Keynes is dood-leve Keynes?! over de achterhaalde en eenzijdige macro-economie op havo en vwo



Dovnload 238.79 Kb.
Pagina1/9
Datum23.07.2016
Grootte238.79 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9



Keynes is dood—leve Keynes?!

over de achterhaalde en eenzijdige macro-economie op HAVO en VWO

Peter R.A. van Maanen

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Scriptie / verdiepingsonderzoek

Juni 2005

Deze herziene versie: 23 oktober 2005
Universiteit van Amsterdam

Instituut voor de Lerarenopleiding

Begeleiding en beoordeling: Partap Bansie (docent vakdidactiek),

Ineke Schaveling (docent verdiepingsonderzoek)

Opgedragen aan mijn ouders,

Renger van Maanen (†2004)

en Eline van Maanen-Elzinga




Inhoud:

Inleiding…………………………………………………………………………………… 5

Deel I. Keynes is dood: de huidige stand van de macro-economie


1. Stagflatie en het einde van het Keynesianisme als levende school…………………. 8

2. Macro-economische theorie na het Keynesianisme: een overzicht…………………. 11

2.1. Het monetarisme………………………………………………………………. 11

Nieuw Klassiek monetarisme

Stagflatie

2.2. Real Business Cycle Theory………………………………………………….. 12

Stagflatie


2.3. De Nieuw Keynesianen……………………………………………………….. 13

Nieuw Keynesiaanse micro-economie

2.4. De Oostenrijkse school……………………………………………………….. 15

Stagflatie



3. Implicaties van de niet-Keynesiaanse macro-economie:

budgettair en monetair beleid………………………………………………………… 17

Anticyclisch budgettair beleid

Anticyclisch monetair beleid

Inflatie


4. Conclusie deel I………………………………………………………………………… 22

Deel II. Leve Keynes?!: de macro-economie op HAVO en VWO


5. De macro-economie in het huidige eindexamenprogramma……………………….. 24

5.1. De bestedingsanalyse van conjunctuur en inflatie……………………………. 24

Rente en bestedingen

Geldhoeveelheid, bestedingen, en inflatie

De (in)stabiliteit van het kapitalisme

5.2. Anticyclisch beleid……………………………………………………………. 27

5.3. Het koopkrachtargument……………………………………………………… 29

5.4. Sparen en herverdeling……………………………………………………….. 31

5.5. Misconcepties over inflatie……………………………………………………. 34

5.6. Waar is de niet-Keynesiaanse macro-economie?…………………………….. 37



6. Bespreking: gevolgen van een achterhaald en eenzijdig

macro-economieprogramma………………………………………………………….. 40

6.1. Van economie naar economisch beleid……………………………………….. 40

6.2. Beargumenteerde meningsvorming en kritisch leren denken…………………. 42

7. Commissie Teulings over de herziening van het macro-economieprogramma……. 46

8. Algemene conclusie en aanbevelingen………………………………………………… 48

Samenvatting……………………………………………………………………………… 49

Literatuur…………………………………………………………………………………. 50



Inleiding
De economische wetenschap heeft in de 20ste eeuw twee ‘revoluties’ meegemaakt. De eerste was de ‘Keynesiaanse revolutie’, die de theorie van Keynes (1936) neerzette als het dominante paradigma ten koste van het voorheen dominante neoklassieke paradigma. De tweede revolutie was een counterrevolutie, waarin vanaf de jaren ’70 het Keynesianisme op zijn beurt vervangen werd door een aantal andere scholen, die weer dichter bij het neoklassieke paradigma stonden. Deze laatste revolutie kreeg niet een algemeen gehanteerde naam mee, maar deelnemer Milton Friedman (1970) sprak in een vroeg stadium over ‘the counter-revolution in monetary theory’, en Snowdon e.a. (1994, p.77) spraken in hun uitstekende overzicht meer recentelijk over ‘the classical revival’.
Het deelgebied van de economische wetenschap, waar deze twee revoluties plaats hebben gevonden, is de macro-economie—een deelgebied dat ook in de eindexamenprogramma’s economie op de HAVO en het VWO aan bod komt. In deze scriptie wordt onderzocht in hoeverre de tweede revolutie verwerkt is in deze programma’s: hoeveel aandacht wordt er nog aan Keynes besteed, en hoeveel aandacht aan de moderne scholen? Dat de eindexamenprogramma’s wel eens achter zouden kunnen liggen bij de counterrevolutie, komt naar voren in een uitspraak van de commissie Teulings (2002, p.5), die zich buigt over de herziening van de eindexamenprogramma’s economie: de commissie merkt op dat de programma’s weinig veranderd zijn sinds 1968—een tijdstip waarop het Keynesianisme nog dominant was.

De commissie Teulings zelf bespreekt echter niet specifiek het Keynesianisme en de moderne scholen, maar stelt een alternatief programma voor dat meer micro-economisch van aard is. In haar tussenrapportage komt zij hier weer gedeeltelijk op terug door te erkennen dat aandacht voor macro-economie toch gewenst blijft, maar daarbij gaat zij nog niet uitgebreid in op hoe anders dat macro-economieprogramma er uit zou moeten zien vergeleken met het huidige programma. In dit gat springt dit onderzoek—niet door zelf maar meteen een macro-economieprogramma te ontwerpen (waarbij meer komt kijken dan alleen de te behandelen theorieën) maar door te laten zien waar het huidige programma achterhaald is en welke aspecten van de moderne macro-economie erin ontbreken.


Hiertoe wordt in deel I van deze scriptie verslag gedaan van de huidige stand van zaken in de macro-economie: hoe kwam het Keynesianisme ten val? (hoofdstuk 1), welke scholen zijn er voor in de plaats gekomen? (hoofdstuk 2), en wat zeggen deze scholen over het macro-economisch beleid? (hoofdstuk 3) In de conclusie van dit deel (hoofdstuk 4) wordt aangegeven waarin de moderne niet-Keynesiaanse scholen met elkaar overeenkomen.
Deel II gaat in op de macro-economie op de HAVO en het VWO. De huidige eindexamenprogramma’s worden uitgebreid onder de loep genomen om in beeld te brengen hoeveel Keynesianisme en hoeveel moderne macro-economie erin is terug te vinden (hoofdstuk 5). Hierbij volstaat het niet om slechts een opsomming te geven van de Keynesiaanse aspecten in het programma, want veel Keynesianisme is impliciet aanwezig, zodat uitgelegd moet worden dat die aspecten Keynesiaans zijn en wat er dan als zodanig mis mee is. Dat een deel van het Keynesianisme impliciet is in plaats van expliciet, kan verklaard worden als het gevolg van de dominantie van het Keynesianisme in de periode na de Keynesiaanse revolutie. Macro-economie wás Keynesianisme, en het maken van een eventueel onderscheid tussen de twee was niet nodig.
Dat deze situatie voor problemen kon gaan zorgen, gaf vooraanstaand criticus van het Keynesianisme, Friedrich Hayek (1978, p. 221), aan gedurende de counterrevolutie:
The whole theory underlying the full employment policies [i.e. Keynesianism] has by now of course been thoroughly discredited by the experience of the last few years. In consequence the economists are also beginning to discover its fatal intellectual defects which they ought to have seen all along. Yet I fear the theory will still give us a lot of trouble: it has left us with a lost generation of economists who have learnt nothing else.
Welke concrete problematiek het gelijkstellen van de macro-economie met het Keynesianisme met zich mee kan brengen, komt tevens in deel II aan de orde (hoofdstuk 6). Daarbij zal aangegegevn worden wat de maatschappelijk impact en dus het belang van het macro-economieprogramma is. Verder wordt gekeken of de beperkte uitspraken die de commissie Teulings tot nu toe wel heeft gedaan over het macro-economieprogramma overeenstemmen met de bevindingen van dit onderzoek (hoofdstuk 7). Tenslotte volgt een algemene conclusie, waaraan een aantal aanbevelingen gekoppeld worden in de vorm van voorwaarden waaraan een modern macro-economieprogramma zou moeten voldoen.
Hoewel dit stuk gaat over het economieonderwijs op de HAVO en het VWO, is het waarschijnlijk ook interessant om te lezen voor niet-docenten. Voor veel economen geldt immers inderdaad dat zij nog hoofdzakelijk in het Keynesianisme geïnstrueerd zijn. Voor hen biedt deze scriptie een inleiding tot de modernere scholen in de macro-economie en laat het de verschillen zien met de macro-economie die zij geleerd hebben. Helaas is het stuk niet bijzonder geschikt voor niet-economen, aangezien bekendheid met een aantal economische gereedschappen, zoals vraag- en aanbodanalyse, de verkeersvergelijking van Fisher, en discontorekenen, toch wel gewenst is voor een goed begrip.

-------------------------------------------------------------------------------------------------

Deel I. Keynes is dood: de huidige stand van de macro-economie

-------------------------------------------------------------------------------------------------
1. Stagflatie en het einde van het Keynesianisme als levende school
In de jaren ’70 hield het Keynesianisme op te bestaan als een levende school in de macro-economie. De oorzaak hiervan was dat het ineens wel heel duidelijk geworden was dat het Keynesianisme onvoldoende in staat was de economische werkelijkheid te verklaren. De op dat moment actuele stagflatie, een recessie die samenging met inflatie, had verontrustende proporties aangenomen en bleef voor de Keynesiaanse economen een raadsel. Murray Rothbard (1978, p.172), een criticus van het Keynesianisme uit de zogenaamde Oostenrijkse school, schreef hier een paar jaar later het volgende over:
This curious phenomenon of a vaunting inflation occurring at the same time as a steep recession was simply not supposed to happen in the Keynesian view of the world. Economists had always known that either the economy is in a boom period, in which case prices are rising, or else the economy is in a recession or depression marked by high unemployment, in which case prices are falling. In the boom, the Keynesian government was supposed to “sop up excess purchasing power” by increasing taxes, according to the Keynesian prescription—that is, it was supposed to take spending out of the economy; in the recession, on the other hand, the government was supposed to increase its spending and deficits, in order to pump spending into the economy. But if the economy should be in an inflation and a recession … what in the world was government supposed to do? How could it step on the economic accelerator and brake at the same time?
As early as the recession of 1958, things had started to work peculiarly; for the first time, in the midst of a recession, consumer prices rose… Consumer prices, again, rose in the recession of 1966… The sharp inflation of the recession of 1969-1971 … was a considerable jolt. But it took the steep recession that began in the midst of the double-digit inflation of 1973-1974 to throw the Keynesian economic establishment into permanent disarray. … It was not only a new phenomenon, it was one that could not be explained, that could not even exist, in the theories of economic orthodoxy.
De in dit citaat aangehaalde Keynesiaanse relatie tussen bestedingen (‘spending’) aan de ene kant en inflatie en de economische groei aan de andere kant kan verduidelijkt worden met behulp van een geaggregeerd vraag- en aanbod figuur. Deze zullen we hieronder construeren.
De eerste figuur hieronder is het standaard micro-economische vraag- en aanbod figuur. Daarin wordt een bestedingstoename weergegeven door een verschuiving van de vraagcurve naar rechts, waardoor in een typische markt (van reproduceerbare goederen) zowel de prijs als de aangeboden / geproduceerde hoeveelheid toeneemt. De hogere prijzen, waartoe de toegenomen bestedingen leidden, lokken het extra aanbod uit door productiefactoren over te halen om voor deze markt te komen produceren.

Figuur 1: Het standaard micro-economische vraag- en aanbodfiguur (D = demand, S = supply). Een toename van de bestedingen op een markt van reproduceerbare goederen verhoogt de prijs en de aangeboden hoeveelheid.


P S




D’

D



Q,Y
Deze situatie mag worden geëxtrapoleerd naar het macroniveau, maar dan moet de aanbodcurve wel steiler getekend worden: op microniveau zit in de aanbodcurve immers nog verwerkt dat de hogere prijs aanbieders aantrekt (en dus weghaalt) vanuit andere markten; op macroniveau bestaat die optie niet meer omdat de aanbodcurve nu het aanbod op alle markten tezamen weergeeft.

Volgens de neoklassieken1 van voor Keynes loopt de lange termijn geaggregeerde aanbodcurve zelfs helemaal verticaal, omdat zij er van uitgaan dat door een soepele marktwerking de gehele productiecapaciteit benut zal worden. Een verandering in het bestedingsniveau heeft dan alleen effect op het prijspeil en niet op de aangeboden hoeveelheid ( = bij benadering de productieomvang). Hieronder is de neoklassieke lange termijn geaggregeerde aanbodcurve getekend in een figuur, die bijvoorbeeld terug te vinden is in Snowdon e.a.(1994, p.59).



Figuur 2: De neoklassieke lange termijn geaggregeerde aanbodcurve (aggregate supply). Een verandering van het bestedingsniveau (aggregate demand) verandert alleen het prijspeil en niet de productieomvang.
AS

P




AD’


AD

Q,Y
Keynes ging er echter vanuit dat er meestal productiecapaciteit onbenut bleef en dat de neoklassieke lange termijn situatie derhalve een uitzonderingsgeval was. Het is slechts één van de drie segmenten waarin de Keynesiaanse geaggregeerde aanbodcurve gesplitst kan worden (zie figuur 3):

Segment 1: de extreem Keynesiaanse situatie, waarin er van nagenoeg alle productiefactoren nog onbenutte capaciteit bestaat. Een bestedingstoename leidt hierdoor niet tot prijsstijgingen maar zuiver tot een hoeveelheidtoename doordat voorheen onbenutte capaciteit productief gemaakt wordt.

Segment 2: de gewone Keynesiaanse situatie: een deel van de productiefactoren (in de regel arbeid) heeft nog steeds een volledig elastisch aanbod, maar van steeds meer specifieke, complementaire productiefactoren wordt het aanbod inelastischer. Hierdoor resulteert een bestedingstoename niet meer zuiver in een hoeveelheidtoename, maar in een toenemende mate ook in een prijsstijging (van de complementaire productiefactoren).

Segment 3: ‘volledige werkgelegenheid’, ook wel ‘volledige bezetting’ genoemd omdat alle productiefactoren volledig benut worden. Dit is de neoklassieke situatie, waarin een verdere toename van de bestedingen leidt tot ‘oververhitting’.


AS


Figuur 3: De Keynesiaanse geaggregeerde aanbodcurve. Afhankelijk van de situatie waarin de economie zich bevindt neemt bij een bestedingstoename alleen de productie toe (in segment 1), nemen zowel de productie als het prijspeil toe (in segment 2), of neemt alleen het prijspeil toe (in segment 3).
P AD”

3

AD’

AD



2



1

Q,Y
In een bespreking van een bestedingstoename als gevolg van een toename van de geldhoeveelheid gaf Keynes (1936, p.296) aan dat het tweede geval het meest waarschijnlijke is (wat mogelijk de reden is dat Snowdon e.a. {1994, p.70} alleen segment 2 en het neoklassieke segment 3 tekenen in hun Keynesiaanse figuur):


…the increase in effective demand will, generally speaking, spend itself partly in increasing the quantity of employment and partly in raising the level of prices. Thus instead of constant prices in conditions of unemployment, and of prices rising in proportion to the quantity of money in conditions of full employment, we have in fact a condition of prices rising gradually as employment increases.

Het Keynesiaanse verband tussen een bestedingstoename enerzijds en de inflatie en de productie anderzijds, kan dus als volgt worden samengevat:



Bij een bestedingstoename stijgen over het algemeen zowel de productie als de prijzen; tenzij er ofwel extreme onderbezetting is, want dan stijgt alleen de productie; of als er een volledige bezetting is, want dan stijgen alleen de prijzen.
Bij een bestedingsafname geldt in Keynes’ theorie een omgekeerde relatie: onder druk van de afgenomen verkopen neemt de productie af en dalen de prijzen. Volgens de neoklassieken echter zou een bestedingsafname alleen leiden tot een prijsaanpassing waardoor de productie ongewijzigd zou blijven. De kleinere hoeveelheid geld die besteed wordt, zou gecompenseerd worden door een prijsdaling die het mogelijk maakt dat er met de lagere bestedingen alsnog evenveel producten gekocht worden. Maar in het Keynesiaanse raamwerk passen lonen en prijzen zich traag aan, waardoor ze onvoldoende dalen om de productie op peil te houden.
De Keynesiaanse bestedingsanalyse leek bevestigd te worden door de vooroorlogse ervaring met hausses en recessies. Hausses waren veelal inflatoir, en recessies waren bijna altijd deflatoir. Bovendien kwam er in 1958 een empirische studie uit van A.W. Phillips, die ontdekt had dat naarmate de inflatie hoger was, de werkloosheid lager neigde te zijn. Ook dit leek de Keynesiaanse bestedingsanalyse van de conjunctuur te bevestigen, want die voorspelde immers dat de inflatie hoger zou zijn naarmate de economie dichter bij volledige bezetting kwam (zoals weergegeven in segment 2).
Maar zoals in het bovenstaande citaat van Rothbard al naar voren kwam, was de naoorlogse ervaring met recessies niet langer in overeenstemming met het Keynesianisme. Na de oorlog waren recessies in de regel inflatoir in plaats van deflatoir. Maar als recessies inflatoir zijn dan worden ze blijkbaar toch niet veroorzaakt door een bestedingsafname--blijkbaar is er een andere oorzaak voor het periodiek terugvallen van het productieniveau.

2. Macro-economische theorie na het Keynesianisme: een overzicht
Door haar empirisch falen heeft het Keynesianisme als levende, publicerende school afgedaan. Voor het Keynesianisme zijn een viertal andere macro-economische scholen in de plaats gekomen, te weten het monetarisme, de Nieuw Klassieken, de Nieuw Keynesianen, en de Oostenrijkse school. Hieronder zullen we van hun alternatieve verklaringen van recessies een beknopt overzicht geven.

2.1. Het monetarisme
Het monetarisme is wellicht de bekendste van de scholen die voor het Keynesianisme in de plaats gekomen zijn. Monetaristische theorieën benadrukken het belang van de geldhoeveelheid ter verklaring van de inflatie en de conjunctuur, en bestaan in feite al zeker sinds de 18e eeuw. Het label is echter in het leven geroepen naar aanleiding van het onderzoek van met name Milton Friedman en Anna Schwartz in de jaren ’50 en ’60 (zie in het bijzonder Friedman en Schwartz, 1963, en Friedman, 1969). Hoewel deze vroege monetaristische literatuur vooral empirisch van aard is, wordt in latere artikelen tevens een theoretische schets gegeven hoe de conjuncturele invloed van de geldhoeveelheid zou kunnen lopen (zie bijvoorbeeld Phelps, 1970, p.6-9; Lucas, {1973} 1981, p.132-137; en Friedman, 1976, p.221-227).
In deze schets draait het om onverwachte veranderingen in het monetaire beleid. In het geval van een onverwachte toename van de geldhoeveelheid houden de ceteris paribus hogere nominale prijzen en lonen de producenten en arbeiders voor de gek: onterecht uitgaande van een ongewijzigde inflatie, denken zij dat respectievelijk de reële prijzen van hun producten en het reële loon voor hun arbeid zijn toegenomen. Dit lokt zowel een grotere productie uit als het daarvoor benodigde grotere arbeidsaanbod, en hiermee is er sprake van een hoogconjunctuur.
Als het monetaire beleid onverwacht verkrapt, gebeurt het omgekeerde: de ceteris paribus lagere nominale prijzen en lonen doen het voorkomen alsof de reële verkoopprijzen en lonen gedaald zijn. Dit gaat samen met een lagere productie en met het corresponderende lagere arbeidsaanbod, waarmee sprake is van een laagconjunctuur.



  1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina