Keuze van een Internationale vestigingsplaats



Dovnload 9.85 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte9.85 Kb.
Keuze van een Internationale vestigingsplaats:

Vernon: de introductie van een nieuw product vindt plaats in economisch hoog ontwikkelde landen of regio’s. Wanneer dit product het karakter van gestandaardiseerd product krijgt, zouden locaties waar de productiekosten laag zijn aantrekkelijker worden.

Dunning: Gaat uit van het OLI-paridigma, waar er van wordt uitgegaan dat iedere onderneming er op uit is om zijn bestaande concurrentievoordelen zoveel mogelijk te beschermen en uit te buiten. Het is voor een onderneming alleen interessant zelf in een ander land te produceren indien men die markt iets te bieden heeft (O), wanneer er daar gunstige productiemogelijkheden zijn (L) en wanneer het voor de onderneming aantrekkelijk is om de productie zelf te verzorgen (I). Bij koppeling van deze drie is er pas sprake van een buitenlandse investering.

Internationalisering in stappen volgens Hakanson en Newbould:



  1. één vestiging, met productie lokale markt

  2. meerdere vestigingen, maar productie blijft beperkt tot kernregie, geen internationalisering

  3. werken met buitenlandse handelsagenten, productie in moederland

  4. vestiging van buitenlandse handelsvestigingen

  5. productie in het buitenland, eerst assemblage, dan productie




    1. Grote industriële bedrijven in Europa en Nederland

Bij grote Europese bedrijven neemt de concentratiegraad (aandeel in de werkgelegenheid of de omzet van de drie, vijf of tien grootste ondernemingen van het totaal in een bepaalde sector) toe.

Vijf fasen van concentratiegraad in Europa vanaf 1945:



  • Jaren 50; beperkte toename door het blijven steken van het Engelse bedrijfsleven in “personal capitalism”

  • Jaren 60; sterke toename door sterke opkomst van grotere ondernemingen

  • Na oliecrisis ’73; toename van bedrijfsconcentratie tot stilstand

  • Eind jaren 70 tot 1982; toename door sterke groei bij grotere ondernemingen in de olie- en chemiesector

  • Sinds 1982; afname en eind jaren 80 gelijk aan midden jaren 70

Door o.a. het back to basics principe vindt er een proces van afslanking plaats bij de grote bedrijven.

De top 100 industriële bedrijven zijn voor de nationale economie in Nederland veel belangrijker dan in landen als de VS, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. Daarnaast geldt de toename van de concentratiegraad na 1973 niet voor de grote Nederlandse industriële bedrijven, het geen wijst op een afnemend belang van het industriële grootbedrijf. Buitenlandse markten worden voor Nederlandse bedrijven steeds belangrijker. Bedrijven kunnen blijven groeien door interne en externe groei.

Interne groei vergroot de onderneming via door haar zelf opgerichte nieuwe verkoopkantoren of productiebedrijven haar omzet en marktaandeel. Dat kan men op meerdere manieren realiseren:


  • aandeel bestaande producten op de markten waar men reeds actief is verhogen (marktpenetratie) door o.a. reclame

  • nieuw product aanbieden op de markt waar men al actief is (productvernieuwing) door R&D

  • met bestaande producten op nieuwe markten begeven (marktontwikkeling) door o.a. export

  • nieuwe producten op nieuwe markten brengen (diversificatie)

Bij externe groei kan men besluiten tot fusie of overname. Bij externe groei kunnen ook de vormen marktpenetratie en diversificatie optreden. Bij externe groei zijn de mogelijkheden:

  • Achterwaartse of voorwaartse verticale integratie, het overnemen van een bedrijf lager of horen in de desbetreffende productiekolom.

  • Horizontale integratie, overname van bedrijven die dezelfde, of nagenoeg dezelfde producten vervaardigen

  • Diversificatie, overname van bedrijven met geheel andere producten en/of markten.




    1. Buitenlandse bedrijven in Nederland

Keuze van buitenlandse bedrijven voor Nederland:

  • gunstige geografische ligging ten opzicht van omvangrijke West-Europese markten

  • goede distributiemogelijkheden, voortvloeiend uit de aanwezigheid in ons land van twee Europese mainports

1950-1963: positief: veel Amerikaanse activiteiten in Europa door grote koopkracht VS markt, op gang gekomen proces van fusies en concentraties en lage loonkosten Europa. Ze hanteerden een oligopolistisch systeem, een marktvorm met slechts een beperkt aantal grote aanbieders, die al dan niet marktafspraken overeenkwamen. Tegenaanval Britse ondernemingen in Amerika voor marktpenetratie en aantappen van het daar aanwezige innovatiepotentieel. Na GB ook andere Europese landen actief in het Buitenland.

Negatief: geringe Nederlandse markt.

1964-1972: Positief: Veel nieuwe arbeidsplaatsen door buitenlandse industriële bedrijven. Snel stijgende lonen. Door opheffen van allerlei handels- en transportbeperkingen verviel het nadeel van de kleine Nederlandse markt, waardoor functie “Gateway to Europe” werd uitgebouwd.

Negatief: Door hogere lonen NL concurrentie van o.a. Duitsland.

1985: beperkingen aantrekken buitenlandse bedrijven:


Tegenwoordig: aantrekkelijkheid NL gemeten door marktanalyse en concurrentieanalyse. Marktanalyse: Welk land heeft zijn marktpositie versterkt? Voor NL geldt:

  • extreem hoge waarde edcs

  • hoge waarde Europese hoofdkantoren

  • lage waarde industriële activiteiten

verklaring m.b.v. concurrentieanalyse (de factoren die een land of regio aantrekkelijk respectievelijk minder aantrekkelijk maken als locatie voor een buitenlandse vestiging).

Negental categorieën die een rol spelen bij de beslissing om zich in een bepaald land te vestigen zie blz 64.



Ieder bedrijf stelt eigen eisen aan vestigingsplaats, waardoor een verschillende weging van typen activiteiten voor bedrijf geldt. In een concurrentieanalyse wordt getracht de concurrentiepositie van een bepaald land normatief te schetsen.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina