Kind en rouw Namen: Ellen Emonds, Bregje Arts, Job Christians en Harm van Hal



Dovnload 83.56 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte83.56 Kb.

Lessenreeks omtrent rouwverwerking voor kinderen

Kind en rouw



Namen: Ellen Emonds, Bregje Arts, Job Christians en Harm van Hal

Inhoudsopgave

  • Verantwoording onderwerp……………………………………………2



  • Lessenserie rouwverwerking fase 1 t/m 4……………………3 t/m 11



  • Achtergrondinformatie over verschillende geloven………..12 t/m 21



  • Bijlage 1; verhaal ‘Emmaüs gangers’



  • Bijlage 2; verhaal ‘opa’ uit: Onderwijszondag 1987 NKSR



  • Bijlage 3; verwerkingsboek: ‘ik zal je nooit vergeten’ van Riet Fiddelears – Jaspers

I.v.m. copyright zijn de bovenstaande bijlagen niet bijgevoegd.



Verantwoording van het gekozen onderwerp

We hebben in onze lessenserie gekozen voor het onderwerp dood. Er zijn verschillende redenen waarom we voor dit onderwerp gekozen hebben.

In de eerste plaats hebben we voor de dood gekozen omdat we het een zeer belangrijk onderwerp is dat in de basisschool zeker bespreekbaar gemaakt moet worden. Kinderen zitten veel tijd van hun jonge leventje op school. Ze zitten daar meestal 8 jaar met dezelfde kinderen in de klas. Leerkrachten roepen altijd om het hardst dat ze een veilig klimaat in de klas willen creëren.

Op de tweede plaats vonden wij het naast een belangrijk ook een interessant onderwerp. Het is voor veel mensen een moeilijk onderwerp. Juist daarom vonden wij het interessant. Dit komt mede doordat wij denken dat je niet onvoorbereid over de dood kan gaan spreken in de klas. Wanneer wij in onze stage of later tijdens ons werk, met de dood te maken krijgen dan zullen wij veel aan deze lessenserie hebben. Misschien niet om hem zo te gebruiken, maar we hebben er in ieder geval al een keer over nagedacht en ons erop ‘voorbereid’.



Doelstelling van de lessenserie


Met deze lessenserie willen we bereiken dat de leerlingen leren om over de dood te praten en realiseren dat het belangrijk en fijn kan zijn om anderen bij rouwverwerking te helpen. Ook willen we bereiken dat de leerlingen de dood een plek kunnen geven in het leven.

Fase 1



Inleiding:

Samen met de kinderen lees je gedurende 1 á 2 weken het boek Achtste groepers huilen niet, geschreven door Jacques Vriens.

Het boek beschrijft een klassensituatie waarbij de klas ervaring opdoet omtrent de dood. Een leerling uit de klas overlijdt aan een ernstige ziekte.

In de groep van juf Ina is vaak heibel, vooral over het voetballen in de pauze. Gelukkig is de juf erg goed in het bedenken van originele oplossingen. Maar als Akkie ernstig ziek blijkt te zijn, kan ook juf Ina niks meer verzinnen. Heel groep acht leeft met haar mee. Gelukkig kan Akkie het niet laten om zich ook vanuit het ziekenhuisbed overal mee te bemoeien. Of het nou gaat om de afscheidsavond, het schoolvoetbaltoernooi of het plan om de juf aan een nieuwe man te helpen

We kiezen voor een dergelijk inleiding omdat het mogelijk is dat er leerlingen in de klas zitten die nog weinig of geen ervaring hebben met de dood. Een dergelijk boek kan bijzonder goed dienen als inlevingsactiviteit, doordat er ontzettend veel herkenningspunten inzitten voor basisschoolleerlingen. Hierdoor ervaren kinderen wat meer de sfeer die de dood van een naaste op kan roepen.
Het boek wordt gedurende twee weken voorgelezen. Het is tijdens die twee weken van belang dat er al regelmatig aan kinderen wordt gevraagd hoe ze het boek vinden en wat ze er van verwachten. Zo raken ze meer betrokken bij het geheel en de kennis die ze al hebben over doodgaan en ziek zijn, wordt hierbij geactiveerd.
Kern:

Als het boek uit is, komt er een kringgesprek. Alle kinderen praten mee over het boek en (proberen te) uiten wat ze er van vinden. Het is belangrijk dat je ook echt in een kring gaat zitten met de kinderen. Zo ervaren ze de warmte en het groepsgevoel, zoals dat ook in het boek terugkomt.


Mogelijke vragen die je kunt stellen in het kringgesprek:


  • Wat vind je van de afloop?

  • Hoe vind je dat haar beste vriend reageert?

  • Hoe vind je dat de juf met de klas omgaat?

  • En Akkie? Vind je haar knap?

  • Hoe reageert de klas op Akkies ziekte en dood?

  • Zorgen de kinderen uit de klas voor elkaar? Op welke manier?


  • Wat zou jij voor Akkie hebben willen doen?

  • Hoe zou jij het vinden als iemand uit de klas zo ziek was en daarna doodging?

  • Zou je dan bang of boos zijn, of alleen verdrietig?

  • Denk je dat je het dan alleen zou kunnen verwerken?

  • Wie zou je daar anders bij kunnen helpen?

  • Hoe kan je iemand troosten of wil je zelf getroost worden?

  • Wat zou je voor de klasgenootjes van Akkie willen doen om ze te troosten?


Waar moet je rekening mee houden?
* Geef kinderen het gevoel dat huilen niet iets is waarvoor je jezelf moet schamen. Voor lachen loop je de klas niet uit, dus dat hoeft voor huilen ook niet.
* Wanneer kinderen over persoonlijke ervaringen gaan vertellen, moet je dit niet afkappen. Laat kinderen vrij vertellen, maar houd het wel in de hand. Bijvoorbeeld niet te ver uitweiden, dat doen we weer in fase drie.
* Geef kinderen de mogelijkheid dat ze na de les ook nog even met je kunnen praten over hetgeen dat net besproken is. Niet alle kinderen willen in de kring iets vertellen, zij hebben juist de behoefte om dat te doen wanneer er niet zo veel mensen bij zijn.
Tips:


  • Tijdens het voorlezen mogen de kinderen wel reageren, maar probeer het echte gesprek te bewaren tot het boek uit is.

  • Geef kinderen altijd de mogelijkheid om individueel met je te praten.

  • Houd tijdens het gesprek de gezichten van de kinderen in de gaten. Vergeet degene die niets zeggen niet!

  • Je bent in de kring geen gespreksvoerder maar een gespreksleider.

  • Houd tijdens het gesprek de tijd in de gaten.

  • Sommige kinderen blijven aan het praten. Probeer zo tactisch mogelijk het verhaal te beëindigen als het te lang duurt. Biedt zo’n kind wel de mogelijkheid om een keer erop terug te komen.

  • Schroom niet om ook eens over je eigen gevoel te praten. Je bent ook een mens en voor kinderen is het goed te zien dat de leerkracht ook emoties heeft. Dit kan de drempel voor andere kinderen verlagen.



Fase 2

Verwerkingsopdrachten in circuitvorm:

Deze les willen we inrichten met een circuit. Kinderen doorlopen zelfstandig een circuit waarin ze allerlei werkvormen tegenkomen, individueel maar ook in groepjes. Deze les wordt vormgegeven aan de hand van het boek. Deze les beslaat niet uit één les maar er wordt bijvoorbeeld elke dag gedurende één week tijd aan besteed. De leerlingen kiezen uit verschillende activiteiten drie tot vier opdrachten uit waarmee ze aan de slag gaan. De onderstaande lijst kan natuurlijk uitgebreid worden naar eigen inzicht. Hieronder volgen een aantal mogelijke activiteiten.

Verwerkingsopdracht 1:

Monument maken

Materialen:



  • Klei met de nodige passende materialen

  • Tekenmateriaal

  • Knutselmateriaal

Beschrijving van de activiteit:

In het boek wordt er een monument gemaakt door de klas voor de herdenking van Akkie. Tijdens deze activiteit krijgen leerlingen de gelegenheid om zelf een monument te maken ter nagedachtenis aan Akkie. De leerlingen krijgen tijdens deze opdracht de volledige vrijheid en ruimte om hun eigen beleving om te zetten in een monument

Verwerkingsopdracht 2:

Gedicht, brief of reactie schrijven die eventueel gericht kan zijn aan een van de nabestaande uit het boek.


Materialen:

  • Pen en papier

Beschrijving van de activiteit:

De leerlingen krijgen bij deze activiteit de volledige vrijheid voor het schrijven van een gedicht, verhaal, brief of reactie gericht aan een van de nabestaande of aan de algehele in het boek geschetste situatie.


Verwerkingsopdracht 3:

Scène naspelen
Materialen:


  • Eventueel het boek of gekopieerde scènes uit het boek

  • Materialen die de leerlingen zouden willen gebruiken om eventueel een decor te maken.

Beschrijving van de activiteit:

De leerlingen gaan in een groep een scène naspelen uit het boek. In de groep mogen de leerlingen zelf beslissen welk fragment (hoofdstuk) ze willen gaan naspelen. Ze mogen deze scène uit het boek kopiëren en er zelf hun eigen draai aan geven. Aan het eind van de week mogen ze dit toneelstukje presenteren aan de rest van de klas. Je moet hierbij als leerkracht wel controleren dat het een discreet stuk wordt. De leerkracht moet bij deze activiteit de kinderen wel bijsturen en eventueel ‘regisseren’.

Verwerkingsopdracht 4:

Groepscollage maken
Materialen:

Beschrijving van de activiteit:

De leerlingen kunnen bij deze activiteit aanschuiven om mee te werken aan een grote collage omtrent het boek en de gebeurtenissen. Je geeft hierbij wederom geen opdrachten maar een mogelijkheid voor de leerlingen om hun ervaringen en indrukken te verwerken. Vanuit tijdschriften en kranten kunnen de leerlingen kleuren, plaatjes en woorden uitknippen en opplakken. Het heeft meerwaarde wanneer je een bijzonder groot vel papier hebt zodat er genoeg ruimte is voor meerdere, zo niet alle, leerlingen.
Afsluitende opdracht:

De kinderen hebben hard gewerkt aan de verwerkingsopdrachten. Het zou heel goed zijn om iets met de resultaten doen. Op die manier krijgen de kinderen waardering voor hun werk. Het is voorstelbaar dat sommige kinderen zich niet prettig voelen wanneer ze aan een groep iets moeten presenteren. Dwing kinderen ook niet om dat te doen, daar bereik je niets mee. Tenminste, niet in deze situatie. Kinderen moeten zich veilig voelen in de klas en al helemaal wanneer er een onderwerp als dood besproken wordt.

Geef kinderen die iets willen presenteren de mogelijkheid om dat te doen. De monumenten die gemaakt zijn, kunnen bijvoorbeeld opgesteld worden. Als in een museum. Kinderen die er graag iets over willen vertellen, moeten die gelegenheid even krijgen. Ook kan er een scène nagespeeld worden.

Zorg ervoor dat je de presentatieronde niet te lang laat duren, zodat de kinderen betrokken blijven. Ze hebben al hard gewerkt en het zou zonde zijn wanneer de betrokkenheid flink daalt tijdens de presentatieronde. Maar door het een beetje afwisselend te houden, iedereen een kans te geven en de tijd in de gaten te houden, zal het voor de kinderen interessant zijn om te luisteren.

Wanneer er meer betrokkenheid is dan je zou verwachten en de kinderen nog helemaal vol zitten van het verhaal, is het verstandig om iets met die behoefte te doen. Gun de kinderen die extra tijd. Maar na deze les volgen nog twee lessen die zullen gaan over eigen ervaring met dood, dus in principe is er nog veel ruimte voor de behoefte van het kind.

Fase 3



Inleiding:

We starten de les met het verhaal “op weg naar Emmaüs”. We lezen dit verhaal voor in de klas. De kinderen zitten dan al in de kring.

Het verhaal gaat over dood en over het ‘voortleven’ van de gestorven persoon.

Nadat je het verhaal voorgelezen hebt, is het belangrijk om het verhaal even met de kinderen na te bespreken. Waar ging het verhaal over? Wat vond je ervan? Wat zou jij doen als……?

Na de inleiding maak je een koppeling naar de kern.

Kern: levensbeschouwelijke communicatie


Ervaring  contrastervaring  levensvragen  levensbeschouwelijke communicatie  antwoorden  christelijke levensvisie  antwoorden van anderen
Ervaring:

Begin eerst met je eigen ervaring. Neem bijvoorbeeld een foto of iets dergelijks mee van iemand die jij verloren hebt. En begin maar te vertellen. Wat zijn je eigen ervaringen? Dit doe je om kinderen een beetje houvast te geven als ze straks zelf aan het vertellen zijn. Zorg ervoor dat je verhaal duidelijk is en de kinderen je begrijpen. Bereidt het dus ook voor en zorg ervoor dat je het ook kúnt vertellen. Zonder heftige emoties.

Vraag nu aan de kinderen wie er in jouw verhaal iets herkend heeft. Wil iemand daar iets over vertellen?

Probeer kinderen op weg te helpen door relevante vragen te stellen. Straal respect uit naar kinderen. Het is niet makkelijk om iets persoonlijks wat gevoelig ligt in een groep te vertellen.

Dwing kinderen nooit iets te vertellen. Een kind mag vertellen, maar moet niets.

Breng de klas ook op de hoogte dat het getuigt van respect wanneer je luistert naar elkaar. En maak ook duidelijk dat huilen niets is waarvoor je jezelf hoeft te schamen of iets is dat niet mag. Huilen mag net als lachen gewoon in de klas.


Contrastervaring:

Een contrastervaring is iets ervaren, terwijl je heel graag het tegenovergestelde zou voelen of willen.

Tijdens het gesprek kom je als vanzelf op contrastervaringen. Kinderen kunnen zelf aangeven dat ze de situatie liever anders gezien hadden. Een contrastervaring is iets waar je niet onderuit kan komen, maar dat maakt het niet minder moeilijk.

Praat hier met de kinderen over en denk samen na over hoe zoiets dan toch kan gebeuren. Doordat je dit gaat doen, kom je vanzelf op levensvragen uit.


Levensvragen:

Sommige vragen kennen geen antwoord. Die vragen noemen we levensvragen. Ongetwijfeld komen deze vragen naar boven tijdens het gesprek. Voer die vragen ook aan, het is goed voor kinderen om hierover na te denken. Laat ze zelf antwoorden formuleren en laat ieder in zijn of haar waarde. Geen enkel antwoord is fout.

Dring je eigen antwoorden niet op. Maar ben wel eerlijk tegen de kinderen. Als zij aan jou vragen hoe jij over bepaalde zaken denkt, mag je daar antwoord op geven. Nuanceer wel in je antwoorden.
Antwoorden:

Ieder heeft eigen ideeën. Daar kan je niet omheen. De kunst is om ieders ideeën te respecteren. Luister naar elkaar en probeer ook iets van elkaar te leren.


Christelijke levensvisie:

Laat kinderen nadenken over rouwverwerking bij katholieken. Wie weet daar iets over?

Vul de kinderen aan met eigen kennis en informatie (zie achtergrondinformatie). Laat ze bedenken of die manier van rouwverwerking bij hen past.
Antwoorden van anderen:

Er zitten waarschijnlijk wel kinderen in je klas met een andere levensovertuiging. Waarschijnlijk komen hun ideeën tijdens het gesprek wel naar voren, maar het is goed om er nog eens extra over te praten. Hoe gaan moslims om met de dood? En hoe doen boeddhisten dat? En joden?

Hier kun je eventueel ook de achtergrondinformatie voor gebruiken.
Tips tijdens het gesprek:


  • Gun iedereen de tijd en de kans om iets te zeggen

  • Heb respect voor ieders antwoord

  • Maak duidelijk dat luisteren belangrijk is

  • Koppel het gesprek ook aan zorgen: mensen met verdriet verdienen extra zorg. Hoe kan je daar mee omgaan?

  • Ben niet bang om eigen ervaringen te vertelen, mits je dit emotioneel aan kunt.

  • Als kinderen graag wat meer praten, gun hen dan de gelegenheid om nog eens een gesprek met je aan te gaan.


Afsluiting:

Evalueer met de kinderen over het gesprek. Wat vonden ze ervan? Vertel dat de kinderen altijd terug kunnen komen op het gesprek.

Bedank de kinderen voor hun aandacht en vertel dat je het prettig vindt dat ze je in vertrouwen hebben genomen.


Fase 4

Deze les willen we inrichten met een circuit. Kinderen doorlopen zelfstandig een circuit waarin ze allerlei werkvormen tegenkomen, individueel maar ook in groepjes. Deze les wordt vormgegeven aan de hand van het boek. Deze les beslaat niet uit 1 les maar er wordt elke dag gedurende 1 week tijd aan besteed. De leerlingen kiezen uit verschillende activiteiten 3 tot 4 opdrachten uit waarmee ze aan de slag gaan. De onderstaande lijst kan natuurlijk uitgebreid worden naar eigen inzicht. Hieronder volgen een aantal mogelijke activiteiten.



Verwerkingsopdracht 1:

Herdenkingsdoek schilderen in een groepje

Materialen:



  • Grote witte doeken

  • Ecoline

  • Kwasten

  • Waterpotjes

  • Schorten

  • Kranten

Beschrijving van de activiteit:

De leerlingen krijgen bij deze activiteit de mogelijkheid om met behulp van ecoline een bonte kleuren verzameling op een doek te creëren waarbij ze eventueel d.m.v. vormen bepaalde eigenschappen en lievelingskleuren van de overleden persoon of eventueel hun eigen gevoelens in verwerken.

Verwerkingsopdracht 2:

Een doosje voor herinneringen
Materialen:


  • Stevige vouwblaadjes in verschillende kleuren

  • Plak

Beschrijving van de activiteit:

De leerlingen krijgen bij deze activiteit de mogelijkheid een doosje te maken. Dit doosje is bedoeld om herinneringen “in te stoppen”. Per doosje zijn er twee vouwblaadjes nodig. Eerst vouwen de leerlingen in ieder blaadje 16 vakjes. Wanneer de insneden gemaakt zijn kunnen zijkanten vastgeplakt worden. Zo heb je een dekseltje en een bakje. De leerlingen kunnen dit doosje vullen met hun herinneringen. Dit doosje kan zo dus symbool staan voor de overleden persoon.

Verwerkingsopdracht 3:

Muzikale opdracht; welke muziek is geschikt voor een begrafenis

Materialen:



  • Cd-spelers

  • Verschillende cd’s met allerlei verschillende soorten muziek (bijzonder ruime keuze)

Beschrijving van de activiteit:

De leerlingen krijgen bij deze activiteit de gelegenheid om allerlei soorten muziek te beluisteren. De leerlingen beluisteren welke muziek zij geschikt vinden voor een begrafenis of die goed passen bij een verhaal. Deze activiteit hoeft niet persé gericht te zijn naar een persoon in het bijzonder. Het gaat ook om eigen smaak en het goed beluisteren en het aanvoelen van de sfeer van muziek. De leerlingen kunnen tijdens de evaluatie van de activiteiten kunnen verwoorden waarom ze voor een bepaald muziek stuk gekozen hebben en voor welke gelegenheid of persoon de muziek uitgekozen is.

Verwerkingsopdracht 4:

Fotolijstje maken



Voorbereiding - foto's van de overledene nabestellen (indien niet beschikbaar vanuit school in overleg met de nabestaanden).

Materiaal:



  • dik karton (+200 grs.)

  • lijm

  • schaar

  • teken- en knutselmaterialen

  • tijdschriften

Beschrijving van de activiteit:


De meeste kinderen vinden het fijn om thuis een foto van hun klasgenootje te hebben. Bestel voor al je leerlingen een foto van hun overleden klasgenootje na. Om deze foto heen wordt een lijstje gemaakt van dik karton. Mogelijk moet je zelf voor iedereen een gat uit het karton snijden want dat is voor veel kinderen best moeilijk. Het karton kan vrij worden beplakt, beschilderd en ‘beknutseld’. Je kunt er ook een opdracht aan meegeven; maak een lijstje dat je echt bij je klasgenootje vindt passen. Denk aan bijvoorbeeld haar/zijn favoriete kleuren, hobby's, idolen etc.

Verwerkingsopdracht 5:

Herdenkingsboek

Materiaal:



  • Vellen A4 papier

  • Knutselmateriaal

  • Kleurpotloden/schrijfmateriaal

Beschrijving van de activiteit:

De leerlingen krijgen de mogelijkheid tijdens deze activiteit om een begin te maken aan een persoonlijk herinneringen boek. Ze kunnen bijvoorbeeld beginnen met het maken van een mooie persoonlijke kaft. In de komende tijd hebben de leerlingen de vrije keus om meerdere bladzijden te maken voor het boek. Dit kunnen bijvoorbeeld tekeningen, verhalen en gedichten zijn. Wanneer de leerlingen vinden dat het boek compleet is krijgen ze de mogelijkheid het boek in te binden. Zo hebben de leerlingen een herinnering aan deze persoon maar ook aan het proces wat ze in de eerste weken zonder deze persoon zelf doorgemaakt hebben.


Afsluitende opdracht:

De kinderen hebben hard gewerkt aan de verwerkingsopdrachten. Het zou heel goed zijn om iets met de resultaten doen. Op die manier krijgen de kinderen waardering voor hun werk. Het is voorstelbaar dat sommige kinderen zich niet prettig voelen wanneer ze aan een groep iets moeten presenteren. Dwing kinderen ook niet om dat te doen, daar bereik je niets mee. Tenminste, niet in deze situatie. Kinderen moeten zich veilig voelen in de klas en al helemaal wanneer er een onderwerp als dood besproken wordt.

Geef kinderen die iets willen presenteren de mogelijkheid om dat te doen.
Daarna lees je met de kinderen het verhaal Zoals Opa (onderwijszondag 1987 NKSR). Hiermee probeer je de leerlingen iets mee te geven om over na te denken.

Katholieken

Het sterven


Als iemand is gestorven betekent dat voor katholieken dat iemand onherroepelijk afscheid heeft genomen van onze wereld, hij is dan bij God. Het is dus niet alleen een einde, het is ook een nieuw begin, een overgang naar een nieuwe vorm van bestaan. God zal zich ontfermen over de overledene; het voortbestaan na de dood. 

De overgang van leven naar dood is geen simpele overgang. Het leven van de overledene zal gewogen moeten worden. Voor dat leven nemen de overlevenden gezamenlijk de verantwoordelijkheid door voor de zielenrust van de overledene te bidden. Katholieken zijn ervan overtuigd dat God begrijpt hoe gecompliceerd het leven van de mens is en hem accepteert zoals hij is. Niet meer; wie goed heeft geleefd gaat naar de hemel en wie slecht heeft geweest naar de hel. De mens blijft voor Hem leven, ook wanneer hij gestorven is. 

Dit wordt met gebaren gesymboliseerd. Zo wordt de dode besprenkeld met wijwater. Dit kun je zien als een herinnering aan de doop, een overgang van dood naar leven. Ook wordt de dode bewierookt om aan te geven dat hij in zijn lichamelijkheid heilig is voor God.

De priester of pastor speelt een belangrijke rol bij de begrafenis of crematie. Sinds de jaren 60 van de 20e eeuw maakt de katholieke kerk geen bezwaar meer tegen crematie. Voorafgaand aan de crematie vindt er meestal een Eucharistieviering of een woord- en gebedsdienst in de parochiekerk plaats. Indien mogelijk zal de pastor na deze viering meegaan naar het crematorium maar als daar geen tijd voor is worden de laatste plechtigheden overgelaten aan de uitvaartverzorger. De woord- en gebedsdienst kan, indien gewenst door de nabestaanden, ook plaatsvinden in de aula van het crematorium. 

De uitvaartmis is traditioneel vastgelegd in de zogeheten requiemmis (requiem aeternam; geef Heer eeuwige rust), gericht op de reiniging en de rust van de ziel van de overledene. Bij jonge kinderen werd er vroeger een 'engelenmis' opgedragen waarbij werd uitgegaan van de reinheid van de kinderziel die naar de hemel zou gaan. Dit is echter in onbruik geraakt. Momenteel is de kerkdienst meer gericht op het steunen van degenen die achterblijven dan dat er iets ‘extra's’ gedaan wordt om de overledene op een mooier plekje in de hemel te krijgen. In de meeste gevallen is er sprake van een samenspraak tussen de pastor en de nabestaanden om teksten en liederen samen te voegen tot een persoonlijke religieuze bijeenkomst.

Was het vroeger traditie om bij de dode te waken tot het tijdstip van de uitvaart, nu gebeurt dat enkel soms nog indien de overledene thuis ligt opgebaard. Wel wordt vaak nog een avondwake gehouden op de avond voor de uitvaart. Dit gebeurt dan vaak in de kerk of in een aula. De levensloop van de overledene wordt gememoreerd en door de nabestaanden wordt voor hem gebeden, er worden teksten gelezen en liederen gezongen.

Na de avondwake is er soms gelegenheid tot condoleren van de nabestaanden en het tekenen van een condoleanceregister, meestal echter gebeurt dit na de uitvaartplechtigheid.

 

De uitvaart


Op de dag van de uitvaart nemen de nabestaanden afscheid van de overledene en begeleiden zij de kist naar de kerk. Meestal worden hierbij bloemen op de kist gelegd. Als men de kerk binnengaat loopt de priester te stoet tegemoet en besprenkeld hij de kist met wijwater.

In de kerk branden kaarsen en vaak zingt er een kerkkoor. Tijdens de gebeden wordt de herinnering aan de overledene ter sprake gebracht en zoekt men troost in de lezing uit de bijbel of de korte overweging die hierop volgt. De persoon wordt meestal sober ter sprake gebracht en er wordt gebeden voor de nabestaanden. Er wordt gecollecteerd voor de kosten van herdenkingsmissen of vaak ook voor een persoonlijk goed doel, in sommige gevallen wordt er dan een bidprentje uitgedeeld. De bedoeling van dit bidprentje is dat het in het kerkboek wordt gedaan zodat men later de overledene nog eens in de gebeden kan herdenken.

Aan het eind van de uitvaartmis besprenkeld de priester de kist met wijwater en wordt de kist bewierookt (absoute). Daarbij worden gebeden uitgesproken waarin om vergiffenis van zonden wordt gevraagd. Terwijl er gezongen wordt gaan de priester en de misdienaars als eersten de kerk uit, gevolgd door de aanwezigen en de dragers met de kist. De klokken beginnen te luiden maar verder wordt er nauwelijks nog gesproken. Men gaat nu naar het crematorium of de begraafplaats, indien mogelijk te voet, anders met auto's.

Bij het graf gaat de priester aan het uiteinde van het graf staan en een parochielid met een kruis aan het hoofdeinde. De priester bewierookt en zegent de groeve in stilte. De nabestaanden en belangstellenden staan rond het graf en de dragers laten de kist langzaam dalen. De priester bidt het 'onze vader' en strooit een schepje aarde op de kist met de woorden 'Gij bent tot stof en tot stof zult gij wederkeren.' De andere aanwezigen kunnen vervolgens ook een schepje aarde op de kist strooien. De nabestaanden kunnen er ook voor kiezen om in plaats van aarde wijwater te sprenkelen of met bloemen te gooien.

Hierna volgt meestal een koffietafel, thuis of in een gehuurde zaal waarbij ook gecondoleerd kan worden en een condoleanceregister kan worden getekend.

 

De rouw


Het is binnen de katholieke kerk niet (meer) gebruikelijk om een bepaalde periode van rouw in acht te nemen. Ook zijn er geen specifieke rituelen die met de rouwperiode te maken hebben. In sommige kerken is het gebruikelijk om voor de overledene een kruis te plaatsen op een bepaalde plek in de kerk met daarop de naam van de overledene. Zo blijft de overledene onder de aandacht van de parochianen. Na een jaar of met Allerzielen wordt het kruis dan mee gegeven aan de nabestaanden. Veel mensen laten met enige regelmaat een mis opdragen waarin de gestorven persoon in gebed wordt herdacht. Op verjaardag en sterfdag wordt er vaak een mis aan de overledene opgedragen, waarin speciaal voor de overledene en andere familieleden kan worden gebeden.

Op 2 november is het Allerzielen. Deze dag wordt door katholieken gebruikt om de overledenen te herdenken. Men doet dit door naar de kerk en/of de begraafplaats te gaan. Op deze laatste plek wordt het graf bezocht en vaak opgeruimd en schoongemaakt. Men neemt een bloemetje of plantje mee om bij het graf achter te laten.


Moslims

Het sterven


Veel moslims willen in hun vaderland begraven worden, zodat ze zijn verzekerd van een uitvaart volgens de islamitische voorschriften. Er zijn inmiddels in Nederland ook diverse islamitische begraafplaatsen die vaak onderdeel zijn van een openbare begraafplaats. Cremeren is bij moslims niet toegestaan in verband met de wederopstandingsgedachte. 

In vele verzen van de Koran wordt de onvermijdelijke gebeurtenis van het sterven aangegeven. Moslims reciteren de Koran dagelijks in hun gebeden en bereiden zich op die manier bewust of onbewust voor op het sterven. Het leven is eenmalig en de stervende kan door gebed met zichzelf en met God in het reine komen en zielenrust vinden in het hiernamaals. Moslims maken soms op hun sterfbed nog hun testament op en laten vanaf die plek hun schulden voldoen.

Als een moslim tijdens zijn leven bepaalde religieuze plichten niet heeft kunnen voldoen bestemt hij vaak op zijn sterfbed en deel van zijn bezittingen aan de armen. Als er iemand overlijd zonder enige bezitting wordt de uitvaart door de gemeente bekostigd. Het is voor moslims belangrijk om ervoor te zorgen dat stervenden goed verzorgd worden en dat ze na hun overlijden op hun rechterzij met hun gezicht in de richting van Mekka begraven worden.

Tijdens het stervensproces wordt er uit de Koran geciteerd en wordt de stervende geholpen bij het afleggen van een geloofsgetuigenis. Als de persoon is overleden sluit één van de aanwezigen de ogen van de overledene en wordt er door de aanwezigen gebeden. 

Hierna volgt er een rituele wassing, soms thuis maar meestal in een uitvaartcentrum waar er voor dat doel een speciale ruimte is. Bij de wassing wordt het lichaam met een lendendoek bedekt, de geslachtsorganen mogen door niemand gezien worden. Mannen worden door mannen en vrouwen door vrouwen verzorgd. Het lichaam wordt in totaal drie keer gewassen met water voorzien van geurige stoffen. 

Hierna wordt het lichaam in grote witte doeken gewikkeld en overgebracht naar de moskee. Indien er een kist wordt gebruikt dan wordt het lichaam daarin op de rechterzij gelegd.

Moslims beschouwen het als hun plicht om bij de overledene in de moskee aanwezig te zijn. De imam bidt bij het opgebaarde lichaam het 'Djanazah-gebed', een smeekbede tot Allah.

 

De uitvaart


Het is voor moslims belangrijk om, in verband met de overgang naar het hiernamaals, zo snel mogelijk na het overlijden begraven te worden. In Nederland kan dat wettelijk pas na 36 uur. 

Als een moslim in Nederland wordt begraven brengen de mannelijke familieleden het lichaam in een kist naar de islamitische begraafplaats. Traditioneel moeten daar zoveel mogelijk mannen uit de moslimgemeenschap de baar of de kist een stukje naar het graf dragen, uit eerbetoon tegenover de overledene. Bij orthodoxe moslims zijn er bij de begrafenis geen vrouwen aanwezig. 

Aangekomen bij het graf tilt men het lichaam uit de kist en wordt het in het bekiste graf gelegd, met het gezicht naar Mekka gericht. Hierna gooien de nabestaanden onder het uitspreken van een gebed over de hereniging met de aarde waaruit de dode weer zal opstaan met de hand zand in het graf. De overige aanwezigen vullen hierna het graf met zand. Van de overblijvende aarde wordt een heuveltje gemaakt of er worden twee bulten van gemaakt. 

Op het graf worden vaak wel stenen geplaatst om de plek te markeren maar verdere versieringen zal men er niet vinden. Er zal slechts één overledene in het graf komen te liggen en het graf zal nooit geruimd worden.

 

De rouw


De eerste drie dagen na de begrafenis wordt de familie gecondoleerd en van eten voorzien door familie en buren. Na die eerste periode volgt er een periode van vier maanden en tien dagen waarin de weduwen geen make-up of sieraden zullen dragen.

De eerste 40 dagen wordt er door de familie vaak iedere avond voor de overledene gebeden. Hierna wordt de rouwtijd voor de familie afgesloten met gebeden waarin gevraagd wordt de overledene op te nemen in de 'Djenna', de hemel. 

Deze afsluiting van de rouwperiode voor de familie heeft vaak een feestelijk karakter; er wordt gegeten en de nabestaanden zijn blij omdat zij geloven dat voor de overledene een beter bestaan is ingegaan. 

Graven zijn voor moslims geen plekken om hun doden te gedenken of hen iets te vragen. Op willekeurige graven wordt wel uit de Koran gereciteerd en worden smeekbedes verricht voor de zielenrust van alle overledenen.



Hindoeïsme

Het sterven


Een van de sanskara's vindt plaats wanneer er iemand op sterven ligt. Familieleden worden dan gewaarschuwd om bij het afscheidsritueel aanwezig te kunnen zijn. De oudste zoon heeft hier een belangrijke rol bij. Als de stervende geen zoon heeft of als die niet aanwezig kan zijn wordt zijn plaats ingenomen door een ander mannelijk familielid. 

De oudste zoon druppelt water uit de heilige rivier de Ganges in de mond van de stervende. Als er geen Gangeswater beschikbaar is wordt er gewoon een druppel kraanwater gebruikt. Water is het symbool voor leven, de vergankelijkheid en de oneindigheid. De oudste zoon legt hierna een blad van de heilige tulsie- of basilicumboom in de mond van de stervende. Hierna sprenkelen ook andere aanwezige familieleden water in de mond van de stervende. Elke Hindoe-familie heeft een speciale band met een priester, een 'pandit.' Deze leest de stervende voor en bidt met hem en zijn familie. Als er voor deze rituelen geen tijd meer is doordat de dood al is ingetreden worden ze na de dood uitgevoerd.

Hindoes geloven in de twee-eenheid van lichaam en ziel. Na de dood verlaat de ziel het lichaam om een ander stoffelijk omhulsel te vinden of om te worden opgenomen in Brahm. Het verlaten lichaam moet zo snel mogelijk terug naar de oerbron met de vijf elementen; water, vuur, ether, lucht en aarde. Verder contact met het dode lichaam is daarom niet belangrijk meer bij de rouwverwerking. Het lichaam wordt meestal zo snel mogelijk naar een uitvaartcentrum gebracht waar de overledene wordt afgelegd en gewassen in aanwezigheid van naaste familieleden. Een overleden man wordt traditioneel in een speciale doek gewikkeld en een vrouw krijgt een sari aan. Tegenwoordig gebeurt het ook vaak dat een man een pak wordt aangetrokken. 
Ondertussen wordt er door de priester samen met de nabestaanden en andere aanwezige vrienden en bekenden gebeden in de ontvangstzaal van het rouwcentrum. Daarbij wordt een aardewerken schoteltje met 'klare' (ongezouten) boter, een zogeheten 'dia'  aangestoken. In een koperen bokaal wordt water geschonken ten behoeve van de zielenrust van de overledene. Normaal gesproken worden er hierbij veel mensen verwacht, vandaar dat het meestal in een grote zaal plaats vindt.

Hierna vertrekt men naar het huis van de overledene alwaar ook een dia wordt aangestoken en een bokaal met water wordt neergezet. Er wordt opnieuw gebeden en voorgelezen uit de Ramayana.


De meeste Hindoes worden gecremeerd aangezien dit de snelste manier is om de terugkeer van het lichaam naar de bron te laten plaatsvinden. Cremeren is daarom voor de familie geruststellender dan begraven.

 

De uitvaart


Op de dag van de crematie scheert een zoon zijn hoofdhaar af, omdat hij bij de uitvaartplechtigheden als offeraar zal gaan optreden. Andere mannelijke familieleden scheren zich dan voor het eerst na het overlijden weer.
Er wordt in het rouwcentrum of het crematorium een plechtigheid gehouden waarbij er door de priester vijf eivormige balletjes, 'pindhs', gemaakt worden. Hij maakt ze van rijstmeel, honing, melk, klare boter, suiker en sesamzaad. Eten symboliseert voor Hindoes het leven en is een manifestatie van het goddelijke; zonder eten kon de overledene niet hebben bestaan. 
Het pindh-ritueel vormt een eerbetoon aan Brahm. Het aantal van 5 balletjes staat voor de vijf elementen en de eivorm symboliseert de twee-eenheid van lichaam en ziel. De balletjes worden in doeken gelegd en geofferd door ze in de kist te leggen; één bij iedere hand, één bij het hoofd, één bij de buik en één bij de voeten. Verder worden er door de nabestaanden bloemen, geurige stoffen en rijstkorrels in de kist gelegd waarbij wordt gezongen en gebeden. Hierna wordt de kist gesloten, met een doek bedekt en overgebracht naar het crematorium.

Bij het crematorium wordt de kist door de mannen uit de familie, met de zonen voorop, naar binnen gedragen. Hierbij stopt men onderweg vijf keer en zet men de baar even neer.

Binnengekomen wordt de kist weer geopend en versierd met kransen. Men zingt religieuze liederen en de priester houdt een preek. De oudste zoon loopt met een brandende dia vijf keer rond de kist en raakt iedere keer de mond van de overledenen met de dia aan. Dit is de zogenaamde doodskus waarmee symbolisch het lichaam in brand wordt gezet. Er wordt een aantal gebeden gezamenlijk uitgesproken en de aanwezigen gaan in de rij staan om afscheid te nemen en rijstkorrels of bloemblaadjes in de kist te leggen.

Het is voor de familie van de overledene heel belangrijk om het lichaam te zien branden. Daarom gaat er een aantal van hen mee naar de ovenruimte om de verbranding mee te maken. De oudste zoon kan daarbij de kist in de oven duwen om de verbranding in gang te zetten. 

Aangezien een Hindoestaanse uitvaart aanzienlijk langer duurt dan andere crematies zal men deze vaak aan het einde van de dag plannen.

 

De rouw


Na de crematie leeft de familie tien dagen heel sober en eet zij vegetarisch. Er wordt iedere dag een offerdienst gehouden waarbij tien rijstballetjes worden geofferd om voor de ziel van de overledene een nieuw menselijk omhulsel af te smeken. Het kan namelijk bij reïncarnatie ook zo zijn dat je terugkomt als een lagere diervorm.
De rijstballetjes worden op een hoopje zand gelegd dat Moeder Aarde symboliseert. Er wordt ook door de oudste zoon een vuuroffer van geurige houtsoorten gebracht in een speciale ijzeren bak. Dit kan ook in het crematorium gedaan worden. 

Op de tiende dag worden er vegetarische gerechten bereidt die door de overledene lekker werden gevonden en deze gerechten worden voor hem op een bord in de tuin of op het balkon gezet.

Twaalf of dertien dagen na de crematie wordt er een rouwplechtigheid gehouden in het huis van de overledene waarbij behalve familie ook vrienden en bekenden aanwezig zijn. Er worden speciale offers gebracht onder leiding van de priester. De rouw wordt hiermee officieel opgeheven maar de directe nabestaanden mogen pas na een jaar weer feestelijke gebeurtenissen, zoals huwelijken, organiseren. 

Na zes maanden herhalen de nabestaanden de plechtigheid van de dertiende dag en na een jaar wordt de rouwperiode afgesloten met een ceremonie.



Joden

Het sterven


Zolang iemand nog leeft mag er helemaal niets worden geregeld op het gebied van de begrafenis zoals het bestellen van de kist of de rouwkaarten. Een ademend mens maakt namelijk deel uit van het leven en behoort daarom toe aan die wereld, bezig zijn met de begrafenis getuigd dan van weinig respect. Een stervende mag in principe ook niet worden aangeraakt. 

Het aanwezig zijn bij het sterven wordt gezien als een voorrecht. Een aanwezig familielid of iemand anders zorgt ervoor dat de stervende zijn zonden beleid in de vorm van een gebed ('widdoej'). Het laatste gebed, 'Sjema Israël', wordt zo laat mogelijk door de stervende uitgesproken. Indien mogelijk is de rabbijn hierbij aanwezig bij het overlijden om samen met de stervende dit gebed uit te spreken: 'Hoor Israël, de Enige is onze God, De Eeuwige is Eén.'

Na het overlijden wordt het lichaam van de overledene afgedekt door de rabbijn, de arts of een familielid en wordt er een licht boven het hoofd aan gedaan. Dat licht blijft branden zolang het lichaam boven de grond staat. Het licht staat symbool voor de aanwezigheid van de geest van de overledene. De nabestaanden krijgen het gezicht van de overledene niet meer te zien.

Nu roept het rabbinaat de 'Chevrah Kadiesjah' op; letterlijk de 'heilige vereniging' van mensen die de overledene verder verzorgen. Dit zijn vooraanstaande leden van de joodse gemeenschap die de 'taharah', de rituele reiniging, uitvoeren. Mannen mogen alleen door mannen worden gewassen, en vrouwen alleen door vrouwen. 

De reiniging vond oorspronkelijk plaats in een speciaal gebouwtje, het metaheerhuis, maar tegenwoordig kan het ook in een ander gebouw van de joodse gemeente, in het ziekenhuis of in het sterfhuis plaatsvinden. De 'taharah' symboliseert het reinigen van de zonden bij de overgang naar de eeuwigheid. Bij de reiniging blijft het lichaam in lakens gehuld, terwijl er kommen water over uitgegoten worden. 

Indien de doodsoorzaak geen natuurlijke is én er op het lichaam bloedsporen worden aangetroffen dan vindt deze rituele wassing niet plaats. Het lichaam wordt dan, zoals het gevonden werd, in een laken omwikkeld en begraven. Als de doodsoorzaak moord is dan wordt de overledene altijd, bloedsporen of geen bloedsporen, in de kleding die hij aanhad op dat moment begraven.


 
De overledene wordt na de wassing gekleed in een eenvoudig wit katoenen doodsgewaad of - als het om een man gaat - in een gebedsmantel. In principe zijn er bij de 'taharah' geen familieleden aanwezig. Zij kunnen eventueel aan het einde helpen bij het aantrekken van de sokken. 

Als het lichaam in de eenvoudige kist is gelegd wordt er wat aarde van Israël over het lichaam uitgestrooid of in een zakje onder het hoofd gelegd als teken van verbondenheid met het eigen land. Cremeren is in verband met de lichamelijke wederopstanding voor joden min of meer verboden, maar sinds de tweede wereldoorlog kiest een klein percentage liberale joden hier toch voor. Zij doen dit als teken van verbondenheid met de mensen die in de holocaust verbrand zijn. Leden van de liberale gemeente kunnen hun speciale wensen, die vaak samenhangen met hun oorlogsverleden, na een gesprek met de rabbijn in een codicil laten vastleggen.

Een joodse begrafenis moet zo snel mogelijk plaatsvinden, tenzij het een sabbat of feestdag is. In Nederland geldt wettelijk een minimale periode tussen overlijden en begrafenis van 36 uur, maar zo snel mogelijk daarna vind de begrafenis plaats.

In de tijd tot de begrafenis wordt er door de nabestaanden bij de dode gewaakt. Bij liberale joden is dit echter geen verplichting meer. De nabestaanden worden zolang de overledene nog niet is begraven ook nog niet gecondoleerd; alle aandacht gaat uit naar de overledene zelf. De nabestaanden worden wel zoveel mogelijk geholpen en ontzien zodat zij met hun verdriet bezig kunnen zijn. Zo worden ze niet alleen gelaten, ze worden van eten voorzien en ze hoeven niet alle verplichte gebeden te bidden.

 

De uitvaart


De kist wordt bij de begrafenis gedragen door nabestaanden of door leden van de Chevrah Kadiesjah. De bedoeling in dat aan de rouwstoet zoveel mogelijk leden van de gemeenschap deelnemen. Bij orthodoxe joden mochten vroeger geen vrouwen aanwezig zijn, nu mag dat wel maar moeten zij zich apart opstellen. Ook bloemen horen in principe niet bij een joodse begrafenis, hoewel er tegenwoordig niet snel bezwaar tegen zal worden gemaakt. Bij orthodoxe joden is het wel zinnig na te vragen hoe men hier tegenover staat.

Wie toch iets wil geven kan ook iets in een collectebus voor een goed doel doen. In de aula aangekomen leest de rabbijn een liturgische tekst voor of houdt hij of iemand uit de gemeenschap een herdenkingstoespraak ('hesped').

De kist wordt vervolgens door familieleden en vrienden naar het graf begeleid. Onderweg worden er gedeelten van psalmen gezegd en men stopt drie keer om te laten zien dat er geen haast is (drie is het getal van de Goddelijke volmaaktheid). 

Bij het graf laat men de kist zakken en schept men beurtelings drie keer zand op de kist. De spade mag hierbij niet aan elkaar worden doorgegeven. Het scheppen van zand wordt namelijk gezien als een 'mitswa', een religieuze goede daad, en deze dient geheel zelfstandig te worden uitgevoerd als laatste eerbetoon aan de dode. Daarbij zeggen de nabestaanden 'Kaddiesj', een lofzang op God. 

De familie verlaat nu tussen twee rijen vrienden het graf waarbij ze gecondoleerd worden. De vrienden spreken hierbij een traditioneel troostgebed uit en de familie maakt een scheur in hun kleren als teken van rouw. 

Bij het verlaten van de begraafplaats worden de handen gewassen als symbool voor de overgang naar de tweede fase van rouw voor de nabestaanden en als overgang naar het gewone leven voor de andere mensen.

Thuis krijgen de nabestaanden een troostmaaltijd die meestal bestaat uit brood en ei. 

Kinderen die ouder zijn dan één jaar worden op dezelfde wijze als een volwassene begraven. Alleen baby's die jonger dan dertig dagen oud zijn worden niet in een kist maar in een laken gewikkeld op een sobere en intieme wijze begraven. Zo'n jonge baby behoort slecht tot de directe familie en niet tot de gemeenschap welke echter wel troostend aanwezig is in het rouwhuis maar een minder actieve rol toebedeeld krijgt. Bij zulke jonge kinderen wordt er geen 'tziddoek hadien' en 'kaddisj' gezegd. De ouders en familie worden op een andere wijze getroost dan voorgeschreven.

 

De rouw


De familie rouwt de eerste zeven dagen na de begrafenis zittend op de grond of op lage krukjes. Dit heet 'sjiwwe zitten.' Voor baby's die te vroeg geboren zijn en binnen dertig dagen overlijden gebeurt dit niet, tenzij ze na dertig dagen nog in de couveuse liggen. 

Liberale joden doen dit soms niet langer dan één dag. In deze tweede rouwperiode wordt het huis niet verlaten, behalve op sabbat om naar de synagoge te gaan. Mannen scheren zich niet in deze periode en vrouwen maken zich niet op. Niemand trekt nieuwe kleren of schoenen aan. 

De nabestaanden worden bij het 'sjiwwe zitten' vaak vergezeld door een groep van tien mannen uit de gemeenschap. Zij vormen gezamenlijk een 'minjah' en staan de familie in deze tijd bij. Het is de bedoeling dat schuldgevoelens ten opzichte van de overledene tijdens deze periode verwerkt worden.

De derde rouwperiode duurt tot 30 dagen na de begrafenis. Het dagelijkse leven wordt in deze periode langzaam weer opgepakt, deelname aan feesten is echter nog uitgesloten. Ook in deze periode scheren mannen zich nog niet. Als men tijdens deze rouwperiode op bezoek gaat mag je als bezoeker bij binnenkomst niet groeten, je moet stil gaan zitten en wachten tot de rouwenden een gesprek beginnen.

Bij het overlijden van een jongen onder de 13 jaar of een meisje onder de 12 jaar geld deze verplichte rouwperiode overigens niet. 

Gedurende het hele eerste rouwjaar laat men thuis een lichtje branden voor de overledene en gaan de directe nabestaanden nog niet naar feesten. In deze periode wordt er geld geschonken voor goede doelen en aan het eind van dit jaar, vlak voor de sterfdag of de jaartijddag, wordt er een steen, of 'matsewa' op het graf geplaatst als afsluiting van deze fase van het rouwproces. 

Joodse graven zijn eenvoudig en niet versierd. Meestal wordt alleen de naam en de geboorte- en sterfdatum vermeld, vaak met de afkorting TNTsBH: 'Moge zijn ziel verbonden zijn in de bundel des levens.' (moge de dode in de herinnering van de levenden voortleven.)

Elk volgend jaar wordt er op de jaartijddag een lichtje aangestoken en bezoeken de nabestaanden als het even kan de begraafplaats.

De doden worden jaarlijks tijdens één van de belangrijkste joodse feestdagen herdacht. Op de Grote Verzoendag of Jom-Kippoer worden de doden herdacht in het 'Jizkor'- of herdenkingsgebed. Dit gebed wordt uitgesproken voor overleden familieleden en voor slachtoffers van geweld.


Protestants christelijk

Het sterven


In de Nederlands Hervormde en Gereformeerde kerk en de Doopsgezinde Broederschap is de uitvaart lange tijd iets geweest wat niet in een kerkgebouw plaats vond. Bij de familie thuis of op de begraafplaats werd wel een troostend woord gesproken door de predikant.

Sinds het begin van de 20e eeuw is hier echter verandering in gekomen en vind men in gereformeerde kring meer en meer dat er toch een christelijke vorm van uitvaart zou moeten plaats vinden. Het is inmiddels min of meer gebruikelijk geworden dat de uitvaart plaats vindt vanuit een kerkdienst. Er is nimmer een uitspraak gedaan door de synode tegen crematie, maar in orthodox-protestantse kring is er we een weerstand tegen.

 

De uitvaart


Het noemen van de naam van de overledene staat in de protestants-christelijke uitvaartdienst centraal en er is niet zoals in katholieke diensten sprake van het uitvoeren van allerlei rituelen. De doopnaam van de overledene wordt afgestaan aan God die de naam bewaart. Ook de nabestaanden houden de naam in gedachtenis.

Het uitdrukken van emoties wordt meer door gesprekken dan door rituelen uitgedrukt. De predikant spreekt tijdens de uitvaartdienst over de hoogte- en dieptepunten uit het leven van de overledene en gebruikt tevens bijbelteksten om te illustreren dat menselijk leven eindig is maar dat het werk van Christus doorgaat. 

Bij het graf of in het crematorium wordt door de voorganger een gebed opgezegd om de overledene aan de schoot van de vader toe te vertrouwen. Na het dalen van de kist volgt er een 'Onze Vader' en wordt er een zegen gegeven. Hierna nemen de nabestaanden in stilte afscheid en is er gelegenheid tot condoleren. Na het condoleren en thuis wordt er nog intensief gepraat.

 

De rouw


De zondag na de uitvaart wordt in protestantse kring de 'rouw in de kerk gebracht.' Dit betekend dat de naam van de overleden wordt genoemd en dat er vaak nog iets over hem wordt gezegd. De familie wordt vaak ook genoemd.
De zondag voor de Advent, de zondag van de Voleinding, worden alle namen van de overleden gemeenteleden nogmaals genoemd als degenen die zijn voorgegaan op de weg naar Gods Rijk van Vrede.

Ook bij protestantse gemeenten is de vraag naar rouwdiensten met een persoonlijker karakter de laatste jaren merkbaar groter geworden. Aangezien dwingende voorschriften voor de uitvaart bij de protestantse gemeenten ontbreken is er veel ruimte voor de nabestaanden om een eigen invulling te geven aan de diverse onderdelen. Dit kan terug gevonden worden in het lezen van de bijbel of het zeggen van gebeden door een nabestaande of het zelf zingen van liederen.






Leven is als sneeuw

Je kunt het niet bewaren

Troost is dat jij er was

Uren, maanden, jaren





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina