deaths’ nagezocht om er zodoende achter te komen of de – inmiddels volwassen – kinderen nog in leven waren. Mensen die niet gevonden konden worden, werden opgezocht in de ‘Scottish Community Health Index. Veel vrouwen bleken onvindbaar en daarom werd ook het Schotse Huwelijksregister nog nagezocht.

Uiteindelijk kon bijna 80 procent van de oorspronkelijke onderzoekssubjecten uit Aberdeen opgespoord worden. Het bleek dat IQ op elfjarige leeftijd een significante invloed heeft op overleven tot de leeftijd van 76. Een standaarddeviatie negatieve afwijking in IQ heeft tot gevolg dat het slechts 79 procent zo waarschijnlijk is dat een persoon de leeftijd van 76 jaar behaald. Het effect blijkt sterker voor vrouwen dan voor mannen. Dit is deels te verklaren doordat mannen met een gemiddeld relatief hoog IQ gesneuveld zijn in actieve dienst tijdens de tweede wereldoorlog.

Uit verdere analyse van deze data blijkt dat eenzelfde negatieve afwijking van een standaarddeviatie in IQ een stijging van 27 procent oplevert in het aantal mannen wat overlijdt aan kanker en een stijging van 40 procent van het aantal vrouwen wat overlijdt aan kanker (Deary et al. 2003). Dit is een opmerkelijke bevinding. Onder andere Cutler et al. (2010) vinden namelijk day het tegenovergestelde geldt voor kanker als wat geldt voor andere ziektes. Waar voor andere aandoeningen geld dat zij negatief in verband staan met opleiding, vinden zij een positief verband tussen kanker en opleiding. Dit heeft volgens Cutler et al. een aantal mogelijke oorzaken. De eerste mogelijkheid is dat de hoger opgeleiden meer onderzoek laten doen en daarom ook eerder een aandoening als kanker zullen detecteren. Het kan ook zo zijn dat hoger opgeleiden meer kans hebben om kanker te overleven. Een derde mogelijke verklaring voor het hoge aantal kankerpatiënten onder hoger opgeleiden is dat zij lang genoeg leven om aan kanker te overlijden, in tegenstelling tot lager opgeleiden die reeds overlijden voordat kanker geconstateerd kan worden. Wellicht dat dit verschil te wijten is aan de soort kanker die in het onderzoek is betrokken. Gottfredson en Deary geven namelijk expliciet aan dat het effect zich het meest duidelijk voordeed bij maagkanker en longkanker. Deze beide soorten worden in het bijzonder geassocieerd met een lage sociaaleconomische status in de jeugd Gottfredson en Deary 2004).

In de ‘Midspanstudies’ die begin jaren 1970 werden uitgevoerd – en nog steeds worden uitgevoerd – werden onderzoekssubjecten getest op onder andere hart- en vaatziekten. 82,5 procent van de personen die onderzocht werden in de Midspanstudies participeerden eveneens in het SMS1932. Er werden een interview en fysieke tests afgenomen. Onder andere werd gevraagd naar sociale klasse evenals welvaart in de leefomgeving. Een hoger IQ in 1932 – op basis van de SMS1932 – bleek verband te houden met een hogere sociale klasse en hogere welvaart in de leefomgeving. Uit onderzoek van Hart en Taylor et al. (2003) blijkt dat een negatieve afwijking van een standaarddeviatie in IQ op elfjarige leeftijd 17 procent meer kans gaf op overlijden binnen 25 jaar na deelname aan het onderzoek.

IQ blijkt ook een groter effect te hebben op sterfte voor mensen in achterstandsgebieden dan voor mensen die leefden in een gebied met meer welvaart. Uit onderzoek naar specifieke doodsoorzaken onder de deelnemers aan de Midspanstudies komt naar voren dat een lager IQ op elfjarige leeftijd een hogere kans oplevert om te overlijden aan hart- en vaatziekten en longkanker (Hart et al. 2003). Deze effecten blijken direct te zijn en niet veroorzaakt te worden door een derde factor als sociale klasse (Gottfredson et al. 2004).

Zelfs na correctie voor het leven in een achterstandswijk blijft er een stevig verband bestaan tussen IQ op elfjarige leeftijd en ziekte en sterfte op latere leeftijd. Gottfredson et al. geven echter aan dat sociale achterstand hier wellicht niet op een betrouwbare manier is gemeten. Het blijkt echter zo te zijn dat ongelijkheid in gezondheid alleen maar toeneemt terwijl gezondheidszorg steeds meer voor iedereen bereikbaar wordt (Gottfredson 2004). Dit houdt in dat hoewel de volksgezondheid in het algemeen stijgt door het bereikbaar worden van gezondheidszorg, de vooruitgang kleiner is voor mensen met een lager inkomen en met een lagere opleiding dan voor mensen met een hogere opleiding en een hoog inkomen. De socio-economische maatstaven die het best correleren met gezondheid, correleren ook het best met intelligentie. Dit duidt erop dat, in tegenstelling tot wat veel gezondheidswetenschappers denken, IQ geen voorspeller is van sociale klasse, maar dat sociale klasse een grove schatting geeft van verschillen in IQ.

Een hoog IQ is nuttig in het leven, maar vooral wanneer bepaalde taken nieuw zijn, als je er geen instructies bij krijgt en wanneer ze ingewikkeld zijn of wanneer de situatie onduidelijk, veranderlijk of onvoorspelbaar is (Gottfredson 1997). Dit is van belang omdat mensen primair verschaffers zijn van hun eigen gezondheidszorg. Hierbij zijn dus met name cognitieve vaardigheden van belang.



Cognitieve vaardigheden

Conti et al. onderzoeken hoe het causaal verband tussen opleiding en gezondheid varieert met de hoeveelheid cognitieve en non-cognitieve vaardigheden en het gezondheidsniveau op jonge leeftijd. De heterogeniteit in de onderzoeksdata is significant, wat betekent dat er bepaalde conclusies getrokken kunnen worden. Op basis van de data ontdekken Conti et al. bepaalde patronen. Het positieve causaal verband tussen opleiding en gezondheid is veel groter aan de onderkant van de non-cognitieve verdeling en aan de bovenkant van de cognitieve verdeling. Dat betekent dat het causaal verband verschilt met de hoeveelheid cognitieve vaardigheden die een individu is toebedeeld. De conclusie die daaruit getrokken kan worden is dat de informatie aangaande de gevaren van roken verkregen door niet verplicht onderwijs gecombineerd moet worden met de cognitieve vaardigheden om deze informatie te verwerken, wil deze informatie enig effect hebben.

Conti et al. vinden sterke aanwijzingen dat non-cognitieve kenmerken gezondheid en gezond gedrag stimuleren. Als zij non-cognitieve kenmerken van onderzoekssubjecten op tienjarige leeftijd niet in hun model meenemen dan blijkt er een sterk en statistisch significant verband te bestaan tussen cognitieve vaardigheden uit de jeugd en diverse uitkomsten. Als de non-cognitieve kenmerken daarentegen wel in het model worden meegenomen blijkt het effect van cognitieve vaardigheden af te nemen. Dit mag volgens Conti et al. een waarschuwing zijn voor onderzoekers die zich voornamelijk richten op cognitieve vaardigheden. Wetenschappers als Linda S. Gottfredson en Ian J. Deary richten zich slechts op intelligentie als allesbepalende factor voor het causaal verband tussen opleiding en gezondheid. Non-cognitieve factoren zijn echter relatief belangrijker verklarende factoren dan cognitieve factoren, aldus Conti et al.

Causaliteit

Voordat we nu conclusies gaan trekken is het zaak dat we nog stilstaan bij het probleem van de causaliteit wat Grossnan reeds signaleerde (o.a. Grossman 1976). Het is van belang om te achterhalen welk deel van de relatie tussen opleiding en gezondheid causaal is. Dit is voornamelijk van belang om beleidsmatige redenen. Alleen als het verband van opleiding naar gezondheid loopt en causaal is, is het zinvol om studeren te stimuleren als onderdeel van een beleid gericht op het verbeteren van de volksgezondheid.



Gezondheid  Opleiding

  1   2


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina