Keuze model De 5 onderwijsontwerpmodellen



Dovnload 45.74 Kb.
Datum19.08.2016
Grootte45.74 Kb.
Keuze model

  • De 5 onderwijsontwerpmodellen

Bestaande hulpmodellen kunnen een belangrijk hulpmiddel vormen bij het ontwerpen van een nieuw curriculum. In bijlage 1 is een beschrijving van 5 onderwijsontwerpmodellen opgenomen: ‘CS’ (Curriculair spinnenweb model van Van den Akker), ‘DCC’ (System-Approach model van Dick, Carey & Carey), ‘ADDIE’ (ADDIE model van Van den Akker & Thijs), ‘4CI/D’ (4 componenten model van Van Merriënboer) en ‘ARCS’ (Attention Televance Confidence Satisfaction model van Keller).

Hieronder worden de conclusies van de analyse van het onderwijsontwerpmodellen in subparagrafen gepresenteerd die verder te vinden zijn in de bijlagen.
Curriculair spinnenweb

De essentie van het Curriculair spinnenweb (Van den Akker) is het ontwikkelen van een samenhangend curriculum. Het instrument visualiseert de congruentie tussen visie (kern) en de negen ontwerp gerelateerde componenten (draden) en is daarmee een analysemodel (Van den Akker, 2003).


Systems Approach Model

Het Systems Approach Model (Dick, Carey & Carey) is een ontwerpmodel (systeemmodel) gebaseerd

op negen opeenvolgende stappen. Bepaalde relaties tussen stappen zijn afhankelijk van evaluatie, welk een integraal onderdeel van dit ontwerpmodel vormt (Dick, Carey & Carey, 2009).
4C/ID Model

Het 4C/ID-model (Van Merriënboer) is een ontwerpmodel (systeemmodel) voor het aanleren van complexe cognitieve vaardigheden. De kern van het model is de taakbenadering; leerlingen leren door aan authentieke taken te werken. Het model beschrijft innovatief onderwijs dat is opgebouwd uit vier componenten: leertaken, ondersteunende informatie, procedurele informatie en deeltaakoefening (Van Merriënboer. 2011).


ADDIE Model

Het ADDIE model (Van den Akker & Thijs) bestaat uit vijf kernactiviteiten die nodig zijn om een goed product te ontwikkelen. De vier kernactiviteiten volgen elkaar op als een cyclus. De vijfde kernactiviteit (evalueren) is een permanente controle- en bijsturingsactiviteit. Het ADDIE model kan gebruikt worden op leren vanuit elke visie om te ontwikkelen en te implementeren. Zoals Valcke (2010, p.375) betoogt, wordt het ADDIE model getypeerd als de standaardmodellen. De stappen van het ADDIE model weerspiegelen steeds de vijf hoofdstappen van de standaardmodellen.


ARCS Model

Het ARCS model (Keller) is bedoeld om ontwerpers een handreiking aan te bieden bij het ontwikkelen van leer- en instructieomgevingen die de motivatie van de leerlingen stimuleren. Dit model biedt motivatie als startpunt. Door het startpunt op motivatie als leren, heeft het ARCS model niet de alles omvattende ontwerppretentie van een systeemmodel.




  • Analyse ontwerpmodellen


Stappen ontwerpmodellen
Valcke (2010, p.373-375) beschrijft de taxonomie voor de ordening van ontwerpmodellen. Hij onderscheidt de volgende modellen: mediamodellen, productiemodellen, kookboekmodellen, standaardmodellen en systeemmodellen. De standaardmodellen behoren tot de ontwerpmodellen, omdat ze in één of andere vorm terug te vinden zijn in vrijwel alle hedendaagse ontwerpmodellen. In de paragraaf hierboven zijn vijf onderwijsontwerpmodellen beschreven. In deze subparagraaf worden deze ontwerpmodellen in stappen verder uitgewerkt. Zoals Valcke (2010) betoogt, zijn de systeemmodellen in de taxonomie de meest integrale benadering van onderwijsontwerpen. Deze zijn voor een analyse instrument te complex, daarom zijn de standaardmodellen gekozen. De vijf hoofdstappen in de standaardmodellen zijn: analyseren, ontwerpen, ontwikkelen, implementeren en evalueren (Valcke, 2010, p.375) Voor het analyse instrument zijn de vijf stappen teruggebracht tot drie stappen om een compacte analyse te bewerkstellingen: analyseren, ontwerpen / ontwikkelen en implementeren / evalueren.
Analyseren:

Het Curriculair spinnenweb model kent geen enkele fase, zoals die zijn gedefinieerd in de systeemmodellen (Valcke, 2010, p.376). Het ontwerpmodel is een analyse instrument dat in elke fase toegepast kan worden, maar vooral geschikt is voor de analyse fase.

Het Systems Approach model kent een uitgebreide analyse fase die onderverdeeld is in: het bepalen van de leerdoelen, analyse van de instructiesituatie en het bepalen van het startgedrag. In dit model wordt de voorkennis vastgesteld (Dick, Carey & Carey, 2009).

Het 4C/ID model begint met de beschrijving van de complexe vaardigheden: analyseer de routine en niet-routine aspecten en stel de volgorde van taakklasse vast (Janssen-Noordman & Van Merriënboer, 2002).

Het ADDIE model begint met de analysefase. De analysefase gaat om het probleem, mogelijke oplossingen of de gewenste situatie vaststellen (Akker, van den & Thijs, 2009).

Het ARCS model is gericht op de motivatie van de leerlingen. Het model kent geen enkele fase, zoals die zijn gedefinieerd in de systeemmodellen. De stappen van het ARCS model zijn gericht op de motivatie van de leerling (Keller, 1987).


Ontwerpen/ontwikkelen:

In het Systems Approach Model wordt op basis van de analysefase de leerdoelen geoperationaliseerd, wat uiteindelijk leidt tot een ontwerp. Deze fase bevat een terugkoppeling naar

de analysefase, voor mogelijke revisie van het ontwerp (Dick, Carey & Carey, 2009).

De ontwerpfase van het 4C/ID-model valt uiteen in: ontwerpen van ondersteunende informatie, just-in-time informatie en deeltakoefening (JanssenNoordman & Van Merriënboer, 2002).

In het ADDIE model wordt de ontwerpfase gebruikt om de analyse te benutten om tot ideeën en ontwerpprincipes/ontwerpeisen te komen voor de ontwikkelen lessenreeks. Tijdens de ontwikkelingsfase wordt het ontwerpuitstel uitgewerkt tot een eerste product (Akker, van den & Thijs, 2009).
Implementeren/evalueren:

Het Systems Approach Model bevat een formatieve- en summatieve evaluatie. Deze fase bevat een

terugkoppeling naar de analysefase, voor mogelijke revisie van het ontwerp (Dick, Carey & Carey,

2009).


Het 4C/ID model bevat geen evaluatiefase (Janssen-Noordman & Van Merriënboer, 2002).

De implementeren fase in het ADDIE model is een iteratief proces, waarbij de ontwikkelcyclus meermaals wordt doorlopen, net zo lang tot de ontwikkelopbrengsten bevredigend zijn. In de evaluatiefase wordt er nagaan of de ontwerpideeën, het ontwerpvoorstel, het prototype en/of de uiteindelijke lessenreeks voldoende relevant, consistent, bruikbaar en/of effectief zijn (Akker, van den & Thijs, 2009).




  • Conceptuele verklaring ontwerpmodellen

Het spinnenweb model geeft aan dat de visie het uitgangspunt is. De draden om de visie vormen het geheel. De draden hebben allemaal met elkaar te maken, omdat ze allemaal aan elkaar verbonden zijn. Het ontwerpen of vernieuwen kan bij ieder component beginnen. Het System Approach model kan worden gebruikt om als basis het onderwijs te ontwerpen. Het 4C/ID model is gebaseerd op leerpsychologische inzichten: De Cognitive Load Theory (beperkte capaciteit werkgeheugen) en Self Determination Theory (intrinsieke motivatie) liggen aan dit model ten grondslag. Gebaseerd op principe van hele taak benadering. Het ADDIE model kan goed gebruikt worden in het onderwijs. Het model helpt om een goed onderwijs te ontwikkelen aan de hand van de evaluaties die na iedere kernactiviteit worden gehouden. Het ARCS model is verbonden met verschillende theorieën over motivatie. Centraal staat hierbij de Self-Efficacy theorie van Albert Bandura. Hiernaast zijn de 4 componenten gebaseerd op een combinatie van verschillende wetenschappelijke modellen: Aandacht: Behoeftenpiramide van Abraham Maslow (waarde en erkenning). Relevantie: Expectancy-Valuetheorie of Achievement Motivation van Allen Wigfield en Jacquellyne S. Eccles. Tevredenheid: Self Efficacy theorie van Albert Bandura. Vertrouwen: Behoeftenpiramide van Abraham Maslow (veiligheid en zekerheid) (Keller, 1987).





  • Leertheoretisch principe ontwerpmodellen

De onderwijsvisie van het spinnenweb zijn de 9 draden die vanuit de visie een geheel vormen. Het onderdeel visie staat centraal. De overige onderdelen zijn verbonden met de visie. Spinnenwebben zijn flexibel, maar dreigen toch te scheuren als er te hard en eenzijdig aan bepaalde draden getrokken wordt zonder dat de andere draden mee bewegen. Daarom is het moeilijk om succesvolle curriculumvernieuwing te realiseren. De visie van dit model is niet verbonden met een specifieke leertheorie.

De leertheorie van het System Approach model is cognitivistisch leren. Cognitivistisch leren is het activeren van verschillende cognitieve processen tijdens leren. Deze processen zijn het selecteren van relevante informatie, het organiseren van binnenkomende informatie en het integreren van nieuwe informatie.

De visie van het 4C I/D model is dat men taken in zijn geheel inoefent en niet start met afzonderlijke deeltaken die dan later worden samengevoegd. Op die manier probeert men recht te doen aan de werkelijkheid waarin men de taak ook in zijn geheel zal moeten aanpakken. Tevens is het ook de bedoeling te werken met authentieke taken; dit zijn taken waarmee men later kan geconfronteerd worden buiten het trainingsprogramma. Centraal uitgangspunt van het 4C/ID-model is de gedachte dat het oude ‘systeemdenken’ in aparte vakken moeten worden losgelaten. Waar het traditionele denken uitgaat van het principe van ‘delen naar geheel’, waarbij de vakken leidend zijn voor de inrichting van het curriculum, gaat het 4C/ID-model uit van ‘geheel naar delen’. Daarbij zijn niet meer de vakgebieden leidend maar authentieke, betekenisvolle taken.

Het ADDIE model bestaat uit vijf kernactiviteiten. Deze kernactiviteiten zorgen voor het ontwikkelen van een goed product. Vier van de vijf kernactiviteiten volgen elkaar op als een cyclus. De vijfde kernactiviteit is evalueren. Dit is een permanente controle- en bijsturingsactiviteit, niet aan het eind maar gedurende het onderwijsproces. Door op verschillende momenten te evalueren, krijg je zicht op de kwaliteit van het ontwerp en krijg je mogelijke punten ter verbetering.

De visie van het ARCS model is verbonden met de leertheorie van het betekenisvol leren.




  • Sterkte / zwakte analyse ontwerpmodellen

De sterkte van het curriculair spinnenweb model:



  • Het model is goed toe te passen in het onderwijs,

  • Het model is geschikt voor elk niveau,

  • Het model is geschikt voor elke docent,

  • Alle onderdelen van het spinnenweb hebben een verband met elkaar,

  • Een inconsistent curriculum zorgt ervoor dat het spinnenweb uit evenwicht raakt en breekt en geeft een grotere kans op problemen bij de implementatie. Het voordeel is dat daardoor de consistentie eerder is gewaarborgd,

  • Het model streeft ernaar om allesomvattend te zijn en zo recht te doen aan de complexe en grillige praktijk van alledag waarin wordt lesgegeven en probeert rekening te houden met de verschillende stakeholders op verschillende niveaus.

De zwakte van het curriculair spinnenweb model:

  • Het model is geen onderwijsontwerpmodel, maar een analysemodel,

  • Het model is alleen in de vorm van een toetsing,

  • Het model is te groot om op alle componenten je aandacht te richten. Hierdoor wordt het model ook meer gezien als een goed analysemodel, maar een minder bruikbaar ontwerpmodel.

De Sterkte van het Systems Approach model:



  • Het model is gedetailleerd uitgewerkt in een allesomvattend empirisch en herhaalbaar proces,

  • De procesgerichte aanpak van het model is sterk,

  • Vooraf is er veel analyse,

  • De beginnende ontwerpers worden gesteund,

  • Goed bruikbaar in beroeps- en bedrijfsopleidingen,

  • Veel reflectie momenten.

De zwakte van het Systems Approach model:

  • In het model wordt de aanwezige kennis van de lerende niet gebruikt als uitgangspunt,

  • De verantwoordelijkheid van de lerende staat niet centraal,

  • Het model gaat er van uit dat de docent verantwoordelijk is voor de instructie,

  • Instructies zijn plaats- en tijdgebonden.

De sterkte van het 4C/ID model:



  • Het model past bij verschillende typen onderwijs,

  • De leerlingen kunnen goed aan het werk,

  • Er is vrijheid om het uit te voeren,

  • De voorkennis van de leerlingen/studenten worden naar voren gehaald,

  • De verantwoordelijkheid ligt zowel bij docenten als leerlingen,

  • Digitale middelen zijn goed te gebruiken bij dit model.

De zwakte van het 4C/ID model:

  • Leertaak en analyse moeten vooraf goed vastgesteld zijn,

  • In het model is er geen evaluerende fase,

  • Leertaken en taaksituatie worden geadviseerd samen met beroepenveld te maken,

  • Om het model toe te kunnen passen, moeten de leerlingen/studenten intensief aan het werk.

De sterkte van het ADDIE model:



  • De ontwikkelcyclus kan meer dan eens worden doorlopen. Het goed doorlopen van deze cyclus heeft als voordeel dat de drie meest basale vragen van een ontwerper, ongeacht het ontwerp, beantwoord worden:

- Wat wil ik bereiken?

- Hoe wil ik dat bereiken?

- Hoe weet ik of ik dat uiteindelijk heb bereikt?

De zwakte van het ADDIE model:



  • Je moet als ontwikkelaar na iedere kernactiviteit het proces evalueren. De evaluatie kan te veel zijn.

De sterkte van het ARCS model:



  • Het model biedt inzicht in aspecten die van invloed zijn op motivatie,

  • Het model is gericht om leerlingen/studenten te motiveren,

  • Door het toepassen van dit model, krijgt de motivatie een belangrijke rol in het onderwijs,

  • Het model stimuleert de leerlingen/studenten op de motivatie,

  • Het model is ook buiten de context van het onderwijs goed toepasbaar.

De zwakte van het ARCS model:

  • Het model biedt kleine stappen aan voor de motivatie van de leerlingen/studenten. Het model kan onvolledig zijn tot het stimuleren van de motivatie.

  • Het model geeft de verbinding tussen de componenten niet aan.



  • Keuze model

Na de analyse van de vijf onderwijsontwerpmodellen valt mijn keuze op het ARCS- en het ADDIE model. Het ARCS model bevordert en ondersteunt de motivatie van de leerlingen in hun leerproces. De reden dat ik voor dit model heb gekozen, is dat de leerlingen gemotiveerd moeten worden voor de bazarlessen. Het ARCS model is gericht op de motivatie van de leerlingen. Het model biedt inzicht in aspecten die van invloed zijn op motivatie. Tijdens het ontwerpen of analyseren komen de volgende punten aan bod: Attention – Aandacht, Relevance – Relevantie, Confidence – Tevredenheid & Satisfaction – Vertrouwen (Keller, 1987). Het ADDIE model is een ontwerpmodel. Het model helpt om een goed product te ontwerpen door de kernactiviteiten. De reden dat ik ook voor dit model heb gekozen, is dat het ADDIE model goed gebruikt kan worden om een programma te herzien. Met dit model kan ik een bestaand programma analyseren en verder ontwikkelen en ontwerpen. Dat wil ik gaan doen met de bazarlessen. Aan de hand van de stappen van het ADDIE model, kan ik gericht het programma voor de bazarlessen concreet mogelijk herontwerpen. Na het ontwerpen en uitvoeren wil ik het hele leerproces gaan evalueren aan de hand van het ADDIE model. Het ADDIE model ziet er als volgt uit: Analysis - Analyse van het probleem. Design - Ontwerp van de oplossing. Development - Ontwikkeling van de oplossing. Implementation - Implementatie van de oplossing in de praktijk. Evaluation - Evaluatie van de geïmplementeerde oplossing (Akker, van den & Thijs, 2009).

Het ARCS model voeg ik onder punt ‘Design’ toe, omdat dat punt over het ontwerp van de oplossing gaat. De punten over motivatie van het ARCS model kan ik goed gebruiken onder het punt ‘Design’. Tijdens mijn herontwerp wil ik de leerlingen motiveren. Vandaar dat ik voor het ARCS model heb gekozen.


Reactie Carlien 14-08-13
Naam product: Halfproduct LA2
5 onderwijskundige ontwerpmodellen

Naam student: Ümmü Öz





Naam beoordelaar



Waardering



Gem.

1.

Carlien (14-08-13)


Kwaliteit



Betrouwbaarheid



innovativiteit



taalgebruik





Toelichting



Ümmü


Bij de vorige reactie gaf ik beoordelingen over je analyse van je onderwijsmodellen. Dat wil ik nu niet doen, omdat het misschien meer gaat over wat je voor ogen hebt met je modellen en niet op de analyse op zich.
Je hebt vijf modellen gekozen de analyse per model is duidelijk en concreet. Je geeft zelf eigenlijk de beperkingen en de mogelijkheden van de modellen al aan. Je schrijft over onderwijsontwikkelmodellen terwijl je later ook schrijft dat ze het niet allemaal zijn. Misschien dat je daar eerder iets over kunt schrijven?
Zou je in de tekst kunnen verwijzen naar een bijlage met de illustraties? Het is prettig om de beschrijving van activiteiten en de bijvoorbeeld de cyclus daarin visueel te kunnen bekijken. Zou je misschien nog eens goed kunnen kijken of je nog wat verwijzingen zou kunnen toevoegen? In de tekst zelf heb ik daar nu voor jou al een paar opmerkingen geplaatst.
In je sterkte/zwakte analyse kom je zelf op het punt dat twee van je gekozen modellen eigenlijk geen onderwijsontwikkelmodellen zijn. Het Circulair spinnenwebmodel is bedoeld om de samenhang in een leerplan te analyseren en het ARCS is een model voor het bevorderen van motivatie in een leerproces (Coppoolse & Vroegindeweij, 2010). In je keuze voor het model maak je duidelijk waarom je toch voor ARCS hebt gekozen, extra aandacht voor motivatie in het ontwerp van je onderwijs. Mooi idee en waarschijnlijk goed te gebruiken. Je motivatie is duidelijke. Mijn vraag is dan nog wel; heb je ARCS daarbij nodig of kan je dat ook binnen Design van ADDIE zelf? Het lijkt me wel heel mooi als je het allebei kan inzetten. Je kunt beter overwogen aantonen waarom je juist hebt ingezet op motivatie en hoe dat uitwerkt in je voorgestelde lessen, maar ook misschien extra werk voor jou om te komen tot een duidelijke invulling voor de twee modellen.






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina