Klassiek verhaal : feodale anarchie na val Romeinse Rijk opgelost door



Dovnload 33.34 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte33.34 Kb.
De Staat in Opmars

Inleiding



klassiek verhaal : feodale anarchie na val Romeinse Rijk opgelost door New Monarchs in 15de-16de eeuw → terug orde in staatsvorming in Europa

→ modernisering en centralisering (burgers willen orde en rust)

→ belastings – en geweldsmonopolie (staand leger) voor vorst

→ vooral in grote landen (Frankrijk, Engeland, Pruisen, …)

MAAR nadelen van deze theorie

→ te weinig aandacht voor kleine landen

→ rechtlijnige ontwikkeling

→ zowat alles verklaard door binnenlandse verhoudingen tussen adel, vorst en burgerij



  • nood aan genuanceerder, alternatief verhaal WANT veelvormigheid, complexiteit van staatsvormingsproces



1. De Beperkingen van de Staat
- uitbreiding van staten

→ 1500 : tussen 80 en 500 staten => ca. 1850 : tussen 20 en 100 staten

→ ‘staat’ moeilijk te definieren (bv Verenigde Provincieën → één staat of verschillende kleine staten?)


  • uitbreiding van staten door dynastieke problemen en/of geweld (bv Frankrijk)

- probleem 1 : legaliteit, rechtmatig besturen

~ Machiavelli (‘Il Principe’) : 3 methodes om gebied te controleren


  1. verwoesten

  2. er als vorst zelf gaan wonen

  3. plaatselijke wetten handhaven maar belastingen innen en eigen regering aanstellen

  • laatste methode het meest gebruikt (~ interne grenzen in grote staten)

(zie voorbeeld : unie tussen Spanje en Portugal op pagina 154)
- probleem 2 : conflicten tussen centraal gezag en periferie

→ vorsten streven naar uniformering MAAR lukt zelden

WANT weerstand van regio’s => compromissen (bv Languedoc ↔ Parijs)

→ deze regionale autoriteiten zijn onmisbaar in het functioneren van de staat

→ veel politieke conflicten in deze context (bv Catalaanse Opstand, NLse Opstand)


  • pas vanaf ca 1650 meer centralisering (uitbreiding administratie)

- patronage en cliëntelisme

→ persoonlijk, informeel netwerk van relaties > formele administratie

(patroon geeft cliënt bv ambten in ruil voor loyauteit)

→ soms familie-aspect (bv koningen schrijven elkaar als ‘broer’ of ‘neef’)

→ informele machtsstructuur (bv luitenant-stadhouders in Republiek)

→ piramidevormig netwerk met koning aan hoofd


  • belang van persoonlijkheid en sociale vaardigheid van vorst

    • opvolging door onbekwaam vorst → conflicten (bv successieoorlogen)

    • belang van beeldvorming (bv Lodewijk XIV : cultureel patronage)

  • vorst (zelfs in absolutisme) afhankelijk van loyauteit van cliënten

2. De Opmars van de Staat

→ geleidelijke modernisering van het openbaar bestuur


- scheiding tussen regering en het koninklijk huishouden (hof)

→ via belastingen worden ambtenaren betaald

→ ambtenaren werken voor onpersoonlijke overheid, gebonden aan regels

→ toch trouw aan vorst verschuldigd


- nieuwe, gespecialiseerde instellingen (bv nieuwe raden in Zweden en Wurtemberg)

→ nieuwe werkwijze : formelere relaties, gedetailleerde regels


- opkomst van de burgerij : benoemd als ambtenaren WANT betrouwbaarder dan adel

MAAR nuancering



  1. adel is dynamische klasse : burgers constant opgenomen in adel (behalve in de Republiek)

→ wel gradaties (bv recentheid van titel, hoeveelheid geld)

  1. hoge ambtenaren opgenomen tot adel, maar daarnaast ook veel lage ambtenaren (dikwijls niet opgegeven in archieven) => moeilijk te bepalen hoe groot ambtenarenapparaat is, het enige dat vaststaat is dat het toeneemt

- uitgebreide regelgeving

→ kwantitatief meer wetten, ordonnanties, voorschriften, …

→ verbrede inhoud : betreffende dagelijks, privaat leven ipv publieke leven

→ verbreed gebied : heel het grondgebied ipv alleen de steden

→ beroep op het algemeen belang ipv op Gods gezag


- ‘nationalisering’ van de Kerk

→ kerk moet toezicht houden op bevolking in opdracht van staat (vooral in

protestantse kerk)

→ bv Stillstand in Zürich = instelling verantwoordelijk voor politieke en bestuurlijke

aangelegendheden met een morele kant, bestaat uit oa predikant
- vertegenwoordigende instellingen

→ voorgesteld als conservatief, anti-modernisatie van de vorst (bv Pruis., Polen)

→ efficiënte, moderne vertegenwoordigingsorganen (Zweden, Nederland, Engeland)
Engeland : vroege centralisatie (1066) en parlement (1295)


    • ↔ vasteland had voortdurende bedreiging (van elkaar) → wapenwedloop en hervormingen van bestuur

  • ouderwetse bestuurscultuur in Engeland begin 17de eeuw

    • burgeroorlog en Glorious Revolution : overwinning en modernisering parlement

    • parlement van begin af toch ‘modern’ want afspiegeling van natie als geheel in plaats van vertegenw van standen (= regionale afvaardiging)

Nederlandse Republiek



    • soeverein (1581) → geen nieuwe vorst

    • typerende vertegenwoordiging : regionaal qua reikwijdte, vertegenwoordigers van corporatieve instellingen (bv gilden of ridderschappen die stad en adel vertegenw)

    • kerk enkel vertegenwoordigd in Utrecht

    • enkel stemhebbende steden vertegenwoordigd (dus niet alle steden)

→ elke stad één stem ongeacht grootte

    • gewestelijke Statenvergaderingen sturen vertegenwoordigers naar nationale Staten-Generaal (elk gewest één stem), bemoeit zich enkel met buitenlandse politiek (=> gedenctraliseerde staat)

→ zeer effectieve politieke en militaire organisatie (bv winst tegen Spanje, Engeland, Frankrijk)

- oorlog en militair apparaat

→ kwantitatieve uitbreiding (ook in kleinere landen als Zweden en Nl)

→ professionalisering



    • primitieve artillerie en handvuurwapens

    • permanent, staand leger met specialisten

MAAR zware druk op staatsbudgetten → geldgebrek leidt tot muiterij

  • grotere belastingsdruk en financiële hervormingen

- financiële organisatie

→ permanente belastingen ipv middeleeuwse bedes, standenvergadering moet

verandering in belastingen goedkeuren

→ belastingen op onroerend goed en consumptiebelastingen => ongelijke verdeling

→ ophaling door belastingspachters (maar willen zelf ook winst maken)

in Engeland nationale bureaucratie voor belastingsinnen : ambtenaren buiten eigen regio tewerkgesteld en constant gewisseld

→ leningen mbv bankiers en zelfstandige ondernemers (= riskant)

→ staatsbankroet => tijdelijke opschorting van rentebetalingen + eenzijdige verlaging van de rentevoet (= dus geen volledige schrapping van de staatsschuld)

- MO: vanaf 15de eeuw verlaging rentevoet door



  1. economische expansie in Europa, meer kapitaal beschikbaar

  2. transparantie vh overheidsapparaat = meer vertrouwen van burgers

→ vooral in staten met sterk parlementair stelsel (Nl, Eng)

- Besluit

→ overheden slagen er in 16de en 17de eeuw in om zich effectiever te organiseren en

een groter aandeel te verwerven van het nationaal inkomen

→ sterker doordringen van overheid in dagelijks leven (meer ambtenaren en wetten)

3. Variaties in Staatsvorming
- gelijkenissen : Europese staten dwingen elkaar tot wapenwedloop en bijgevolg modernisering en experimentatie (concurrentie op ‘leven en dood’)

→ ook verschillen : bv agrarische vs commerciële economie, groot vs klein, sterke monarchie vs sterke vertegenwoordigende instellingen, …



  • 3 zones te onderscheiden (~ theorie van Tilly : zie les)




  1. Centraal- en Oost Europa

    • grote, amorfe ruimtes met lage bevolking en lage urbanisatiegraad

    • economie : agrarisch en grondstoffen (uitvoer naar Westen) → weinig belastingsmogelijkheden => nood aan economische vooruitgang

    • bv. Brandenburg-Pruisen (Hohenzollerns erven toevallig groot Pruisen, Frederik Willem bouwt economie uit : mijnbouw, handelsvloot, …)

  • reputatie van autoritaire maar toch moderne regering




  1. middengebied (= Lage Landen, Rijngebied, Zwitserland, Italië)

    • verstedelijkt, knooppunten van handel (vooral Lage Landen en Italië)

    • steden zijn bron van belastingen MAAR hebben ook sterke positie en vorst moet hiermee rekening houden

    • vele, kleine staatjes

    • bv Venetië : bestuurd door adel die handelsbelangen verdedigen

    • bv Holland : machtige positie van stedelijke elites die handelsbelangen verdedigen (dankzij gedecentraliseerde structuur)




  1. West Europa

    • grote staten : Frankrijk, Engeland en Spanje

    • zowel groot als gecommercialiseerd (toch minder dan middengebied)

  • zeer grote budgetten

    • bv Frankrijk en Engeland strijden om hegemonie in Europa tijdens tweede honderdjarige oorlog



4. Een Europese Geschiedenis (Besluit)
- bijzondere Europese staatsvormingsproces verklaard door ontbreken van grote keizerrijken

die hervormingspogingen verhinderen (~ Max Weber)

MAAR drie uitzonderingen


  1. Habsburgse Rijk : zeer groot rijk MAAR eigenlijk samengestelde gebieden waar geen centraal gezag over mogelijk was (bv rondreizen van Karel V, telkens opnieuw kopen van keizerstitel, opdeling in Oostenrijks en Spaans deel)

  2. Rusland : enorme uitbreiding sinds 15de eeuw tot Peter de Grote

→ moeilijk te controleren DUS politiek van willekeur en dwang

→ bv cavaleristen innen zelf belastingen, staatsslaven tot 19de eeuw, …



  1. Osmaanse Rijk

→ MAAR horen Rusland en Osmaanse Rijk wel tot Europa?

- Europese geschiedenis = geschiedenis van pluralisme (veel verschillende, kleine staten)



→ oorzaken (van uitzonderlijk staatsvormingsproces) : middeleeuwse erfenis van ‘feodale anarchie’ +

ongelijke verdeling van economische hulpbronnen die vorsten tot hun beschikking hadden

→ secundaire oorzaken : strijd tussen kerk en staat, Reformatie, geografische verscheidenheid

→ dynamiek van staatsvormingsproces komt voort uit machtsevenwichten in binnen – en buitenland



→ beperkingen dwingen vorsten om verschillende oplossingen te zoeken => veelvormig

moderniseringsproces



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina